DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatŕmsaka Soetra


DEEL TWEE

Boek Zevenendertig


Manifestatie van Boeddha


"Zelfs na biljoenen jaren is het moeilijk
deze subtiele, mysterieuze, diepe leer [te vinden en] te horen;
zij die energiek en wijs zijn, en over zelfcontrole beschikken
zijn in staat dit mysterie te vernemen."




(De eerste twee boeken beschrijven de cosmische mandala.
In het derde boek begint de beschouwer-meditator zich hiermee te identificeren.)

"Toen, vanuit de witte haartoef(1) tussen zijn wenkbrauwen, straalde Boeddha een groot licht uit die de "Lichtstraal genaamd Hij die Zoheid manifesteert" genoemd wordt, en die wordt vergezeld van ontelbare triljoenen lichtstralen.
....
Toen ontblootte Bodhisattva Wonderbaarlijke Kwaliteiten van het Natuurlijke Ontstaan van Boeddha zijn rechterschouder(2), knielde neer op zijn rechterknie(3), vouwde de handpalmen samen(4), wendde zich tot Boeddha met totale aandacht(5), en sprak deze verzen
[waaruit we hier slechts één gedeelte lichten]:

"De Boeddha [is] ... verrezen aan de [andere] oever van het rijk van zonder beelden zijn (6)..."

Dit is een gedeelte uit de inleidende woorden van boek 37. Even later gaat de tekst verder met

".... Deze menigte [hier verzameld op de plek rond de Boeddhazetel] is nu helder en sereen ..."

Waarop dé vraag volgt: "Wie is de erfgenaam van de Boeddha-Dharma?"

Die vraag wordt gesteld aan Boeddha, die vervolgens "zijn licht" -- verderop vernemen we dat dit met zoveel woorden zijn "onovertroffen grote kennis" is -- stuurt naar de mond van Samantabhadra Bodhisattva. Het betekent dat Samantabhadra nu de kracht van spreken heeft die overigens alleen in de Boeddhas is.
Daarop wordt Samantabhadra's troon "groter dan die van de anderen", maar blijft nog kleiner dan die van Boeddha. Zodra allen gezien hebben dat Samantabhadra nu op een boeddhazetel gezeten is, en dus het respect en de aandacht verdient die een Boeddha toekomt, voorspelt hij dat Boeddha weldra gaat spreken. In die tussentijd voert hij zelf het woord in een soort dialoog die een voorloper lijkt te zijn van latere geschriften als de Lankāvatāra Soetra met zijn, "stel dat ..., denk je dan dat ..."-structuur. Samantabhadra wordt dan gevraagd de Boeddha-Dharma uiteen te zetten "met gebruikmaking van verhalen en voorbeelden". Nou, dat doet hij. Boek 37 is het alleen daarom al waard in zijn geheel in het Nederlands vertaald te worden.




Noten
(1) Zie voor Boeddha's fysieke kenmerken boek 34

(2) De passage over het ontbloten van de rechterschouder is een van de indicaties dat hier een Chinees vertaler bezig is geweest die sprak vanuit de eigen culturele traditie waarin naaktheid nu niet echt gewaardeerd wordt. Wanneer u kijkt naar Chinese Boeddhabeelden zult u altijd zien dat de rechterschouder, die in de Zuidoostaziatische (inclusief de Indiase) Boeddhistische traditie bijna per definitie ontbloot is, decent bedekt is met een gedeelte van de overpij.
Een ander voorbeeld van chinese culturele invloeden komen we verderop tegen waar gesproken wordt over "de opperste heer van het universum", bijlage 1.

(3) Het neerknielen op de rechterknie is eveneens een beeld uit de Chinese cultuur. In de Zuidoostaziatische traditie knielt de monnik en non op beide knieën voor Boeddha neer. Wanneer de Chinees kowtowde voor zijn koning of keizer, ging dat met één knie aan de grond in een houding die bereidheid tot onmiddellijk opstaan en handelen aangaf. Die gewoonte is in de loop van de eeuwen weggesleten. Nu knielt ook de Chinese monnik en non met beide knieën.

(4) De handpalmen samenvouwen heet in het Sanskriet en Pali anjali (andjalíé).

(5) Met "totale aandacht" wordt verwezen naar satí (klemtoon op de i). Daarover is in de Pali-traditie, maar niet in de Ágamas die ten grondslag liggen aan de Mahāyana-leer, een korte Soetra die volgens sommigen uitgesproken werd nog voordat Boeddha zijn eerste Leerrede uitsprak ten overstaan van zijn eerste vijf monniken. Die korte Soetra heet de Hemávata Soetta. Daarin geeft Boeddha een uiteenzetting over zijn Dharma ten overstaan van een menigte aan niet-menselijke wezens. Onder die menigte bevond zich een ásura (áásoera), een onverbeterlijke krijger, die met zijn gedachten meer bij zijn vriend was die ergens ten strijde was getrokken, dan bij Boeddha's woorden. Aan het eind van die Leerrede zijn alle wezens die daar aanwezig waren Srota-ápanna geworden, Zij die de Stroom zijn Binnengegaan, behalve deze afwezige asura die wel hoorde, maar niet luisterde.
Met deze Soetra wordt de noodzaak van ongedeelde aandacht nog eens extra onderstreept.

(6) Zonder beelden zijn. Zie hiervoor boek 14. In dit zevenendertigste boek wordt Boeddhaschap dus expliciet geďdentificeerd met de "beeldloze meditatie". Zen zal hier niet weinig bemoediging in gevonden hebben.
Ook hiervoor vinden we een eerste aanzet in de Kleine Voertuig-geschriften. In de Sutta Nipāta, vers 920, wordt als volgt gesproken: "In het midden van de oceaan zijn geen golven; het stil zijn heerst hier. Zo is het ook met de monnik; wanneer deze stil staat [in meditatie] creëert hij geen karakteristieken." (d.w.z. dan is zijn/haar geest in de ruststand en gaat niet in op voorbijkomende beelden of andere zintuiglijke impressies.)




In de bespreking van boek 37 volgen we over het algemeen het prozagedeelte, en niet de verzen waarin de inhoud van de prozagedeelten nog eens kort wordt opgesomd, met uitzondering van het citaat dat u bovenaan deze pagina al tegenkwam.

Het is in dit zevenendertigste boek dat we de doorheen de hele Avatámsaka Soetra in de geest verbeeldde Boeddha voor het eerst omschreven zien als het Glorieuze Lichaam van Boeddha, dus de Sambhoga-kaya. Daarin volgt dit boek de vroege Mahāyana-teksten die tot de Prajñā-paramitā-literatuur behoren, De Perfectie van Wijsheidsteksten waarin gesproken wordt over Boeddha als fysieke gestalte en als niet-fysieke Sambhoga-kaya-gestalte. De driedeling van Dharma-kaya (het Werkelijke Lichaam), Sambhoga-kaya (het Glorieuze Lichaam dat alleen in bepaalde en intensieve meditatie verschijnt), en Nirmāna-kaya (de Schijngestalte) is duidelijk van later tijd. Zie voor de Dharmakaya boek 4, en boek 21.

Na geruime tijd wordt in dit boek pas duidelijk gemaakt waar Boeddha's manifestatie uit bestaat. Daarin zien we de Aziatische vertel- en onderwijstrant; we gaan met stapjes, en zonder de eerste stapjes goed geleerd te hebben kunnen we de laatste stap ook niet nemen, of we stappen of struikelen er overheen.

"Boeddha .. wordt manifest dankzij ontelbare fenomenen. ... Het is niet als gevolg van één conditie, niet als gevolg van één fenomeen dat de manifestatie van Boeddha behaald, vervuld kan worden. Het wordt behaald, vervuld, als gevolg van tien oneindigheden van dingen.
...
Het wordt vervuld omdat er in het verleden door de geest van verlichting voor oneindige aantallen levende wezens werd gezorgd.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige verheven aspiraties waren.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden groot mededogen en vriendelijkheid was waardoor alle wezens gered werden.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige, voortdurende toewijding was.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden een oneindig, onvermoeibaar cultiveren van waardigheden(1) en kennis was.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige dienstbaarheid aan boeddhas en aan het onderwijzen van wezens was.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige zuivere paden van wijsheid en geschikte middelen(2) werden ingezet.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige zuivere waardigheden waren.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindige manieren waren waarmee [de Dharma] werd verfraaid.
Het wordt vervuld omdat er in het verleden oneindig begrip van principes en betekenis(3) was.
Wanneer deze oneindige, ontelbare aspecten van de Leer vervuld zijn, dan wordt men boeddha(4)."




Noten
(1) Zie voor waardigheden boek 12.
(2) Geschikte middelen: upāya

(3) Principes en betekenis. Ook hier zien we de invloed van de Chinese vertalershand. Het principe wordt daar vertaald met "li" waarvoor we u opnieuw verwijzen naar de paginas over de Huayen-leer. Over het woord betekenis zegt de hedendaagse Ch'an-meester Sheng Yen, "verlichting (kai-wu) kan vertaald worden als 'de eerste betekenis', de 'ultieme betekenis', de 'primaire waarheid'."
Ashvaghosha, in zijn Ontwaken van Vertrouwen in de Mahāyana, spreekt eveneens over principe en betekenis. Hoewel zijn werk alleen maar bestaat in Chinese vertaling, en hij derhalve hier en daar verondersteld wordt een Chinees te zijn geweest, hebben we hier waarschijnlijk toch met een meester uit de vroege Indiase Mahāyana te maken. Zie zijn woorden over de Grote Lijnen, en, Het Tonen van de Ware Betekenis.




bijlage 1 | bijlage 2 | bijlage 3 | bijlage 4 | bijlage 5

Naar de startpagina

Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme