Al eerder werden overblijfselen van boeddhistische cultuur in de Mardan-regio gevonden. Zo ook dit Boeddhabeeld, waarvan kunsthistorici zeggen dat het opvallend europese trekken heeft. Daarbij kunnen we wijzen naar het haar dat veel sluiker is dan de vrij stevige kroes zoals die wordt omschreven in de oudste boeddhistische (en hinduïstische) tekstlagen. Hier is dan ook sprake van indigenisatie, het volledig als een "een van ons" opnemen van Boeddha, zijn leer en de gemeenschap.
In het district Mardan in Pakistan, meer bepaald in de plaats Bochakan, menen lokale archeologen een nieuwe boeddhistische site te hebben ontdekt. De grotten, munten, potscherven en andere overblijfselen zouden uit de Kushan-periode dateren die liep van de 1ste tot de 3de eeuw. Veel van de opgegraven voorwerpen, klagen deze archeologen, zijn zwaar beschadigd geraakt door amateurs die op eigen houtje zijn gaan schatgraven. De wanden van veel grotten zijn in de loop van de tijd zwart geblakerd door vuurtjes waarbij lokalen zich zullen hebben verwarmd.
Bron: The International News, 5-2-2007.
Vondsten 2008
Een van de laatste dagen van 2008 werd bekend dat in dezelfde regio opnieuw restanten van gebouwen zijn gevonden die ooit door boeddhisten moeten zijn gebouwd en gebruikt.
Woordvoerder Muhammad Usman Mardanvi liet weten dat de nieuw gevonden ruïnes liggen in een gebied dat Dare Kass heet. Daar waren ooit 8 grotten van verschillende afmetingen in de rotswanden uitgehouwen terwijl op de heuveltoppen restanten zijn aangetroffen van stūpas, alcoven, kloosters en meditatiecellen.

Een Koreaans team op bezoek in Pakistan heeft er bij de Pakistaanse regering op aangedrongen de restanten van het Takhtbhai-klooster goed te conserveren en er een toeristenattractie van te maken. Dit zei de teamleider, de eerw Jeon Woon Deok op de dag dat ze ook een bezoek brachten aan de Mahabat Khan-moskee.
Takhtbhai wordt ook wel gespeld als Takht-e-Bahi.
Het Pakistaanse The News van 15 juni 2008 meldde dat de monnik van de Japanse en Koreaanse overheden het nieuws had meegekregen dat beide landen bereid zijn het beheer over deze historische site te financieren. Daarover waren op dat moment al officiële besprekingen gaande tussen de drie betrokken overheden meldde de krant.
De ismalitische geestelijke, de Masjid Mahabat Khan Khateeb, zei tijdens diezelfde persconferentie dat de boeddhistische gemeenschap nauw met de moslims zou moeten samenwerken om vrede te bewerkstellingen; islam onderwijst vrede en tolerantie, zei hij.
In februari 2008 was de conservering van onderandere Takhtbhai ook al onderwerp van gesprek tussen Thaise en Pakistaanse overheden. Dit kondigde The Dawn van 28 december 2007 aan.
Het klooster zou dateren van ca de tweede eeuw. De Chinese pelgrim Song Yun maakte er melding van in zijn reisverslag. Hij maakte melding van stenen beelden die met goud waren bedekt. Song Yun, die in Dunhuang, de toenmalige meest westelijke Chinese grensplaats was geboren, stak in het jaar 518 de Pamir-passen over. Hij bracht van zijn pelgrimage 175 manuscripten mee terug naar het hof van Wei waar de keizerin-weduwe ze in ontvangst nam.
In de buurt van Takhtbhai liggen de restanten van een stūpa en een sanghārama, een zaal van samenkomst of ook een klooster die gebouwd waren in opdracht van de indiase koning-keizer Asoka, 304 – 232 vC.
In 1871 vond de britse segeant Wilcher een groot aantal beeldjes te Takhtbhai.
Meer afbeeldingen en een engelstalig tekstje zijn te vinden onder de lange url: http://pakistaniat.com/2007/04/25/pakistan--takht-i-e-bahi-bhai-buddhist-topi-Gandhāra-mardan-unesco-world-heritage/
APP liet op 20 juni 2008 weten dat op een archeologische site nabij Badalpur, niet ver van de Pakistaanse stad Táxila een "twee voet groot beeld" is opgegraven dat Maitreya, de Komende Boeddha voorstelt.
Het opgegraven beeld wordt voorlopig geschat op de tweede eeuw, de periode waarin Kanishka-I op de troon zat. Het beeldje is gemaakt van zwarte schist.
Op de plaats is een heel aantal voorwerpen naar boven gekomen die zowel toegeschreven worden aan het hinduïsme als aan het boeddhisme. Zo kwam een zeepstenen reliekhouder naar boven, drie molenstenen met daarop een inscriptie in het Kharosti, tien munten, vier ijzeren en twee koperen tempelbellen, vijf chhattras (ceremoniële parasols), enzovoorts.
Het verhaal over de recente opgravingen en eerdere opgravingen in 2004, zie onderstaand, lopen een beetje door elkaar. Men zou ter plaatse moeten gaan uitvinden wat nu een recent gevonden artefact is, of wat in 2004 al aan het licht kwam — onderandere de restanten van een stūpa en die van een klooster.
 the tripplegem.blogspot.com toonde diezelfde dag een foto van een paar recentelijk opgegraven artefacten behorend tot zowel het boeddhisme als het hinduïsme.
Táxila was in het verre verleden een belangrijke universiteitsstad en zetel van zowel het hinduïsme als het boeddhisme. Er zijn heel wat Játakas, Geboorteverhalen, dat wil zeggen verhalen die verondersteld worden te gaan over de levens van Boeddha voordat hij Boeddha werd, die Táxila vermelden. Over het algemeen vinden we in zo'n verhaal dan een vermelding dat X of Y, nadat hij jong-volwassen was geworden, voldoende geld meenam om in Táxila de veda (de basis van het huidige hinduïsme), medicijnen, astronomie, filosofie, grammatica (= het klassieke Sanskriet) en andere vakken te gaan studeren. Universiteit is in dat verband een wijdse benaming voor waarschijnlijk een stadsdeel waar deskundigen op allerlei gebied verzameld waren en tegen betaling hun kennis overdroegen op jongere generaties. We spreken dan over een periode van voor de derde eeuw westerse jaartelling tot minstens de vijfde eeuw — het hoogtepunt — waarna Táxila langzamerhand als universiteitsstad aan belang moet hebben ingeboet.
Het opmerkelijke aan deze Játakas is dat nooit wordt beschreven hoe de studenten op "universitair" niveau (= aan de voeten van een leraar iets uit je hoofd leren, toen althans) boeddhisme bestudeerden. Er staat vaak wel dat ze aan het eind van hun studieperiode de Leer van de Boeddha kenden. Het is dus mogelijk dat Táxila-studenten voldoende vrije tijd hadden om in de niet klassikaal doorgebrachte uren de monniken te bezoeken die hen op een andere manier onderwezen dan door leren en "stampen" alleen.
 De Dharmarajīka stūpa te Táxila
In Táxila, in het Pakistaanse deel van de Punjab heeft een team van de overheids-archeologische dienst een 8-tal vondsten gedaan, meldde de National op 22 november 2004. De artefacten stammen uit de restanten van de Dharmarajika (Koning van de Dharma) stoepa en -klooster, gelegen zo'n 3,5 kilometer noordelijk van Táxila-stad.
De vondsten omvatten onderandere beelden van Boeddha "en zijn bodyguard" (waarover hieronder meer), en god Indra, allen behorend tot de eerste eeuw CJ.
Temidden van deze vondsten bevindt zich een beeld dat het "opnieuw verschijnen van Boeddha" voorstelt. Dat wil zeggen dat hier een afbeelding te zien is dat toont hoe Maitreya, de Boeddha van de toekomst, vanuit de hemelse sfeer genaamd Toeshita naar de aarde afdaalt. Het beeld zou gemaakt zijn door een monnik die woonde in de Swat-vallei die, al dan niet in zijn gefocuste meditatie naar Toeshita op was gestegen en daar Maitreya had gezien.
Het beeld van Indra heeft zowel een vedische als een boeddhistische geschiedenis. Het verhaal over Shakyamuni Boeddha's leven vertelt dat hij tijdens zijn geboorte werd opgevangen door Indra, god over de hemelse sferen en Brahma, god over de aarde. Hier is Indra afgebeeld als een dondergod — een betekenis die overeenkomt met die van Vadjrapāni (http://web.ukonline.co.uk/tim.haq/pakistan/jaulian.html).
Vadjrapāni, die in het artikel Boeddha's bodyguard wordt genoemd, komt onderandere voor als toehoorder van Shakyamuni Boeddha's Eerste Leerrede. Die Eerste Leerrede werd niet alleen aangehoord door mensen, maar ook door niet-menselijke wezens. Om de Aasoeras, onverbeterlijke, niet-menselijke krijgers, onder deze aanwezigen in toom te houden liet Vadjrapāni zich zien in de gedaante van een vervaarlijke Aasoeras, met een donderkeil in de hand. Daar die gebeurtenis van het uitspreken van de Eerste Leerrede zich maar eenmaal voordeed, werd Vadjrapāni in het latere Gandhāra-boeddhisme voorgesteld als een dondergod, een die regen, en dus vruchtbaarheid bracht. Daarmee heeft Vajrapāni in het 2e tot 7e-eeuwse Gandhāra-boeddhisme dan een andere functie en plaats dan in het 11e-eeuwse Tibet waar de heren van Litang met wat steviger middelen tot vernuft gebracht moesten worden.
De "Dharmarajika stoepa en -klooster werden gebouwd door koning-keizer Ashoka uit de dynastie van de Mauriyas, 3e eeuw CJ" zegt het artikel. Dat betekent dat Ashoka oude beelden uit eerdere tempels en kloosters bijeen heeft gebracht in dit nieuwe bouwwerk. De vraag is dan gerechtvaardigd of we hier te doen hebben met Gandhāra-kunst, danwel met geïmporteerde kunstvoorwerpen verderop uit India, bv. uit de Ganges-vlakte.
Hoe de artefacten ontdekt werden vertelde archaeoloog Tahira Tanweer: "Tijdens het opknappen van een muur in kapel nummer 5 zag een van de teamleden een stukje van een hoek (van een beeld) onder de muur begraven liggen, hetgeen leidde tot het ontdekken van alle acht voorwerpen." Tezijnertijd zullen ze ondergebracht worden in de nieuwe galerij van het archeaologische museum in Táxila.

Naar aanleiding van een artikel in Humanities Magazine, november/december 2004.
Degenen die nu aan de universiteit van Washington bezig zijn met het vertalen van de Kharosthi-rollen hebben vastgesteld dat, waar er voorheen slechts een enkele tekst in het Kharosthi, in de Gandhāra-streek gevonden was, en nu een paar fragmenten meer, boeddhisme wel geen vaste voet gehad zal hebben in die regio. Het antieke Gandhāra ligt op en rond de grens van Afghanistan en Pakistan en sluit de huidige Punjab in. De Washington-groep gaat ervan uit dat Gandhāra een regio is geweest waar chinese monniken doorheen trokken op weg naar India, en niet een streek waar boeddhisme gevestigd was met veel kloosters, monialen, manuscripten en lokale interpretatie van de Boeddha-Dharma.
De Mahāvamsa, een geschiedschrijving die tot de canon van het vroege boeddhisme op Sri Lanka wordt gerekend, zegt over het vestigen van boeddhisme in de Kashmir-Gandhāra regio het volgende: "Welnu, aan het eind van het derde concilie [dat gehouden werd tijdens het bewind van koning Asoka, in de derde eeuw voor WJ] zond de ouderling Tissa, zoon van de vrouw Moggali de ouderling Madjhántika naar het land van Kashmir-Gandhāra zeggende: 'Ga naar dat land en vestig daar de Dharma'. En het land van Kashmir-Gandhāra ligt dicht bij het Cīna-land, ..."
Een paar feiten en overwegingen:
De 7e-eeuwse monnik-pelgrim Xuanzang meldt met enig verdriet dat rond zijn bezoek de Gandhāra-regio bijna geen boeddhisten meer kende, maar dat hij ruïnes heeft gezien van rond de 2500 kloosters waar ooit zo'n 30.000 monniken leefden.
Er is van slechts een handvol Chinese monniken bekend dat ze doorheen de Gandhāra-regio naar India trokken op zoek naar boeddhistische geschriften, niet genoeg om 2500 kloosters te bouwen.
Alle bronnen melden dat zowel de Lotus soetra als de Reine-Land-geschriften voor het eerst verering kregen in de Gandhāra-streek, hoewel niemand zomaar beweert dat ze daar geschreven zijn.
Āsanga en Vasubandhu
Verder is bekend dat de broers Āsanga en Vasubandhu (vijfde eeuw) in de Gandhāra-streek waren geboren, om later in India grote bekendheid te krijgen. Vasubandhu is de auteur van een omvangrijk (onafgemaakt) werk over de Abidharma (de verhandelingen over mentaliteit en materialiteit), en werd later de belangrijkste verdediger van zijn broer Āsanga's gedachtegoed dat nu aangeduid wordt met de Enkel-Bewustzijn-stroming.
Lokóttaravāda en Mahāsanghika
Xuanzang meldt dat in de hele regio de Mahā-sánghika, de Grote Gemeenschap, niet meer dan 3 kloosters had, met "enkele tientallen monniken."
De meest omvangrijke traditie in Gandhāra moet echter de Lokóttara-vāda zijn geweest, de Weg van het Bovenwereldse. Deze richting had een of meer kloosters nabij Bamiyan, evenals de Mahāsanghika. Daar beide stromingen het ongelimiteerd zijn van Boeddha predikten, een opvatting die we ook vinden in de Avatamsaka soetra (die in de 2e eeuw WJ voor het eerst aan het licht kwam in Khotan aan de Zijderoute), en die in feite een hoofdkenmerk is van het Mahāyana-boeddhisme, is het niet zo verwonderlijk dat de Boeddhabeelden (6e eeuw zegt recent onderzoek) die in de Bamiyan-vlakte werden uitgehouden zo enorm van formaat waren.
Wanneer we kijken naar de paar stellingen die van de Lokóttaravādin en de Mahāsanghikas bewaard zijn gebleven, dan zien we ook duidelijk dat deze zowel het denken van Āsanga hebben beïnvloed, als dat ze overeenkomsten vertonen met de belangrijkste boodschap uit zowel de Lotus soetra als de Amitābha-canon. De stellingen van de Lokóttaravāda zijn iets meer uitgesproken dan die van de Mahāsanghika. Soms blijken ze identiek te zijn, soms zwijgt de een waar de ander een uitspraak doet. De Lokóttaravāda stelde onderandere:
— Dat het resultaat (phala) van de Weg (marga) is: de tweevoudige ledigheid (sunyatā), d.w.z. de ledigheid van het wezen, en de ledigheid der dharmas (fenomenen).
— De Weg is de kennis die de mens in staat stelt de twee ledigheden te begrijpen.
— De Boeddhas zijn bovenwerelds (lokóttara). Deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika
— Met een enkel geluid (sabda) tonen de Boeddhas de Dharmadhātu (sfeer waarin de Dharma zijn werking heeft). Ook deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika.
— Wat de Boeddhas uiten is voorbij het gewone denken. De Mahāsanghika heeft een soortgelijke stelling en zegt dat wat de Bhagavat (de Boeddha) zegt niet overeenkomt met het gewone denken (yathartha).
— Het Boeddhalichaam (rūpakaya) is ongelimiteerd (ananta). Ook deze mening wordt gedeeld met de Mahāsanghika.
— Hun leven is ongelimiteerd.
— Hun vermogen (prabhava) is ongelimiteerd. Ook zo bij de Mahāsanghika.
— Bovendien zijn de bodhisattvas voorbij gewild, actief denken (citta), voorbij lustgevoelens (kama), voorbij kwade wil (vyapada), en voorbij gewelddadigheid (vihimsa).
— De bodhisattvas vinden eigener wil wedergeboorte in de lagere regionen (dúrgati) om daar de wezens (sattva) naar perfectie (d.w.z. naar bevrijding) te brengen.
Had de Lokóttara-stroming nog bestaan, dan zou ze nu waarschijnlijk zijn ingedeeld bij de Mahāyana, het Grote Voertuig. Een criterium voor zo'n indeling zou zijn geweest of hier het immanente Boeddhaschap van alle wezens zou zijn gepredikt. Daar er maar zo weinig bekend is gebleven over deze Weg van het Bovenwereldse, kan daarover echter geen uitspraak worden gedaan.
We weten nu dat schriftelijke overlevering uit die streek schaars maar aanwezig is, dat manuscripten werden opgetekend op berkenbast, en dat het nog een wonder is dat een handvol van deze "tekstdragers" het tot onze tijd hebben uitgehouden. Dat in 2500 kloosters doorheen heel de Gandhāra-streek geen enkele Dharma op schrift werd gesteld, is in het licht van de wijze waarop we de Dharma overdragen eenvoudigweg onjuist.
Een paar andere overwegingen over het Gandhāra-boeddhisme vindt u op http://www2.kenyon.edu/Depts/Religion/Fac/Adler/Reln260/Gandharan-ms.htm.
Een map van de zijderoute wordt gegeven op www.athenapub.com/9khotan1.html
 Voorbeeld van berkenbast-rollen
Afghanistan gaat "de Senior Rollen van het boeddhisme", zo genoemd vanwege hun ouderdom, die nu in de British Library in Londen liggen, terug vragen. Dit meldde The Independent op 12 november 2004.
Dr. Sayed Raheen, minister van Informatie en cultuur, en welbekend soefi en dichter, maakt zich sterk om de Kharosti rollen, die tijdens de burgeroorlog in de negentiger jaren van de vorige eeuw uit de plaats Hadda waren ontvreemd, weer terug te brengen naar het vernieuwde museum in Kaboel, en er het middelpunt van de Afghaanse kunstcollectie van te maken.
De Kharosti-rollen (of Kharosthi) werden in 1994 gevonden in Hadda, ooit een boeddhistisch pelgrimsoord nabij de Khyber-Pas. Hadda verkeerde op haar hoogtepunt tijdens de voor boeddhisme belangrijke Gandhāara-periode, tussen de 2e en de 7e eeuw, en van de rollen wordt aangenomen dat ze ca. 2000 jaar oud zijn.
Ze zijn geschreven in het Ghandári, met gebruikmaking van het Kharosti-schrift (zoals het Nederlands geschreven wordt met het latijnse schrift en een paar romeinse cijfers hier en daar). De berkenbast-vellen, opgerold als geplette sigaren, zegt een van de onderzoekers, werden ontdekt in een van die aardewerken potten die overigens meestal gebruikt werden voor het opslaan van voedsel, of voor het plaatsen van kleine giften in het graf van een dode.
Deze rollen bevatten fragmenten van de Rhinoceros-soetra, en van een drietal eveneens uit het Kleine-Voertuig stammende teksten, uit de Ekóttara-āgama, "de (in aantal verzen) Oplopende Gezegden".
De āgamas zijn Kleine-Voertuig-geschriften die onderdeel uitmaken van de Mahāyana- of Grote Voertuigcanon. Ze zijn vergelijkbaar met de binnen de Theravāda-traditie gehanteerde Nikayas, die nu grotendeels alleen nog bekend zijn als manuscripten min of meer oorspronkelijk geschreven in het Pali.
Naar naam zijn veel van de boeken in beide collecties — de āgamas en de Nikayas — gelijk, maar naar inhoud komen slechts een klein aantal teksten volledig overeen. Dit heeft in het verleden voor veel misverstand gezorgd tussen enerzijds de mahāyana-communiteit, en anderzijds de theravāda; aan beide zijden refereerde men naar canonieke werken die dezelfde naam droegen, maar niet dezelfde inhoud hadden — hetgeen men over en weer niet wist.
(De leidse universiteitsbibliotheek bezit een deelstudie door Thich Minh Chau. Chizen Akanuma's The Comparative Catalogue of Chinese Agamas and Pali Nikayas is niet meer verkrijgbaar.)
De Ekóttara āgama, dus onderandere neergelegd in het Kharosti, is vergelijkbaar met de Angóettara Nikaya uit de Pali-traditie. De Ekóttara āgama is vooral bekend in zijn Chinese versie en behoort oorspronkelijk tot de Mahā-sanghika-stroming, de Grote Gemeenschap die, samen met de Dharma-góeptaka, de Beschermers van de Dharma, en de Lokóttara-vāda, de Weg van het Bovenwereldse, en andere, geboorte gaf aan wat nu Mahāyana heet. (Bent u er nog?)
De Rhinoceros-soetra is in zowel de Grote- als de Kleine Voertuiggeschriften identiek. Daarin zegt Boeddha dat wanneer een monnik, wanneer hij geen gezellen om zich heeft, desnoods alleen leeft, net zoals de neushoorn alleen door de maquis banjert.
Het Kharosti-schrift werd aangetroffen langs de noordelijke Zijderoute, dus onderandere in Afghanistan, maar werd in later eeuwen doorheen heel India gevonden. Naast de genoemde werken werd de Dharmapāda of Dhammapāda, een collectie Gezegden, aanvankelijk geschreven in het Kharosti. De Dharmapāda zoals bijvoorbeeld de Tibetaanse en Chinese tradities die kennen, en de Dhammapāda zoals bekend in de theravāda-(=Pali)traditie zijn ook niet volledig identiek.
Voorts is het opmerkelijk dat in een van de Reine-Land-geschriften, de geschriften waarin Amitābha Boeddha centraal staat, Boeddha Kharosti heet (www.shinranworks.com/majorexpositions/kgssVI-81_90.htm; scroll naar pt. 85). Dit, gevoegd bij de veronderstelling dat de naam Amitābha, of eerder nog, Amida, Iraanse wortels heeft, heeft er toe geleid dat men is gaan aannemen dat de betreffende traditie uit het noord-westen stamt.
Sinds de Kharosthi-rollen daar terecht zijn gekomen heeft de British Library er kundig voor gezorgd dat het geheel niet nog verder zou verkruimelen dan het tot dat moment al deed. Op 13 november zou de British Library een besluit hebben genomen over al dan niet terugbrengen van deze rollen naar Afghanistan. Ongetwijfeld zal daarbij een verdere vakkundige conservering onderwerp van gesprek en overweging zijn geweest.
Tegelijkertijd is een groep leerlingen aan de Universiteit van Washington begonnen met het vertalen van deze manuscripten.
Carbon dating
De Epoch Times liet op 14 augustus 2007 weten dat de ANSTO, de Australian Nuclear Science and Technology Organisation een "carbon dating" heeft uitgevoerd. De twee manuscripten van de Senior Rollen zijn ontstaan tussen 130 en 240 Cj, en een drietal manuscripten die tot de Schoyen-collectie behoren dateren van tussen de eerste en vijfde eeuw.
Zoals gemeld zijn de Senior Rollen inmiddels voorwerp van vergelijkende studie geworden. Ze worden vergeleken met andere manuscripten, kopieën, die niet ouder zijn dan de zeventiende eeuw.
Wat de onderzoekers is opgevallen is de "opmerkelijke consistentie" in de overdracht. Dat wil zeggen dat de latere kopieën niet of nauwelijks afwijken van de nu gevonden Senior Rollen. Onderzoeker Dr Mark Allon vindt dit "verbazingwekkend wanneer je bedenkt dat je hier een tekst hebt die in Sri Lanka werd bewaard, en een andere die zo ver weg als in het antieke Gandhāra ontstond, ... en dat ze toch zo'n grote overeenkomst hebben." Hij is van mening dat de in onderzoek zijnde teksten ook van belang zijn bij het begrijpen van de transmissie van boeddhisme naar China "omdat boeddhisme eerst en vooral China binnenkwam vanuit het noord-westen van het toenmalige India, het antieke Gandhāra, en dat veel van de vroegste vertalingen naar het chinees waarschijnlijk werden gedaan vanuit het Gandhāri."
Een paar woorden over de kunst van het drukken en losse letters vindt u op de boekdrukkunst-pagina.
In het Noordwesten van Pakistan hebben archaeologen een complete site blootgelegd die boeddhistische signatuur draagt.
Medewerkers van Pakistan's Departement voor Oudheidkunde en Musea zijn in Takht Bhai aan het werk gegaan en hebben dat wat ze uitgegraven hebben inmiddels ondergebracht in een geheime en goed bewaakte schuilplaats.
Kenners gaan ervan uit dat enkele sculpturen, die op muren en stoepas waren aangebracht bewaard zullen moeten worden in de staat waarin ze gevonden zijn omdat ze erg fragiel zijn en "een simpelweg aanraken er schade aan kan toebrengen", zei een van de onderzoekers.
(Bron: Webindia123, 12-3-05)
In het gebied dat van oudsher Kashmir heet, meer precies in Jammu, nabij de plaats Akhnoor zijn op de site Ambarán waar al eerder restanten van boeddhistische heiligdommen waren gevonden, in maart 2005 een aantal terracotta figuren gevonden die waarschijnlijk tot de 8e eeuw behoren.
Rani Gat-ruïnes
Als resultaat van een internationale bijeenkomst over de kunstuitingen van het antieke Gandhāra, in 2006 gehouden in Pakistan, berichtte de japanse Yomiuri Shimbun op 12 november 2006 over de voortgang van de zogenoemde Rani Gat-ruïnes in Buner, in het Noordwesten van Pakistan. Het project dat onder gedeelde verantwoordelijkheid van Pakistan en Japan werd uitgevoerd, heeft tegelijkertijd enkele mensen uit de lokale bevolking de gelegenheid gegeven tot het verwerven van deskundigheid in behoud van archeologische vondsten en in de technologie die daarmee verbonden is.
Het Rani Gat-complex werd gebouwd en uitgebouwd tussen de eerste en de zevende eeuw. Een groep van de Kyoto University begon in 1983 met opgravingen en heeft veel fundamenten blootgelegd, waaronder ca 90 stūpas, in een site van 230 bij 130 meter boven op een berg. Japan en Pakistan werkten vervolgens samen in het consolideren van deze restanten. De bovenzijde van de stūpa-restanten werd uitgehard door het inbrengen van siliconenhars. De Japanse task force stond onder leiding van Masaya Masui, professor aan de 'Nara Women's University' in Nara. Daarnaast werd de weg naar de ruïnes verbeterd zodat meer bezoekers naar de plaats kunnen reizen.
De zondag is wereldwijd de dag dat media een beetje dieper ingaan op het nieuws van de dag. Zo meldde The News International, een krant uit Pakistan, hoe professor Fidaullah Sehrai, voormalig directeur van het Peshawar Museum en voormalig voorzitter van de Pakistaanse universitaire afdelingen voor archeologie en schone kunsten, op 25 september 2005 een voordracht had gegeven ten overstaan van een groep Japanse bezoekers.
Hij legde er de nadruk op dat de boeddhistische kunstuitingen uit het antieke Gandhāra voor een groot deel tot stand waren gekomen in de vallei van Peshawar. En hij voegde er aan toe dat "deze school van Gandhāra-beeldhouwwerk de kunstuitingen van Tibet, Ceylon (Sri Lanka), Birma, Siam (Thailand) en Java had beïnvloed, en ook doordrong tot heel Centraal Azië, China, Korea en Japan." Hij vertelde zijn gehoor dat de Gandhāra-kunst een hybride kunstvorm is geweest, een kunst die elementen uit Griekenland, het Romeinse, het Chinese, het Perzische (Iraanse) en het Indiase Rijk had samengevoegd. Bovendien meende hij dat de vorm van mahāyana-boeddhisme die het eerst in Japan aankwam, in de streek van Peshawar gestalte had gekregen. (Hij doelde waarschijnlijk op de Sukhāvati- en Amitāyur-dhyana-Soetras, de Grote en Kleine Reine Land-soetras.)
De teloorgang van de Gandhāra-boeddhistische kunst, zei hij, was het resultaat van een aantal invloeden: de invasie door de Huna (Hunnen), het na de dood van keizer Kanishka I wegvallen van fondsen, een stagneren van de handelstroom over de Zijderoute, en de introductie van stucwerk, hetgeen het werken met schist verdrong.
De migratie van de Boeddha-Dharma naar Japan
Welke Soetra de Koreaanse vorst van het Peakche-rijk in het jaar 538 naar keizer Kimmo, de Yamato-heerser zond, is niet bekend. Er wordt zelfs van uitgegaan dat dit verhaal een legende is, en dat de werkelijke introductie van boeddhisme in Japan iets later tot stand kwam. Het verhaal zegt dat de keizer, bij het horen van de betreffende tekst een huppeltje deed, zozeer was hij ingenomen met wat hij hoorde.
Om het traject duidelijk te maken: Vanuit India, maar meer vanuit de stadstaatjes langs de Zijderoute, arriveerden de eerste boeddhistische teksten in het Chinese Dunhuang, waar in de loop van de tijd de Mogao-grotten een standplaats voor het boeddhisme zouden worden. Die instroom begon in het jaar 67. Vanuit China sijpelde de Boeddha-Dharma door naar het Oosten, naar Korea. Van daaruit werden de soetras naar Japan gebracht.
Het is bekend dat de Japanse prins Shotoku (574-622), zo'n dertig, veertig jaar na de introductie van de eerste tekst, eigenhandig een Hokke-gisho penseelde, een drietal commentaren op de: Lotus Soetra, Shrimaladevi Soetra en de Vimalakirti Soetra. In het tweede werk is de persoon die spreekt een zekere koningin Srimala, en in het derde werk is het de rijke zakenman Vimala-kirti (klemtoon op vim) die de ondervraagde monniken te slim af is.
Waar heeft een keizer wat aan? Welke tekst zou keizer Kimmo aan het huppelen hebben gebracht? Van deze drie komen er twee direct in aanmerking: de Lotus Soetra en de Srimaladevi Soetra. In de Lotus Soetra wordt gezegd dat Boeddha(-schap) tijd en ruimte ontstijgt, en dus eeuwig is. Dat zal als een bevestiging zijn opgevat van de indigene leer die spreekt over de eeuwige oergodin Amaterasu omikami. Bovendien spreken beide soetras over onze ingeboren mogelijkheid zelf Boeddhaschap te realiseren. Ook dit zal de keizer als muziek in de oren geklonken hebben; hij en zijn geslacht waren immers nazaten van Amaterasu omikami, en dus inherent goddellijk.
Het is niet eens waarschijnlijk dat het deze soetras zijn geweest die hem werden voorgelezen; ze zijn nogal lang en hebben geen onmiddellijk herkenbare adviezen ten aanzien van het besturen van een land. De keizer moet een stevige onderbouwing hebben gezocht voor de dagelijkse uitoefening van zijn ambt. Die zal hij gevonden hebben in de teksten en verhalen over de chakravartin, de wereldheerser, of universeel vorst, zoals die in de canonieke geschriften naar voren komt, en in de Suvarna-prabhasha-sutra, de Soetra van het Gouden Licht. Daarin wordt gezegd dat ieder wezen in principe voorzien is van prajnyā, wijsheid, waarmee een onderscheid gemaakt kan worden tussen goed en kwaad. Deze soetra werd ook een ideale tekst waar opeenvolgende keizers zich naar richtten. Ze spreekt over de onveranderlijke universele, bovenredelijke wetmatigheid, maar ook over de veranderlijke wetten van het aardse bestaan. Dat laatste verschafte hen een uitgangspunt om ook de gewone mensenwetten en de politiek aan veranderlijkheid onderhevig te doen zijn, en toch te kunnen zeggen dat dit in overeenstemming is met de Leer van de Boeddhas.
Voorts moet gezegd worden dat in een paar mahāyana soetras, en in een paar (d)Játakas (Geboorteverhalen) gesproken wordt over schenkingen van beddengoed aan de monnikengemeenschap. Dergelijke schenkingen komen niet voor in de standaardlijst gepaste geschenken uit het vroege boeddhisme van rond de Gangesvlakte; een tropisch klimaat behoeft geen beddengoed. Aan dergelijke minieme details kunnen we dus zien dat soetras die dergelijke verwijzingen geven, of die verwijzen naar de donder die weerkaatst tusen nauwe bergpassen, of naar "de koningin" die met één stem meerdere tonen tevoorschijn kan roepen — dus boventoon kan zingen — in ieder geval in koelere klimaten tot stand zijn gekomen, niet in India Bharat.
 Máthura-stijl Boeddhabeeld in rode zandsteen (niet het hier besproken exemplaar); museum San Francisco
Big News Network bracht op 19 maart 2008 een gedetailleerd bericht over de vondst van "een zeldzaam tweede-eeuws beeld (13 x 12 cm) van Boeddha, vervaardigd uit rode zandsteen."
Het beeldje zou door reizende monniken uit het indiase Máthura als geschenk aan een van de tempels in Táxila (vandaag in Pakistan) zijn meegebracht. Het werd gevonden op een Pakistaans-archeologische site waar tussen de 2de en de 5de eeuw een boeddhistisch klooster heeft gestaan.
Expeditieleider Dr Muhammad Ashraf Khan beschrijft het als "niet zomaar een beeldje".
Op de voetzolen van het beeldje is het Dharmawiel ingekrast, en de rechterhand vertoont het vreesafwerend gebaar (abhayamudra). Achter het beeldje staat de bodhiboom (ficus religiosa).
Op het voetstuk staan twee leeuwen afgebeeld en twee "figuren".
De Máthura-stijl is te herkennen aan een rond, glimlachtend gezicht, open ogen, en een puntig uitlopende haarknoet op het hoofd. Dat maakt dat dit geen Gandhára-stijl beeld is zegt dr. Khan. De Gandhāra-regio strekte zich uit van het huidige Jalalabad tot aan Táxila.
Een dergelijk Máthura-stijl beeld werd eerder opgegegraven in 1945 in de Bhari Dheri site. Het nu opgegraven boeddhabeeld is het tweede in deze stijl.
|