DIAMANT SOETRA


Onderdeel van de Perfectie-van-Wijsheids-teksten




DE TEKST — zonder commentaar



   

EEN


Aldus werd het vernomen:
Eens verbleef de Bhagavat in Sravasti, in prins Djeta's park, in de gaard van Anatha-pindada. Hij was vergezeld van een menigte bhikshus, bodhisattva-mahāsattvas, die grote wijsheid bezaten - 1250 in getal.
Toen, na zijn onderpij te hebben aangedaan, zijn overpij te hebben omgeslagen, en zijn voedselnap te hebben opgenomen, ging de Boeddha de grote stad Sravasti binnen om daar zijn maal op te halen. Daarna at hij, en in de namiddag teruggekeerd van zijn maaltijdronde, borg hij zijn voedselnap en overpij op, waste zijn voeten, zette zich op de zetel die voor hem klaar stond, kruiste de benen, hield zijn lichaam recht en ging het Boeddha-rijk binnen.
Toen naderden velen van deze bhikshus die grote wijsheid bezaten tot waar de Boeddha in zijn meditatie verzonken zat, eerden hem door met het hoofd de grond te raken en in de richting van de voeten te buigen, liepen driemaal kloksgewijs om hem heen, en zetten zich terzijde neer.


TWEE


Temidden van deze menigte bevond zich de eerwaarde Subhuti. Hij stond op, drapeerde zijn overpij over de linkerschouder, knielde neer, vouwde de handen samen en richtte zich tot de Boeddha: "Bhagavat, hoogste onder de leraren, het is buitengewoon hoezeer de Welgegane de bodhisattvas, die grote wijsheid bezitten heeft welgedaan, hoe de Welgegane, de heilige, de Zo-gegane die Arhat is, hij die het verhevenste Boeddhaschap bezit, hen de hoogste dienst heeft bewezen! Het is buitengewoon hoezeer de Leraar, de verheven Bahagavat, de Zo-gegane die Arhat is, hij die het verhevenste Boeddhaschap bezit, de bodhisattvas die grote wijsheid bezitten het verhevenste heeft onderwezen dat er maar te onderwijzen valt.
Bhagavat, hoe zou een zoon of een dochter van goede familie, zich bevindend voor het pad van de bodhisattvas, de geest moeten richten opdat ze ontvankelijk is?
Nadat de eerwaarde Subhuti zo gesproken had zei de Bhagavat: "Subhuti, dat heb je goed gezegd; het is zoals je zegt. De Zo-gegane heeft de bodhisattva-mahāsattvas die grote wijsheid bezitten welgedaan, hen de hoogste dienst bewezen, hen het verhevenste onderwezen dat er maar te onderwijzen valt. Daarom, Subhuti, luister goed, schenk aandacht. Ik zal je vertellen hoe iemand die zich bevindt voor het pad van de bodhisattvas de geest moet richten, opdat ze ontvankelijk is.

DRIE


Toen zei de Bhagavat dit tot hem: Subhuti, wie zich dan ook maar bevindt voor het pad van de bodhisattvas moet deze gedachte toelaten: Hoeveel wezens er in deze door wezens bevolkte wereld ook zijn, of ze nu uit een ei geboren zijn, uit een baarmoeder, uit vocht, als een schijngestalte, of ze nu vorm hebben, of geen vorm, of ze nu aangeduid kunnen worden of niet, of zowel wel als niet aangeduid kunnen worden, voor zover het deze door wezens bevolkte wereld aangaat moeten ze allen door mij naar de sfeer van nirvāna gebracht worden, naar parinirvāna.
Niettemin, na op die manier ontelbare aantallen wezens naar parinirvāna gebracht te hebben moet ik overwegen: geen wezen is naar parinirvāna gebracht. Waarom? Had, Subhuti, een bodhisattva slechts een enkele gedachte aan "wezen", dan zou zoeen geen bodhisattva genoemd kunnen worden. Waarom niet? Niemand wordt bodhisattva genoemd zolang in hem nog een idee leeft aangaande het (substantiele) bestaan van "wezen", of van "persoon."


VIER


(Boeddha sprak:) Verder, Subhuti, zou zo iemand zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog gelooft in "dingen". Zo iemand zou zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog wat dan ook maar voor substantieel waar houdt. Zo iemand zou zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog "vorm" voor substantieel waar houdt. Zo iemand zou zich jegens bodhisattvas niet in moeten laten met de daad van vrijgevigheid zolang deze laatste nog geluid, geur, smaak, en aanraken als ultieme waarheden ziet.(4) Want zo, Subhuti, zou de mentale instelling van een bodhisattva-mahāsattva moeten zijn: hij zou de waarheid omtrent deze beelden moeten kennen en weten: dit is het niet. Wanneer, Subhuti, een bodhisattva deze mentale instelling heeft, dan verkrijgt hij het subtiele, niet te meten, puññaskandha, het verdienstelijke lichaam.
Subhuti, wat denk je, kun je de lege ruimte in de oostelijke windrichting meten?
"Nee, Bhagavat." Subhuti kun je de lege ruimte in de zuidelijke, de westelijke, de noordelijke richting meten, of die in het nadir of het zenith? "Nee, Bhagavat."
Evenzo, Subhuti, de puññaskandha van een bodhisattva aan wie gegeven wordt, die zich hiermee niet inlaat, hierop niet steunt, is net zo onmetelijk. Subhuti, iemand die daarentegen wel zijn steun zoekt in het bodhisattva-pad, iemand aan wie bovendien gegeven wordt, zou zich niet met dergelijke beeldvorming in moeten laten.


VIJF


(De Boeddha zei:) Subhuti, wat denk je? Kan de Zo-gegane waargenomen worden als voorzien van kenmerken?
Subhuti antwoordde: "Nee, Bhagavat, de Zo-gegane kan niet waargenomen worden als voorzien van kenmerken. Waarom niet? Omdat waneer de Zo-gegane heeft gesproken over, zich heeft verklaard aangaande kenmerk, dit kenmerk tegelijkertijd niet-kenmerk is.
Daarna sprak de eerwaarde Bhagavat tot Subhuti en zei, hier moet je het zo zien: Waar ook maar over "kenmerk" gesproken wordt, daar is een fout; wanneer er "niet-kenmerk" is, is er geen fout. Dat wil zeggen, over de Zo-gegane moet gesproken worden als voorzien van kenmerk-noch-niet-kenmerk.


ZES


Hierna zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: "Bhagavat, zullen er in de toekomst, in de laatste tijd, in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze slechts een echo van het oorspronkelijke is, wanneer de Goede Dharma geruïneerd is - zullen er wezens zijn die, wanneer deze soetra wordt gepredikt, enig inzicht gaan ontwikkelen?
De Bhagavat zei: Subhuti, spreek niet zo. Ja er zullen in de toekomst, in de laatste tijd, in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze slechts een echo van het oorspronkelijke is, wanneer de Goede Dharma geruïneerd is wezens zijn die, zodra deze woorden worden gepredikt, inzicht gaan ontwikkelen. Subhuti, er zullen inderdaad in de toekomst, in de laatste tijd, in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze slechts een echo is, wanneer de Goede Dharma geruïneerd is bodhisattva-mahāsattvas zijn die zullen excelleren, die sterk zullen zijn, en wijs, en die, wanneer deze woorden, deze soetra wordt gepredikt, inzicht zullen hebben.
Maar, Subhuti, deze nobele bodhisattva-mahāsattvas zullen niet slechts een Boeddha gediend hebben; ze zullen niet slechts onder een Boeddha goede wortels geplant hebben. Integendeel, Subhuti, deze bodhisattva-mahāsattvas zullen honderdduizenden Boeddhas gediend hebben; die wortels van het goede zullen ze al eerder geplant hebben, onder vele honderdduizenden Boeddhas. En zodra ze deze soetra horen prediken zullen ze allemaal, in hun geest, dezelfde gezuiverde, geschikt gemaakte gedachte doen ontstaan.
Subhuti, de Zo-gegane, ja, de Zo-gegane zal ze kennen, hij zal ze zien met zijn Boeddha-oog, de Zo-gegane zal ze begrijpen. Al dezen, Subhuti, zullen de onmetelijke puññaskandha ontvangen.
Subhuti, waarom is dat? Omdat er in deze bodhisattva-mahāsattvas geen enkele impuls is die hen doet denken aan "zelf", aan "levend wezen", aan "persoon", Noch, Subhuti, koesteren ze een opinie over dharma (fenomenen), of over niet-dharma. Noch, Subhuti, is er in hen enige gedachte over sangha, of niet-sangha. Waarom is dat? Zou, Subhuti, in deze bodhisattva-mahāsattvas enigerlei impuls zijn te gaan denken over dharma en sangha, dan zouden ze geloven in zelf, in wezen, in leven, in persoon. En zelfs wanneer er in hen een impuls zou bestaan te gaan denken in termen van niet-dharma, dan zouden ze nog steeds geloven in zelf, in wezen, in leven, in persoon. Hoezo? Omdat, Subhuti, een bodhisattva-mahāsattva geen enkele impuls heeft te gaan denken in termen van dharma of niet-dharma. Daarom predikte de Zo-gegane deze niet aan allen geopenbaarde leer als volgt: "Zij die de Dharma-predikingen kennen moeten, als het vlot, na het oversteken van de stroom, deze dharmas achterlaten. Sterker, ze moeten niet-dharmas achterlaten!"


ZEVEN


Opnieuw richtte de eerwaarde Bhagavat zich tot Subhuti: Subhuti, wat denk je, is er ook maar enige dharma, ofwel leer, die de Zo-gegane ontstijgt, die gekend kan worden onder een naam als het Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas; heeft hij ooit zo'n dharma onderwezen?
Na het horen van deze woorden zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: Bhagavat, naar de mate waarin ik de betekenis van de Bhagavat's leer begrijp, is er niets dat de Zo-gegane teboven gaat, dat gekend kan worden onder een naam als het Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas; naar mijn mening heeft hij zo'n dharma nooit onderwezen. Waarom? Omdat de dharma van Zo-gegane niet in woorden uit te drukken is. Het is noch dharma, noch niet-dharma. Waarom? Omdat het niet-samengestelde van de nobele wezens voorbij het bestaande is, majestueus.


ACHT


De Bhagavat zei: Subhuti, wat denk je? Zou een zoon of dochter van goede familie de drievoudige wereld, de wereld bewoond door mensen, vullen met de zeven schatten, en dit alles schenken aan de Zo-geganen, de Samyaksambhoeddhas, zou zo'n zoon of dochter grote verdienste-op-verdienste stapelen, een puññaskandha verwerven?
Subhuti zei: Ja, Wel-gegane, zo'n zoon of dochter zou grote verdienste-op-verdienste stapelen, een puññaskandha verwerven. Groot, Bhagavat, groot, Welgegane is de door zo'n zoon of dochter van goede familie de aaneengeschakelde verdienste-op-verdienste, groot is zijn puññaskandha. Waarom is dat? Wanneer de Bhagavat, de Zo-gegane spreekt over puññaskandha, dan moet ons voor de geest staan dat de Zo-gegane het heeft over niet-skandha. Dat bedoelt de Zo-gegane met "Dit is de puññaskandha."
Boeddha zei: En wanneer, Subhuti,een zoon of dochter van goede familie de drievoudige wereld, de wereld bewoond door mensen zou vullen met de zeven schatten, en dit alles zou schenken aan de Zo-geganen, de Samyaksambhoeddhas, en dan opnieuw uit de Dharma-prediking al is het slechts een vierregelig vers uit deze gāthā (zang) zou oppakken, er in zou doordringen, ze aan anderen zou voorhouden en verklaren, dan zou zo iemand nog grotere verdienste-op-verdienste stapelen, een nog groter puññaskandha verwerven.
Hoezo? Omdat hieruit de naam 'Zo-gegane', de naam 'Verheven Samyaksamboeddha', de naam 'Samyaksambodhi' voortkomt; hieruit komt de Boeddha, de Bhagavat voort.
Waarom? Omdat, Subhuti, wanneer de naam Boeddha-Dharma, ja, de Boeddha-Dharma je voor de geest komt, de Zo-gegane het heeft over niet-Boeddha-Dharma - dat is de betekenis van Boeddha-Dharma.


NEGEN


Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft Een die de Stroom is Ingegaan deze gedachte: Ik heb het resultaat van Hen die de Stroom zijn Ingegaan bereikt?
— Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die de Stroom is Ingegaan heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat van Hen die de Stroom zijn Ingegaan bereikt." Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma verkregen. Zo moeten we "Hij die de Stroom is Ingegaan" begrijpen. Hij heeft geen vorm behaald, geen geluid, geen geur, geen smaak, niets dat aangeraakt kan worden. Zo moeten we "Hij die de Stroom is Ingegaan" begrijpen.
Zou, Bhagavat, in Iemand die de Stroom is Ingegaan deze idee bestaan: "Ik heb het resultaat van Hen die de Stroom zijn Ingegaan bereikt", dan zou hij het idee van "zelf" oppakken, van "wezen", van "levende", van "persoon".
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft Een die nog Eenmaal zal Terugkomen deze gedacht: Ik heb het resultaat van Hen die nog Eenmaal Terugkomen bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die nog Eenmaal zal Terugkomen heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat van Hen die nog Eenmaal zullen Terugkomen bereikt. Waarom niet? Hij heeft geen enkele dharma verkregen dat Resultaat van Hen die nog Eenmaal Terug zullen Komen genoemd kan worden. Zo moeten we "Hen die nog Eenmaal Terugkomen" begrijpen.
Bhagavat zei: Wat denk je Subhuti, heeft Een niet meer zal Terugkomen deze gedachte: Ik heb het resultaat van Hen die niet meer zullen Terugkomen bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een die niet meer zal Terugkomen heeft niet de gedachte "Ik heb het resultaat van Hen die niet meer zullen Terugkomen bereikt. Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma verkregen dat Resultaat van Hen die niet meer Terug zullen Komen genoemd kan worden. Zo moeten we "Hen die niet meer Terugkomen" begrijpen.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft een Arhat deze gedachte: Ik heb het resultaat van Arhatschap bereikt?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat. Een Arhat koestert niet de verkeerde gedachte Arhatschap behaald te hebben. Waarom niet? Bhagavat, hij heeft geen enkele dharma verkregen waar de naam "Arhat" op van toepassing is. Daarom wordt het "Arhat" genoemd. Bhagavat, zou ik die Arhat ben, de idee koesteren dat ik Arhatschap verkregen heb, dan zou ik het idee van "zelf" oppakken, van "wezen", van "levende", van "persoon". Waarom? Wat mij aangaat heeft de Bhagavat, de Zo-gegane, voorspeld dat ik, Arhat zijnd en in het woud levend, Samyaksamboeddhaschap zal behalen. Ik ben een eerwaardige Arhat, passieloos. Zeker, Bhagavat, koester ik niet de gedachte: "Ik ben Arhat, ik ben passieloos." Bhagavat, zou ik de idee koesteren "Ik heb Arhatschap behaald," dan zou de Zo-gegane die voorspelling niet hebben gedaan, dan zou hij niet hebben gezegd: "Subhuti, de zoon van een goede familie die een in het woud levende is, verblijft nergens, vandaar dat hij de naam 'noch verblijver in het woud, noch niet-verblijver in het woud' verdient. Dat is de betekenis van 'verblijver in het woud'."


TIEN


Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane ook maar enige dharma geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane heeft geen enkele dharma geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara.
Bhagavat zei: Bedenk, Subhuti, een bodhisattva zou kunnen zeggen 'ik zal een menigte landen bijeenbrengen', maar dan zou dit een onjuiste uitspraak zijn. Waarom? Omdat wanneer de Zo-gegane spreekt over 'bijeenbrengen van een menigte landen', ja, bijeenbrengen van een menigte landen, dan bedoelt hij niet-bijeenbrengen van landen. Dat is de betekenis van 'bijeenbrengen van landen'.
Daarom, Subhuti, moeten bodhisattva-mahāsattvas dit inzicht in hun geest toelaten, het daar laten bestaan, het er uit voort laten komen: er kan niet aanvaard worden dat er iets substantieels is als vorm, geluid, geur, smaak, of wat aangeraakt kan worden — dit moet zich in zijn geest gevormd hebben.
Subhuti, een persoon zou een lichaam kunnen hebben, een groot lichaam, zo groot als berg Sumeru, zodat hij er een "zelfziel" op na zou gaan houden, zou zo'n idee van zelfziel groot zijn?
Subhuti zei: Groot, Bhagavat, groot, Zo-gegane, zou zijn idee van zelfziel zijn. Waarom? Wel, "Zelfziel", Bhagavat, "zelfziel", Tathāgata, dat zou het enige zijn dat zijn gedachten zou vullen. Daarom wordt er gesproken over bestaan. En daarom heeft de Bhagavat het over "bestaan-noch-niet-bestaan". Daarom wordt er gezegd: "zelfziel".


ELF


Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, als er net zo veel grote Ganges-rivieren zouden zijn als er zandkorrels in de Ganges zijn, zouden er dan in al die rivieren tesamen veel zandkorrels zijn?
Subhuti zei: Bhagavat, dan zouden er veel Ganges-rivieren zijn, dan zouden er veel zandkorrels in al die Gangessen zijn.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, zou een vrouw of een man de zeven schatten nemen en daarmee zoveel werelden vullen als er zandkorrels in al die Gangessen zouden zijn, en zou zij of hij deze schenken aan de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, zou zo'n vrouw of man dan veel verdienste vergaren, een groot puññaskandha verwerven?
Subhuti zei: Zeker, Bhagavat, Welgegane, groot zou de door zo'n vrouw of man opeengehoopte verdienste zijn, onmetelijk zou het zijn, onpeilbaar.
Bhagavat zei: Maar bedenk, Subhuti, zou zo'n vrouw of man de zeven schatten nemen en daarmee zoveel werelden vullen als er zandkorrels in al die Gangessen zouden zijn, en dit alles schenken aan de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, terwijl er anderzijds een zoon of dochter van goede huize zou zijn die uit de Dharma-prediking al is het slechts een vierregelig vers uit deze gāthā zou oppakken, er in zou doordringen, ze aan anderen zou voorhouden en verklaren, dan zou de opeengehoopte verdienste van deze laatste nog groter zijn, nog onmetelijker, nog onpeilbaarder.


TWAALF


Nu, Subhuti, het zou kunnen zijn dat in deze hele, wijde wereld waarmee we ons van aangezicht tot aangezicht bevinden er deze Dharma-prediking zou zijn waaruit al was het maar een vierregelig vers uit deze gāthā, deze zang, gepredikt zou worden, of verklaard, dan zou die wijde wereld de devas, de mensen, en de asuras voorkomen als een Caitya, ja, dan zou er de weg van deze Dharma-prediking zijn; en als dan iemand deze vier regels zou verklaren, er over zou spreken, er een uiteenzetting over zou geven, er in zou doordringen en er door doordrongen zou raken, wat zouden we dan van zo iemand zeggen?: Dezen, Subhuti, kunnen beschouwd worden als leraren; ze hebben de wetenschap van komen-noch-gaan, ze is ononderbroken in hen. Subhuti, die wijde wereld, dat land, zal een verblijfplaats zijn voor hen die noch gekomen zijn, noch gaan, voor hen die Wetende gurus zijn.

DERTIEN


Hierna zei de eerwaarde Subhuti tot de Bhagavat: Bhagavat, welke naam dient deze Dharmaprediking te krijgen, hoe dienen we deze te onthouden?
Daarop zei de Bhagavat tot de eerwaarde Subhuti: Noem het de Perfectie van Wijsheid, Subhuti, zo zal deze Dharmaprediking heten, onthoudt het zo. Waarom? Omdat, Subhuti wanneer we spreken over de Perfectie van Wijsheid die door de Zo-gegane gepredikt werd, dit de niet-Perfectie van Wijsheid is — dat is de betekenis van Perfectie van Wijsheid.
Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane enige dharma onderwezen?
Subhuti zei: Nee, Bhagavat, de Zo-gegane heeft generlei dharma onderwezen.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, komt het stof van de wereld in dit driemaal onvoorstelbare wereldsysteem je voor als een menigte stof? Subhuti zei: Een grote menigte stof, Bhagavat; Welgegane, het komt me voor dat dit een boel stof is. Waarom? Omdat, Bhagavat, wat de Zo-gegane heeft verklaard als "stof van de wereld", "niet-stof van de wereld" is — dat is de betekenis van stof van de wereld. En wat de Zo-gegane heeft verklaard als lokadhātu, wereld, moet begrepen worden als niet-dhātu, niet-element — dat is de betekenis van lokadhātu.
Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, is de Zo-gegane te herkennen aan de twee-endertig lichamelijke kenmerken van een groot wezen; kan hij aan de hand daarvan aangeduid worden als een Arhat, een Samyaksamboeddha?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha kan niet herkend worden aan de hand van de twee-endertig kenmerken van een groot wezen. Waarom niet? Omdat, Bhagavat, de twee-endertig kenmerken van een groot wezen, van de Zo-gegane, als niet-kenmerken beschouwd moeten worden; zo, Bhagavat, zo, Zo-gegane, moeten we het zien, dat is de betekenis van de twee-endertig kenmerken van een groot wezen.
Bhagavat zei: Zou, Subhuti, een vrouw of man de weg begaan door dag na dag zijn zelf-ziel achter te laten, als ware het de zandkorrels in de Ganges, en hij zou dit aeonen lang doen, zoveel aeonen als er zandkorrels in de Ganges zijn, en zou een ander uit deze Dharmaprediking al was het maar een vierregelig vers uit deze gāthā oppakken, en deze aan anderen schenken, dan zou deze laatste grote verdienste aaneenschakelen, een groot puññaskandha verwerven, oneindig, onmeetbaar.


VEERTIEN


(De lezer wordt geadviseerd hierbij voetnoot dertien van Deel 2 te lezen.)

Overweldigd door de kracht van de Dharma huilde de eerwaarde Subhuti tranen van vreugde.
Nadat hij zijn tranen had gedroogd richtte hij zich tot de Bhagavat: Bhagavat, de leraar, de grote leraar, de welgegane heeft gesproken over de Dharmapredikingen der Zo-geganen, over de belangrijkste, de meest uitmuntende Weg van alle, over de betekenis en aanduiding van het woord wezen, over de beste weg van alle die de betekenis en de naam der wezens geeft, hetgeen mij de alles-overstijgende kennis van de Bhagavat heeft gebracht. Nooit eerder, Bhagavat, heb ik zo'n Dharmaprediking gehoord.
Bhagavat, Leraar, u die het Niet-Gekomene in u draagt, die bodhisattvas die nochtans in deze wereld verkeren zullen, wanneer deze soetra wordt gesproken, wanneer ze deze horen, een worden met de verhevenste perceptie. Waarom is dat? Omdat, alles tesamen genomen, "het eenworden met de hoogste perceptie" het "niet-eenworden met de hoogste perceptie" is. Daarom prent de Zo-gegane ons dit in: het eenworden met de hoogste perceptie is het niet-eenworden met de hoogste perceptie.
Bhagavat, Leraar, het zou mijnentwege niet gepast zijn te zeggen dat deze Dharmaprediking niet gesproken is in overeenstemming met de menselijke geest van alle tijden, en niet bevrijdt. En, Bhagavat, zullen er in de toekomst, in de laatste tijd, in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, wanneer de goede Dharma zo gepredikt wordt dat ze slechts een echo van het oorspronkelijke is, wanneer de Goede Dharma geruïneerd is zijn die deze Dharmaprediking die alles-overstijgend is tot steun zullen gebruiken, haar zullen reciteren, haar onderwijzen, er in doordringen en ze anderen verklaren, dan zullen dezen zeker tot de verhevenste leraren behoren — dan spreken ze over het Niet-Gekomene.
Maar, Bhagavat, in hen zal geen enkele impuls zijn die hen doet denken aan "zelf", aan "levend wezen", aan "persoon", Noch koesteren ze een opinie over dharma, of over niet-dharma. Waarom is dat? Omdat, Bhagavat, "perceptie van zelf" "niet-perceptie van zelf" is. Want die perceptie van zelf, perceptie van levende, perceptie van persoon is, alles tesamen genomen, in laatste instantie, toch nog steeds onderdeel van perceptie.
Waarom is dat? Alle perceptie als zodanig behoort tot het Niet-gegane; ze is bevrijding zelve; ze is de Bhagavat.
Over deze bevrijding sprak de Bhagavat tot de eerwaarde Subhuti en zei: Zo is het, Subhuti, zo is het!
Daarna zei de hoogste leraar, de Zo-gekomene dit over de wezens in deze wereld: Subhuti, wanneer deze, de beste onder alle sutras gepredikt wordt, dan zullen ze niet bang zijn, niet sidderen van angst. Waarom is dat? Wat de meest perfecte Perfectie is, Subhuti, dat werd aldus door de Tathāgata verklaard: dit is de Prajnaparamita, de Perfectie van Wijsheid. Daarom wordt het Perfectie van Wijsheid genoemd.
Subhuti, zelfs al is nu de Perfectie van Geduldige Verdraagzaamheid niet wat de Zo-gegane beweegt, dan is het toch, alles te samen genomen, nog steeds een Perfectie.
Waarom is dat? Omdat, Subhuti, toen de koning van Kalinga mij alle ledematen afhakte, ik me niet bewust was van een zelf, van "wezen", van "levende", van "persoon", noch was er waarnemen van denken, van waarnemen zelf, of van "zijn". Waarom is dat?
Als ik, Subhuti, op dat moment een perceptie van zelf had doen ontstaan, dan had ik eveneens, tezelfdertijd, een perceptie van kwade wil gehad. Als er een perceptie van wezen was geweest, van levende, van persoon, dan was er tezelfdertijd een perceptie, een mentale instelling van kwade wil geweest. Waarom is dat?
Ik heb het bovennatuurlijke vermogen Subhuti, 500 geboorten terug was ik de Ziener Ksantivāda, Hij die de weg van geduldige verdraagzaamheid bewandelt. Daar had ik ook geen perceptie van zelf, van zijn, van wezen, van levende, of van persoon. Daarom, Subhuti, een bodhisattva-mahāsattva die de Alperceptie heeft gewonnen en voorbij het terugglijden naar lagere regionen is zal een geestesgesteldheid doen ontstaan in de richting van Samyaksamboeddhaschap.
Niet zijn toevlucht in vorm zoekend zal hij een geestesgesteldheid doen ontstaan waarin hij in generlei vorm steun zoekt, zal hij een geestesgesteldheid doen ontstaan waarin hij geen steun zoekt in wat ook maar hoorbaar is, in wat ook maar geroken, geproefd, of aangeraakt kan worden; hij doet een geestesgesteldheid ontstaan waarin hij geen steun zoekt in dharma; hij doet een geestesgesteldheid ontstaan waarin hij geen steun zoekt in niet-dharma; hij doet een geestesgesteldheid ontstaan waarin hij geen steun zoekt in gedachten — dat is de geestesgesteldheid die hij doet ontstaan. Waarom is dat?
In zoverre er steun zoeken in is, is er inderdaad dit steun zoeken in.
Daarom zegt de Zo-gegane inderdaad dat men geen steun moet zoeken in de handeling van offerandes brengen aan bodhisattvas op de volgende wijze: In het brengen van offerandes zou men geen steun moeten zoeken in wat maar vorm heeft, wat maar gezien kan worden, hoorbaar is, geproefd kan worden, noch in enigerlei presentabel ding. Zelfs al zou men, Subhuti, op zo'n moment giften schenken aan een bodhisattva-lichaam, een gemanifesteerde bodhisattva, dan zou men dat moeten doen met alle wezens, wat die naam ook beduidt, voor ogen. Waarom is dat?
Omdat, Subhuti, als de gedachten uitgaan naar de wezens, dit, alles tesamen genomen, nog steeds perceptie is. Of de Zo-gegane aldus spreekt over alle wezens of niet, hij het heeft over niet-wezens. Waarom is dat?
Oprecht, Subhuti, spreekt de Zo-gegane, waarheidsgetrouw, zoals het is, niet zoals het niet is. Niet zonder betekenis zijn de woorden van de Zo-gegane.
Subhuti, zelfs al zou men de dharma van de Zo-gegane, die dharma die naar boeddhaschap leidt, die toch, niettemin, onderwezen is volgen, dan kan ze niettemin geen onderwerp van meditatie zijn, en is er hier, in deze geestesgesteldheid noch wijsheid, noch onwijsheid.
Maar, Subhuti, juist zoals een man die gehuld is in duisternis nog niet de kleinste kleinigheid kan zien, zo is een bodhisattva gehuld in duisternis als blind wanneer hij, terwijl hem gegeven wordt, verdronken is in de dingen — denkend dat ze werkelijkheidswaarde hebben. Maar, Subhuti, juist zoals een man ziende is wanneer hij bij dageraad de zon kan zien opkomen en dingen kan zien, zo is een bodhisattva ziende wanneer hij, terwijl hem gegeven wordt, niet verdronken is in de dingen, en niet denkt dat ze werkelijkheidswaarde hebben.
Subhuti, wanneer een zoon of dochter van goede familie deze verheven Dharmaprediking ontvangt, ze memoriseert, ze reciteert, ze onderwijst, er helemaal in doordringt, ze eert, weet dan, Subhuti, dat de Zo-gegane ze doorgrondt; Subhuti, de Zo-gegane ziet ze met zijn Boeddha-oog. Al deze wezens, Subhuti, zullen een uitmuntend puññaskandha verwerven, een onmetelijk, niet te kennen puññaskandha.


VIJFTIEN


Subhuti, zou er op enig moment een vrouw of een man zijn die de hele voormiddag zijn zelfziel zou offeren, zo vaak als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn, en z/hij zou dat zelfde doen doorheen de hele middag, en doorheen de hele avond — als zo iemand zijn zelfziel zou offeren voor een ontelbaar onmetelijk aantal aeonen, en er zou een ander zijn die, eenmaal deze Dharmaprediking gehoord, ze niet zou bestrijden, zou zo iemand dan, in tegenstelling tot de eerste, grote verdienste aaneenschakelen, zou zo iemand een groot, zeer groot, een onmetelijk, niet te omvamen puññaskandha verwerven? Hoe staat het dan al niet met iemand die de praktijk volgt van het overschrijven ervan, die het ter harte neemt, die het memoriseert, die het reciteert of er over spreekt, die het onderwijst, die er in doordringt, en die het eert!
En toch, Subhuti, kunnen wij, nu, deze Dharmaprediking niet met de geest bevatten, is ze voorbij het overwegen, en kunnen we ze niet benaderen.
Subhuti, neem deze Dharmaprediking van de Zo-gegane ter harte met het heil der wezens voor ogen, benader het gesprokene met het heil der wezens voor ogen opdat ze de beste, de meest uitmuntende weg kunnen bewandelen. En zij die deze verheven Dharmaprediking ontvangen, memoriseren, reciteren, onderwijzen, er helemaal in doordringen,en eren, weet dan, Subhuti, dat de Zo-gegane deze wezens doorgrondt; Subhuti, de Zo-gegane ziet ze met zijn Boeddha-oog. Al deze wezens, Subhuti, zullen een uitmuntend puññaskandha verwerven, een onmetelijk, niet te kennen puññaskandha.
Dan zullen ze, geboren zijnd tot het puññaskandha, de overzijde bereikt hebben waar ze dankzij deze realisering het Niet-Ontstane, het ondenkbare zullen bezitten dat gelijkelijk open staat voor ieder.
Subhuti, al deze wezens zullen dan, in het bezit van dezelfde Bodhimind, deze Dharmaprediking memoriseren, reciteren, en onderwijzen. Waarom is dat? Omdat, Subhuti, het niet mogelijk is dat deze Dharmaprediking werkelijk gehoord wordt door wezens die als gevolg van hun verkeerde visie over zelf, over wezen, over levende en over persoon slechts een geringe graad van bevrijding hebben bereikt. Het is niet mogelijk dat deze Dharmaprediking gehoord kan worden door wezens die niet het nobele bodhisattvastadium hebben behaald, dat ze die ter harte nemen, het memoriseren, het reciteren of bespreken, en onderwijzen. Zoiets is onbestaanbaar.
Subhuti, wanneer de tijd daar is dat deze soetra in deze wereld met al zijn landen tot volle bloei komt en ze als voorwerp van offering geldt, dan zullen in deze wereld met al zijn landen de hemelingen, de mensen, en de onderwereldse krijgers er ter plekke de handen voor samen brengen en er eerbiedig omheen lopen, dan zal deze wereld met al zijn landen als een heiligdom zijn geworden — dat zal er gebeuren met deze wereld met daarin al die landen.


ZESTIEN


En, Subhuti, die zonen en dochters van goede familie die een groot aantal van deze sutrapassages serieus oppakken, die ze memoriseren, er over spreken, ze onderwijzen gaan recht naar de juiste aandacht, ze dringen er in door, ze laten het tot bloei komen en voelen zich tot niets gereduceerd worden; ze voelen zich op een goede manier tot niets gereduceerd. Waarom is dat? Subhuti, welke wezens dan ook die in het verleden, dorstig verlangend als ze waren, handelingen toelieten die tegengesteld zijn aan het goede, die slecht zijn, en die aldus in hun door verlangen beheerste staat van geest tegengesteld handelden aan wat goed is, die zullen nu toch, hoewel ze tot niets gereduceerd zijn, versteld staan en de Dharma, de bevrijding van de Boeddhas verkrijgen.
Subhuti, ik heb het bovennatuurlijke vermogen om in het verleden te kunnen zien; in dat onmetelijk ver verleden. Aeonen terug was de Zo-gegane Dipánkara onderweg om de Leer te verkondigen; in dat verre verleden was hij de Samyaksamboeddha. Hij was daar met 84-honderdduizend ontelbare ontelbaarheden van Boeddhas die niet meer onder illusie verkeerden, die de passies gedoofd hadden, die passieloos waren, die geen passies meer hadden. Subhuti, die Boeddhas, die Bhagavats zagen dat ook ik de passies gedoofd had, dat ook ik passieloos was, vrij was van passies. Maar als in de laatste tijd, gedurende de laatste omwenteling, in de laatste vijfhonderd jaar de Goede Dharma der wijzen (als een wiel) draaiend wordt gehouden, wanneer deze verheven sutranta opgepakt wordt, gememoriseerd, besproken, en onderwezen, als ze net als in het verleden tot de mensen doordringt, verspreid wordt en tot bloei komt, dan, Subhuti, zal in die tijd het puññaskandha van deze mensen, net als dat van hun voorvaderen, eeuwig voortduren, voortgaan, als een stroom voortgaan doorheen duizend eeuwigheden, doorheen duizend kotis van eeuwigheden, doorheen duizend-duizend kotis van eeuwigheden, doorheen een eeuwigheid aan omwentelingen, doorheen alle aeonen, dan is dat puññaskandha niet te tellen, niet te delen, niet te bevatten, niet te benaderen, niet te vergelijken.
Ik zeg je, Subhuti, zou ik spreken over het puññaskandha dat die zonen en dochters van goede familie dan zouden behalen, als ik het over de uitmuntendheid van dat puññaskandha zou hebben, als ik zou vertellen hoe ze dit zouden onderhouden en ontwikkelen, dan zouden de mensen versteld staan, het niet kunnen bevatten. Zo ondenkbaar is het product, zo uitzonderlijk is de te verwachten beloning.


ZEVENTIEN


(De lezer wordt geadviseerd hierbij de toelichting tussen voetnoten elf en twaalf van Deel 3 te lezen.)

Toen richtte de eerwaarde Subhuti zich tot de Zo-gegane en zei: Bhagavat, hoe moet iemand die de uitmundende bodhisattvaweg is ingeslagen daar blijven, hoe moet hij de meditatie doen, hoe moet hij het oppakken?
De Bhagavat zei: Subhuti, zij die de uitmuntende bodhisattvaweg zijn ingeslagen moeten aan deze mentale instelling geboorte geven: ik moet alle wezens wier geest nog onder invloed is van het hechten aan bestaan, hetgeen oorzaak is van lijden naar nirvāna brengen, naar parinirvāna. Niettemin moet ik begrijpen dat wanneer ik wezens naar nirvāna heb gebracht, geen wezen tot dit parinirvāna is geboren. Waarom is dat? Wel, Subhuti, had een bodhisattva slechts een enkele gedachte aan "wezen", dan zou zoeen geen bodhisattva genoemd kunnen worden. Waarom niet? Omdat niemand bodhisattva wordt genoemd zolang in hem nog een idee leeft over bestaan van "wezen", of van "persoon."
Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane ook maar enige dharma geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara (klemtoon op 'pan')?
De eerwaarde Subhuti antwoordde de Zo-gegane met: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane heeft geen enkele dharma geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara.
Daarop richtte de eerwaarde Bhagavat zich opnieuw tot Subhuti en zei: Zo is het Subhuti, het is inderdaad zo dat ik geen enkele dharma geërfd heb van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara. En omdat ik geen enkele dharma heb geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara, daarom heeft hij mij voorspeld dat ik in de toekomst de naam Sakyamuni zou dragen, dat ik de Zo-gegane zou zijn, de Arhat, de Samyaksamboeddha. Omdat ik geen enkele dharma heb geërfd van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha Dipánkara, voorspelde hij mij dat ik in de toekomst de naam Sakyamuni zou dragen, dat ik de Zo-gegane zou zijn, de Arhat, de Samyaksamboeddha, dat ik het Niet-gegane zou zijn, dat ik Verlicht zou zijn.

* Waarom is dat?
Omdat het het Zo-gegane is, Subhuti.
Het Zo-gegane is niet ontstaan, zo wordt er over gesproken.
Omdat het het Zo-gegane is, Subhuti.
Het is uitdoving, dat is de Dharma, zo wordt er over gesproken.
Omdat het het Zo-gegane is, Subhuti.
Het is het alles overstijgende Zo-verrezene, zo wordt er over gesproken.
Omdat het het Zo-gegane is, Subhuti.
Dit, Subhuti, is de Niet-verrezen weg, het is de verhevenste betekenis.*

Subhuti, wie zou denken of zeggen dat de Zo-gegane, de Arhat, het verheven perfect gerealiseerde Samyaksamboeddhaschap zou uiteenzetten, het zou tonen, wie denkt het te hebben gehoord, die, Subhuti, heeft de context van deze sutranta niet ter harte genomen, die gelooft dat wat onwaar is. Hoe komt dat, Subhuti? Subhuti, het is niet zo dat er een uit te denken dharma is die het overtreffende Samyaksamboeddhaschap van de Verheven Boeddhas, van de befaamde Zo-geganen teboven gaat. En in wat de Zo-gegane onderwees, in die Dharma van de Verheven Boeddha, daar is noch wijsheid noch verkeerde visie. Daarom zegt de Zo-gegane dat alle dharmas de Boeddha-Dharma zijn. Waarom is dat? Subhuti, "alle dharmas" zijn de niet-dharmas van de Zo-gegane, zo wordt het gezegd. Daarom is het correct te zeggen dat alle dharmas de Boeddha-Dharma zijn.
Stel, Subhuti, iemand is wedergeboren in het lichaam van een hongerige geest, in een groot lichaam.
De eerwaarde Subhuti zei: Zo'n mens waarover de Bhagavat, de Zo-gegane sprak in termen van "lichaam van een hongerige geest" en "groot lichaam", dat moet ik zien als niet-lichaam, dat is de betekenis van de Boeddha's uiting; dat moeten we begrijpen onder "lichaam van een hongerige geest" en "groot lichaam".
De Bhagavat zei: Zo is het Subhuti. Zou een bodhisattva zeggen dat hij alle wezens naar parinirvāna heeft geleid, dan kan hij geen bodhisattva worden genoemd. Waarom niet? Subhuti, is er enige te kennen dharma die de naam bodhisattva draagt?
Subhuti antwoordde: Nee Bhagavat, er is generlei te kennen dharma die de naam bodhisattva draagt.
De Bhagavat antwoordde: Subhuti, hier spreekt men over "wezen", jaja! over "wezen", maar de Zo-gegane heeft het over niet-wezen wanneer hij "wezen" zegt. Daarom is het dat de Zo-gegane, wanneer hij het over "alle dharmas" heeft, daar de betekenis aan hecht van "niet-zelf", "niet-levende", de tenondergegane mens, "niet-mens".
Het zou kunnen, Subhuti, dat een bodhisattva een speech afgeeft over "bijeenbrengen en verfraaien van verkregen landen" — zo'n speech zou hij kunnen houden. Wat wordt daarmee bedoeld? Bijeenbrengen van landen zegt men; Subhuti, men heeft het over bijeenbrengen van landen, doch de Zo-gegane spreekt over niet-bijeenbrengen; dat is hier de betekenis van bijeenbrengen van landen.
Het zou kunnen, Subhuti, dat de bodhisattva de Dharma van het niet-zelf van de Zo-gegane, de Arhat, de Samyaksamboeddha kent, dan is dat begrip van de Dharma van niet-zelf de behaalde bevrijding, de bodhisattva-mahāsattva.


ACHTIEN


De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, bezit de Zo-gegane het oog van vlees en bloed? Subhuti antwoordde: Bhagavat, de Zo-gegane heeft het oog van vlees en bloed.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, bezit de Zo-gegane het hemelse oog? Subhuti antwoordde: Bhagavat, de Zo-gegane heeft het hemelse oog.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, bezit de Zo-gegane het wijsheidsoog? Subhuti antwoordde: Bhagavat, de Zo-gegane heeft het wijsheidsoog.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, bezit de Zo-gegane het Dharma-oog? Subhuti antwoordde: Bhagavat, de Zo-gegane heeft het Dharma-oog.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, bezit de Zo-gegane het Boeddha-oog? Subhuti antwoordde: Bhagavat, de Zo-gegane heeft het Boeddha-oog.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane gesproken over de menigte aan zandkorrels in de rivier de Ganges?
Subhuti antwoordde: Zo is het, Bhagavat, zo is het Welgegane, de Zo-gegane heeft gesproken over de zandkorrels.
De Bhagavat vroeg: Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane gesproken over even zoveel Gangessen als de menigte aan zandkorrels in de rivier de Ganges? En heeft hij het gehad over evenzoveel werelden als er zandkorrels in al die Gangessen zijn? En heeft hij niet gevraagd of er dan niet een menigte aan werelden was?
Subhuti antwoordde: Inderdaad Bhagavat, ja Welgegane, er zou een menigte aan werelden zijn.
De Bhagavat zei: Zoveel werelden er zijn, zoveel wezens zijn er, en van allen ken ik hun gedachtestroom. Hoe komt dat? Gedachtestroom wordt er gezegd, gedachtestroom. Maar Subhuti, de Zo-gegane spreekt over niet-stroom. Daarom wordt het gedachtestroom genoemd. Waarom? Omdat, Subhuti, een vroegere gedachte niet aanwezig is, een toekomstige gedachte is er nog niet, en een huidige gedachte valt niet waar te nemen.


NEGENTIEN


De Bhagavat zei: Subhuti, wat denk je? Zou een zoon of dochter van goede familie de drievoudige wereld, de wereld bewoond door mensen, vullen met de zeven schatten, en dit alles schenken aan de Zo-geganen, de Samyaksambhoeddhas, zou zo'n zoon of dochter grote verdienste-op-verdienste stapelen, een puññaskandha verwerven?
Subhuti zei: Ja, Wel-gegane, groot zou het zijn.
De Bhagavat zei: Groot is de door zo'n zoon of dochter van goede familie aaneengeschakelde verdienste-op-verdienste, groot is zijn puññaskandha. Wat bedoel ik hiermee? Wanneer de Bhagavat, de Zo-gegane spreekt over puññaskandha, dan moet ons voor de geest staan dat de Zo-gegane het heeft over niet-skandha. Dat bedoelt de Zo-gegane met "Dit is de puññaskandha." Subhuti, ik zeg het nog eens, de Zo-gegane spreekt niet over puññaskandha, weet dat er geen puññaskandha is.


TWINTIG


Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, is de Zo-gegane te herkennen aan zijn perfecte lichaam van vlees en bloed?
Subhuti zei: Nee, zeker niet, Bhagavat, de Zo-gegane kan niet herkend worden aan zijn perfecte lichaam van vlees en bloed. Waarom niet? Omdat, Bhagavat, over het perfecte lichaam van vlees en bloed, ja, over het perfecte lichaam van vlees en bloed van de Zo-gegane, gesproken moet worden als zijnde het niet-perfecte. Dat is de betekenis van "het perfecte lichaam van vlees en bloed".
De Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane kenmerken waaraan hij, als Zo-gegane, te kennen valt?
Subhuti antwoordde: Nee, inderdaad niet, Bhagavat, de Zo-gegane valt niet te kennen aan enigerlei kenmerken. Waarom is dat? Omdat wanneer de Bhagavat het heeft over de kenmerken van de Zo-gegane, hij (in feite) spreekt over niet-kenmerken van de Zo-gegane. dat is wat er bedoeld wordt met "kenmerken."


EENENTWINTIG


Bhagavat zei: Wat denk je, Subhuti, denkt de Zo-gegane: "Ik heb de Dharma onderwezen?"
Subhuti antwoordde: Nee, Bhagavat, inderdaad niet; de Zo-gegane denkt niet: "Ik heb de Dharma onderwezen."
Bhagavat zei: Subhuti, als er gezegd zou worden dat de Tathāgata de Dharma heeft onderwezen, dan moet je datgene dat zo getoond wordt, waarover zo gesproken wordt beschouwen als verkeerd gezien, dan, Subhuti, moet je dat beschouwen als onwaarheid. Waarom is dat? Onderwijzen van de Dharma, Subhuti, de Dharma onderwijzen — denk niet zo, geef het niet de naam "de Dharma onderwijzen".
Hierna richtte de eerwaarde Subhuti zich tot de Bhagavat en zei: Bhagavat, zullen er in de toekomst, in de laatste tijd, in het laatste moment, in de laatste vijfhonderd jaar, waneer de Goede Dharma slechts een echo is van wat het was, wanneer de Goede Dharma geruïneerd is — zullen er in die tijd zijn die, wanneer ze deze Dharma horen gelovig vertrouwen ontwikkelen?
Bhagavat zei: Die (waarover je spreekt), Subhuti, dat zijn noch wezens, noch niet-wezens. waarom is dat? Wezens, Subhuti, wezens. Al deze, heeft de Tathāgata gezegd, dat zijn niet-wezens; dat wordt er bedoeld wanneer er "wezens" wordt gezegd.


TWEEENTWINTIG


Wat denk je, Subhuti, is er enigerlei uit te denken dharma die de Zo-gegane, het overtreffende Samyaksamboeddhaschap van de Verheven Boeddha teboven gaat?
De eerwaarde Subhuti antwoordde: Nee, Bhagavat, zeker niet, er is generlei uit te denken dharma die de Zo-gegane, het overtreffende Samyaksamboeddhaschap van de Verheven Boeddha teboven gaat.
Bhagavat zei: Zo is het, Subhuti, zo is het; zelfs het kleinste samengebalde atoom van Dharma valt daar niet te vinden, daarom wordt het het verheven Samyaksamboeddhaschap genoemd.


DRIEENTWINTIG


Verder, Subhuti, is er eenderheid in deze dharma; daar is geen verschil, en daarom wordt het het Verheven Samyaksamboeddhaschap genoemd. Daar is geen verlangen naar zelf, geen verlangen naar wezen, geen verlangen naar levende, geen verlangen naar persoon; dit Verheven Samyaksamboeddhaschap is altijd eender; dit perfect gerealiseerde Boeddhaschap wordt daarom gekend als "de Verdienstelijke Dharma". Waarom is dat? De Verdienstelijke Dharma. Subhuti; met Verdienstelijke Dharma bedoelt de Zo-gegane de niet-dharma, daarom wordt het De Verdienstelijke Dharma genoemd.


VIERENTWINTIG


Subhuti, zou er op enig moment een vrouw of een man zijn die de zeven schatten zou opeenhopen, zo hoog als berg Sumeru, en dit zou volhouden doorheen het onnoemelijk aantal werelden met al die Sumerus daarin, en hij of zij zou deze offeren aan de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, en als anderzijds zo'n zoon of dochter van goede familie uit deze Perfectie van Wijsheids-tekst al was het maar een vier-regelig vers uit deze gāthā, de Diamant Soetra, zou oppakken en dit aan anderen zou onderwijzen, dan, Subhuti, zou het puññaskandha dat hij door zo'n gift verwerft nog niet een honderdste zijn van wat hij verwerven zou door deze Dharma te prediken.


VIJFENTWINTIG


Wat denk je, Subhuti, heeft de Zo-gegane deze gedachte: Ik heb levende wezens bevrijd? Subhuti, zie het niet zo. Waarom niet? Omdat, Subhuti, "wezen" een bedacht beeld is, zoiets is door de Zo-gegane niet bevrijd. Als de Zo-gegane zou aannemen dat er zoiets als een wezen zou zijn, Subhuti — een bedacht beeld waarvan de Zo-gegane zegt dat het niet IS, en dus niet bevrijd — dan zou de Zo-gegane geloven in een zelf, in wezen, in levende, in persoon, die niet bestaan. Geloof in zelf, Subhuti, dat is niet-geloof, zo spreekt de Zo-gegane er over. Dat, d.w.z. geloof in zelf etc., is een leer van dwazen en onwetenden. Dwazen en onwetenden, Subhuti, dat is niet-weten, zo spreekt de Zo-gegane er over. Dat is de betekenis van "dwazen en onwetenden".


ZESENTWINTIG


Wat denk je, Subhuti, kan de Zo-gegane waargenomen worden aan volmaakte karakteristieken?
Subhuti antwoordde: Nee, zeker niet, Bhagavat voor zover ik weet heeft de Bhagavat nooit gesproken in de geest van: de Zo-gegane als voorzien van volmaakte karakteristieken.
Blij sprak de Bhagavat: Goed zo, goed zo, Subhuti! Zo is het! Het is zoals je zegt. Een Zo-gegane kan niet waargenomen worden aan volmaakte karakteristieken. Waarom is dat? Omdat, Subhuti, als de Zo-gegane waargenomen zou kunnen worden aan volmaakte karakteristieken, dan zou over hem alsook over een Wereldheerser hetzelfde gezegd kunnen worden — zo kan er echter niet gesproken worden. Daarom kan een Zo-gegane niet waargenomen worden aan volmaakte karakeristieken.
Toen zei de eerwaarde Subhuti dit tot de Bhagavat: Dus ik kan niet spreken over de Bhagavat in de geest van: De Zo-gegane valt waar te nemen aan volmaakte karakteristieken.
Daarop sprak de Bhagavat de volgende twee gāthās:

Wie mij denkt te zien in vorm, als een straaltje zon, of mij denkt te horen
— heeft het verkeerd, vernietigt zijn mogelijkheid mij van aangezicht-tot-aangezicht te zien; doe nog niet een sprank van zo'n gedachte ontstaan.

De Dharmata is Bevrijding, neem de Dharmakāya waar, dat is Soeverein
— Benader de Dharmata, en niet de Sakya.


ZEVENENTWINTIG


Wat denk je, Subhuti, zijn er volmaakte karakteristieken die de Zo-gegane, het Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas overstijgen? Subhuti, zie het niet zo. Waarom niet? Subhuti, volmaakte karakteristieken die de Zo-gegane, het Samyaksamboeddhaschap van de Boeddhas overstijgen zijn niet. Benader het uitmuntende bodhisattvapad niet als ware het een uit te denken dharma, noch werd verklaard dat er vernietiging of Uitdoving is.


ACHTENTWINTIG


Zou een zoon of dochter van goede familie de zeven schatten nemen en daarmee zoveel werelden vullen als er zandkorrels in de Ganges zijn, en zou zij of hij deze schenken aan de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, zou zo'n bodhisattva dan het niet-zelf bereikt hebben, zou hij dan niet de Dharma van geduldige verdraagzaamheid gewonnen hebben, zou hieruit dan geen aaneenschakeling van grote verdienste-op-verdienste voortvloeien, onmetelijk, onpeilbaar? Echter, Subhuti, een bodhisattva-mahāsattva zou niet moeten geloven in "puññaskandha".
De eerwaarde Subhuti antwoordde: Nee, Bhagavat, de bodhisattva gelooft niet in puññaskandha.
De Bhagavat antwoordde: Geloven, Subhuti, is niet-geloven, zo moet je het zien wanneer er gesproken wordt over "geloven".


NEGENENTWINTIG


Wie, Subhuti zou zeggen dat de Zo-gegane gaat, komt, staat, zit, of ligt, die, Subhuti, heeft de betekenis van het door mij gesprokene niet door. Waarom niet? Omdat, Subhuti, de Zo-gegane nergens heen gaat, nergens vandaan komt. Daarom wordt hij Zo-gegane (of Zo-gekomene), Arhat, en Samyaksamboeddha genoemd.


DERTIG


Subhuti, zou een zoon of dochter van goede familie zoveel werelden nemen als er deeltjes aarde in dit drievoudige, oncalculeerbare wereldsysteem zijn, en ze met geweldige kracht tot uiterst fijne atomen samendrukken, zou er dan een grote massa atomen zijn?
Subhuti antwoordde: Ja, Bhagavat, ja, Welgegane! Er zou een grote massa atomen zijn. Waarom? Omdat, Bhagavat, ware het een grote massa atomen, dan zou de Bhagavat niet gezegd hebben "dit is een massa atomen." Wat wordt hiermee bedoeld? Bhagavat, wanneer de Zo-gegane het heeft over een massa atomen, dan heeft dit de betekenis van "geen-massa", daarom wordt er gezegd "dit is een massa atomen." En wat de Zo-gegane heeft aangeduid als dit drievoudige, oncalculeerbare wereldsysteem, dat is niet-systeem — zo heeft de Zo-gegane dat bedoeld, daarom wordt er gezegd "dit drievoudige, oncalculeerbare wereldsysteem." Wat is daarvan de betekenis? Bhagavat, ware er een wereldsysteem, dan zou in die materiële substantie worden geloofd, en wanneer de Zo-gegane spreekt over "geloven in materiële substantie", dan is hier sprake van "niet-geloven". Dat is de betekenis van "geloven in materiële substantie".
Bhagavat antwoordde: Subhuti, "geloven in materiële substantie" kan zelfs niet omschreven worden, kan zelfs niet bedacht worden; het is noch een dharma, noch een niet-dharma; het is de leer van onnozelen en onwetenden.


EENENDERTIG


Waarom is dat? Omdat, Subhuti, wanneer iemand zou zeggen dat de Zo-gegane woorden gesproken zou hebben die voeding geven aan zelfwaan, waan omtrent "wezen", omtrent "levende", omtrent "persoon", dan zou zo iemand de Zo-gegane verkeerd citeren.
Subhuti antwoordde: Inderdaad, Bhagavat, hij zou de Wel-gegane verkeerd citeren. Waarom? Omdat, Bhagavat, wanneer de Zo-gegane woorden in de mond nam als "zelfwaan", de Zo-gegane het had over "niet-waan", daarom wordt het zelfwaan genoemd.
Bhagavat antwoordde: Daarom, Subhuti, moet alles dat betrekking heeft op het bodhisattva-pad gezien worden, opgepakt worden als onderdeel van bevrijding. Zo moet het gezien en opgepakt worden: als onderdeel van bevrijding, want er is hier noch perceptie van dharma, noch zomaar aanvaarden dat aan perceptie van niet-dharma voorbij gegaan kan worden. Waarom is dat? Perceptie van dharma, Subhuti, perceptie van dharma; de Zo-gegane zegt dat het niet-perceptie is — daarom wordt het perceptie van dharma genoemd.


TWEEENDERTIG


Wanneer een bodhisattva-mahāsattva uit dit onmetelijke, oneindige wereldsysteem de zeven juwelen, opgeslagen in ieder van die werelden zou nemen, en dit alles zou schenken aan de Zo-geganen, de Arhats, de Samyaksamboeddhas, en wanneer anderzijds een zoon of dochter van goede familie deze Dharmaprediking, de Perfectie van Wijsheid, zou oppakken en al was het maar een vierregelig vers daaruit zou lichten, het zou leren, het zou bespreken, het zou onderwijzen, er in door zou dringen, het zou begrijpen, dan zou zijn aaneengeschakelde verdienste-op-verdienste groot zijn, oneindig, niet te meten. En hoe dient hij het te onderwijzen? Zo moet hij het onderwijzen:
Als sterren, schemering, een flakkerend lichtje, een schijngestalte, een luchtbel,
Een droom, een lichtflits, een wolk — zo moeten we al het samengestelde zien.
(1)
Zo moet hij het onderwijzen, daarom wordt er gezegd: onderwijs het.
Aldus sprak de Bhagavat, zeer verheugd.
De eerwaardige monnik Subhuti, alsook de overige monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijk lekevolgelingen, plus de bodhisattvas, de hemelingen, de mensen, de onderwereldse krijgers en de hemelse musici, allen die aanwezig waren prezen de Bhagavat, ze prezen zijn woorden.

Hiermee is de Diamant Soetra ten einde; dit is het einde van de gezegende Perfectie van Wijsheid.


Er is een andere versie van dit, waarschijnlijk, later toegevoegde vers. U vindt het in een van de paginas over de Avatámsaka Soetra.

Vertaling: bhiksuni Ratana.