DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatàmsaka Soetra


DEEL TWEE

Boek Vijfendertig


De Kwaliteiten van Boeddha's Verfraaiingen en Lichtgestalten





Boek 35 van de Avatámsaka Soetra leest als een Jataka (spr.: djáátaka). Een Jataka is een verhaal waarin verteld wordt over een van Boeddhas vroegere levens, en het is een verhaal in een verhaal. Ze gaan ongeveer zo: Iemand vertelt Boeddha over iets wat er die dag gebeurd is. Dan antwoordt Boeddha in de trant van, ja, inderdaad, er is heel vroeger nog eens zo iets dergelijks gebeurd. "Toen ik nog een Bodhisattva was ...", en dan gaat het verhaal lopen waarin over mensen en/of dieren wordt verteld, waarin avonturen worden beleefd, en waarin wordt gesproken over de voordelen van een verheven kwaliteit zoals bijvoorbeeld offerbereidheid of je intelligentie ten bate van anderen inzetten.
Leiderschap is het uiteindelijke thema van 80 - 90% van alle Jatakas.

Hier in boek 35 is Boeddha in gesprek met Bodhisattva Juwelenhand. Het verhaal wordt niet ingeleid door een echte gebeurtenis hier op aarde omdat het wordt beleefd in de geest van de visualiserende, verbeeldende meditator -- die het later voor ons heeft opgeschreven, maar toch. Boeddha vertelt hier het verhaal over de grote trom die een stem had, en over nieuw aangekomenen in de hemelse sfeer van Túshita.
Aan het eind van het verhaal verschijnen - de Jataka-structuur volgend - Boeddha en Juwelenhand weer in beeld, en wordt het verhaal afgerond met een mededeling waarin Boeddha zegt, "Juwelenhand, al dit [wat je nu gehoord hebt] wordt uitgevoerd en vervolmaakt dankzij de meest verheven concentratie die in de universele monarch(1) van het zuiver gouden net is."
Even daarvoor wordt gezegd dat die universele monarch het wezen is dat het tiende stadium op het pad van de Bodhisattvas is binnengegaan.(2)

Dat de veronderstelling dat de auteur van dit vijfendertigste boek zich heeft laten inspireren door de Jatakas juist is, wordt eigenlijk wel bevestigd wanneer even voorbij het midden van de tekst wordt gesproken over "... een Boeddha met de naam Maangelijke Kennis ... die hen [de Bodhisattvas] de gebeurtenissen uit vroegere levens vertelt."
Naar het begin
Bijna van bij het begin van boek 35 zegt Boeddha Vairócana, "Toen ik [nog] een Bodhisattva(3) was en in Túshita verbleef [de hemelse sfeer van waaruit alle Boeddhas in de moederschoot afdalen], straalde ik een groot licht uit dat 'koning lichtbanier' werd genoemd..."
en dat licht doorstraalde alle werelden en alle hellen (die overigens allemaal tijdelijk en voorbijgaand zijn), en zorgde er voor dat de wezens in die hellen dat licht opvingen en zo in staat waren na afloop van dat helse leven wedergeboorte te vinden in Túshita.

Dan gaat de tekst verder met,
"In Túshita was er een grote trom die 'allerheerlijkst' werd genoemd...", en die grote trom had een stem die de daar nieuwgeborenen toesprak en prees vanwege het feit dat ze tijdens een Boeddha-periode de wortels van het goede(4) hadden geplant en als gevolg daarvan nu hier waren, in deze hemelse sfeer waar Vairocana nog een Bodhisattva is voordat hij een fysieke gestalte(5) geboorte laat vinden als zoon van koningin Mahāmaya en koning Shudhódana.(6)




Noten
(1) Met 'universele monarch' wordt waarschijnlijk verwezen naar de cakra-vartin de wereldheerser, en 'het gouden net' staat voor de capaciteit de Boeddha-Dharma te vestigen. In de Cakka-vatta Sihanāda Sutta, resp de Cakravartin Simhanáda Sutra (zie boek 23 en de engelse vertaling in buddhistinformation.com/.../cakkavattisihananda_sutta.htm) worden de taken neergelegd die een goed heerser tot een werkelijk monarch maken. Een heel, heel summiere beschrijving vindt u in de kalachakra-pagina.
(2) De stadia vindt u in boek 26
(3) Bodhisattva moet hier gezien worden als een naar Boeddhaschap strevende zoals dat verklaard wordt door de Pali-traditie die het woord weergeeft als Bodhisatta.
(4) De wortels van het goede. zie boek 25
(5) Avatar
(6) In een eerder boek van de Avatámsaka wordt verteld dat alle Boeddhas als Bodhisattva, een naar Boeddhaschap strevende, in Túshita verblijven, dat ze allemaal geboren worden als zoon van genoemd koninklijk paar, dat ze allemaal onder een boom - niet per definitie de ficus religiosa - verlichting bereiken, enzovoorts.
Deze opvatting zal geïnspireerd zijn geweest door een leerstelling van de vroege Lokóttaravāda die stelde dat de Bodhisattva die Boeddha zal worden bij de conceptie de rechterzij van de moederbuik - van Mahāmaya - binnengaan, en ook uit de rechterzij geboren worden. Die vroege traditie herhaalt ook de legende over Mahāmaya's droom waarin zij zag hoe een wit olifantje haar rechterzij binnenging. Die opvatting stamt uit de vroegste leringen.
In dit boek wordt specifiek de naam Vairócana genoemd, en niet zoals gebruikelijk Sakyamuni, omdat de Avatámsaka voor het overgrote deel centreert rond de Vairócana-gestalte. Zie voor deze naam en betekenis ervan ook boek 1 en boek 3.




Een paar themas
Wanneer deze nieuwe aangekomenen in Túshita, wezens die in een keer van een hels naar een hemels bestaan waren gegaan, daar de drum hoorden spreken, "dachten ze, 'wat is de oorzaak van dit subtiele geluid?'
De drum antwoordt: ... 'hemelingen, net zoals ik over mezelf spreek zonder gehecht te zijn aan 'zelf' of 'mijn', zo zeggen de Boeddhas dat ze Boeddha zijn zonder gehecht te zijn aan 'ik' of 'mijn'."


Met de woorden over het niet gehecht zijn aan concepten als 'ik' of 'mijn' brengt de auteur/meditator ons terug bij de Anatta-lákkhana Sutta uit de vroege geschriften, resp de Samyutta Nikaya of de Samyukta Ágama.
Daar ondervraagt Boeddha zijn monniken over de eventuele karakteristieken van de vijf skandhas of 'groepen van hechten'.(Zie het volgende citaat)
Hij vraagt,

"Monniken, wat denken jullie, is rūpa [lichamelijkheid en de overige vier groepen] permanent of niet permanent? - Het is impermanent, Heer. - Nu, is dat wat impermanent is dukkha(1) of plezierig? - Het is dukkha, Heer. Wel dan, kun je van wat impermanent is, dukkha is, veranderlijk, het volgende zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf? - Nee, Heer.
.........
Daarom, monniken, wat voor lichamelijkheid [en de overige vier] er ook wezen moge, of het nu in het verleden, het heden of de toekomst is, of het nu grofstoffelijk of fijnstoffelijk is, of het nu inwendig of uitwendig is, of het nu inferieur is of superieur, of het nu ver weg is of dichtbij, dat moet naar waarheid, zoals het is, aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf. ..."


Om het in hedendaagse begrippen te vatten; dat waar u uiteindelijk geen vat op hebt, daarvan kunt u niet zeggen 'dat ben ik', of 'dat is van mij'. Neem bijvoorbeeld een emotie, of aandoening, of mentale staat als zorgelijkheid. Een kind is niet geslaagd voor zijn of haar eindexamen. Wat nu? Die zorgelijkheid is er ineens, of u het nu wilt of niet, en ze verdwijnt ook ineens, na wat rationeel nadenken. U kunt die zorgelijkheid niet 'kunstmatig' in stand houden, het is buiten uw macht, en daarom kunt u er niet van zeggen dat het u toebehoort, of dat u die zorgelijkheid bent.

Even later trekt deze Avatámsaka-tekst het leerstuk over de skandhas het Grote Voertuig, de Mahāyana binnen:
"Net zoals ik, de hemelse trom, niet geboren ben en ook niet zal vergaan, zo is het ook met [de vijf skandhas]: lichamelijkheid of vorm, ondervinden of voelen, perceptie, samenstellen en het samengestelde, en bewustzijn."
Voor een verklaring van dit leerstuk over niet ontstaan, niet vergaan wordt u hier verwezen naar boek 14(*). Boek 25(**) verklaart de skandhas.
Noten
(*) boek 14
(**) boek 25



"Net zoals het grote vuur dat een eind aan deze aarde zal maken de centrale berg totaal in de as zal leggen, zo ook houdt begeerte de geest in de greep, en weerhoudt het die van het ontwikkelen van de wil Boeddha voor de geest te houden.(3)"

Er wordt slechts één keer in de vroege canon gesproken over het aan het eind komen van de wereld, en wel als gevolg van het element vuur of warmte - ooit.
Belangrijker is het tweede deel van de zin over begeerte. Op een aantal plaatsen in de vroege canon legt Boeddha er grote nadruk op dat met het aan een eind komen van begeerte, ook een eind komt aan de wereld.
Ja, nee, dat wilt u niet, een eind aan uw wereld! Maar we moeten deze uitspraak zien in het licht van het streven naar verlichting of nirvana. Met name het Kleine Voertuig streeft het Arhat-ideaal na waarin de Heilige na zijn/haar leven niet meer wedergeboren wordt. Dat wordt bedoeld met 'eind aan de wereld.'
Al eerder las u dat hier een verschil ligt tussen de leer van het Kleine Voertuig en die van het Grote. In het laatste Voertuig smaakt de Bodhisattva/boeddha weliswaar de vreugde van nirvana, maar blijft als weldoende kracht in de wereld om anderen bij te staan die diezelfde weg willen begaan.




Noten
(1) Dukkha. boek 8
(3) Ws buddhanusmrti



Naar de bijlage

Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme