DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatàmsaka Soetra


DEEL TWEE

Boek Achtentwintig


De Tien Bovennatuurlijke Vormen van Kennen





Het Sanskriet- en Pali-woord voor Tien Bovennatuurlijk Krachten is dásabalañana.
Maar voordat deze besproken kunnen worden moeten we eerst terug gaan naar de vroegste geschiedenis van het Boeddhisme, naar de tijd waarin Sakyamuni Boeddha met zijn monniken over de wegen en paden van India liep, van het ene dorp naar de andere stad. Tijdens die voettochten was het niet mogelijk geschreven teksten mee te dragen. Deze dagmarsen werden onderbroken door kortere of langere periodes waarin de sangha(1) verbleef in een of ander park, nabij een of andere stad. Maar ook daar waren geen mogelijkheden tot bewaren van geschreven teksten. En ook was het niet zo dat beschrijfbaar berkenbast of beschrijfbare palmbladeren en inkt en stylos zomaar voorhanden waren. 2550 jaar en langer geleden was schrijven niet alleen een zaak van geleerden, maar ook van rijke gevestigde burgers die zich het gerij konden veroorloven.
Daarom moesten de monniken en de nonnen Boeddha's woorden uit het hoofd leren.
Om te begrijpen hoe dat dagelijkse leven er aan toe ging zou een lang verhaal verteld moeten worden. Deze Web-paginas worden echter ook door buitenstaanders gelezen; hoever zet je de deur naar het Boeddhistische interieur open? Niet zo ver dan maar.

Wat uit het hoofd geleerd moest worden was niet weinig. In de eerste plaats waren daar de monniks- en nonnen-regels(2) en de teksten die deze introduceerden. Dan diende ieder toch wel de Eerste Leerrede(3) te kennen en een aantal recitatie-teksten als de metta-sutta(4), de mángala-sutta(5), en de rátana-sutta(6).
Heel belangrijke brokstukken waren Boeddha's woorden over de dhyana (jhāna)(7) en de abhíññā of de iddhi(8). Deze tekst-stukken vinden we aan het eind van nagenoeg alle langere soettas (soetras) uit de Nikāyas en de Ágamas. Ze werden aan het eind van iedere soetra herhaald, al was het maar om ze stevig in het geheugen te prenten.

Eens per jaar, wanneer de regen kwam en reizen onmogelijk was, trok de sangha zich terug voor meditatie. Wanneer een monnik in zijn begrip van de Boeddha-Dharma ver genoeg gevorderd was, kon hij besluiten om die drie maanden in afzondering door te brengen om zo een continue en diepe concentratie-meditatie tot stand te brengen, in de hoop bij Arhatschap(9) aan te belanden. In zo'n geval gaf Boeddha een "onderwerp"(10) ter meditatie mee, en moest de monnik voor het interpreteren, en voor het bijsturen van zijn meditatieve ervaring teruggrijpen op wat hij eerder geleerd had. De leringen over de dhyana bevatten dan genoeg elementen om niet op verkeerde meditatie-wegen te belanden.


Noten
(1) In nauwe context staat het woord sangha voor monniks- of nonnen-communiteit. Vandaag trekken we het begrip wijder naar de gemeenschap van Boeddhisten in het algemeen.
(2) De vínaya en de verkorte vorm daarvan, de pratimoksha (patimokkha). Zie ook www.accesstoinsight.org/tipitaka/vin/index.html
(3) De Eerste Leerrede.
(4) De Leerrede over Universele Vriendelijkheid. Zie ook web.ukonline.co.uk/myburma/p1metta.htm
(5) De Leerrede over de Goede Tekenen. Zie ook www.accesstoinsight.org/ tipitaka/kn/khp/khp.5.nara.html
(6) De Leerrede over het Drievoudig Juweel. Zie ook web.ukonline.co.uk/myburma/p1ratana.htm
(7) Dhyana, zie de boeken 7, 11, 12, 25
(8) Twee andere woorden voor supranormale krachten waarover hieronder meer.
(9) In het vroege Boeddhisme was de staat van de Arhat, van degeen die na dit leven niet meer terug zou keren, het ideaal. De Arhat, zegt deze trend, heeft dezelfde Verlichting als Boeddha, maar is daarmee nog geen Boeddha. Zie hiervoor de Lankāvatara Soetra, het tweede deel, tekst 38 en toelichting.
(10) Die onderwerpen behoorden waarschijnlijk tot de categorie kásina, concentratie-objecten: een kleur, water, de vergankelijkheid van een lotus e.d.




In nagenoeg alle langere Leerredes uit het vroege Boeddhisme, las u bovenstaand, vinden we wel een herhaling over de dhyana (jhāna)(7) en de abhíññā, resp iddhi. Vrij willekeurig een tekst kiezend, kunnen we hier de Samaññaphala Soetta uit de Pali-collectie bezien. Daar, als elders, wordt gesproken over de zeven iddhi waarvan de latere Abhidharma zegt dat ze tot de vijfde dhyana behoren, dat wil zeggen tot het domein van de Arhat:

"1/ De macht tot geestgeschapen gestalten
236. Manomayiddhi Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar de macht die hem in staat stelt uit de geest gestalten voort te roepen. Die monnik schept een lichaam uit zijn eigen lichaam, en schept een geest-geschapen vorm compleet met alle organen - de grote en de kleine - die geen onvolmaaktheden vertonen.


2/ De macht tot supranormale vermogens
238. Iddhivida Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar supranormale vermogens. Hij hanteert de verschillende supranormale vermogens: een zijnd, wordt hij vele, en vanuit vele wordt hij weer een. Hij maakt zichzelf onzichtbaar of zichtbaar; hij gaat ongehinderd door muren, omheiningen en bergen als ging hij door de lucht. Hij duikt in en uit de aarde alsof hij in en uit het water dook. Hij loopt over water alsof hij over de aarde loopt. Kruisbeens reist hij door de lucht alsof hij een vogel was; met zijn hand aait hij de zon en de maan die zo machtig en krachtig zijn, en hij verkrijgt een zodanige lichamelijk kracht dat hij zelfs de hemelen van de Brahmas bereiken kan.


3/ De macht van het bovenwereldse horen
240. Dibbasota Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar de macht van het horen, als het 'hemelse horen'. Met deze faculteit van het hemelse horen die uitermate helder is, die voorbij het horen van de mensen gaat, hoort hij beide vormen van geluid, dat van devas en dat van mensen, of ze nu ver of dichtbij zijn.


4/ De kennis van de geest van anderen
242. Cetopariya Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar (onderscheidende) kennis van de geest van anderen. Met gebruikmaking van [de kennis over] zijn eigen geest weet hij de geest van andere groepen of individuen te onderscheiden. Hij weet wat een geest vol lust is, hij weet wat een geest zonder lust is. Hij weet wat een agressieve geest is, en een geest zonder agressiviteit. Hij weet wat een verwarde geest is, en een geest zonder verwarring. Hij weet wat een vernauwd bewustzijn is, en wat een ruim. Hij weet wat een verheven geest is, en een niet-verheven geest. Hij weet wat een inferieure geest is, en wat een superieure (waar het het onderscheid tussen lage en hogere meditatieve staten aangaat). Hij weet wat een geconcentreerde geest is, en een ongeconcentreerde. Hij weet wat een bevrijde geest is, en hij kent de geest die niet bevrijd is.


5/ De kennis over voorgaande levens
244. Pubbenivasanussati Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar kennis van vorige levens. Hij herinnert zich vele en verschillende levens. Wat herinnert hij zich? Hij herinnert zich één vorig leven, of twee, drie, vier, of vijf, of tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, honderd, duizenden, honderdduizend vorige levens, vele honderden, vele duizenden, vele honderdduizenden vorige levens, of levens in vele cirkelgangen van ontbinden, of van ontwikkelen, of vele cirkelgangen van ontbinden en ontwikkelen, als volgt: 'In dat en dat vorige leven stond ik bekend onder die en die naam, was ik geboren in die en die familie. Ik zag er zo of zo uit. Ik werd met dit of dat gevoed. Ik had plezier op deze of die andere manier, en zo of zo onderging ik pijn. Ik werd zo of zo oud. Ik overleed in dit of dat leven [klasse of kaste]. Ik vond wedergeboorte in deze of gene bestaansvorm'. Zo herinnert hij zich vele en verschillende levens, mét de daarbij behorende karakteristieken en feiten.


6/ De macht van het bovenwereldse zien
246. Dibbacakkhu Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar het verdwijnen en verschijnen van wezens. Met de hemelse macht van het zien, die uitermate helder is, die voorbij het gezichtsvermogen van mensen gaat ziet hij wezens door het proces van sterven en weer geboren worden gaan, of het nu inferieure wezens zijn of superieure, of het nu mooie of lelijke zijn, of het nu wezens zijn die een goede of slechte toekomst hebben. Hij weet dat wezens wedergeboren worden afhankelijk van hun karma, hun [bewust, gewild] handelen.


7/ De kennis over het uitdoven van morele onzuiverheden(1)
248. Asavakkhaya Ñāna
"Wanneer de geconcentreerde geest zo gezuiverd is, zo transparant is geworden, zo zonder mentale bezoedelingen, zo schoon, kneedbaar, plooibaar, [en toch] stevig en ondoordringbaar, richt deze monnik zijn geest naar de kennis over het uitdoven van morele onzuiverheden. Dan begrijpt hij dukkha(2) zoals het werkelijk is; dan begrijpt hij de oorzaak van dukkha zoals deze werkelijk is, het ophouden van dukkha zoals het werkelijk is, en de weg naar het ophouden van dukkha zoals deze werkelijk is.
Dan begrijpt hij ook de bezoedelingen (asava), .. de oorzaak .. het ophouden .. de weg naar het ophouden van de asava zoals ze werkelijk is. De geest van de monnik die zo weet en ziet is bevrijd van de asavas van zintuiglijk genot en het rijk van de zintuigen (kamāsava), is bevrijd van de mentale bezoedeling van hunkeren naar wedergeboorte (bhavāsava), en van de mentale bezoedeling van onwetendheid (avijāsava). ..."


Noten:
(1) Āsava (klemtoon op de eerste a) betekent 'niet verslaafd', niet gebonden aan zintuiglijk genot. Āsava (lange eerste a) betekent 'uitstroom'. De vertalers hebben er juist aan gedaan hier te kiezen voor de eerste vertaling, bv. avija asava = avijāsava. (spr. avíédjáásava)
(2) Zie boek 8




Naar de bijlage over de debatten en de Avatámsaka-opvatting over de Bodhisattva's tien bovennatuurlijke vormen van kennen

Naar de startpagina


Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme