Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






PAKISTAN-BIJLAGE BIJ
OP EN ROND DE ZIJDEROUTE

Klik naar de volgende bijdragen:




Archeologische sites in de Punjab

Eind december 2011 werd bij het Hoogerechtshof van Lahore in Pakistan een document voorgelegd dat, als het wordt goedgekeurd, het behouden van een groot aantal historische sites in de Punjab zal vastleggen, met name in de buurt van Rawalpindi.
Als gevolg van een recent onderzoek van het Taxila Institute of Ancient Civilisations zijn er 450 sites gedefinieerd die op de erfgoederenlijst zouden moeten komen. Honderdvijftig daarvan zijn restanten van boeddhistische cultuur; er zijn 140 grotten, 100 vijvers (tanks) uit de oudheid, 30 "rock shelters", plus een aantal oude hindutempels.
Er werd speciale aandacht gevraagd voor antieke muurschilderingen en bas-reliefs. Van een aantal monumenten is bekend wie de bouwer-opdrachtgever is geweest. De indiener van het document maakte er ook op opmerkzaam dat de meeste (graf-)heuvels zijn herschapen in landbouw-arealen of begraafplaatsen, terwijl oude karavaan-serais en forten plaats hebben gemaakt voor moderne bebouwing.
Pakistan heeft een "Antiquities Act" die dateert van 1975 en waaronder de nu voorgestelde maatregel zou moeten vallen.




Al eerder werden overblijfselen van boeddhistische cultuur in de Mardan-regio gevonden. Zo ook dit boeddhabeeld, waarvan kunsthistorici zeggen dat het opvallend europese trekken heeft. Daarbij kunnen we wijzen naar het haar dat veel sluiker is dan de vrij stevige kroes zoals die wordt omschreven in de oudste boeddhistische (en hinduïstische) tekstlagen. Hier is dan ook sprake van indigenisatie, het volledig als een "een van ons" opnemen van Boeddha, zijn leer en de gemeenschap.

In het district Mardan in Pakistan, meer bepaald in de plaats Bochakan, menen lokale archeologen een nieuwe boeddhistische site te hebben ontdekt. De grotten, munten, potscherven en andere overblijfselen zouden uit de Kushan-periode dateren die liep van de 1ste tot de 3de eeuw. Veel van de opgegraven voorwerpen, klagen deze archeologen, zijn zwaar beschadigd geraakt door amateurs die op eigen houtje zijn gaan schatgraven. De wanden van veel grotten zijn in de loop van de tijd zwart geblakerd door vuurtjes waarbij lokalen zich zullen hebben verwarmd.
Bron: The International News, 5-2-2007.
Vondsten 2008
Een van de laatste dagen van 2008 werd bekend dat in dezelfde regio opnieuw restanten van gebouwen zijn gevonden die ooit door boeddhisten moeten zijn gebouwd en gebruikt.

Woordvoerder Muhammad Usman Mardanvi liet weten dat de nieuw gevonden ruïnes liggen in een gebied dat Dare Kass heet. Daar waren ooit 8 grotten van verschillende afmetingen in de rotswanden uitgehouwen terwijl op de heuveltoppen restanten zijn aangetroffen van stūpas, alcoven, kloosters en meditatiecellen.




Een Koreaans team op bezoek in Pakistan heeft er bij de Pakistaanse regering op aangedrongen de restanten van het Takhtbhai-klooster goed te conserveren en er een toeristenattractie van te maken. Dit zei de teamleider, de eerw Jeon Woon Deok op de dag dat ze ook een bezoek brachten aan de Mahabat Khan-moskee.

Takhtbhai wordt ook wel gespeld als Takht-e-Bahi.
Het Pakistaanse The News van 15 juni 2008 meldde dat de monnik van de Japanse en Koreaanse overheden het nieuws had meegekregen dat beide landen bereid zijn het beheer over deze historische site te financieren. Daarover waren op dat moment al officiële besprekingen gaande tussen de drie betrokken overheden meldde de krant.
De ismalitische geestelijke, de Masjid Mahabat Khan Khateeb, zei tijdens diezelfde persconferentie dat de boeddhistische gemeenschap nauw met de moslims zou moeten samenwerken om vrede te bewerkstellingen; islam onderwijst vrede en tolerantie, zei hij.

In februari 2008 was de conservering van onderandere Takhtbhai ook al onderwerp van gesprek tussen Thaise en Pakistaanse overheden. Dit kondigde The Dawn van 28 december 2007 aan.
Het klooster zou dateren van ca de tweede eeuw. De Chinese pelgrim Song Yun maakte er melding van in zijn reisverslag. Hij maakte melding van stenen beelden die met goud waren bedekt. Song Yun, die in Dunhuang, de toenmalige meest westelijke Chinese grensplaats was geboren, stak in het jaar 518 de Pamir-passen over. Hij bracht van zijn pelgrimage 175 manuscripten mee terug naar het hof van Wei waar de keizerin-weduwe Hu ze in ontvangst nam.

Begin juni 2013 kwamen er verdere berichten over een andere site in de Swat-vallei. Onder de titel "illegale opgravingen en overheidsapathie" liet Fazal Khaliq van de pakistaanse krant de Express op 3 juni weten dat het antieke erfgoed in de Swat-vallei snel aan het verdwijnen is.
Hij heeft het dan met name over een site genaamd Kanjar Kotey, ook wel Kanderai, waar smokkelaars/antiekrovers loswrikken wat niet helemaal vastzit.
Zijn fotos tonen de restanten van grote en kleine vihāra, huizen, waterputten enzomeer. De Kanderai-site dateert van waarschijnlijk de 3de/4de eeuw en heeft voor wat betreft materialen en restanten van bouwstijl wat weg van Takht Bhai, hoewel minstens een eeuw jonger. Sinds het verschijnen van de eerste berichten over Takht Bhai in deze White Jade River-collectie is er een wiki-pagina gemaakt over de daar genoemde monnik Song Yun. Wat er in de ca 175 teksten stond die Song Yun mee terug bracht naar het hof van de Noordelijke Wei weten we niet. Wel weten we dat de keizerin in wier opdracht hij werkte door Fazang fazi werd onderricht in de uiteindelijke eenderheid van vorm en substantie, of, plat gezegd, in de eenderheid van het basismateriaal en wat er uit gemaakt is. Was de Avatámsaka soetra, geheel of gedeeltelijk, een van de teksten in het mandje op Song Yun's rug?

In de buurt van Takhtbhai liggen de restanten van een stūpa en een sanghārama, een zaal van samenkomst of ook een klooster die gebouwd waren in opdracht van de indiase koning-keizer Asoka, 304 – 232 vC. In 1871 vond de britse segeant Wilcher een groot aantal beeldjes te Takhtbhai.
Meer afbeeldingen en een engelstalig tekstje zijn te vinden onder de lange url: http://pakistaniat.com/2007/04/25/pakistan--takht-i-e-bahi-bhai-buddhist-topi-Gandhāra-mardan-unesco-world-heritage/


20 maart 2014
Het bureau archeologie en musea van de Pakistaanse Khyber Pakhtunkhwa (KPK) heeft de laatste fase aangekondigd van de restauratie van een uit de oudheid resterende stoepa en vihāra die tussen de derde en vijfde eeuw werden gebouwd. Het complex heeft vandaag de naam Jinna Wali Dheri en ligt ca 13 km ten noorden van het museum van Taxila, aan de boorden van de rivier de Haro.
Hier lijkt de vondst van muurschilderingen het meest opvallend te zijn geweest. In een bericht in The Dawn meldde Dr Naseem Khan van de archeologische dienst dat met de werkzaamheden een aanvang werd genomen tussen de jaren 2002 en 2004. Er werd verder gewerkt tussen 2007 en 2010, deze keer met een financiële bijdrage uit het VS-Ambassadeursfonds.
Naast de "hardware" is er in de loop van de tijd redelijk wat aan kleine vondsten gedaan, van munten tot restanten van uit stuc gemaakte beelden van boeddhas en bodhisattvas. De laatste opmerking vertelt ons dat hier een mahāyana-gemeenschap heeft verbleven — het Kleine Voertuig kent geen bodhisattvabeelden of -afbeeldingen.

12 maart 2014
De Pakistaanse krant The Dawn had op 12 maart een artikel van de hand van Jamal Shahid.

De heer Shahid schreef over een stuk archeologie in Islamabad, in het district Hassanabdal, in de wijk Bihari Colony.
Daar zijn krakers/bewoners bezig de restanten van een 2de-4de-eeuwse vihāra, links op de foto, te incorporeren in hun eigen architectuur.
Archeologen menen dat dit de grootste vihāra buiten Táxila moet zijn geweest.

Sir John Marshal, tussen 1902 en 1928 algemeen directeur van de Archaeological Survey of India (ASI) heeft de toen nog niet ingebouwde restanten gezien en meende toen dat er ooit, naast de vihāra, nog 4 stoepas gestaan moeten hebben. Hij meende dat de sikhs de overblijfselen van een van de stoepas hebben gebruikt als fundering voor een gurdwara, een sikh-heiligdom.




Naar aanleiding van een artikel in Humanities Magazine, november/december 2004.

Degenen die nu aan de universiteit van Washington bezig zijn met het vertalen van de Kharosthi-rollen hebben vastgesteld dat, waar er voorheen slechts een enkele tekst in het Kharosthi, in de Gandhāra-streek gevonden was, en nu een paar fragmenten meer, boeddhisme wel geen vaste voet gehad zal hebben in die regio.
Het antieke Gandhāra ligt op en rond de grens van Afghanistan en Pakistan en sluit de huidige Punjab in. De Washington-groep gaat ervan uit dat Gandhāra een regio is geweest waar chinese monniken doorheen trokken op weg naar India, en niet een streek waar boeddhisme gevestigd was met veel kloosters, monialen, manuscripten en lokale interpretatie van de Boeddha-Dharma. De Mahāvamsa, een geschiedschrijving die tot de canon van het vroege boeddhisme op Sri Lanka wordt gerekend, zegt over het vestigen van boeddhisme in de Kashmir-Gandhāra regio het volgende: "Welnu, aan het eind van het derde concilie [dat gehouden werd tijdens het bewind van koning Asoka, in de derde eeuw voor WJ] zond de ouderling Tissa, zoon van de vrouw Moggali de ouderling Madjhántika naar het land van Kashmir-Gandhāra zeggende: 'Ga naar dat land en vestig daar de Dharma'. En het land van Kashmir-Gandhāra ligt dicht bij het Cīna-land, ..."
Een paar feiten en overwegingen:

De 7e-eeuwse monnik-pelgrim Xuanzang meldt met enig verdriet dat rond zijn bezoek de Gandhāra-regio bijna geen boeddhisten meer kende, maar dat hij ruïnes heeft gezien van rond de 2500 kloosters waar ooit zo'n 30.000 monniken leefden.
Er is van slechts een handvol Chinese monniken bekend dat ze doorheen de Gandhāra-regio naar India trokken op zoek naar boeddhistische geschriften, niet genoeg om 2500 kloosters te bouwen.
Alle bronnen melden dat zowel de Lotus soetra als de Reine-Land-geschriften voor het eerst verering kregen in de Gandhāra-streek, hoewel niemand zomaar beweert dat ze daar geschreven zijn.

Āsanga en Vasubandhu
Verder is bekend dat de broers Āsanga en Vasubandhu (vijfde eeuw) in de Gandhāra-streek waren geboren, om later in India grote bekendheid te krijgen. Vasubandhu is de auteur van een omvangrijk (onafgemaakt) werk over de Abidharma (de verhandelingen over mentaliteit en materialiteit), en werd later de belangrijkste verdediger van zijn broer Āsanga's gedachtegoed dat nu aangeduid wordt met de Enkel-Bewustzijn-stroming.

Lokóttaravāda en Mahāsanghika
Xuanzang meldt dat in de hele regio de Mahā-sánghika, de Grote Gemeenschap, niet meer dan 3 kloosters had, met "enkele tientallen monniken."
De meest omvangrijke traditie in Gandhāra moet echter de Lokóttara-vāda zijn geweest, de Weg van het Bovenwereldse. Deze richting had een of meer kloosters nabij Bamiyan, evenals de Mahāsanghika. Daar beide stromingen het ongelimiteerd zijn van Boeddha predikten, een opvatting die we ook vinden in de Avatamsaka soetra (die in de 2e eeuw WJ voor het eerst aan het licht kwam in Khotan aan de Zijderoute), en die in feite een hoofdkenmerk is van het Mahāyana-boeddhisme, is het niet zo verwonderlijk dat de boeddhabeelden (6e eeuw zegt recent onderzoek) die in de Bamiyan-vlakte werden uitgehouden zo enorm van formaat waren.

Wanneer we kijken naar de paar stellingen die van de Lokóttaravādin en de Mahāsanghikas bewaard zijn gebleven, dan zien we ook duidelijk dat deze zowel het denken van Āsanga hebben beïnvloed, als dat ze overeenkomsten vertonen met de belangrijkste boodschap uit zowel de Lotus soetra als de Amitābha-canon. De stellingen van de Lokóttaravāda zijn iets meer uitgesproken dan die van de Mahāsanghika. Soms blijken ze identiek te zijn, soms zwijgt de een waar de ander een uitspraak doet. De Lokóttaravāda stelde onderandere:
— Dat het resultaat (phala) van de Weg (marga) is: de tweevoudige ledigheid (sunyatā), d.w.z. de ledigheid van het wezen, en de ledigheid der dharmas (fenomenen).
— De Weg is de kennis die de mens in staat stelt de twee ledigheden te begrijpen.
— De Boeddhas zijn bovenwerelds (lokóttara). Deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika
— Met een enkel geluid (sabda) tonen de Boeddhas de Dharmadhātu (sfeer waarin de Dharma zijn werking heeft). Ook deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika.
— Wat de Boeddhas uiten is voorbij het gewone denken. De Mahāsanghika heeft een soortgelijke stelling en zegt dat wat de Bhagavat (de Boeddha) zegt niet overeenkomt met het gewone denken (yathartha).
— Het Boeddhalichaam (rūpakaya) is ongelimiteerd (ananta). Ook deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika.
— Hun leven is ongelimiteerd.
— Hun vermogen (prabhava) is ongelimiteerd. Ook zo bij de Mahāsanghika.
— Bovendien zijn de bodhisattvas voorbij gewild, actief denken (citta), voorbij lustgevoelens (kama), voorbij kwade wil (vyapada), en voorbij gewelddadigheid (vihimsa).
— De bodhisattvas vinden eigener wil wedergeboorte in de lagere regionen (dúrgati) om daar de wezens (sattva) naar perfectie (d.w.z. naar bevrijding) te brengen.

Had de Lokóttara-stroming nog bestaan, dan zou ze nu waarschijnlijk zijn ingedeeld bij de Mahāyana, het Grote Voertuig. Een criterium voor zo'n indeling zou zijn geweest of hier het immanente boeddhaschap van alle wezens zou zijn gepredikt. Daar er maar zo weinig bekend is gebleven over deze Weg van het Bovenwereldse, kan daarover echter geen uitspraak worden gedaan.
We weten nu dat schriftelijke overlevering uit die streek schaars maar aanwezig is, dat manuscripten werden opgetekend op berkenbast, en dat het nog een wonder is dat een handvol van deze "tekstdragers" het tot onze tijd hebben uitgehouden. Dat in 2500 kloosters doorheen heel de Gandhāra-streek geen enkele Dharma op schrift werd gesteld, is in het licht van de wijze waarop we de Dharma overdragen eenvoudigweg onjuist.
Een paar andere overwegingen over het Gandhāra-boeddhisme vindt u op http://www2.kenyon.edu/Depts/Religion/Fac/Adler/Reln260/Gandharan-ms.htm.
Een map van de zijderoute wordt gegeven op www.athenapub.com/9khotan1.html





In het Noordwesten van Pakistan hebben archaeologen een complete site blootgelegd die boeddhistische signatuur draagt. Medewerkers van Pakistan's Departement voor Oudheidkunde en Musea zijn in Takht Bhai aan het werk gegaan en hebben dat wat ze uitgegraven hebben inmiddels ondergebracht in een geheime en goed bewaakte schuilplaats.
Kenners gaan ervan uit dat enkele sculpturen, die op muren en stoepas waren aangebracht bewaard zullen moeten worden in de staat waarin ze gevonden zijn omdat ze erg fragiel zijn en "een simpelweg aanraken er schade aan kan toebrengen", zei een van de onderzoekers.
(Bron: Webindia123, 12-3-05)
In het gebied dat van oudsher Kashmir heet, meer precies in Jammu, nabij de plaats Akhnoor zijn op de site Ambarán waar al eerder restanten van boeddhistische heiligdommen waren gevonden, in maart 2005 een aantal terracotta figuren gevonden die waarschijnlijk tot de 8e eeuw behoren.

Rani Gat-ruïnes
Als resultaat van een internationale bijeenkomst over de kunstuitingen van het antieke Gandhāra, in 2006 gehouden in Pakistan, berichtte de japanse Yomiuri Shimbun op 12 november 2006 over de voortgang van de zogenoemde Rani Gat-ruïnes in Buner, in het Noordwesten van Pakistan. Het project dat onder gedeelde verantwoordelijkheid van Pakistan en Japan werd uitgevoerd, heeft tegelijkertijd enkele mensen uit de lokale bevolking de gelegenheid gegeven tot het verwerven van deskundigheid in behoud van archeologische vondsten en in de technologie die daarmee verbonden is.
Het Rani Gat-complex werd gebouwd en uitgebouwd tussen de eerste en de zevende eeuw. Een groep van de Kyoto University begon in 1983 met opgravingen en heeft veel fundamenten blootgelegd, waaronder ca 90 stūpas, in een site van 230 bij 130 meter boven op een berg. Japan en Pakistan werkten vervolgens samen in het consolideren van deze restanten. De bovenzijde van de stūpa-restanten werd uitgehard door het inbrengen van siliconenhars. De Japanse task force stond onder leiding van Masaya Masui, professor aan de 'Nara Women's University' in Nara. Daarnaast werd de weg naar de ruïnes verbeterd zodat meer bezoekers naar de plaats kunnen reizen.





De zondag is wereldwijd de dag dat media een beetje dieper ingaan op het nieuws van de dag. Zo meldde The News International, een krant uit Pakistan, hoe professor Fidaullah Sehrai, voormalig directeur van het Peshawar Museum en voormalig voorzitter van de Pakistaanse universitaire afdelingen voor archeologie en schone kunsten, op 25 september 2005 een voordracht had gegeven ten overstaan van een groep Japanse bezoekers.
Hij legde er de nadruk op dat de boeddhistische kunstuitingen uit het antieke Gandhāra voor een groot deel tot stand waren gekomen in de vallei van Peshawar. En hij voegde er aan toe dat "deze school van Gandhāra-beeldhouwwerk de kunstuitingen van Tibet, Ceylon (Sri Lanka), Birma, Siam (Thailand) en Java had beïnvloed, en ook doordrong tot heel Centraal Azië, China, Korea en Japan." Hij vertelde zijn gehoor dat de Gandhāra-kunst een hybride kunstvorm is geweest, een kunst die elementen uit Griekenland, het Romeinse, het Chinese, het Perzische (Iraanse) en het Indiase Rijk had samengevoegd. Bovendien meende hij dat de vorm van mahāyana-boeddhisme die het eerst in Japan aankwam, in de streek van Peshawar gestalte had gekregen. (Hij doelde waarschijnlijk op de Sukhāvati- en Amitāyur-dhyana-Soetras, de Grote en Kleine Reine Land-soetras.)
De teloorgang van de Gandhāra-boeddhistische kunst, zei hij, was het resultaat van een aantal invloeden: de invasie door de Huna (Hunnen), het na de dood van keizer Kanishka I wegvallen van fondsen, een stagneren van de handelstroom over de Zijderoute, en de introductie van stucwerk, hetgeen het werken met schist verdrong.





De migratie van de Boeddha-Dharma naar Japan
Welke Soetra de Koreaanse vorst van het Peakche-rijk in het jaar 538 naar keizer Kimmo, de Yamato-heerser zond, is niet bekend. Er wordt zelfs van uitgegaan dat dit verhaal een legende is, en dat de werkelijke introductie van boeddhisme in Japan iets later tot stand kwam. Het verhaal zegt dat de keizer, bij het horen van de betreffende tekst een huppeltje deed, zozeer was hij ingenomen met wat hij hoorde.

Om het traject duidelijk te maken: Vanuit India, maar meer vanuit de stadstaatjes langs de Zijderoute, arriveerden de eerste boeddhistische teksten in het Chinese Dunhuang, waar in de loop van de tijd de Mogao-grotten een standplaats voor het boeddhisme zouden worden. Die instroom begon in het jaar 67. Vanuit China sijpelde de Boeddha-Dharma door naar het Oosten, naar Korea. Van daaruit werden de soetras naar Japan gebracht.

Het is bekend dat de Japanse prins Shotoku (574-622), zo'n dertig, veertig jaar na de introductie van de eerste tekst, eigenhandig een Hokke-gisho penseelde, een drietal commentaren op de: Lotus Soetra, Shrimaladevi Soetra en de Vimalakirti Soetra. In het tweede werk is de persoon die spreekt een zekere koningin Srimala, en in het derde werk is het de rijke zakenman Vimala-kirti (klemtoon op vim) die de ondervraagde monniken te slim af is.

Waar heeft een keizer wat aan? Welke tekst zou keizer Kimmo aan het huppelen hebben gebracht? Van deze drie komen er twee direct in aanmerking: de Lotus Soetra en de Srimaladevi Soetra. In de Lotus Soetra wordt gezegd dat boeddha(-schap) tijd en ruimte ontstijgt, en dus eeuwig is. Dat zal als een bevestiging zijn opgevat van de indigene leer die spreekt over de eeuwige oergodin Amaterasu omikami. Bovendien spreken beide soetras over onze ingeboren mogelijkheid zelf boeddhaschap te realiseren. Ook dit zal de keizer als muziek in de oren geklonken hebben; hij en zijn geslacht waren immers nazaten van Amaterasu omikami, en dus inherent goddellijk.

Het is niet eens waarschijnlijk dat het deze soetras zijn geweest die hem werden voorgelezen; ze zijn nogal lang en hebben geen onmiddellijk herkenbare adviezen ten aanzien van het besturen van een land. De keizer moet een stevige onderbouwing hebben gezocht voor de dagelijkse uitoefening van zijn ambt. Die zal hij gevonden hebben in de teksten en verhalen over de chakravartin, de wereldheerser, of universeel vorst, zoals die in de canonieke geschriften naar voren komt, en in de Suvarna-prabhasha-sutra, de Soetra van het Gouden Licht. Daarin wordt gezegd dat ieder wezen in principe voorzien is van prajnyā, wijsheid, waarmee een onderscheid gemaakt kan worden tussen goed en kwaad. Deze soetra werd ook een ideale tekst waar opeenvolgende keizers zich naar richtten. Ze spreekt over de onveranderlijke universele, bovenredelijke wetmatigheid, maar ook over de veranderlijke wetten van het aardse bestaan. Dat laatste verschafte hen een uitgangspunt om ook de gewone mensenwetten en de politiek aan veranderlijkheid onderhevig te doen zijn, en toch te kunnen zeggen dat dit in overeenstemming is met de Leer van de Boeddhas.

Voorts moet gezegd worden dat in een paar mahāyana soetras, en in een paar (d)Játakas (Geboorteverhalen) gesproken wordt over schenkingen van beddengoed aan de monnikengemeenschap. Dergelijke schenkingen komen niet voor in de standaardlijst gepaste geschenken uit het vroege boeddhisme van rond de Gangesvlakte; een tropisch klimaat behoeft geen beddengoed. Aan dergelijke minieme details kunnen we dus zien dat soetras die dergelijke verwijzingen geven, of die verwijzen naar de donder die weerkaatst tusen nauwe bergpassen, of naar "de koningin" die met één stem meerdere tonen tevoorschijn kan roepen — dus boventoon kan zingen — in ieder geval in koelere klimaten tot stand zijn gekomen, niet in India Bharat.




Máthura-stijl boeddhabeeld in rode zandsteen (niet het hier besproken exemplaar); museum San Francisco

Big News Network bracht op 19 maart 2008 een gedetailleerd bericht over de vondst van "een zeldzaam tweede-eeuws beeld (13 x 12 cm) van Boeddha, vervaardigd uit rode zandsteen."

Het beeldje zou door reizende monniken uit het indiase Máthura als geschenk aan een van de tempels in Táxila (vandaag in Pakistan) zijn meegebracht. Het werd gevonden op een Pakistaans-archeologische site waar tussen de 2de en de 5de eeuw een boeddhistisch klooster heeft gestaan.
Expeditieleider Dr Muhammad Ashraf Khan beschrijft het als "niet zomaar een beeldje".
Op de voetzolen van het beeldje is het Dharmawiel ingekrast, en de rechterhand vertoont het vreesafwerend gebaar (abhayamudra). Achter het beeldje staat de bodhiboom (ficus religiosa).
Op het voetstuk staan twee leeuwen afgebeeld en twee "figuren".
De Máthura-stijl is te herkennen aan een rond, glimlachtend gezicht, open ogen, en een puntig uitlopende haarknoet op het hoofd. Dat maakt dat dit geen Gandhára-stijl beeld is zegt dr. Khan. De Gandhāra-regio strekte zich uit van het huidige Jalalabad tot aan Táxila.
Een dergelijk Máthura-stijl beeld werd eerder opgegegraven in 1945 in de Bhari Dheri site. Het nu opgegraven boeddhabeeld is het tweede in deze stijl.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme