DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatàmsaka Soetra


Boek Drieëntwintig


Opstijgen naar het Paleis van Tushita-hemel




(De eerste twee boeken beschrijven de cosmische mandala.
In het derde boek begint de beschouwer-meditator zich hiermee te identificeren.)

Nadat in Suyāma alles is geleerd wat geleerd moet worden, en alles is gepraktizeerd wat gepraktizeerd moet worden, vormt de bijeenkomst in het paleis van Tushita daarop een celebrerende afsluiting.

Laten we nog even herhalen wat er gezegd is aan het begin van boek 19: De Avatámsaka geeft zijn geheimen maar langzaam prijs. De menigte zit geschaard rond Boeddha die gezeten is op zijn leeuwentroon, onder de bodhiboom, op de plaats van verlichting, in het land Mágadha. Vandaaruit stijgen hij en de menigte - binnen die hele speciale visualisatie-meditatie, op naar berg Sumeru, zoals we gezien hebben in de boeken 13 t/m 18. Daarna trekt het gezelschap verder en bereikt Suyāma dat op de top van berg Sumeru ligt. Vanaf boek 23 stijgt het hele gezelschap nog verder op naar het hemelse bereik Tushita.

Vanaf boek 26 zal de menigte weer verder geëvolueerd zijn, en vanaf boek 27 daalt men weer neer naar Mághadha, en beoefent daar, op aarde, wat in die onaardse (lokóttara) meditatierijken is geleerd.

Het cultiveren in Tushita, in de drie boeken die de Avatámsaka daar aan besteedt, bestaat uit uitgebreid offeren aan Boeddha - boek 23, uitgebreid prijzen van Boeddha - boek 24, en uitgebreid alle weldoende handelingen en praktijken opdragen aan Boeddha - boek 25.

Boek 23 is eigenlijk één lang recitatief, en "lang" moeten we waarschijnlijk toch als echt lang opvatten. Ook in de oorspronkelijke taal heeft die recitatie mogelijk twee uur of langer geduurd.

De tekst valt in drie delen uiteen: Eerst wordt gesproken over de verfraaiingen die in het paleis van Tushita worden aangebracht in afwachting van Boeddha's komst. De meeste van die verfraaiingen, zoals kostbare edelstenen en dergelijke, staan voor verheven kwaliteiten van de geest zoals zuiverheid, ethiek, en dergelijke. Het tweede deel toont een veelheid aan Bodhisattvas, en wat ze aan uiterlijke kenmerken aan Boeddha waarnemen. Het derde deel beschrijft Boeddha in zijn Boeddha-zijn.




Wat aan boek 23 opvalt is dat hierin verlichting, Boeddha en de Bodhisattvas drie keer worden vergeleken met de zon, als in het volgende citaat - waarin overigens in de verleden tijd wordt gesproken:
"Met Verlichting [bodhi], die zon, zette hij zonder onderbreking de cosmos in het licht."
Het tweede citaat zegt:
"... hij was een groot vorst van waarheid, als de zon die alles overstraalt."
In het derde citaat wordt gesproken over de Bodhisattvas die zodanig handelen dat diegenen die hen zien nooit moe worden, dat ze, die Bodhisattvas
"... als de zon van de wereld zijn, die verleden, heden en toekomst in het licht zetten."




De tekst is erg ambivalent over de naam van de Boeddha die hier geëerd wordt. Op een zeker moment wordt hij "de onvoorstelbare held der mensen" genoemd, een aanduiding die rechtstreeks uit de vroegste canon stamt, maar in de verdere beschrijving van boek 23 komen we Boeddha toch eerder tegen als de Oer-Boeddha, als Boeddhaschap als zodanig dat in deze Avatámsaka Soetra, maar niet in boek 23, de naam Vairócana heeft gekregen.(*)
Samengevoegd met de hier geciteerde zinsneden over de zon heeft dit onderzoekers uit het recente (Europese) verleden gebracht tot een beschrijving van de leer rond Vairócana Boeddha als "Great Sun Religion", zeker wanneer hier de Japanse esoterische stroming in het geding was, en geschriften als de Vairócanābhisambodhi-tantra en de Mahāvairócana-Sūtra. Of de Avatámsaka Soetra daar mede-grondleggend voor is geweest wordt door onderzoekers als A. Wayman en R. Tajima bevestigd.

(*) Het is pas in boek 25, het laatste van deze set van drie, dat we de naam Vairócana tegenkomen. Daar wordt Bodhisattva Banier van Diamant - diamant en de Boeddha-Dharma zijn beide onvernietigbaar - geprezen door een koor van Boeddhas, nadat hij kracht van spreken had gekregen door, moeten we opmaken uit de context, Sakyamuni Boeddha. Daar, in de eerste alinea van boek 25, wordt Banier van Diamant's "absorptie in het licht van kennis van Bodhisattvas" verklaard als "de geestkracht der Boeddhas en die van Vairócana's oer-geloften."




Evenals in boeken 13 en 19 zet Boeddha, hier uitgenodigd door de "Koning over Tushita" zich niet eerder op zijn leeuwenzetel neer dan nadat deze koning de lof heeft gezongen over een tiental voorgaande Boeddhas, die hier weer heel andere namen hebben dan in de genoemde eerdere twee boeken.


de wortels van het goede


De term 'wortels van het goede' (roots of goodness) vinden we doorheen heel de Avatámsaka Soetra. Het is echter pas in dit drieëntwintigste boek dat er een eerste aanzet wordt gegeven voor een verklaring van de betekenis er van. Boek 25 zal er meer specifiek op in gaan.
Hier, in boek 23, heeft de Koning over Tushita doorheen het onvoorstelbare verleden de bovengenoemde tien voorgaande Boeddhas geëerd en gediend. Dat zijn zijn "wortels van het goede", zijn voorraad aan goed karma dat hem tot deze huidige gelukzalige positie heeft gebracht. Het zal hem verder dragen doorheen de toekomst.

De Lotus Soetra heeft een passage die veel overeenkomst heeft met die in de Avatámsaka Soetra:
Hier wordt de menigte beschreven die aan Boeddha's voeten heeft plaatsgenomen om de Boeddha-klanken op te vangen.

" ... daar waren zesduizend nonnen met Mahāprajāpati aan het hoofd, en onder hen bevond zich Yashódarā, de moeder van [Boeddha's zoon] Rāhula. Verder waren er tachtigduizend Bodhisattvas die geen van allen meer zouden terugvallen .... die onder honderdduizenden Boeddhas de wortels van het goede hadden geplant, ...."

Naar de tweede kolom


Tushita en Maitreya


Er is een redelijk aantal geschriften waarin Tushita wordt genoemd als de plaats waar de toekomstige Boeddha verblijft, en vanwaaruit hij, zodra het moment daar is, naar de aarde zal afdalen. Die toekomstige Boeddha heet Maitreya, of Metteya in het Pali, en het is precies in de Pali-geschriften, de Nikaya (en overigens ook in de Ágama) dat we deze voorspelling aantreffen, onderandere in de Cakkavatti Sīhanāda Soetta (DN 26), de Leerrede waarin wordt aangekondigd dat op enig moment "een wereldheerser" de Boeddha-Dharma opnieuw zal vestigen en de komst van Metteya zal voorbereiden. Het is overigens deze Soetta die waarschijnlijk de basis is geworden voor het in Tibetaanse kringen zeer gewaardeerde Kalachakra-ritueel.

Noch boek 23, noch de rest van de eerste 38 boeken van de Avatámsaka Soetra vermelden de naam van Maitreya.
Daarentegen wordt Maitreya in de Lotus Soetra, waarvan we al eerder veronderstelden dat die in ongeveer dezelfde tijd, en wellicht in ongeveer dezelfde regio ontstond, wel degelijk vermeldt, en wel als een van de Grote Bodhisattvas die zich onder het gezelschap bevindt dat naar de voordracht van de Lotus luistert. En verder komt hij daar voor onder de naam Ájita.

Dan is het nog mogelijk dat Maitreya in het eerste hoofdstuk van de Avatámsaka Soetra Soetra schuil gaat onder een toenaam, maar anderzijds is dat ook weer niet zo waarschijnlijk wanneer we bedenken dat Avalokiteshvara daar wél met name genoemd wordt, en toch ook doorheen de rest van de Soetra geen rol speelt - althans niet bij name.

Het is pas in het laatste boek van de Avatámsaka Soetra, waarvan we mogen aannemen dat het later aan het corpus werd toegevoegd, dat de jongeling Sóédhana, op zoek naar de juiste leraar, uiteindelijk bij Bodhisattva Maitreya belandt — die hem vervolgens weer terugstuurt naar zijn eerste leraar, Samantabhadra.


Naar de bijlage

Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme