DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatàmsaka Soetra


Boek Tweeëntwintig


De Tien Onuitputtelijke Kostbaarheden
Bijlage




de kostbaarheid van leren


"De Bodhisattvas[-Mahāsattvas] weten dat iets bestaat omdat iets anders bestaat, en dat iets niet bestaat omdat iets anders niet bestaat. Ze weten dat iets tot ontstaan komt omdat iets anders tot ontstaan komt, en dat iets vergaat omdat iets anders vergaat. Ze weten wat van de wereld is, en wat bovenwerelds is. Ze weten wat samengesteld is en wat niet samengesteld. Ze weten wat betekenisvol is en wat zinloos."

De basis voor deze passage vinden we in een van Sakyamuni Boeddhas eerste Leerredes waarin hij uiteenzet waaruit zijn kennis of weten bestond. Het eerste deel van de hier gegeven passage uit de Avatámsaka wordt in de Āgamas en de Nikāyas(1) op een paar plaatsen als volgt gegeven: "Wanneer dat bestaat, verrijst dit; bij het verrijzen van dat, verrijst dit. Wanneer dat niet bestaat, komt dit niet tot verrijzen; bij het wegvallen van dat, houdt dit op."(2)

Het lijkt op het eerste gezicht een wat bête mededeling. Het is echter de tweede(3) uiting van Boeddha over het Voorwaardelijk, Afhankelijk Ontstaan (pratítiya samutpāda).
Dit is de eerste krachtige ontkenning van theïstische ontstaans-theorieën. Hier wordt niet gezegd dat de dingen geschapen of gemaakt worden door een of andere instantie, en er wordt ook niet gezegd dat het ene geboorte geeft aan het andere.
Wat deze voor het Boeddhisme grondleggende gedachte inhoudt, is dat er slechts sec - zoals het is (yathā-bhutā)(4) - geconstateerd kan worden dat, omdat er dit is, dat andere een mogelijkheid heeft tot ontstaan, -- en dit niet in enkelvoudige schakelingen van ding na ding, maar in een veelvoud van voorwaarden en condities die nodig zijn om dit ene ding er te laten zijn.

Zo zijn er voor het ontstaan van een boom een aantal condities en voorwaarden nodig. Er moet een boom zijn die een zaadje laat vallen, er moet aarde zijn, er moet licht zijn, er moet water zijn, en er mag geen schaap zijn dat de spruit afknaagt. Dit zijn de voorwaarden en condities. Pas wanneer deze zijn vervuld kan er een boom groeien. Hetzelfde geldt voor ander ademend leven: er moet een man en een vrouw zijn, er moet sperma en ovum zijn, de tijd moet rijp zijn, de baarmoeder moet geschikt zijn, de moeder moet in leven blijven, en pas dan kan een kind geboren worden. Dit is wat geconstateerd kan worden, op een Cartesiaanse manier. De verschillende scheppings-theorieën zijn niet verifieerbaar en worden door het Boeddhisme terzijde gelaten.

Noten
(1) In MN.I. 262-264; SN. 2. 28, 70, 90; Udāna 2 en Taisho 2.67a en 2.100a. (Zie voor Taisho de bijlage over de japanse encyclopedisten.)
(2) In de Pali-versie: "Imasmin sati idam hoti, imassa upādā idam uppajjati. Imasmim asati idam na hoti, imassa nirodhā idam nirujjhati."
(3) In de Eerste Leerrede (zie voor de passage boek 21, linkerkolom, noot 1) wordt gesproken over de twaalfvoudige keten van Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan.
Waarom de meest geaccepteerde en als oorspronkelijk geziene keten van afhankelijk ontstaan 12 schakels heeft, wordt door Friedrich Wilhelm in een vertaling van het boek Pausya uit de hindu Mahābhārata en de biografie van Naropa opgelost (Wiesbaden 1965). Naropa moest, zo zegt zijn biografie, eerst 12 jaar op bedelronde voordat Tilopa hem de 2x12 eindbeproevingen opdroeg. In de vedische tijd, zegt Wilhelm, althans in de Rgveda, een grondleggend geschrift voor het hinduïsme, wordt in raadseltermen gesproken in termen van: "12 velgen, 1 wiel, en 3 naven". Of het inderdaad uitgelegd moet worden als een verzinnebeelding van het jaar met 12 maanden en drie (x2) jaargetijden, dat laten we graag aan Indologen over. In ieder geval is het getal 12 vanuit de veda het boeddhisme binnen gekomen in de leerstelling over de 12-voudig keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, en is het later gebruikt in de Naropa-biografie.
(4) Diezelfde linkerkolom geeft de "zoals het is"-passage.




de kostbaarheid van geven


In het Noordwest Europa waar de psychiatrie en psychologie veel werk maken van geneesmethoden waarin de patiënt of cliënt wordt aangemoedigd het persoonlijke verleden te herbeleven om het een plaats te geven en weer verder te kunnen, is het wellicht interessant te zien dat het Boeddhisme hier een diametraal tegenovergestelde visie heeft - dat wil zeggen, die vertegenwoordigers van het Boeddhisme die zich richten naar de vroege Leerredes en latere Soetras zoals de voorliggende.
De gegeven passage volgt op een zinsnede waarin nog eens wordt herhaald dat de Bodhisattvas "niet buitengewoon gehecht zijn aan wedergeboorte in een Boeddhaland."

"Ze contempleren op alle dingen van het verleden; ze zoeken ze overal om dan vast te stellen dat ze ongrijpbaar [want niet meer aanwezig] zijn. Zo overwogen hebbend laten ze zo uiteindelijke alle dingen van het verleden achter. Dit heet "[op]geven van het verleden."
En deze kennis wordt doorgegeven aan komende generaties leerlingen.

Uiteraard stelt zich hier de vraag over de doorwerking van verleden karma naar het heden. Dát onze handelingen in het verleden hun uitwerking hebben op het heden, is zo duidelijk als wat. Het heeft volgens de Boeddha-Dharma echter geen enkele zin meer in te zitten over dat verleden, want we kunnen er toch niets meer aan veranderen. We werken dus in het heden naar de toekomst, met de wetenschap in het achterhoofd dat onze huidige handelingen geconditioneerd zijn door het verleden, maar beïnvloedbaar in het heden. We observeren daarom die huidige handelingen - die we kunnen bijstellen, en niet het verleden - waar we niets meer aan kunnen doen.
We kunnen daarvoor terugverwijzen naar de Uraga Sutta uit de Kleine Voertuig-collectie, die eerste woorden uit de Sutta Nipāta(1) waarin we de slang zien die de oude huid achterlaat en als herboren een nieuw jaar ingaat.
Noot
(1) Zie boek 21.

Naar de tweede kolom


de kostbaarheid van wijsheid


Hier weet, of kent, de Bodhisattva de dingen "zoals ze naar werkelijkheid zijn." 'De dingen' zijn dan alle categorieën die uit de Abhidharma-literatuur bekend zijn geworden: vorm, hoe vorm is samengesteld, en het pad dat leidt naar uitdoven van vorm. Zo wordt ook gesproken over ondervinden, perceptie, en bewustzijn, over onwetendheid, begeerte, het een Srávaka (Toehoorder) zijn, het een Pratyé(é)ka Boeddha (Zelf-Verlichtte) zijn, over bodhisattva zijn.
"Ze weten dat zowel [huidige] handelingen die uit vroegere handelingen voortkomen, en de vrucht van voorwaarden en condities alle onwerkelijk en ledig (sunyā) zijn, niet-zelf, niet-substantieel — er is geen enkel ding dat vastgesteld kan worden [als hebbende een ens, een -heid]."

Deze woorden gaan voort op de laatste alineas uit de linkerkolom. Niet alleen kunnen we de oorvijg die we tien jaar geleden uitdeelden niet meer ongedaan maken, maar wanneer we gaan zoeken vinden we niet zoiets als een "oorvijg-heid" waar we aan kunnen gaan sleutelen om een en ander wat bij te stellen.
Daarom is het woord "laten gaan" zo gevleugeld geworden binnen het Boeddhisme. Wat moeten we dan wel laten gaan, bij de afwezigheid van ultieme substantie?

Die wetenschap wordt uitgelegd.
"Wat leggen ze [de Bodhisattvas] hen [de wezens] uit? Ze leggen uit dat geen ding vernietigd kan worden. Welke dingen kunnen niet vernietigd worden?"
De hele serie gegevenheden uit de eerste alinea, te beginnen met vorm, en te eindigen met de vrucht van voorwaarden en condities —
"dit kan niet vernietigd worden. Waarom niet? Omdat geen ding geschapen is, geen ding een schepper heeft, het niet verklaard kan worden en niet gelokaliseerd; omdat de dingen ongeboren en niet ontstaan zijn, omdat er geen geven of nemen is, geen beweging en geen functie."

Dit klinkt heel zwartgallig; er is niets. Maar zo mogen we dat niet opvatten. We moeten hier opnieuw verwijzen naar de uiteenzetting over de afwezigheid van die fameuze '-heid'(1). Het zou alleen die '-heid' zijn waar we een functie aan toe kunnen kennen, maar die '-heid' is er niet. Uiteindelijk is dit een heel vrolijke constatering. We worden in onze gang door samsara door geen ziel of wat ook gehinderd. Uiteindelijk is er alleen maar vrijheid.
Noot
(1) Zie boek 14

de kostbaarheid van herinneren


"De Bodhisattvas schudden onwetendheid en verwarring van zich af en bereiken volledig aandachtig bewust zijn (satí). Ze herinneren zich een leven, twee levens, zelfs tien levens, honderd, honderd-duizend..." enzovoorts.

Hier wordt de Samañña-phāla Soetta uit de Kleine Voertuig-collectie geparafraseerd en uitgebreid. In die Leerrede wordt gesproken over alle verheven kwaliteiten, kennis en wijsheid die Boeddha behaalde. In dit 22ste boek van de Avatámsaka Soetra wordt de Bodhisattva-Mahāsattva dezelfde kwaliteiten, kennis en wijsheid toegedicht. Dat is niet verwaand of vreemd. Al eerder zagen we dat in deze Soetra de Grote Bodhisattvas en de Boeddhas eender zijn.(1)

De Samañña-phāla Soetta heeft dan de volgende woorden:
"Met zijn geest zo geconcentreerd, gezuiverd, helder, onbezoedeld, vrij van defecten, voegzaam, buigzaam, standvastig en met bereikte onverstoorbaarheid, wendt hij die geest naar de kennis die 'herinneren van vroegere levens' [letterlijk: vroegere huizen] heet. Hij herinnert zich zijn vele voorgaande levens, — een geboorte, twee geboorten, drie geboorten, vier, vijf, tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, honderd, duizend, honderd-duizend, vele eonen waarin de cosmos zich samenbalde en weer uitdijde, en herinnert zich, 'Daar had ik die naam, behoorde tot die clan, zag er zo en zo uit. Dat at ik, zo onderging ik vreugde en pijn, zo kwam ik aan mijn eind. Uit die staat verdwijnend verrees ik hier'. Zo herinnert hij zich zijn vele levens, in al hun vormen en details."

In de Avatámsaka Soetra herinnert zich de Bodhisattva dan ook de voorgaande Boeddhas - zoals ook Sakyamuni Boeddha zich de voorgaande Boeddhas herinnerde. Hij herinnert zich de Leerredes uit het verleden, de verzen, de voorspellingen, de gedichten, de verhalen, de uiteenzettingen, de legendes, enzovoorts.

Noot
(1) Zie boek 15

de kostbaarheid van bewaren


Hier is de Bodhisattva in staat om alle vastgelegde leringen te bewaren voor latere generaties is. Er wordt van gezegd dat deze kunde van het bewaren van de Dharma "in het Rijk van de Boeddhas" is.

Het is mogelijk dat we hier een glimp opvangen van de moeilijkheden die de monniken-sangha van rond de Zijderoute van tijd tot tijd - en uiteindelijk voor heel lange tijd - ondervond, ook in een rijke stad als Khotan waar niet alleen handelskaravanen door trokken, maar ook plunderende legertjes.
Een aantal Boeddhistische manuscripten zijn vanaf de negentiende eeuw in potten en grotten teruggevonden, maar veel is er ook verloren gegaan. We maken hier wellicht het dilemma mee waar men zich voor gesteld zag. Op de vlucht meenemen van loodzware bundels manuscripten was niet altijd mogelijk. Waar ze te verbergen?

Boek 22 eindigt met de volgende zinnen: "... de Boeddhas waken over hen; ze begrijpen dat alle dingen als fantomen zijn."

Het begrip fantoom vinden we in de heel beroemde Diamant Soetra die waarschijnlijk voorafging aan de Avatámsaka Soetra, de laatste regels:

Het leven is een reis. | Dood is terugkeer op aarde. | Het universum is als een herberg [waar je niet lang blijft]. | De jaren die voorbij gaan zijn als stof. || Kijk naar deze fantoom-wereld | ze is als een ochtendster, een blaasje op een stroom, | een bliksemschicht door zomerwolken, | een flakkerende lamp - een fantoom - en een droom.



Tenslotte, in dit 22ste boek wordt uitgebreid verwezen naar de Vessántara Jataka (no. 547 in de Pali-collectie; www.palikanon.com/english/pali_names/vy/vessantara_jat_547.htm). In dit Geboorteverhaal wordt prins Vessántara opgevoerd die bereid is op het eerste teken alles weg te geven wat hij maar bezit, of waar hij verwant mee is, zoals zijn familie en zijn leven.
Bovendien wordt ook hier opgemerkt dat het de Bodhisattva is toegestaan de Dharma in alle mogelijke talen en dialecten te onderwijzen. Dit laatste is een controversieel issue geweest. Er waren in de eerste jaren na Sakyamuni Boeddha's overlijden stemmen die meenden dat slechts de taal gebruikt mocht worden die hij zelf gebruikte, een taal die gesproken werd in het staatje Màgadha, en die verwant is aan, of grondleggend voor het Pali waarin op een gegeven moment de Leerredes werden opgetekend.




Terug naar de startpagina

Naar het volgende boek


Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme