EEN
Aldus werd het vernomen:
Eens verbleef de Bhàgavat(1) in Srávasti(2), in prins Djeta's park, in de gaard van Anātha-píndada.
Hij was vergezeld van een
menigte bhikshus, bodhisattva-mahāsattvas,(3) die grote wijsheid(4) bezaten — 1250 in getal.
Toen, na zijn onderpij te hebben aangedaan, zijn overpij te hebben omgeslagen, en zijn voedselnap te hebben
opgenomen, ging de Boeddha de grote stad Srávasti binnen om daar zijn maal op te halen. Daarna at hij, en
in de namiddag teruggekeerd van zijn maaltijdronde, borg hij zijn voedselnap en overpij op, waste zijn voeten,
zette zich op de zetel die voor hem klaar stond, kruiste de benen, hield zijn lichaam recht en ging het Boeddha-rijk
binnen.(5)
Toen naderden velen van deze bhikshus die grote wijsheid bezaten tot waar de Boeddha in zijn meditatie verzonken zat,
eerden(6) hem door met het hoofd (de grond te raken en) in de richting van de voeten te buigen, liepen driemaal
kloksgewijs om hem heen(7), en zetten zich terzijde neer.
Toelichting:
— (1) Bhagavat wordt vaak vertaald met Gezegende. Het is een term die gebruikt wordt voor vele gerealiseerde indiase
cultivators, boeddhistisch en niet-boeddhistisch.
— (2) Srávasti is nog steeds een stad ten noorden van de Ganges. De koopman anātha-pindada, die de Boeddha een stuk
grond wilde schenken zodat hij in ieder geval tijdens de regentijd in Sravasthi zou verblijven en de Dharma zou
prediken, kocht een gaarde van prins Djeta. De prijs ervoor betaald besloeg letterlijk het hele stuk grond bedekt
met munten.
— (3) De term is prajbāhu. bāhu is groot of veel; praj(ñā) is wijsheid, en wordt veelal
gebruikt om de uiteindelijke grote, intuïtieve wijsheid aan te duiden.
— (4) Bhikshus, bodhisattva-mahāsattvas. Bhikshus zijn monniken. Bodhisattvas zijn bodhisattvas, en mahāsattvas
zijn grote bodhisattvas of Grote Wezens. De vroege vertalingen zetten tussen bhiksu en bodhisattva-mahāsattva vaak het
woordje "en". Dat staat er echter in het origineel niet.
— (5) "Ging het Boeddha-rijk binnen." De Sanskriet-term is smrtiupasthāna. Smrti betekent herinneren,
iets of iemand zonder onderbreking voor de geest houden. Upasthāna betekent "jezelf in de nabijheid plaatsen
van", iets of iemand benaderen, toegang, nabijheid, immanentie, maar ook "verblijfplaats" (van, in het Hinduïsme,
een godheid). Meestentijds wordt die oudere betekenis van "verblijfplaats" geschuwd, hier wordt ze gebruikt als
een metafoor voor een diepe meditatieve toestand die verder niet omschreven wordt, en die in oudere vertalingen
verschijnt als "zelf-reflectie".
— (6) "Eerden". De technische term is vàndana (klemtoon op de eerste lettergreep) en wordt in het Boeddhisme
nagenoeg uitsluitend gebruikt voor
die situaties waarin iemand op de hier beschreven wijze Boeddha of een herinnering aan hem eert.
— (7) "(Driemaal) kloksgewijs om hem heen". De term is pradáksina hetgeen "naar rechts
bewegen" betekent, of ook wel, iemand aan je rechterzijde houden.
TWEE
Temidden van deze menigte bevond zich de eerwaarde Subhuti. Hij stond op, drapeerde zijn overpij over een
(de linker-) schouder, knielde neer(1), vouwde de handen (in àndjali) samen en richtte zich tot de Boeddha: "Bhagavat,
hoogste onder de leraren(2), het is buitengewoon hoezeer de Welgegane (Sùgata) de bodhisattvas, die grote wijsheid
bezitten, heeft welgedaan, hoe de Welgegane, de heilige (yavadeva), de Zo-gegane die Arhat is, hij die het verhevenste
Boeddhaschap bezit (3), hen de hoogste dienst heeft bewezen! Het is buitengewoon hoezeer de Leraar, de
verheven Bhagavat, de Zo-gegane die Arhat is, hij die het verhevenste Boeddhaschap bezit, de
bodhisattvas die grote wijsheid bezitten het verhevenste heeft onderwezen dat er maar te onderwijzen valt.
*Bhagavat, hoe zou een zoon of een dochter van goede familie, zich bevindend voor het pad van de bodhisattvas(4), de
geest moeten richten opdat ze ontvankelijk is?"*(4)
Nadat de eerwaarde Subhuti zo gesproken had zei de Bhagavat: "Subhuti, dat heb je goed gezegd; het is zoals je zegt.
De Zo-gekomene heeft de bodhisattva-mahāsattvas die grote wijsheid bezitten welgedaan, hen de hoogste dienst bewezen,
hen het verhevenste onderwezen dat er maar te onderwijzen valt.
Daarom, Subhuti, luister goed, schenk aandacht (manasikara). Ik zal je vertellen hoe iemand die zich bevindt
voor het pad van de bodhisattvas de geest moet richten, opdat ze ontvankelijk is."
Toelichting:
— (1) "Knielde neer." Het woord hier is janumandala. Janu betekent knielen, mandala, in deze betekenis,
staat voor "een bepaalde offering". Janumandala betekent dus eerbiedig en vol overgave neerknielen.
— (2) Bhagavanparamacāria. Parama betekent hoogst, of alles overstijgend; acāria betekent leraar.
— (3) Het woord is Samyaksambuddha.
— (4) De zin tusen de twee *. "Zich bevindend voor het pad van de bodhisattvas". Er staat:
bodhisattvayāna-samprasthitena. De bodhisattvayāna is het Pad van de bodhisattvas. Pras betekent
zowel "van aangezicht-tot-aangezicht staan", als "tot in een verheven mate", als "uitmunten". In dit eerste deel
van de zin kiezen we voor de eerste oplossing.
"Zijn gedachten richten". Hier staat cittam pragrahitavyam. De citta (spr.: tsjieta) is de gedachtenstroom of de geest; grahita betekent "er voor zorgen dat iets opgepakt kan worden".
DRIE
Toen zei de Bhagavat dit tot hem: Subhuti, wie zich dan ook maar bevindt voor het pad van de bodhisattvas moet
deze gedachte toelaten(1): Hoeveel wezens er in deze door wezens bevolkte wereld ook zijn,
of ze nu uit een ei geboren
zijn, uit een baarmoeder, uit vocht, als een schijngestalte(2), of ze nu vorm hebben, of geen vorm, of ze nu
aangeduid kunnen worden of niet(3), of zowel wel als niet aangeduid kunnen worden,
voor zover het deze door wezens bevolkte wereld aangaat moeten ze allen door mij naar de sfeer van nirvāna
gebracht worden, naar parinirvāna.(4).
Niettemin, na op die manier ontelbare aantallen wezens naar parinirvāna gebracht te hebben
(moet ik overwegen:) geen wezen is naar parinirvāna gebracht. Waarom? Had, Subhuti, een bodhisattva slechts een
enkele gedachte aan (of een enkele opinie over) "wezen", dan zou zoeen geen bodhisattva genoemd kunnen worden.
Waarom niet? Niemand wordt bodhisattva genoemd zolang in hem nog een idee (of opinie) leeft aangaande (het
substantiële) bestaan van "wezen", of van "persoon."(5)
Toelichting
— (1) De term is utpāda: tevoorschijn komen, geboorte, productie of produceren.
— (2) De term is māyā.
— (3) De term is upadhi: attribuut, titel, onderscheiden (van iets).
— (4) De tekst zegt: nirvānadhatau parinirvapayitavyah.
— (5) Zie voor "substantieel bestaan" de woordenlijst bij de lankāvatāra soetra op deze site.
VIER
(Boeddha sprak:) Verder, Subhuti, zou zo iemand zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten(1) met de daad van
vrijgevigheid (dāna) zolang deze laatste nog gelooft in 'dingen'(2). Zo iemand zou zich jegens bodhisattvas niet
in moeten
laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog wat dan ook maar voor substantieel waar houdt(3). Zo iemand
zou zich
jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog "vorm" (rupa) voor
substantieel waar houdt. Zo iemand zou zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid
zolang deze laatste nog geluid, geur, smaak, en aanraken als ultieme waarheden ziet.(4) Want zo, Subhuti, zou
de mentale instelling van een bodhisattva-mahāsattva moeten zijn: hij zou de waarheid omtrent deze beelden(5)
moeten kennen en weten: dit is het niet. Wanneer, Subhuti, een bodhisattva deze mentale instelling
heeft, dan verkrijgt hij het subtiele, niet te meten,(6) puññaskandha.(7)
Subhuti, wat denk je, kun je de lege ruimte (ākāsa) in de oostelijke windrichting meten?
"Nee, Bhagavat." Subhuti kun je de lege ruimte in de zuidelijke, de westelijke, de noordelijke richting
meten, of die in het nadir of het zenit? "Nee, Bhagavat."
Evenzo, Subhuti, de puññaskandha van een bodhisattva aan wie gegeven wordt, die zich hiermee (met
de bovenomschreven verkeerde zienswijze) niet inlaat, hierop niet steunt(8), is net zo onmetelijk. Subhuti,
iemand die (daarentegen) wel zijn steun zoekt in het bodhisattva-pad, iemand aan wie (bovendien)
gegeven wordt, zou zich niet met dergelijke (bovenomschreven) beeldvorming(9) in moeten laten.
Toelichting:
— (1) Het woord is prati, dat zowel "zich inlaten met" betekent, als ontvangen of aanvaarden.
— (2) Het woord is vastu, dat staat voor "enigerlei werkelijk bestaande of durende substantie of essentie."
— (3) Hier komt het woord citta naar voren als "wat je je ook maar voor de geest kunt halen".
— (4) "De daad van vrijgevigheid" is giften brengen aan Boeddha of aan cultivators van de Boeddha-Dharma met
het oogmerk daarmee zowel naar de ander goed te doen als zelf verdiensten te behalen. Zie hiervoor de woorden
over puññaskandha.
— (5) Er staat nimitta. Nimitta zijn beelden, geestesgestalten inclusief gedachten.
— (6) Het woord is pramana hetgeen in het Boeddhisme staat voor maat, omvang, meetbaarheid etc.
— (7) Suka is hier duister. Het Hybrid-woordenboek geeft shukla met "waardig" (virtuous), en sukhuma met
"fijn, subtiel"; het woord puññaskandha is onvertaald gelaten omdat het een complex geheel is. puñña is "goed, juist, waardig, verdienstelijk"; skandha zijn, in het Boeddhisme, de vijf onafscheidelijke "aggregaten", dat wil zeggen: lichaam, ondervindingen, perceptie, het samengestelde en het samenstellen, en bewustzijn. De Cowell-vertaling ziet in puññaskandha een "corpus van verdiensten", een "massa verdienste", maar het geheel kan ook letterlijker genomen worden en gezet worden tegen de achtergrond van een doorgaand cultiveren op alle fronten. Het woord, en de hele zin die we in tekst Acht nog zullen tegenkomen, kan daarom ook geïnterpreteerd worden als "het verdienstelijk functionerende, of verdienstelijk geworden, complex van lichaam en geest." Het Boeddhalichaam is een puññaskandha.
— (8) Het woord is 'pratisthito. Prati wordt boven gegeven; sthito is een vervoeging van
het woord staan, en a, in dit geval ', is een ontkennend voorzetsel. Vandaar de vertaling
"zich hiermee niet inlaat, hierop niet steunt."
— (9) Niet ... beeldvorming: na nimitta...
VIJF
(De Boeddha zei:) Subhuti, wat denk je? Kan de Zo-gegane waargenomen worden(1) als voorzien van
kenmerken(2)? Subhuti antwoordde: "Nee, Bhagavat, de Zo-gegane kan niet waargenomen worden als voorzien van kenmerken. Waarom niet? Omdat waneer de Zo-gegane heeft gesproken over, zich heeft verklaard aangaande(3) kenmerk, dit kenmerk (tegelijkertijd) niet-kenmerk is."(4).
Daarna sprak de eerwaarde Bhagavat tot Subhuti en zei, hier moet je het zo zien: Waar ook maar over "kenmerk"
gesproken wordt, daar is een fout; wanneer er "niet-kenmerk" is, is er geen fout.(5) Dat wil zeggen, over de Zo-gegane moet gesproken worden als voorzien van kenmerk-noch-niet-kenmerk.(6)
Toelichting:
— (1) Waargenomen worden is de vertaling van drastavya.
— (2) Voorzien van kenmerken is de vertaling voor lakshanasampāda. Lakshana is "kenmerk", of ook wel
"verschijningsvorm", voorzien van is sampāda (klemtoon op da).
— (3) Het stamwoord is bhas: spreken, zich ergens over uiten.
We kiezen dan voor 1/, met in gedachten de interpretatie van 3/. De ouden zouden zeggen "zich ergens in
vermeien."
— (4) Het zinsdeel luidt: lakshanasanpattathāgatena bhasita saivalakshanasanpat. Saiva kan
gelezen worden als sa-iva; sa is "alles tesamen genomen", en iva betekent "als het ware".
— (5) Fout wordt weergegeven met ...mrsa en mrseti. Veelal gaat het gepaard met het toevoegsel
drsthi hetgeen opinie betekent.
— (6) Zowel de Diamant soetra als de Hart soetra zijn onderdeel van een en dezelfde Perfectie-van-Wijsheids-tekst.
Eenieder die geïntereseerd is in Boeddhisme zal de Hart soetra's kernzin: Vorm is leegte, leegte is vorm
kennen; daar is deze passage een parafrase op, of een andere vorm van. Dat Boeddha gezien moet worden als voorzien van kenmerk-noch-niet-kenmerk kunt u ook teruglezen in de Zangen vanuit Tushita, eveneens op deze site.
ZES
Hierna zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: "Bhagavat, zullen er in de toekomst, in de laatste tijd,
in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma slechts een echo is(1) (van het oorspronkelijke), wanneer de Goede Dharma geruïneerd is(1) - zullen
er wezens zijn die, wanneer deze soetra(2) wordt gepredikt, enig inzicht gaan ontwikkelen?"(3)
De Bhagavat zei: Subhuti, spreek niet zo. Ja er zullen in de toekomst, in de laatste tijd,
in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze
slechts een echo (van het oorspronkelijke) is wezens zijn die, zodra deze woorden worden gepredikt,
inzicht gaan ontwikkelen.
Subhuti, er zullen inderdaad in de toekomst, in de laatste tijd,
in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze
slechts een echo is bodhisattva-mahāsattvas zijn die zullen excelleren, die sterk zullen zijn, en wijs(4),
en die, wanneer deze woorden, deze soetra wordt gepredikt, inzicht zullen hebben.
Maar, Subhuti, deze nobele bodhisattva-mahāsattvas zullen niet slechts een Boeddha
gediend hebben; ze zullen niet slechts onder een Boeddha goede wortels(5) geplant hebben. In tegendeel,
Subhuti, deze bodhisattva-mahāsattvas zullen honderdduizenden Boeddhas gediend hebben; die wortels van het
goede zullen ze al eerder geplant hebben, onder vele honderdduizenden Boeddhas.
En zodra ze deze soetra horen prediken zullen ze allemaal, in hun geest, dezelfde gezuiverde, geschikt
gemaakte gedachte doen ontstaan.(6)
Subhuti, de Zo-gegane, ja, de Zo-gegane zal ze (hun geest) kennen, hij zal ze zien met zijn Boeddha-oog,(7)
de Zo-gegane zal ze begrijpen(8). Al dezen, Subhuti, zullen de onmetelijke(9) puññaskandha ontvangen.(10)
Subhuti, waarom is dat? Omdat er in deze bodhisattva-mahāsattvas geen enkele impuls(11) is die hen doet denken
aan "zelf", aan "levend wezen", aan "persoon", Noch, Subhuti, koesteren ze een opinie over dharma
(fenomenen), of over niet-dharma. Noch, Subhuti, is er in hen enige gedachte over sangha, of niet-sangha.(12)
Waarom is dat? Zou, Subhuti, in deze bodhisattva-mahāsattvas enigerlei impuls zijn te gaan denken over dharma
en sangha, dan zouden ze geloven in zelf (atma), in wezen (sattva), in leven (jiva), in persoon (pudgala).
En zelfs wanneer er in hen een impuls zou bestaan te gaan denken in termen van niet-dharma, dan zouden ze nog steeds
geloven in zelf, in wezen, in leven, in persoon.
Hoezo? Omdat, Subhuti, een bodhisattva-mahāsattva geen enkele impuls heeft te gaan denken in termen van dharma
of niet-dharma. Daarom predikte de Zo-gegane deze niet (aan
allen) geopenbaarde leer, als volgt: "Zij die de Dharma-predikingen (dharmapariyāya) kennen moeten,
als het vlot,(13) (na het oversteken van de stroom) deze dharmas achterlaten. Sterker, ze moeten niet-dharmas
achterlaten!"(14)
Toelichting:
— (1) Het woord dhvani is gekozen aan de hand van het Klassiek Sanskriet woordenboek en wordt hier gebruikt als klank, echo, stem, lege klank zonder betekenis. Adhvan betekent echter "tijd"; in die betekenis vinden we het terug in tekst 16. "De Goede Dharma geruïneerd": saddharmavipralopa.
— (2) Hier staat het woord sutranta hetgeen soms wordt opgevat als 'soetra', maar soms ook als
'kleine soetra' in de zin van een deel van een grotere - hetgeen hier de juiste interpretatie is daar de
Diamant soetra, zoals gezegd, onderdeel vormt van de Perfectie-van-Wijsheid-geschriften.
— (3) Met enige voorzichtigheid - het woord voor "(enig) inzicht (in wijsheid) gaan ontwikkelen" is waarschijnlijk
bhūta sanyamutpādayisyanti. bhūta betekent zowel worden, als geweest, als voorbij. Gezien de
context moeten we hier kiezen voor de eerste oplossing, d.w.z worden of ontwikkelen.
Utpāda werd eerder al gegeven, en sanya is perceptie, hier inzicht.
— (4) Het woord guna betekent onderandere excellent. vīra betekent sterk, en prajñā
betekent wijs in de zin van intuïtieve wijsheid. Het zinsdeel luidt: gunavantah wiravantah prajñāvantaca.
— (5) het woord kusalamula komt als goede wortels, of wortels van het goede niet erg uit de verf. "Het
goede zaad gezaaid" zou een betere vertaling zijn, maar dat staat er niet.
— (6) "... in hun geest, dezelfde gezuiverde, geschikt gemaakte gedachte doen ontstaan". De term is
bhasyamanesvekacittaprasādamapi. Zie voor Bhas tekst 5.
Mane komt van manas: de geest; citta moet hier opgevat worden als die ene particuliere
gedachte, en prasāda betekent geschikt gemaakt, presentabel, gezuiverd.
— (7) Boeddhaoog. Het woord is buddhacaksu en wordt gebruikt wanneer beschreven wordt hoe Boeddha
de wezens "ver weg of nabij" kan waarnemen op een manier die het gewone zien te boven gaat.
— (8) Hier komt het woord drsti dat we eerder tegenkwamen als "mening", "opvatting". Zolang een wezen nog
geen Boeddha is heeft hij drsti.
— (9) Er staat aprameya.
— (10) Ontwikkelen en vasthouden. De term is pratigrahisyanti. Pratigraha is ontvanger; pratigrahita is ontvangen.
— (11) Impuls is hier de vertaling van pravarte. Pravartana is "in beweging zetten" als in de eerste Prediking: de Dharmacakrapravartana sutra.
— (12) Met deze uiting over "sangha", traditioneel gezien als de communiteit die enigerlei vorm van ordinatie
ondergaan heeft, neemt de Diamant Soetra afstand van de opinie dat slechts dezen, en niet de leken-Boeddhisten
het "puññaskandha" kunnen behalen.
— (13) Hier wordt verwezen naar de parabel over het vlot. De technieken om verlichting te behalen worden daarin
voorgesteld als een vlot waarmee men de stroom van samsara, van wedergeboorte na wedergeboorte, kan oversteken.
Is men eenmaal veilig op de andere oever, dan heeft het vlot geen nut meer, en kan het op de oever achtergelaten worden.
— (14) Geen opinies hebben over dharmas of niet-dharmas komt er op neer dat men niet filosofeert over wat,
in uiteindelijke zin nu wel "bestaan" of "niet-bestaan" is - niet omdat men aangespoord wordt de hersens van
een ongewerveld dier te ontwikkelen, maar omdat er de wetenschap moet zijn dat alles ledig (sunya) is, zowel
de dingen als gedachten en andere geestesproducten. En dat wat vlietend en kernloos is, kan niet in aanmerking komen
voor vaststellingen als "zo is het", of "zo is het niet", omdat is vaste grond ontbeert - wat is dan
wel?.
ZEVEN
Opnieuw richtte de eerwaarde Bhagavat zich tot Subhuti: Subhuti, wat denk je, is er ook maar enige dharma
(leer) die de Zo-gegane ontstijgt(1), die gekend kan worden onder een naam als het Samyaksamboeddhaschap
van de Boeddhas(2); heeft hij ooit zo'n dharma onderwezen?
Na het horen van deze woorden zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: Bhagavat, naar de mate waarin ik de
betekenis van de Bhagavat's leer begrijp, is er niets dat de Zo-gegane teboven gaat, dat gekend kan worden
onder een naam als het Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas; naar mijn mening heeft hij zo'n dharma
nooit onderwezen. Waarom?
Omdat de dharma van Zo-gegane niet in woorden uit te drukken is. Het is noch dharma, noch
niet-dharma. Waarom? Omdat het niet-samengestelde(3) van de nobele wezens(4) voorbij het bestaande is, majestueus.(5)
Toelichting:
— (1) "Enige dharma die de Zo-gegane ontstijgt" is de keuze die gemaakt is aan de hand van het composiet
...dharmo yastathāgatenanuttara.
— (2) Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas is mogelijkerwijs een imperfecte weergave van
samyaksambodhirityabhisambuddhah. Samyaksambuddha, of Sammasamboeddha, betekent De hoogste Boeddha, of
het hoogste Boeddhaschap.
— (3) Niet-samengesteld is asamskrta.
— (4) Nobele wezens is aryapudgala.
— (5) Er staat asamskrtaprābhāvita; prābhāva betekent voorbij het bestaande; prābhāvya betekent majestueus, machtig.
ACHT
De Bhagavat zei: Subhuti, wat denk je? Zou een zoon of dochter van goede familie de
drievoudige wereld, de wereld bewoond door mensen(1), vullen met de zeven schatten(2), en dit alles schenken aan
de Zo-geganen, de Samyaksambhoeddhas, zou zo'n zoon of dochter grote verdienste-op-verdienste
stapelen(3), een puññaskandha verwerven?
Subhuti zei: Ja, Wel-gegane, zo'n zoon of dochter zou grote verdienste-op-verdienste stapelen, een puññaskandha
verwerven. Groot, Bhagavat, groot, Welgegane is de door zo'n zoon of dochter van goede familie de aaneengeschakelde
verdienste-op-verdienste, groot is zijn puññaskandha. Waarom is dat? Wanneer de Bhagavat, de Zo-gegane spreekt over
puññaskandha, dan moet ons voor de geest staan dat de Zo-gegane het heeft over niet-skandha(4). Dat bedoelt
de Zo-gegane met "Dit is de puññaskandha."
Boeddha zei:
En wanneer, Subhuti,een zoon of dochter van goede familie de drievoudige wereld, de wereld bewoond door mensen
zou vullen met de zeven schatten, en dit alles zou schenken aan de Zo-geganen, de Samyaksambhoeddhas,
en dan opnieuw uit de Dharma-prediking (Dharmapariyāya) al is het slechts een vierregelig vers uit deze
gāthā (zang) zou oppakken, er in zou doordringen (vista), ze aan anderen zou voorhouden en verklaren, dan zou
zo iemand nog grotere verdienste-op-verdienste stapelen, een nog groter puññaskandha verwerven.
Hoezo? Omdat hieruit (uit de betekenis van zo'n vierregelig vers) de naam (c.q. betekenis van)
'Zo-gegane', de naam 'Verheven Samyaksamboeddha', de naam 'Samyaksambodhi'(5) voortkomt; hieruit komt de Boeddha,
de Bhagavat voort.
Waarom? Omdat, Subhuti, wanneer de naam Boeddha-Dharma, ja, de Boeddha-Dharma je voor de geest komt, de
Zo-gegane het heeft over niet-Boeddha-Dharma - dat is de betekenis van Boeddha-Dharma.
Toelichting:
— (1) De tekst zegt: trisahasramahsahasram lokadhātum. Saha wordt doorgaans vertaald met wereld, vooral
als het gepaard gaat met het woord lokadhātu, dan wordt het "wereld bewoond door mensen."
Tri is 3. Asrama is bovendien "verblijfplaats." Vandaar de vertaling "drievoudige ... mensen".
De drievoudige wereld verwijst hier naar het verleden, het heden, en de toekomst.
— (2) De zeven schatten. De mahāyāna hanteert hier een lijst van zeven soorten edele materialen:
goud, zilver, lapis lazuli, kristal, agaat, robijn of rode parels, en koralijn.
— (3) Het zinsdeel luidt: nidānam bāhu (groot) puññaskandham prasunuyat, dat hier gegeven wordt als
"grote verdienste-op-verdienste stapelen". Het woord puñña wordt hier niet als solitair gebruikt, maar
"verdienste" niet vermelden zou de betekenis van de oorspronkelijke zin geweld aan doen, daar we in dat geval het woord
"stapelen" (of aaneenschakelen), nidāna, buiten beschouwing hadden moeten laten.
— (4) Zie voor skandha tekst Vier.
— (5) Sambodhi betekent Hoogste Verlichting.
— Het vierregelige vers zullen we dan in tekst 17 ontmoeten, zou het gedeelte tussen twee *sterretjes kunnen zijn, ware het niet dat we dan moeten aannemen dat hier niet alleen sprake zou kunnen zijn van een samenvoegen van drie bundels tekst (zie de introductie), maar dat er ook binnenin de tekst aanvullingen/wijzigingen zouden kunnen hebben plaatsvinden, hetgeen niet zelden is voorgekomen.
NEGEN
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft Een die de Stroom is Ingegaan deze gedachte: Ik heb het resultaat van Hen die
de Stroom zijn Ingegaan bereikt(1)?
— Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die de Stroom in Ingegaan heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat van Hen die de
Stroom zijn Ingegaan bereikt." Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma(2) verkregen. Zo moeten we "Hij die
de Stroom is Ingegaan" begrijpen. Hij heeft geen vorm behaald, geen geluid, geen geur, geen smaak, niets dat aangeraakt
kan worden(3). Zo moeten we "Hij die de Stroom is Ingegaan" begrijpen.
Zou, Bhagavat, in Iemand die de Stroom is Ingegaan deze idee bestaan: "Ik heb het resultaat van Hen die de Stroom zijn
Ingegaan bereikt", dan zou hij het idee van "zelf" oppakken(4), van "wezen", van "levende", van "persoon".
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft Een die nog Eenmaal zal Terugkomen deze gedacht: Ik heb het resultaat van Hen
die nog Eenmaal Terugkomen bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die nog Eenmaal zal Terugkomen heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat
van Hen die nog Eenmaal zullen Terugkomen bereikt." Waarom niet? Hij heeft geen enkele dharma verkregen dat Resultaat
van Hen die nog Eenmaal Terug zullen Komen genoemd kan worden. Zo moeten we "Hen die nog Eenmaal Terugkomen"
begrijpen.
Bhagavat zei: Wat denk je Subhuti, heeft Een niet meer zal Terugkomen deze gedachte: Ik heb het resultaat van Hen die
niet meer zullen Terugkomen bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die niet meer zal Terugkomen heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat
van Hen die niet meer zullen Terugkomen bereikt." Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma verkregen dat
Resultaat van Hen die niet meer Terug zullen Komen genoemd kan worden. Zo moeten we "Hen die niet meer Terugkomen"
begrijpen.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft een Arhat deze gedachte: Ik heb het resultaat van Arhatschap bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een Arhat koestert niet de verkeerde gedachte Arhatschap behaald te hebben.
Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma verkregen waar de naam "Arhat" op van toepassing is. Daarom wordt
het "Arhat" genoemd. Bhagavat, zou ik die Arhat ben, de idee koesteren dat ik Arhatschap verkregen heb, dan zou ik het
idee van "zelf" oppakken, van "wezen", van "levende", van "persoon". Waarom? Wat mij aangaat heeft de Bhagavat, de
Zo-gegane, voorspeld(5) dat ik, Arhat zijnd en in het woud levende(6), Samyaksamboeddhaschap zal behalen. Ik ben een
eerwaardige Arhat, passieloos(7). Zeker, Bhagavat, koester ik niet de gedachte: "Ik ben Arhat, ik ben passieloos."
Bhagavat, zou ik de idee koesteren "Ik heb Arhatschap behaald," dan zou de Zo-gegane die voorspelling niet hebben
gedaan, dan zou hij niet hebben gezegd: "Subhuti, de zoon van een goede familie die een in het woud levende is,
verblijft nergens, vandaar dat hij de naam 'noch verblijver in het woud, noch niet-verblijver in het woud' verdient(8). Dat is de betekenis van 'verblijver in het woud'."
Toelichting:
— In deze passage worden de vier stadia van cultiveren genoemd zoals ze in het vroege Boeddhisme worden gekend,
die van Hen die de Stroom zijn Binnengegaan, die van Hen die nog Eenmaal Terugkeren, die van Hen die niet meer
Terugkeren, en de Arhat. De Sanskriet-termen zijn Srota-apanna, Sakradagamin, Anagamin, en Arhan of Arrahan.
— (1) Bereikt. Er staat prapta dat ook "verkregen" betekent.
— (2) Geen enkele dharma verkregen. Geen enkele dharma moet hier begrepen worden als "niets", als in het zen-adagium "er is niets behaald."
— (3) Hij heeft geen vorm behaald etc. betekent dat de yogin de zintuigen en het zintuiglijk functioneren niet
als laatste waarheid ziet maar als net zo Ensloos als alle andere dingen en fenomenen.
— (4) Oppakken. Er staat graha.
— (5) Zowel het woord nirdista in deze zin als vyākaranā in de laatste betekent voorspellen.
— (6) In het woud levende: arañaviharin.
— (7) Passieloos: virāga
— (8) Voor deze zin, vanaf : wordt globaal de analyse van Cowell et. al gevolgd, hoewel een samenstelling
als vyakarisyadaranaviharinamagryah nagenoeg onuitpluisbaar is.
TIEN
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane ook maar enige (te onderwijzen) dharma geërfd (prati) van de
Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara?(1)
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane
heeft geen enkele (te onderwijzen) dharma geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara.
Bhagavat zei: Bedenk, Subhuti, een bodhisattva zou kunnen zeggen 'ik zal een menigte landen(2)
bijeenbrengen'(3), maar dan zou dit een onjuiste uitspraak zijn. Waarom? Omdat wanneer de Zo-gegane spreekt
over 'bijeenbrengen van een menigte landen', ja, bijeenbrengen van een menigte landen, dan bedoelt hij
niet-bijeenbrengen van landen. Dat is de betekenis van 'bijeenbrengen van landen'.
Daarom, Subhuti, moet een bodhisattva-mahāsattva dit inzicht in zijn geest(4) toelaten(5), het daar laten
bestaan(6), het er (in handelingen en spraak) uit voort laten komen(7): er kan niet aanvaard worden dat er
iets (substantieels) is als (resp. in) vorm, geluid, geur, smaak, of wat aangeraakt kan worden - dit (inzicht) moet zich in zijn geest gevormd hebben.
Subhuti, een persoon zou een lichaam(8) kunnen hebben,een groot lichaam (mahākayo), zo groot als berg Sumeru, zodat hij er (het idee van) een "zelfziel"(9) op na zou gaan houden, zou zo'n (idee van) zelfziel groot zijn?
Subhuti zei: Groot, Bhagavat, groot, Zo-gegane, zou zijn (idee van) zelfziel zijn. Waarom?
(Wel,) "Zelfziel", Bhagavat, "zelfziel", Tathāgata, dat zou het enige zijn dat zijn gedachten zou vullen. Daarom (wordt er gesproken over) bestaan. *En daarom heeft de Bhagavat het over "bestaan-noch-niet-bestaan". Daarom wordt er gezegd: zelfziel".(*)
Toelichting:
— (1) Dipánkara is de eerst bekende Boeddha die op aarde rondging. De canon meldt dat
in die tijd de toekomstige Sakyamuni Boeddha een zwerver was die over Dipánkara Boeddha hoorde en hem wilde dienen.
Met de enige vodden die hij om zich heen geslagen had probeerde hij de weg schoon te maken waar Dipánkara
tijdens zijn bezoek aan die ene stad over zou lopen. Verzonken in zijn bezigheden merkte de toekomstige Boeddha
het niet toen Dipánkara op een gegeven moment al voor de geknielde zwerver stond. Deze kreeg op dat moment
de verzekering dat hij eens, in een verre toekomst, na vele levens, Boeddha zou worden, een in een lange rij die,
na onze tijd, aangevuld zal worden met Maitreya Boeddha.
— (2) Landen: ksetra, ook te begrijpen als 'werelden'.
— (3) Bijeenbrengen. Het woord is vyuha: opeenhopen, een massa, arrangeren etc.
— (4) Geest. Hier: citta.
— (5) Toelaten: prati.
— (6) Laten bestaan: sthiti., letterlijk staan, voortduren, of onbewogen blijven. We komen het woord tegen in de standaard-term: ontstaan, bestaan, en verdwijnen. Het is niet zeker dat deze term hier van toepassing is.
— (7) Utpāda, zie tekst Drie.
— (8) Hier staat bhavedupetakayo; het midden-gedeelte van dit composiet is duister; dus betekent zowel in Sanskriet als in Pali "slecht", "verdorven", en, als dusposata, in Hybrid-Sanskriet "moeilijk te bevredigen"; dus komt terug in het in het Pali bekende dosa: haat.
Peta komt in het Sanskriet niet voor, maar preta wel. Peta (in Pali) en preta (in Sanskriet) is de naam
voor de 'spirit' van een overledene die nog een tijd kan rondwaren (niet te verwarren met ziel). Zouden
we dupeta een nominatieve betekenis moeten geven, dan staan we voor het probleem dat hier ogenschijnlijk
Pali- en Sanskriet-termen zijn samengevoegd in iets dat 'spooklichaam' of 'lichaam van een kwade ronddolende spirit'
zou kunnen betekenen. Maar wellicht is hier de fantasie te zeer de vrije loop gelaten, en is de onwetendheid te groot.
— (9) Atma is zelf; bhāva is zijn, bestaan, worden. Het woord is atmabhāva, letterlijk het zijn, of
bestaan van een zelf. Het wordt altijd gebruikt in negatieve zin: als 'zelfziel, hetgeen een verkeerde zienswijze is'.
— De twee zinnen tussen * ontbreken in de Cowell-vertaling. Ze luiden: na hi bhagavansa bhāvo nabhāva | tenocyata
atmabhāva iti. In de eerste zin wordt duidelijk niet gesproken over atmabhāva, het bestaan
van een zelf, maar over bhāvo, resp. bhāva zonder atma, en dus alleen over "het bestaande" of
"dat wat is". Voor de discussie over bestaan resp. niet-bestaan zij verwezen naar de lankāvatāra soetra op
deze site.
ELF
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, als er net zo veel grote Ganges-rivieren zouden zijn als er zandkorrels
in de Ganges zijn, zouden er dan in al die rivieren (tesamen) veel zandkorrels zijn?
Subhuti zei:
Bhagavat, dan zouden er veel Ganges-rivieren zijn, dan zouden er veel zandkorrels in al die Gangessen zijn.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, zou een vrouw of een man de zeven schatten nemen en daarmee
zoveel werelden vullen als er zandkorrels in al die Gangessen zouden zijn, en zou zij of hij deze schenken aan
de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, zou zo'n vrouw of man dan veel verdienste vergaren, een groot
puññaskandha verwerven?(1)
Subhuti zei: Zeker, Bhagavat, Welgegane, groot zou de door zo'n vrouw of man opeengehoopte verdienste zijn,
onmetelijk zou het zijn, onpeilbaar.
Bhagavat zei: Maar bedenk, Subhuti, zou zo'n vrouw of man de zeven schatten nemen en daarmee
zoveel werelden vullen als er zandkorrels in al die Gangessen zouden zijn, en dit alles schenken aan
de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, terwijl er anderzijds een zoon of dochter van goede huize zou
zijn die uit de Dharma-prediking al is het slechts een vierregelig vers uit deze gāthā zou oppakken,
er in zou doordringen, ze aan anderen zou voorhouden en verklaren, dan zou de opeengehoopte verdienste van deze
laatste nog groter zijn, nog onmetelijker, nog onpeilbaarder.
Toelichting:
— (1) Zie voor verdienste, puññaskandha, en het offeren van een vierregelig vers tekst Acht.
TWAALF
Nu, Subhuti, het zou kunnen zijn dat in deze hele, wijde wereld(1) waarmee we ons van aangezicht tot aangezicht
bevinden(2) er deze Dharma-prediking zou zijn waarin al was het maar een vierregelig vers uit deze gāthā
gepredikt zou worden, of verklaard, dan zou die wijde wereld de devas(3), de mensen, en de asuras(4)
voorkomen als een Caitya(5), ja, dan zou er de weg(6) van deze Dharma-prediking zijn; en als dan
iemand deze (vier regels) zou verklaren, er over zou spreken, er een uiteenzetting over zou geven, er in zou
doordringen en er door doordrongen zou raken, wat zouden we dan van zo iemand zeggen? (Dan zouden we zeggen dat)
Dezen, Subhuti, kunnen beschouwd worden als leraren(7); ze hebben (de wetenschap van) komen-noch-gaan, het (die
wetenschap) is ononderbroken in hen(8). Subhuti, die wijde wereld, dat land(9), zal een verblijfplaats(9) zijn voor hen die noch gekomen zijn, noch gaan, voor hen die Wetende gurus zijn.
Toelichting:
— (1) Prthivi is de aarde of de wijde wereld;
— (2) Pras — Zie tekst 2.
— (3) Devas. Hemelingen.
— (4) Asuras. Onverbeterlijke krijgers.
— (5) Caitya. Beter bekend als ceta, en nog beter bekend als stupa, het heiligdom dat ontstond uit de grafheuvels uit de oudheid.
— (6) Er staat punārvado. Puna betekent in Hybrid Sanskriet opnieuw, nog eens, maar toch; vāda is de (te belopen) weg, als in Theravāda.
— (7) Er staat Accharya - leraar.
— (8) Er staat samanāgata bhavisyanti. Saman betekent voorzien zijn van; anagata staat voor het "nog niet gekomene", de toekomst, en (a)gata vinden we in de naam Tath-agata - gekomen, of gegaan, al naar gelang we ons in het vroege of latere voertuig van het Boeddhisme bevinden; in bhavisyanti schuilt bhāva, (de continuïteit van) worden.
—(9) Er staat op beide plaatsen pradesha, land, resp. vihāra, letterlijk "heilig oord", hier "verblijfplaats".
DERTIEN
Hierna zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: Bhagavat, welke naam dient deze Dharma-prediking te krijgen, hoe dienen we deze te onthouden?
Daarop zei de Bhagavat tot de eerwaarde Subhuti: Noem het de Perfectie van Wijsheid(1), Subhuti, zo zal deze Dharma-prediking heten, onthoudt het zo. Waarom? Omdat, Subhuti wanneer we spreken over de Perfectie van Wijsheid die door de Zo-gegane gepredikt werd, dit de niet-Perfectie van Wijsheid is - dat is de betekenis van Perfectie van Wijsheid.
Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane enige dharma onderwezen?
Subhuti zei: Nee, Bhagavat, de Zo-gegane heeft generlei dharma onderwezen.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, komt het stof(2) van de wereld in dit driemaal onvoorstelbare wereldsysteem(3) je voor als een menigte stof? Subhuti zei: Een grote menigte stof, Bhagavat; Welgegane, het komt me voor dat dit een boel stof is. Waarom? Omdat, Bhagavat, wat de Zo-gegane heeft verklaard als "stof van de wereld" (tegelijkertijd) "niet-stof van de wereld" is - dat is de betekenis van stof van de wereld. En wat de Zo-gegane heeft verklaard als lokadhātu(4) moet begrepen worden als niet-dhātu(4) (niet-element) - dat is de betekenis van lokadhātu.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, is de Zo-gegane te herkennen aan de twee-endertig (lichamelijke) kenmerken(5) van een groot wezen(5); kan hij aan de hand daarvan aangeduid worden als een Arhat, een Samyaksamboeddha?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha kan niet herkend worden aan de hand van de twee-endertig kenmerken van een groot wezen. Waarom niet? Omdat, Bhagavat, de twee-endertig kenmerken van een groot wezen, van de Zo-gegane, als niet-kenmerken beschouwd moeten worden; zo, Bhagavat, zo, Zo-gegane, moeten we het zien, dat is de betekenis van de twee-endertig kenmerken van een groot wezen.
Bhagavat zei: Zou, Subhuti, een vrouw of man de weg begaan(6) door dag na dag zijn zelf-ziel(7) achter te laten, als ware het de zandkorrels in de Ganges, en hij zou dit aeonen(8) lang doen, zoveel aeonen als er zandkorrels in de Ganges zijn, en zou een ander uit deze Dharmaprediking al was het maar een vierregelig vers uit deze gāthā oppakken, en deze aan anderen schenken, dan zou deze laatste grote verdienste aaneenschakelen, een groot puññaskandha(9) verwerven, oneindig, onmeetbaar.
Toelichting:
— (1) Er staat Prajñāparamitā.
— (2) Er staat prthivirajo. Rajo is stof; prthivi werd in tekst 12 gegeven.
— (3) Er staat trisahasramahāsahasre, een driemaal doorgedraaide aaneenschakeling van veel - ruim vertaald.
— (4) Lokadhātu is hier onvertaald gelaten om het daarna volgende dhātu te kunnen verklaren. In Pali betekent lokadhātu "een wereld", in Sanskriet wordt het gegeven als "een regio" of "een deel van de wereld"; de letterlijke betekenis van dhātu is "element." Uiteindelijk hebben we het dan over een enkel element uit het veelvoudige wereldsysteem, precies dat element waarop wij leven. De vraag of "element" een wereld-scheppende kracht of -substantie was, was een vraag die geleerden uit de oudheid bezig hield.
— (5) Er staat mahāpurushalaskshana. Lakshana is kenmerk; mahāpurusha werd eerder gegeven.
— (6) Zie voor puna tekst 12.
— (7) Er staat atmabhāva.
— (8) Er staat kalpa.
— (9) Verdienste en puññaskandha werden toelicht in tekst 4.
|