Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






DE BOEDDHA-NATUUR

Het levensverhaal over de monnik Tao Sheng



Tao Sheng, die geboren werd in 355 in de chinese Jiangsu-provincie was de leerling van Chu Fa Tai uit de Shandong-provincie. Samen met Tao-An studeerde Chu Fa Tai onder de Zijderoute-monnik Fo t'u-teng (Boeddha's [fo] dutánga [ascetische praktijk]). Tao Sheng werd op de leeftijd van vijftien aspirant-monnik.
Samen met het gezelschap rond Tao-An leefde hij op de berg Lu, tijdens een van de meest door oorlogen geplaagde tijden. Hij wist samen met een andere leerling van Tao-An, Hui Yuan, de Kashmir-meester Sanghadeva, die met de vínaya en pratimoksha (de langere en kortere Monniks en nonnen-regels) en een aantal andere teksten naar de berg Lu was gekomen, voorlopig ervan te weerhouden dat hij naar zijn vaderland zou terugkeren. Uiteindelijk vertrok Sanghadeva toch.(1)

Tao Sheng vond uiteindelijk tijd en gelegenheid om de meditatie te leren die Tao-An had doorgegeven aan zijn leerling Hui Yung. Die formele meditatie-periode duurde zes jaar.

Nadat die andere Zijderoute-monnik en vertaler Kumārajīva in 401 naar China was gekomen, en daar door het Hof aan het werk werd gezet in een vertaalbureau, voegde Tao Sheng zich bij hem.
Kumārajīva legde grote nadruk op de "Observatie van het Midden" die leert dat alle dingen verrijzen en verdwijnen afhankelijk van voorwaarden en condities. Deze observatie werd in later tijd kortweg aangeduid met sunyatā, ledigheid. Het werd door Kumārajīva en zijn gehoor begrepen als "De Ware Essentie", en dit begrip zou Tao Sheng verder door zijn meditatieve jaren helpen. Tao Sheng was de eerste die het De Boeddhanatuur noemde, de essentie van alle ademende en niet ademende fenomenen.

Nadat Tao Sheng deze filosofie begon te prediken, en daarmee impliciet aangaf dat zowel rijk als arm de Boeddhanatuur bezit, raakte met name het rijke deel der natie hierdoor nogal van streek.

Weg bij Kumārajīva in de hoofdstad, en terug op de berg Lu debateerde de gemeenschap veel en lang over de betekenis van de vertalingen die Kumārajīva had geleverd. Tijdens die debatten toonde Tao Sheng zich kritisch tegenover Tao-An's leerling Hui Yuan die de oervader van de Reine Land-leer rond Amitābha Boeddha en het Reine Land in het Westen (Sukhāvati) genoemd kan worden.
Tao Sheng vond Hui Yuan's gedachtengang een "halfweg-methode". Hij stelde dat zelfs wanneer Boeddha uit dat Reine Land zou komen, dit (die gedachte) nog steeds een product van je eigen geest is. En omdat de geest ons in zijn vlietendheid voortdurend ontsnapt, ontsnappen het Reine Land en Amitābha Boeddha ons ook voortdurend, en daarom zou de meditatie op Amitābha Boeddha als illusoir, niet als echt bestempeld moeten worden.

In de loop van de jaren op berg Lu schreef Tao Sheng een aantal artikelen met titels als "Het Bestaan van Boeddha's Dharma is Vormloos", "Boeddha heeft geen Rein Land", "De Boeddhanatuur Bestaat Werkelijk", en "Boeddha verblijft noch in het verleden, noch in het heden, noch in de toekomst." Hij was ook de auteur van een invloedrijk werk met de titel "Volledige, Onmiddellijke Verlichting". Het zijn titels die aan de basis van het chinese zen, ch'an, zijn komen te liggen. Deze opvattingen werden het fundament waarop Tao Sheng zijn Dharma-uitleg bouwde, vooral nadat hij de Tien Stadia van de Bodhisattva had bestudeerd en zich afvroeg waarom een Bodhisattva op het zevende niveau verlicht wordt geacht, om dan toch nog een paar treden meer te moeten nemen.
(Zie daarvoor ook de eerste woorden van deel drie van de Lankāvatāra Soetra.)


Hij was het ook die de regel vastlegde die zegt dat "wanneer de geest rein is, de Boeddha in de eigen geest rein is, en verlichting daar is." Later zou de zesde Patriarch van het chinese ch'an, Huineng, hierdoor sterk beďnvloed worden.

Vanwege zijn onorthodoxe opvatting werd Tao Sheng voor een aantal jaren in de ban gedaan. Dat gebeurde vooral omdat hij tegensprak dat er zoiets als icchántika zijn, mensen die er wel nooit in zullen slagen Boeddhaschap te bereiken. Het was een thema dat was meegebracht uit de oudste tekstlagen, en dat men tot dan toe niet had durven weerspreken, hoewel het toch ook grondig tegen de draad van de chinese samenleving inging waar het 'samen met z'n allen' een intens beleefde, en uiteindelijk succesvolle formule is geweest, en nog is. Dit 'een voor allen, allen voor een' is ongetwijfeld ook de oorzaak geweest dat chinese vrouwen - vergeleken met Zuidoost Azië - zo redelijk gemakkelijk het volledig gewijde nonschap konden opnemen.

In 430 mocht Tao Sheng weer terugkomen naar de Tung Lin-tempel op berg Lu. Daar kwam de nieuwe versie van de Mahāyana Mahāparinirvāna sūtra aan het licht waaruit de icchantika-theorie was verwijderd en vervangen door woorden die wezen in de richting van de Boeddhanatuur van alle wezens en dingen. Zijn toehoorders waren dolblij met de nieuwe versie, bij het aanhoren waarvan niemand meer hoefde te vrezen niet 'up to standard' te zijn.

In 434 overleed Tao Sheng in de Tung Lin-tempel op negenzeventig-jarige leeftijd.



(1) Tao-an en de Monniksregels (vínaya)
De (wellicht onvertaalde) vínaya en pratimokhsa die Sanghadeva meebracht waren de eersten die op chinese bodem arriveerden.
De immigrant-monnik Kumārajīva (350-413?) vertaalde rond 401-402 de Sarvastivāda vínaya. Tao-an klaagt in een aantekening dat de monniksregels die hij in handen had toch zo beknopt waren. Omdat een pratimoksha inderdaad heel beknopt is, en op veel punten uitleg nodig heeft, zou Tao-an geklaagd kunnen hebben over Sanghadeva's manuscript. In latere biografische aantekeningen staat dat Tao-an op een gegeven ogenblik de hele, nu naar het chinees vertaalde vínaya in handen krijgt en daar heel blij mee is. We mogen misschien aannemen dat dit de Sarvastivāda vínaya is geweest die door Kumārajīva werd vertaald. Feit is dat de chinese monniken- en nonnen-gemeenschap altijd de Dharmagupta-vínaya heeft gevolgd, en niet Kumārajīva's versie.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme