Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






CHINA

De grottempels en antieke manuscripten


Klik naar de volgende bijdragen:






Onderzoek aan geschiedenisboek eerste keizer; boeddhisme naar China
Han Wei, onderzoeker aan het Shaanxi Provincial Institute of Archeology in Noord-China heeft hernieuwd onderzoek gedaan naar de "Historical Records" over het bewind van China's eerste keizer, Qin Shihuang (259-210vC) die ook wel She Huangdi wordt genoemd.

(Iedere opeenvolgende keizer liet vervolgens een eigen geschiedenisboek samenstellen.)
Uit Qin Shihuang's geschiedenisboek, zegt Han Wei, zou afgeleid moeten worden dat deze keizer boeddhisme niet steunde maar eerder in de ban deed, anders dan de bovenstaande passage zou doen vermoeden. Han Wei deed verslag van zijn bevindingen in Chinaview van 11 mei 2009.

De onderzoeker meent dat dit historische verslag in onomwonden bewoordigen zegt dat de keizer tussen 104 en 91vC, dus een behoorlijke tijd voor de officiŽle binnenkomst van boeddhisme in China (67 nC), een ban uitsprak over zowel boeddhistische monniken als over hun tempels.Hij vergist zich in keizer. We moeten hier namelijk spreken over de volgende: Han Wudi (141-87 vC). De maatregel viel samen met een deporteren van "Hunnen" die het noorden van China hadden overrompeld. Daarna verscheen het woord boeddhisme niet meer in officiŽle verslagen; pas in het jaar 2 nC komt het woord weer voor.
Han Wei's bevindingen tonen aan dat boeddhisme al voor het jaar 67 in Noord-China bekend was, en voet aan de grond had in tempels die speciaal voor de monnikenorde waren gebouwd.

De auteur van een lang en deskundig exposť over de geschiedenis van China, ww.crvp.org/book/Series03/ III-3/chapter_ix.htm, draagt echter materiaal aan waaruit afgeleid kan worden dat althans het keizerlijk Hof al veel eerder met boeddhisme in aanraking was gekomen. Hij verwijst daartoe naar een keizerlijk decreet uit de tijd van de Chu-dynastie, derde eeuw voor de westerse jaartelling:
"Prins Ying van Chu heeft de verheven leer van Huang [Huangdi, de "Gele Keizer") en Laozi (Lao Tze) gereciteerd die samen worden geŽerd als de stichters van de school van het filosofisch Daoisme, en meer bepaald van haar zogenaamde Esoterische of Onsterfelijke school] en heeft eer gebracht bij de weldoende schrijn van Boeddha. ...
Hij ... heeft nu zijn bezit opgegeven om een bijdrage te leveren aan het grote feestmaal voor de upŠsaka (de boeddhistische leken-discipel) en ter ere van de glorie van de tempels van Boeddha."

Sinds de Oostelijke Zhou-dynastie, die aan de macht was tussen 770 voor WJ en 221 WJ, is Luoyang de hoofdstad geweest van negen dynastieën. En in die hoofdstad staat de Tempel van het Witte Paard (Baima sze), die gebouwd werd nadat twee indiase monniken, Gobharāna en Mātanga(*), onder begeleiding van door de keizer (de opvolger van Han Wudi) gezonden India-pelgrims in dat jaar 67 de stad kwamen binnenlopen. Lopend naast een wit paard dat hun bagage droeg hadden ze verder een reisaltaartje bij zich, en een soetra, een heilig geschrift uit het boeddhisme. Dat was precies wat de keizer zijn gezanten opgedragen had te zoeken.
Waarom de keizer zijn heil zocht bij een niet landseigen religie, of dat wellicht te maken had met onvrede over het lokale bestuur, of met onmin tussen keizer en religieuzen, weten we niet. In ieder geval kan de legende die zegt dat de keizer in zijn droom een gouden beeld van Boeddha zag, en dat hij vervolgens iemand op weg zond om dat beeld te halen, waarschijnlijk terzijde geschoven worden.

Dat eerste boeddhistische geschrift dat China werd binnengedragen was de Soetra in 42 secties. Bestudering ervan toont dat we hier niet te maken hebben met een lopend verhaal dat bij A begint en bij Z eindigt, maar met een 42-tal korte gezegden waartussen geen cohesie bestaat. Soms gaan ze over moraliteit, soms over meditatie, soms over de relatieve waarheid (zie noot 17), en soms over de absolute. De indruk bestaat dat deze soetra een collectie overwegingen of gedachten is die onderweg, tijdens de rustperiodes op de Zijderoute tussen India en China, zijn ontstaan. In ieder geval was de keizer er tevreden mee; hij kon er mee uit de voeten.

Het verhaal over Gobharāna en Mātanga wordt hier en daar als legende van de hand gewezen. En er is inderdaad ook een minder romantische verklaring voor de belangstelling voor het boeddhisme van deze keizer (de opvolger van Han Wudi, die daarin niet de eerste was zoals bovenstaand blijkt). Tijdens zijn regering zond hij een handelsmissie naar de oostkust van India(+), en het is daar dat die handelaren een onbekende religieuze filosofie onmoet kunnen hebben die hun belangstelling wekte, en waarover ze de keizer berichtten, waarop deze keizer die nog niet lang aan de macht was en voor wat betreft staatsfilosofie het wiel opnieuw moest of wilde uitvinden, er een nieuwe expeditie op uitzond, deze keer overland(?).

Het duurde dan tot het jaar 148 voordat de immigrant-monnik Anshigao, een Parth, een nieuwe tekst binnen bracht, de Ana-pana-sati sutta, de Leerrede over het aandachtig zijn op de in- en uitgaande adem bij de tip van de neus. Aan de universiteit van Leiden is interessant onderzoek gedaan naar Anshigao, en tot welke boeddhistische school hij nu wel behoorde (http://iias.leidenuniv.nl/kreeft/ Ö. ; zoek naar de naam). Het is mogelijk dat Anshigao naar China trok omdat hij geen enkele traditie uit zijn streek nog aantrekkelijk vond, en nu probeerde in onafhankelijkheid en zonder in onmin te geraken met boven hem gestelden zijn monnikswerk te doen Ė hetgeen na korte tijd bestond uit ís-Keizers wens te vervullen en manuscripten te vertalen die vanaf zijn tijd langzamerhand, beetje bij beetje, via de grensplaats Dunhuang het land binnenkwamen.

Inderdaad hebben die vertalingen in de eerst eeuwen geleden onder een gebrek aan adequaat boeddhistisch-technisch vocabularium, maar daar heeft dan een andere immigrant-monnik van langs de Zijderoute, Kumārajiva (Koemaara-djieva), die leefde tussen 344 en 413 een voorlopig eind aan gemaakt. Hij standaardiseerde het chinees-boeddhistische vocabularium voor zover mogelijk, hetgeen in later eeuwen tot een beter begrip van de Boeddha-Dharma heeft geleid.

(*) Binnen de Indiase voor-boeddhistische vedische traditie staat de naam Mātanga voor iemand uit de laagste kaste. De naam wordt aangetroffen in de Mahābhāratha, een hindu-epos. Het vermelden van een boeddhistische monnik die deze naam draagt is een van de bewijzen dat Sakyamuni Boeddha inderdaad het onderscheid, of selectie, naar kaste had afgezworen. Daarvan getuigt ook de verhandeling over de brahmin in de Sutta Nipāta van het Pali boeddhisme (Snip.III), de Vaseṭṭa sutta, waarin wordt gezegd dat je geen hooggeborene, of boer, of dienaar etc wordt bij geboorte, maar door je daden.

(+) Wang Gungwu [geb. 1930] in een publicatie van 1958: The Nanhai Trade: The Early History of Chinese Trade in the South China Sea [new edition 1998].

De theeroute
Op de pagina over talen en schriftsoorten wordt gesproken over het Dai of tai-lue dat in de YŁnnan-regio van China wordt gesproken.
In 2007 kwam een documentaire gereed over de "theeroute" die loopt van YŁnnan, meer bepaald van de streek Xishuangbanna waar we ook het Yi-volk vinden, totaan Lhasa in Tibet. Over die route trekt, lopend, met paardjes aan de teugel, een vier maanden durende karavaan die Pu Erh-thee vervoert.
Aan het begin van zo'n tocht filmden Weiping Zhou, Peter Hercombe, en Michel Noll een bruiloft die, nog in YŁnnan, werd gesloten, of bevestigd door regionale sjamanen. Aan het begin van hun recitatie zegden ze de recitatieve teksten (paritta) die behoren tot de theravāda-boeddhistische stroming en die is opgetekend en gereciteerd in de taal het Pali. Ze begonnen dus met de gebruikelijk vandanŠ (bovenste drie regels): "namo tassa bhagavatto ..." en voegden er nog een andere recitatieve tekst aan toe.
De sjamanen weten niet wat ze zeggen, de toehoorders snappen niet wat ze horen, de filmers hoorden niet wat ze hoorden, zagen niet wat ze zagen, en konden niet interpreteerden wat ze filmden, maar hier zien we inderdaad een culturele adaptatie van religieuze gebruiken binnen al bestaande opvattingen over goden, krachten enzomeer.
We zouden kunnen zeggen dat de bevolking van afgelegen regionen hiermee hun geestelijk welzijn zelf in de hand nemen, en dat dit een toonbeeld van veerkracht is. Aan de andere kant moet dan gezegd worden dat zomaar teksten reciteren die je niet begrijpt gewoon nergens op slaat.





DUNHUANG, DE MOGAO-GROTTEN
Licht op Mogao-grot 465
Het vakblad voor aziatische kunst, Orientations toonde in de inleiding tot het mei-nummer 2004 een bijdrage over de muurschilderingen in de Mogao-grot nr. 465. De Mogao-grotten zijn te vinden in het uiterste noord-westen van China, het eindpunt, of startpunt, van de Zijderoute. Over de eeuwen hebben pelgrims en handelaren de wanden van de vele grotten bedekt met prachtige muurschilderingen. De schilderingen zijn meestal religieus van aard, en voor een groot deel van de hand van boeddhisten. Archaeologen en kunstkenners zijn sinds de grotten zo'n honderd jaar geleden opnieuw werden geopend nog steeds bezig de schatten en religieuze voorwerpen te catalogiseren en te beschrijven. Een paar van deze grotten zijn open voor het publiek; het overgrote deel is echter slechts toegankelijk voor vaklui - de inwerking van licht en natte adem van mensen heeft al aangetoond dat deze schade kunnen toebrengen aan de muurschilderingen die hier eeuwenlang in het donker verborgen zijn gebleven.

Orientations gaf een verslag van onderzoek in grot 465, en toonde een fragment van een wandschildering met een "Black hat" tibetaanse monnik, iemand uit de kagyu-stroming. Van dit werk wordt gezegd dat het in de 13e eeuw tot stand kwam.

(Inzet: voorbeeld van de hoofdtooi van de zwarthoeden.)




Wateroverlast Mogao-grotten
"Dit is een vallei," zegt archaeoloog Peng Jinzhang begin 2005. "Wanneer het regent stroomt het water de Daquan-rivier in die beneden de grotten langsloopt." Peng Jinzhang sprak over de Mogao-grotten, de plaats waar in meer dan 470 grotten door de loop van de eeuwen kunstvoorwerpen, religieuze geschriften en teksten over geneeskunde en dergelijke bijeengebracht zijn geworden, en toen vergeten werden tot het jaar 1907 waarin Sir Aurel Stein, op aanwijzen van een daoÔstische monnik die de grotten bewaakte, deze schatkamer ontdekte, en vooral belangstelling had voor wat de bibliotheekgrot wordt genoemd.
Een flink aantal jaren wordt er nu alweer gewerkt aan zowel het catalogiseren en bestuderen van de gevonden voorwerpen als onderzoek naar de grotten zelf.
Het unieke van de situatie is dat de Mogao-grotten uitkijken over een woestijn, en dat er slechts in de verte een miniscuul meertje glinstert - dat ooit minstens de dubbele omvang moet hebben gehad. Verder lijdt de hele provincie Gansu onder onwaarschijnlijke droogte, met uitzondering van een keer of vier per jaar. Dan valt het ook met bakken uit de lucht. De grotten zijn in drie tot vier lagen boven elkaar uitgehouwen, als etage-woningen. Peng zegt dat door zowel van onder, in de vorm van doordrenken van het poreuze gesteente, vanuit de rivier, als van boven via doorlekkende rotspartijen nu veel van de onderste grotten zijn ingestort, en dat de laag daarboven, de tweede verdieping, ook op kapseizen staat. Wat er aan deze water-overlast gedaan kon worden was op het moment van publiceren nog niet duidelijk.
(Bron: Xinhuanet)

Desertificatie
Midden november 2007 liet persbureau AFP weten dat ondanks die paar stortbuien de desertificatie niet meer te stoppen lijkt. Berekeningen hebben uitgewezen dat de Kumtag-woestijn, juist beneden de Mogao-grotten per jaar met ca vier meter groeit. Een verder opwarmen van de aarde, en daardoor verdroging van het gebied lijkt niet meer te stuiten. Daarmee zullen ook de grotten verder in de gevarenzone komen.
Zie ook http://fire.bio.www.edu/trent/alles/ChinaDeserts.pfd
Masterplan Mogao-grotten
Zojuist is het algemene plan voor management en conservering voor de Dunhuang Mogao-grotten gereed gekomen, meldde People's Daily op 19 augustus 2005.
Het plan werd opgesteld door het History Research Institute van China, het Amerikaanse Getty Conservation Institute, de Australian Heritage Commission en de Dunhuang Academy. Daarmee is het eerste nationale erfgoed-masterplan in China een feit.
"Als het aantal toeristen niet gelimiteerd gaat worden", zei Fan Jinshi, de directeur van de Dunhuang Academy, "dan zullen binnen duizend jaar de muurschilderingen door (de uitademing van) de toeristen vernietigd zijn."
Het belangrijkste waar men zich de komende jaren mee bezig wil houden, zo werd gezegd, is het vastleggen van de materiŽle stand van zaken van de gevonden kostbaarheden, hun waarde, hoe ze in de toekomst geconserveerd moeten gaan worden, en wat daar voor nodig is. Zo werd een blauwdruk gemaakt voor werkzaamheden voor de komende 20 jaar.
Op 15 maart 2011 werd bekendgemaakt dat het masterplan voltooid is, althans men weet wat en hoeveel er moet gebeuren. Een deskundige bron die niet direct bij dit masterplan betrokken is is het Londense International Dunhuang Project (IDP). De grotten staan sinds 1987 op de Unesco-lijst.
Dunhuang virtueel
In een commentaar gepubliceerd door de China Daily van 6 april 2007 werd een serie artikelen besproken die verscheen in het chinese magazine Lifeweek. De serie besprak "het roven van de schatten van Dunhuang in de Gansu-provincie." In het kort kwamen de serie en het commentaar er op neer dat sinds de herontdekking van de Dunhuang-grotten in het jaar 1900 er "een periode is gekomen van internationaal archeologisch onderzoek en roven." Nadat de brit Sir Aurel Stein in 1907 was begonnen met het systematische leeghalen van wat de bibliotheekgrot is gaan heten werd zijn voorbeeld gevolgd door "archeologen uit Frankrijk, Rusland, Duitsland en Japan." Vanaf 1920 mocht Stein China niet meer binnen.
In de tachtiger jaren van de vorige eeuw werd de Unesco's hulp ingeroepen bij het terugvorderen van gestolen artefacten, een verzoek dat op dove oren stuitte.
Nu, zegt het commentaar, zijn tenminste internationale deskundigen bereid en bezig de verdwenen schatten "virtueel" terug te brengen naar China.


Hemelse vrouwen
De chinese President Hu Jintao heeft het ruimtepak waarin astronauten in het eerste ruimteavontuur naar boven gingen feitian genoemd (spr. ong.: fei-tjŤn), "door de lucht vliegen".
Dit meldde het staatspersbureau op 28 september 2008.

De naam is gekozen in herinnering aan die hemelse vrouwen (tian-nŁ) die langs de wanden van de Mogoa-grotten nabij Dunhuang zweven, en daar zingen of fluit spelen (het zingen van het zand in de Takla Makan-woestijn veroorzaken). In het Sanskriet heten ze de apsāras. Ze zijn in die mythologische wereld getrouwd met de gandhŗrvas die niet zelden de trom bespelen (het geluid van zware windstoten of onweer veroorzaken).

Getrouwde hemelingen zijn binnen het volksboeddhisme erg geliefd. Thailand kent thep (= deva) phanom. Het is natuurlijk ook ideaal: alle trammelant van het gewone-mensen-leven ontstegen zijn en toch de geneugten van het huwelijks bestaan hebben.
De afbeelding is een werk van de hand van Pang Xunyin (1906-1995). Hij werkte naar het model van de Mogao-tiannŁ, maar kopieerde ze niet.



INDIASE TEMPEL IN LUOYANG
Om te vieren dat in het jaar 67 (sommigen zeggen 68) twee indiase monniken de noordchinese stad Luoyang binnenstapten en de keizer de eerste boeddhistische soetra overhandigden die ooit China had bereikt, gaat nu India een tempel bouwen in deze voormalige hoofdstad.
Dit meldde de indiase krant The Economic Times op 11 april 2005.


"Iets minder metaforisch uitgedrukt, zegt de krant, kan de tempel een effectief middel worden in het naar India lokken van chinese toeristen; ze worden hier voorgelicht over India's eigen boeddhistische centra."




DE GROTTEMPELS VAN YUNGANG, LONGMEN, KIZIL EN XUMINSHAN

Seminar Yungang-grotten
Het persburea Xinhua meldde op 27 juli 2005 dat meer dan 300 deskundigen bijeengekomen waren in een internationaal seminar over de bescherming van grotten waarin zich religieuze en andere kunstuitingen bevinden. Het seminar duurde 5 dagen, en het centrale thema waren de Yungang-grotten.
Het seminar werd georganiseerd om de vijftigste verjaardag te vieren van het Yungang Grottoes Institute.
De Yungang-grotten in China zijn de laatste of jongste cluster grotten waarin boeddhistische kunst, met name muurschilderingen te vinden zijn.

De Guangming Daily meldde op 15 december 2011 dat in de Yungang-grotten in China de restanten zijn gevonden van een metaalsmelterij, resp. gieterij. Archeologen kwamen niet minder dan 30 ovens en waterputten tegen.
Daarnaast vonden ze de funderingen voor twee torens, twee potten waar pilaren op rustten, aardewerk, kommen, en nokpannen met de afbeeldingen van dieren er op. Er wordt van uitgegaan dat het restanten zijn uit de Song, de Liao, en de Jin-dynastieŽn. Een en ander betekent dat de tempels in of nabij de grotten zelf het vervaardigen van de verschillende kunstwerken in hand hadden of tenminste overzagen.



Afbeelding: Longmen-grotten

Longmen

Ondernemers in de directe omgeving van de grotten in de Chinese Shanxi-provincie zijn zozeer aan de slag gegaan dat het 1500-jaar oude Yungang-complex er danig onder te lijden heeft. Dit meldde de Shanghai Daily op 1 september 2009.

Er werd volgens de krant vlot gebouwd aan wegen die de grotten naar deze inmiddels toeristen-bestemming verder moeten ontsluiten. Dat wil zeggen, men stelde zich voor lanen aan te leggen die vanuit Datong-stad onmiddellijk toegang geven op een winkelstraatje uit de Song-dynastie (960-1279), en een meertje tegenover de grotten. Het wegenproject liep echter door het gebied dat op de Unesco-lijst staat, en zou daarmee de richtlijnen van deze organisatie schenden.
Het goede nieuws, zei Shanghai Daily, is dat de "State Administration of Cultural Heritage" de werkzaamheden heeft stilgelegd en alle reeds gebouwde dingen weer heeft laten afbreken.
Er wordt wel kritiek geleverd op de "State Administration of Cultural Heritage". De Oriental Morning Post had op 25 augustus gemeld dat deze SACH eerder in 2009 twee inspectietoernees door Datong had gehouden en toen niet had ingegrepen.

Het grootste boeddhabeeld te Longmen is dat van Vairocana.

Het werd uitgehouwen tijdens de Tang-dynastie (618 tot midden 10de eeuw). In de achtste eeuw was een van de leidende monniken in de noordelijke hoofdstad van China Vajra-bodhi. Vajrabodhi was een Zuid-IndiŽr van geboorte die het malayam als moedertaal had (vandaar dat we nog niet in staat zijn geweest [al] zijn mantras te vertalen). Hij bracht het tantrisme naar China, dat daar overigens niet lang zou overleven. Vajrabodhi bekeerde alle monniken, nonnen en lekenboeddhisten tot het tantrisme, en hij moet de aanjager zijn geweest achter het Vairocana Boeddhabeeld-project. Vajrabodhi overleed te Longmen in het jaar 732.
Hij was overigens bedreven in het maken van mŠndalas. Zijn biograaf heeft niet verteld op welke manier hij die mandalas maakte, schilderend, of zand-schilderend, maar we mogen er zeker van zijn dat bezoekende Tibetanen met grote oplettendheid hebben toegekeken hoe hij het deed.
(Lees ook over de Longmen-grotten op www.geledraak.nl/html/page313.asp)





Electronische bewaking Kizil-grotten
Zelfs bij de 1000 Boeddhas grotten in Kizil, in de Uygyur-regio van Xinjiang, vandaag in handen van China, is het nodig gebleken electronische bewaking te installeren. Dat leerden we uit een bericht dat Chinaview op 4 oktober 2006 verspreidde. Er zijn infrarood-detectoren en cameras geÔnstalleerd om de ca 10.000 vierkante meter frescos en beeldhouwwerken te beschermen.
De grotten werden vanaf de derde eeuw uitgehouwen en zijn gedurende de 20ste eeuw serieus beschadigd geraakt, zowel door weersinvloeden als door mensen.
Vandaag behoren de grotten tot het cultureel erfgoed van China.

Op de site www.silk-road.com/artl/buddhism.shtml vindt u een paar woorden over de migratie van boeddhisme richting China, en over de kunst van het Tarim-bekken in het bijzonder. U vindt er ook een van de vele muurschilderingen.

De Tarim-regio is ook de plaatst waar perfect bewaarde mummies zijn gevonden. Een van de mummies is die van een blonde man van ca. 6 voet (2m) lang. De lichaamslengte van deze man herinnert ons aan een uitspraak van Sakyamuni Boeddha waar hij vertelde dat de hele wereld gevonden kan worden in dit zes voet lange lichaam van ons; onze voorvaderen van 2550 jaar en langer geleden, en uit die regio, waren geen onderdeurtjes.

De woorden over het boeddhisme in het Tarim-bassin uit de silk-road.com-bijdrage volgen hier:
"We hebben geconstateerd dat tegen de zevende eeuw alle kleine koninkrijken uit de Tarim-regio helemaal naar het boeddhisme waren overgegaan waar zoveel Indische cultuur was binnengebracht dat Sanskriet de religieuze taal was geworden.
Naarmate boeddhisme zich verspreidde naar het Tarim-bassin, met Kashgar, Yarkand en Khotan in het westen, Tumsuk, Aksu en Kizil in het noorden, Loulan, Karashahr en Dunhuang in het oosten, en Miran en Cherchen in het zuiden, werden dit belangrijke centra van boeddhistische kunst en filosofie. De teksten werden vanuit het Sanskriet overgezet naar verschillende lokale Indo-Europese talen zoals het Tochaars en het Kuchaans. Tegen 658 was Kucha ontwikkeld tot een leidend centrum van Hinayana boeddhisme, en werden wandschilderingen gevonden in de grot-tempels van Kizil; ze dateren van tussen de eerste en de achtste eeuw. De vroege kunst van het Tarim-gebied was sterk Indo-Perzisch van stijl, maar vanaf de zesde eeuw, nadat de T'ang het Tarim-bassin waren gaan domineren, werd die Perzische invloed geleidelijk-aan vervangen door Chinese."


Bijlage, de wandschilderingen in de Kizil-grotten (http://www.buddha-dharma.eu/Kizil-grotten.html)




Xuminshan

Er bestaat een lijst van "de wereld's meest in gevaar zijnde gebouwen en plaatsen" die om het jaar wordt bijgewerkt door een non-profit organisatie in New York, de World Monuments Fund, zegt China's persbureau op 7 juni 2007.
De criteria voor plaatsing op de lijst zijn bedreiging door politiek conflict, door ongebreidelde stedelijke en industriŽle ontwikkeling, en door globale klimaatverandering.
Twee van die "endangered architectural and cultural sites" in China werden de eerste week van juni aan de lijst toegevoegd. Ten eerste zijn daar de uit de eerste helft van de twintigste eeuw stammende gebouwen in Shanghai, en de tweede is Xuminshan (sjŁ min sjan), een gebergte in de Ningxia Hui autonomous regio waar meer dan 130 ca 1000 jaar oude grotten gevonden worden die voor een deel boeddhistisch erfgoed herbergen.
"De grotten zijn gedurende een zeshonderd jaar, tussen de vierde en de tiende-eeuw (tijdens de Noordelijke Dynastie) verfraaid met standbeelden, muurschilderingen en pilaren waarop teksten zijn ingebeiteld."
Een en ander is erg blootgesteld aan de weersomstandigheden, en er werd en wordt gevandaliseerd. De grotten staan op een nationale lijst van te beschermen sites en zijn in het recente verleden enigszins geconserveerd "met enkele cementen elementen". De WMF en de chinese overheid zijn van mening dat sommige ontwikkelingen moeten worden teruggedraaid en andere plaatsen vakkundig moeten worden gerestaureerd.

Van de ca 130 Xumin-grotten zijn er vandaag nog 20 intact. Ze zijn niet ver gesitueerd van de tombe van Djenghis Khan, de Gele Rivier, en de vindplaats van het ondergrondse terracotta leger, het Qinshihuang* Mausoleum (*sjien shuh hwang). Sheila OConnor die Xuminshan in oktober 2009 bezocht heeft niet kunnen vaststellen dat er veel vooruitgang is geboekt met het repareren en beschermen van de grotten. Ze zijn dan ook heel afgelegen gesitueerd, en men heeft goede wandelschoenen nodig om ze te kunnen bereiken.





MANUSCRIPTEN

Afbeelding: voorbeeld van houten blok voor het drukken van manuscripten
Herdruk Dazangjin
In oktober 2006 werd geschreven over het herdrukken van de complete chinese canon, 7240 boeken dik. Wat in herdruk het licht zal zien is een collectie genaamd de Dazangjin (da dzang djien) die onder de Qing Dynastie tussen de jaren 1735 en 1738 het licht zag. De voorzitter van de Cultural Relics Publishing House verwachtte dat het herdrukken van de hele verzameling, in 99 oplagen, vier tot vijf jaar zou gaan duren. "Het papier dat hiervoor gebruikt zal gaan worden is een uniek product uit de streek Jingxian, behorend tot de oostchinese Anhui-provincie, zei hij. Het papier raakte bekend als Xuanzhou, en werd befaamd als een product dat uitstekend geschikt is voor caligraferen." Specialisten zeggen dat er driehonderd stadia zijn in het maken van dit papier. Voor de druk wordt gebruik gemaakt van de oude drukblokken; daarvan "zijn er 79.000 die samen ongeveer 480 ton wegen."
"Algemeen manager mevrouw Wang vertelde dat een aantal series van deze canon geschonken zou gaan gaan worden aan tempels doorheen het land, en dat het herdrukken plaats vindt in een dorp nabij Beijing, in het Daxing-district."



Manuscripten van Dunhuang
In de tweede week van november 2005 hadden reporters van www.chinaview.cn een gesprek met Ma De, directeur van de Dunhuang Academy. Ma vroeg extra aandacht voor de in de bibliotheekgrot van de Mogao-grotten te Dunhuang gevonden drukwerken, de zogenaamde engravings. Naspeuringen hebben tot nu toe 235 van zulke blokken gevonden, verspreid over musea en bibliotheken in tien landen.
Aan deze blokken is tot nu toe te weinig aandacht besteed, vertelde Ma, maar de Academy is sinds 2002 bezig die achterstand in onderzoek in te halen. Onder de zeer weinigen die over het onderwerp gepubliceerd hebben is Junichi Kikutake die een publicatie het licht heeft doen zien onder de naam Fragments of Dunhuang Painting in the Collection of the British Museum. Deze publicatie is echter slechts een inleiding, zegt hij.

De eerste blokken die in de grotten gevonden zijn dateren uit het begin van de Tang Dynastie (618 - 907), en de kunst bereikte haar hoogtepunt onder de Song (960 - 1279).

Het verslag in China View geeft enige aanvullende informatie over de stand van boeddhisme in de overgangsperiode tussen de Tang en de Song. In die tijd werd de regio meestentijds geregeerd door de Cao-familie die aan het hoofd stond van het Guiyi-leger.
Cao Yijin, zegt de krant, die dat leger in 924 overnam, zag boeddhisme als een "heilige kracht", en was van mening dat het ontwikkelen van devotie naar de Mededogende noodzakelijk was om wet en orde te handhaven. De 800 jaar daarvoor was boeddhisme een beduidende levensovertuiging in de Gansu-streek geweest.

Met het wijzingen van het politiek-religieuze evenwicht langs de Zijderoute - zo er ooit al sprake is geweest van evenwicht langs de Zijderoute - kwam er na die tijd een wijziging in de situatie.



Restauratieproject manuscripten
Op 10 mei 2005 was het de curatoren van de National Library of China vergund de noodklok te luiden over de staat van 16.000 volumes manuscripten die worden bewaard in de Dunhuang surviving works. Ze hebben onmiddellijke reparatie nodig, zegt People's Daily Online op die dag, met name een 5000 meter lange tekst.
De NLC heeft echter maar 10 specialisten op dit gebied, en natiewijd zijn er niet meer dan 100 die dit werk aan kunnen. Zou de staf van de NLC de taak alleen moeten opknappen, zo werd gezegd, dan zouden ze ieder binnen de kortste keren 100.000 antieke bladen moeten repareren.
Een van de volumes die de NLC in bewaring heeft is de Zhao Cheng Golden Collection, een boeddhistische tekst die tijdens de Kin (Qin) Dynastie, in 1949, naar Beijing werd gebracht. Meer dan de helft van de manuscripten die in die dagen de NLC bereikten waren echter verrot of kapot, en het duurde 17 jaar voor alles was gerestaureerd.
In 1990 begon een groot reparatieproject, maar in de daaropvolgende 15 jaar werd nog slechts de helft van de manuscripten gerestaureerd.



Antieke tibetaanse manuscripten gevonden
Gansu Daily meldde op 20 mei 2006 dat in Dunhuang, in de Mogao-grotten, een bundel tibetaanse boeddhistische manuscripten is gevonden. Het uiterst sumiere verslag vermeldt niet waar ze gevonden zijn, maar zegt dat het hier gaat om manuscripten die in de antieke schrijfwijze van Tibet geschreven of gedrukt zijn.
Er wordt voorts gezegd dat het geschriften zijn die door Xuanzang, een befaamd monnik die leefde tijdens de Tang-dynastie werden vertaald. Dat maakt de vondst ca. 1300 jaar oud.
De manuscripten zijn inmiddels in handen van de International Dunhuang Study-group, en zullen een belangrijk deel gaan uitmaken van research naar Tibet's geschiedenis.



Voortgang restauratie oude boeken
Het restaureren van een 10.000 meter lange collectie boeken, opgerold in dikke pakken en afkomstig uit de Dunhuang-grotten, is halverwege. Dit meldde het nationale persbureau op 18 april 2006.
Werknemers van de Nationale Bibliotheek in Beijing menen dat er nog eens zes jaar nodig zijn om het werk helemaal gereed te krijgen. De helft van alle zeldzame en antieke boeken van China zijn opgeslagen in deze bibliotheek; de oudste ervan dateren uit het jaar 417nC. Een van de zwaar beschadigde documenten dat op dat moment onder handen was, was een tiende eeuws boeddhistisch manuscript.
Het verouderingsproces van het papier en andere tekstdragers baart de meeste zorgen; het materiaal verzuurt snel en de steeds slechter wordende kwaliteit van de lucht doet er geen goed aan.
Men kijkt nu naar conserverings-technieken die in andere landen gebruikt worden.
Een van de plannen is een "nationaal multi-disciplinair laboratorium voor de bescherming van antieke boeken" te bouwen.





Kaishu schrift aangeboden als Unesco Werelderfgoed
december 2008
Het schrift dat vandaag wordt gebruikt in chinese kranten en boeken is niet meer dat van voor de culturele revolutie. Het is in 1956 sterk vereenvoudigd. Alleen Taiwan, Hong Kong en Macau gebruiken nog de oude schrijfwijze; op het vasteland verschijnt sindsdien alles in het vereenvoudigde lettertype.
Taiwan heeft nu plannen gereed om de Unesco te vragen het oude schrift op de Wereld Erfgoederen-lijst te plaatsen. Men hoopt zo de oude schrijfwijze levend te houden, en daarmee oude literatuur leesbaar.


Het initiatief werd door commentatoren op een van de taiwanese kranten-sites met enthousiasme begroet. Er werd aan herinnerd dat het vereenvoudigen van het schrift een bewuste poging is geweest om mensen ervan te weerhouden oude literatuur tot zich te nemen die de culturele revolutie-generatie niet zinde. De commentatoren hopen dat dit cultuurgoed bewaard zal blijven.

Moet aan toegevoegd worden dat de boeddhistische literatuur zoals deze vanuit Taiwan en Hong Kong wordt verspreid nog steeds in het vroegere kaishu-schrift is gedrukt. Zie daarvoor de afbeelding op www.ancientscripts.com/chinese.html. De burgerbevolking die in de tempels de verschillende diensten bijwonen zijn in die gebieden over het algemeen goed in staat de tekst te volgen. Dat is anders met tempel-bezoekers op het vasteland.

Om helemaal volledig te zijn moet er ook aan herinnerd worden dat de jongste taalwijzigingen begonnen als de aanloop naar de zogenoemde Vierde Mei-opstand. De "Literaire Revolutie" die voorafging aan 4 mei 1919 ging over de discrepantie tussen het geschreven en gesproken woord. De literati van die dagen gebruikten een literaire 'taal', het wen yen, terwijl men elkaar in het dagelijks leven aansprak in een gesproken 'taal', het pai hua. De bevolking in het algemeen was niet in staat de wat verheven woordkeus van het wen yen te volgen. De student Hu Shih, in 1917 26 jaar oud, zou in marxistische kringen nog een rol zou gaan spelen. Diep betrokken bij de literaire beweging in China meende hij dat er een taalvernieuwing moest komen, want het wen-yen was een "dode taal" (als het Grieks en Latijn). Hu Shih meende dat "een dode taal geen nieuwe literatuur kan voortbrengen."(*) Vanaf 1920 gebruiken dan nagenoeg alle schrijvers het pai hua, zeg maar, nette straattaal.

(*) Lucien Bianco, Origings or the Chinese Revolution, 1915-1949, 1971, pp.32-33.





Gerelateerde paginas:
Linji Yixuan, aartsvader van linji/rinzai zen | Huangbo, Linji's leraar | de engelstalige versie van Huangbo's "Doctrine of Universal Mind" | Xuanzang, de monnik-pelgrim | Kumarajiva, de monnik-vertaler | de grotten te Kizil | de pagina over boekdrukkunst
Verder:
de archiefpagina | de Soetraspagina
Zie ook de geschiedenis van China binnen het kader van de Zijderoute-studies op de site van de Gele Draak: www.geledraak.nl (/html/page318.asp)


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme