Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Dōgen, het sōtō-zen en het tussenbestaan



September 2016
De franstalige redactie van Sotozen-net leverde medio september 2016 een artikel over Hōji (hoodji), letterlijk "dharma-gebeurtenis", maar door de manga-gemeenschap inmiddels vertaald met spook, of levende dode.

Issho Fóedjita kondigde hiermee ceremonieën aan die jaarlijks in november gehouden worden. Het gaat dan over riten voor de overledenen met alles wat daarbij komt kijken aan dankbaarheidsbetuigingen en besef van onderlinge verbondenheid van familieleden. Opvallend is dat ook het sōtō-zen daarbij getuigt van een Gelukzalig (Boeddha-)Land. Ter verklaring van dit geloofs-item hanteert het sōtō-zen de (japanse vertaling van) wat Issho Fujita de "Dasa-bhóemika-sūtra" noemt. Dat is zijn/haar verwoording van wat elders het 26ste hoofdstuk, of boek in de Avatámsaka soetra (of Bloemenkrans soetra) heet.

De oostaziatische stromingen hanteren de zogenoemde Buddhabhadra-versie van de Avatámsaka, een collectie die voorafging aan de latere, door de Himalaya-stromingen gehanteerde Shiksha-nánda-versie die werd vertaald door Thomas Leary en die via de boekhandel verkrijgbaar is. Omdat de Buddha-bhádra collectie niet in engelse vertaling voorhanden is, is het niet goed mogelijk Dōgen's citaten uit Buddhabhádra's Avatámsaka te vergelijken met Shikshanánda's vertaling/aanvulling/verfraaiing.

Het sōtō-zen, althans de (sub-)denominatie die hier aan het woord komt interpreteert het door de bodhisattva te bereiken boeddhastadium (= een verlicht bewustzijn) als een Gelukzalig Land op dezelfde manier als de Reine Land-traditie dat verstaat wanneer ze de Sanskritic benaming sukhāvati gebruiken. Dat is opmerkelijk.
de tussenstaat
De auteur van het Sotozen-net-artikel haalt hiervoor de woorden van de stichter van het sōtō-zen aan, Dōgen, die hierover spreekt in zijn Sho-bo-genzó Do-shin (het hart, of de kern, van de Weg). Dōgen meende zelfs dat de bodhisattva op het hoogste stadium na zijn (schijnbare) dood zeven dagen in een staat tussen leven en dood verblijft, dat de omstanders die zeven dagen moeten besteden aan het continu reciteren van "Boeddha, Dharma, Sangha", en dat de eigenlijk nog niet dode vervolgens voor een maximum van 49 dagen nog weer een andere, betere tussenstaat ingaat (waarna dan, naar we moeten aannemen, ingegaan wordt in het Gelukzalige Land).

Dat er overlijdensriten worden gehouden na (3,) 7 en 49 dagen is een oud oost-aziatisch gebruik dat door het boeddhisme is overgenomen, of liever, dat door rouwenden is opgedrongen aan boeddhistische monialen die niet veel andere keus hebben dan maar een ritus te organiseren (een mens moet eten).

De Shikshanánda-versie van de Avatámsaka soetra heeft het dat vanaf het achtste stadium de bodhisattva niet langer een gewonemensengedaante is. Het is daarom opmerkelijk dat Dōgen dit niet lijkt over te nemen. Het kan zijn dat dit niet voorkomt in de Buddhabhádra-vertaling. Dōgen meent, al dan niet op gezag van Buddhabhádra, dat een mens het negende stadium kan doorlopen om dan als schijnbaar gewoon mens dood te gaan.
Op pagina 456 van Dōgen's Shobogenzó wordt hierover gesproken. Daar wordt echter niet geciteerd uit de Avatámsaka maar uit de Vīmala-kīrti soetra, de late leerrede rond de ijselijk pedante gelijknamige koopman-cultivator.

Op pagina 973 van de Shobogenzó komt Dōgen opnieuw op het thema terug met een "In sum, as we pass from fully existing to intermediately existing, and from intermediately existing to fully existing again, everything moves on, moment by moment" waarmee hij de — naar de mening van het zen — zen-stichter en Boeddha's tijdgenoot en vertrouweling Mahākásyapa (of Mahā-kássapa) parafraseert wanneer deze zijn lofzang op Boeddha afsteekt. (Mahākāsyapa heet in het japans Makakashō.) De Avatámsaka, dus ook boek 26, heeft het niet over deze arhat. Zijn verhaal wordt verteld in de "Flower Sermon" die, naar men aanneemt, door zennis in China werd verteld en opgetekend. Daarin steekt hij niet de loftrompet over Boeddha, maar luistert beleefd wanneer de laatste iedereen laat horen dat zijn leerling de enige was die het begreep toen Boeddha de bloem omhoog hield. Waar Dōgen dan de lofzang heeft gelezen, dat zullen ver ingevoerde zennis wellicht weten. Ze vinden het niet in de Lotus soetra, overigens. Daarin stelt Mahākāsyapa in hoofdstuk vier een vraag, krijgt in hoofdstuk vijf een antwoord, en in hoofdstuk zes de verzekering, samen met anderen, dat hij eens een boeddha op het hoogste niveau van boeddhaschap zal zijn. Hij steekt hier geen lofzang af.

Hoe dan ook, met deze Shobogenzó-passage over van bestaan naar bestaan gaan zegt Dōgen dat de bodhisattva, na zijn dood als negende stadium-verlichte, naar de gewonemensenwereld terugkeert. In de Shikshanánda-versie vinden we in het laatste boek de jongeling Sóedhana's peregrinage langs een heel aantal gidsen op het pad naar verlichting, onder wie gewone mensen zoals een zeeman en een smid. Waren/zijn dit verlichte bodhisattva's? In Shikshanánda's vertaling staat het er niet bij.

Ook op pagina 1035 van de Shobogenzó komt Dōgen op de tussenstaat terug (intermediary state) wanneer hij de monnik voorhoudt wat het akelige resultaat zal zijn van Boeddha-lastering. Eigenlijk zegt hier een auteur — en er zijn er een x-tal geweest —: heb het lef mij te bekritiseren. Die taktiek heeft eeuwen gewerkt.
Nog twee keer daarna, onderandere op pagina 1038, heeft Dōgen het over de tussenstaat. Hij was er mee bezig, met de dood, en wat dan.

De mangawereld lijkt uitgebreid aan de haal te zijn gegaan met het beeld van Hōji, en ziet deze als levende doden.

Voor diegenen die dat interessant vinden zou het aardig zijn om hier de Himalaya-opvatting over de tussenstaat (bardo) en die van Dōgen naast elkaar te leggen.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme