DE SCHOOT WAARUIT DE BOEDDHAS VOORTKOMEN

De Tathāgatagarbha

in de Lankāvatara Soetra

(De Afdaling op Lanka)

Over de inherente Boeddhanatuur
De vaktermen

Tathāgatagarbha is een samenstelling van een drietal Sanskriet-woorden.

Het woord valt uiteen in
Tathā,
āgata, en
garbha.
Tathā betekent "zo";
āgata betekent "gekomen" of "gegaan";
garbha betekent "matrix", "schoot", "container", of "ontstaansgrond".

Het woord Tathāgatagarbha als geheel komt in het klassieke Sanskriet niet voor. We vinden het alleen in de woordenboeken van het Mahayana-Boeddhisme, en als zodanig is het een "ver-Sanskritiseerd" begrip.
Binnen het Mahayana-Boeddhisme wordt het vertaald met "Schoot waaruit de Boeddhas voortkomen", of in het Engels "Womb of the Tathāgata".
Tathāgata is een ander woord voor Boeddha:
Zo-Gekomene, of Zo-Gegane.
In China kent men een triade van Boeddhas: Shakyamuni Boeddha, Amitabha Boeddha, en Tathāgata Boeddha.


Dhātu betekent letterlijk "element". Het wordt in de oudste tekstlagen gebruikt in samenhang met het woord skandha. De skandha zijn de vijf constituerende delen van het lichaam-geest-complex. Ze worden gezien als vergankelijk.
De Tathāgatagarbha- en andere Mahayāna-denkrichtingen zetten de skandha, en daarmee de dhātu van Boeddha tussen haakjes wanneer ze de nadruk leggen op het supra-fysieke aspect van Boeddha als Dharma-dhātu.

Het klassiek Sanskriet geeft onderandere het achtervoegsel - schap: als in Boeddhaschap.

De Vajra Heart Tantra, een later Boeddhistisch werk, geeft dhātu als "absolute ruimte(-lijkheid)", "lichtende (of schijnende) ruimte(lijkheid)."
Dhātu-kaya (Tibetaans: khams kyi tshogs) wordt in de Tibetaanse commentaren gegeven als "collectie van elementen".

Maar de vertaling "element" wordt ook gegeven als dharma als in de Ratna-cūda Sutra.


Boeddhanatuur. Voor dit woord is geen Sanskriet-equivalent voorhanden. Het dichtste bij komt nog het woord Buddhattva: Boeddhaschap.

De Úttara-tantra, vers 4, (en op andere plaatsen) geeft in een samenstel van woorden ārtha; ārtha is "kern", of "essentie", of "hoogste betekenis".

Het Chinees kent het begrip chen t'i hsing: de ware, essentiële aard.
Het was de monnik Tao-Sheng, die overleed in het jaar 434 en leerling was geweest van Tao-An (Daoan), die op zijn beurt leerling was van de Zijderoutemonnik Fo t'u-teng (Boeddha's dutánga of ascetische praktijk) die het eerst het begrip Boeddhanatuur in China introduceerde, hetgeen er aanvankelijk toe leidde dat hij voor een ruim aantal jaren uit de Communiteit (sangha) werd gestoten.


Skandha. Dit woord, en ook het woord áyatana wordt verklaard in het eerste hoofdstuk van de Lankāvatara Soetra, tekst 3, voetnoot 5




DE LANKARĀVATARA SOETRA
De Afdaling op Lanka


De tekstgedeelten die het Tathāgata-garbha-denken vertegenwoordigen volgen hier:
Dit zei de Gezegende: De Schoot Waaruit de Boeddhas Voortkomen (Tathāgata-garbha) is de bron van dienstig en ondienstig. Het is in staat alle wezens die zich in het wiel van geboren-worden en sterven bevinden te creeeren, zoals een magier zichzelf in verschillende gedaanten kan laten zien; het is echter geen zelf-ziel, noch iets wat daartoe behoort. De inherente aard svabhāva ? (ervan) is onbezoedeld en fundamenteel zuiver. Voor hen die dit niet begrijpen is er het gezamenlijk evolueren van de drievoudige combinatie (van skandhas, dhatus, en áyatanas), en dat (evolueren) leidt tot gevolgen. De geleerden die dit niet beseffen hechten ferm aan het idee van een oorzaak (of veroorzaker). Onder invloed van prapánca (onderscheid-aanleggen, wikken en wegen) dat vanaf de tijd zonder begin verkeerde redeneringen deed ontstaan, gaat wat hier de naam alaya-vijñana (Opslagbewustzijn) krijgt vergezeld van de zeven andere bewustzijnen, en dat alles veroorzaakt de "sfeer-van-onwetendheid". Het is vergelijkbaar met de grote oceaan waar de golven af en aan rollen, maar waarvan het (oceanische of fundamentele) lichaam zelf ononderbroken voortduurt, vrij van fouten zoals vergankelijkheid, en onberoerd door filosofieen over zelf-substantie - want naar zijn ware aard is het volkomen zuiver.
(Hoofdstuk IV, Tekst 58)
(Zie voor de skandhas en ayatana de Lankāvatara Soetra, hoofdstuk I, voetnoot 5.)

Ook in dit fragment, als in de eerder getoonde fragmenten uit andere Geschriften, wordt hier de diepste grond van de mogelijkheid tot kennen als zuiver van bezoedelingen ervaren. In het volgende fragment zullen we zien dat de Lankāvatara Soetra de tathāgata-garbha (de Schoot etc.) en de alaya-vijñana (het opslagbewustzijn) als één en hetzelfde ziet.





"Bedenk, Mahamati: wat goed en slecht genoemd wordt zijn de acht bewustzijnen. Welke zijn die acht? Dat zijn de Schoot-waaruit-de-Boeddhas- Voortkomen (Tathāgata-garbha) alias het Opslagbewustzijn (Alaya-vijñana), het denken (manas), het superviserende bewustzijn (mano-vijñana) en de gezamenlijke zintuiglijke bewustzijnen zoals de geleerden dat hebben verwoord."
(Hoofdstuk IV, tekst 61)


De consequentie van het laten samenvallen van de Schoot etc. en het Opslagbewustzijn is dat het eerste niet de onbewogen, niet-agerende basis is waaruit de Boeddhas voortkomen, maar eerder enerzijds een mogelijkheid tot geheugen, en anderzijds het, overigens illusoire, bewustzijn dat "alles schept", zoals de tweede regel uit tekst 58 zegt. Dat zegt overigens ook de parabel over de geest als schilder uit een van de boeken uit de Avatámsaka Soetra.
Binnen de filosofie van de Lanka is dat meer dan vanzelfsprekend omdat daar, wellicht meer dan elders, wordt gezegd dat nirvāna (het verlichtte) en samsāra (de wereld, het wiel van geboren worden en sterven) één en ongedeeld zijn. (tekst II,11)
Dat wil overigens niet zeggen dat de Schoot, de opslagfunctie, niet van nature onbezoedeld is. (Zie tekst 58). Ware ze dat wel, dan zou in ieder geval dat wat zich op de samsarische stroom bevindt geen deel kunnen hebben aan de mogelijkheid tot Boeddhaschap, de Boeddhanatuur. We kunnen niets tot ontwikkeling brengen, of bloot leggen dat we niet al hebben. Er is nergens op de wereld een koffertje met verheven kwaliteiten waar we uit kunnen putten. Alles dat we tot ontwikkeling brengen - de Boeddhanatuur - hebben we in eerste aanleg al in huis.
Over het opslagbewustzijn leest u meer in Hoofdstuk I van de Lanka, tekst 2, voetnoot 6.





"Mahamati, de zeven bewustzijnen, dat wil zeggen, de zintuiglijke bewustzijnen (plus) het denken, en het superviserende bewustzijn worden gekarakteriseerd door van moment-tot-moment (vergaan), want ze komen voort uit gewoontepatronen; de goede niet-meer-uitstromende factoren (an-asrava) zijn daarin niet te vinden, ze gaan niet van leven-naar-leven. Dat wat transmigreert, Mahamati, is de Tathāgata-garbha die zowel de oorzaak is van nirvāna als die van leed en geluk. De onwetenden, wier geest wordt verscheurd door gedachten over ledigheid (súnyata) begrijpen dit niet." (Hoofdstuk IV, tekst 63)

In deze Lanka-tekst vindt de Boeddhistische wereld (mede) rechtvaardiging voor het begrip van wedergeboorte. De Alaya-vijñana als opslag-bewustzijn, d.w.z. als mogelijkheid tot herinneren en reageren op opgeslagen herinneringen duwt, in de ogen van Boeddhisten, "onaffe" mentale impulsen over de grens van leven en dood een nieuw leven binnen. De wetenschappelijke wereld mag dit geloof of zelfs bijgeloof noemen, maar diezelfde wereld spreekt veelvuldig over ingeboren eigenschappen en dergelijke meer. Die wereld is er voorts van overtuigd dat die eigenschappen genetisch bepaald zijn, ook al is het hele traject - als stroom van impulsen - nog niet in kaart gebracht.





Een deel van de wereld die Boeddhisme bestudeert maakt een indeling in enerzijds het zuivere tathāgata-garbha-denken, en anderzijds het tathāgata-garbha-Enkel Bewustzijn-denken. (13) Die laatste richting zou dan die van de Lanka zijn, er ze wordt als een zelfstandige, uitgewerkte gedachtegang gezien. Bestudering van de Lanka heeft er echter toe geleid dat deze Soetra de tathāgata-garbha er als het ware "met de haren heeft bijgesleept" om zowel eer te bewijzen aan Ásanga, de inspirator van de samenstellers van de Lanka die zich (ook) diepgaand heeft beziggehouden met het formuleren van de tathāgata-garbha-filosofie, en anderdeels om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van al die Boeddhistische standpunten die aangevallen werden, of aangevallen zouden kunnen worden door andere denkrichtingen met andere opvattingen.



De bronnen

1 - Tathāgatagarbha Sutra

2 - Mahāyana Parinirvana Sutra

3 - Srimālāsimhanāda Sutra

4 - Avatámsaka Sutra

5 - Lankāvatara Sutra

6 - Mahāyana-sraddhotpāda-shastra

7 - The Enlightenment of Vairocana, studies of the Vairocanābhisambodhi-tantra and Mahāvairocana Sutra; Delhi 1992

8 - Siksā-Samuccaya of Santideva

9 - Madhyānta-vibhanga (Uttaratantra), toegeschreven aan Bodhisattva Maitreya

10 - Heng-Ching Shih; The significance of "Tathagatagarbha" - a positive expression of Sunyatā

11 - Chih-I; L. Hurvitz, Bruxelles 1962

12 - Les Sectes Bouddhiques du Pt. Véhicule; A. Bareau, Paris 1955

13 - Youro Wang: De-Substantializing Buddha-nature in the Tathagatagarbha Tradition, Rowan Univ. USA

14 - Snow Lion Newsletter - Is Buddhism really non-theistic?

15 - Dr In Goo Lee; Zum Dialog zwischen Christentum und Buddhismus bei Wönhyo

16 - Dan Lusthaus; Buddhist Philosophy (Chinese), London 1998

17 - Evgueni A. Tortchinov; The Buddhist Doctrine of "self"