Huayen, boeddhistische denkrichting

de Leer over de Totaliteit




Tuxun (Tu Shun) leefde tussen 558 en 640 WJ
(Uit de Taishô 2064, p.984:)
De officiële familienaam van Shih (eerw.) Fa Shun was Tu. Hij werd geboren in het Wan Nien-district in Yung Chou. Shih Fa Shun was van nature vriendelijk en waardig. Op de leeftijd van 18 werd hij monnik.
Toen zen-meester (Tao) Chên eens openbare zeninstructies gaf, was Tuxun juist in de buurt van Ch'in Chou onderweg op aalmoezenronde. Daar ontmoette hij iemand die toezegde vijfhonderd personen te eten te geven. Toen de dag daar was, echter, kwamen er meer dan duizend mensen op af. De gulle gever maakte zich hevige zorgen, maar Tuxun zei: "Wees niet bang. Geef gewoon alles wat je hebt, en geef niet minder dan de gebruikelijke porties." Het feest had zijn loop en alle duizend gasten hadden genoeg...
Eens, gedurende de zomer leidde Tuxun vele monniken naar de berg genaamd Li om daar een zomer lang te mediteren. Het krioelde op die plek echter van mieren en andere insecten, zodat er geen groente gepoot kon worden zonder wezens te beschadigen. Toen (perkte Tuxun met strepen op de grond een groentebed af en) beval hij alle mieren zich buiten deze grenzen op te houden. Kort daarop waren alle mieren en andere insecten verdwenen.
Van wijd en zijd kwamen zieke mensen naar hem toe om zijn hulp in te roepen. Door eenvoudigweg van aangezicht-tot-aangezicht met hen te zitten genas hij allen zonder medicijnen te gebruiken.
In het veertiende jaar van Cheng Kuan (640 WJ) riep hij zijn monniken bijeen en gaf hen de laatste instructies. Daarop, zonder ziek te zijn, zette hij zich recht alsof hij meditatie binnenging, en overleed. Dit gebeurde in de voorstad, ten zuiden van de Ishan tempel (in de stad Xian).

Tuxun schreef eens een vers dat in later jaren als koan in gebruik werd genomen:

Een koe in Chia Chou (Oost-China) eet het gras
waarvan een paard in I Chou (West-China) vervuld raakt.
(In plaats van) een goede arts te zoeken
(zou je) de rechterpoot van een varken moeten cauteriseren.


Tuxun herhaalde daarmee een gedachtepatroon dat eerder door Seng Chao (or Sengzhao) (384-414) werd ontwikkeld en dat bewaard is gebleven in het gedicht
"Een enorme wind is sterk genoeg om hoge bergen te doen vallen, | Maar naar waarheid, niets verandert, niets beweegt; | Alle rivieren stromen zonder ophouden naar de oceaan, | En toch zijn ze onbeweeglijk; | Wilde paarden vliegen voort, alsof ze in de strijd op de vijand afgaan, | Maar ze bewegen niet; | Zon en maan draaien rond de aarde, | Maar in feite draaien ze niet."

De chan (dzjan =zen)meester Sheng Yen heeft deze gedachtegang behandeld in een van zijn eerste boeken (the Infinite Mirror), dat hij schreef na een lange periode van intensieve en solitaire meditatie. Hij heeft hiermee geprobeerd de invloed van het daoïsme op met name het Ts'ao Tung chan (Chinees voor het Japanse soto) te verwerken. Hij concludeert dat hier gesproken wordt vanuit de "onbewogen geest", of "het bewustzijn dat niet (meer) beweegt". In zo'n staat van geest, zegt hij, wordt het ledige (sunyatā) in alle aspecten gezien. Dat wil zeggen, dat er wordt gezien dat de fenomenen geen durende onveranderende ens hebben waar werkwoorden aan kunnen worden toegevoegd als "bewegen" of "stilstaan". Daarin wordt ook gezien dat die ensloze fenomenen illusoir zijn, want niet "bestaand" zonder dat er een denkproces aan te pas komt dat op zich al even illusoir is. Ook al kunnen het gedachte en het denken van elkaar onderscheiden worden, ze zijn naar laatste analyse een; je kan dus met goed fatsoen niet spreken over oost of west, bewegen of statis zonder jezelf belachelijk te maken. Daarom, zo gaat meester Sheng Yen verder, spreekt Boeddha niet. Zijn woorden zijn naar laatste analyse niet-woorden.
Het is een filosofie die vele eeuwen eerder werd ontwikkeld dan de taal- en kennis-filosofie die in West-Europa tot stand is gekomen.

Overigens moet Seng Chao (Sengzhao) een aardbeving hebben meegemaakt: bergen kiepen niet zomaar om. Het gedicht toont ook dat Azië al ietsje eerder wist dat de zon en maan rond de aarde draaien, en niet andersom.


Xiyan (ook wel Chih Yen) leefde tussen 602 en 668 WJ

(De naam wordt uitgesproken als Sjie jèn). De belangrijkste bijdrage die Xiyan aan de ontwikkeling van het Hwajèn-boeddhisme heeft geleverd is zijn werk over "de tien mysteries" geweest waar Fazang's Rede over de Gouden Leeuw voornamelijk over gaat. Hij wordt gezien als de tweede patriarch van deze stroming. "Het verslag over de Hwajen soetra (in Taishô 2054) vertelt iets over zijn leven - verkort.

De familienaam van Shih Chih Yen was Chao. Hij was in T'ien Shui geboren. Vlak voor de tijd dat zijn moeder van hem in verwachting raakte droomde ze dat een indiase monnik, met een staf in de hand, bij haar langs kwam en zei: "U moet u nu onmiddellijk wassen en uw geest zuiveren; u dient de (vijf) levensregels aan te houden en te vasten" (hetgeen gebruikelijk is bij hoogzwangere vrouwen uit de regio waar deze monniken vandaan kwamen). Toen ze wakker werd was ze als perplex; de hele kamer geurde heel bijzonder, en daarna geraakte ze zwanger.

Toen Xiyan nog maar een paar jaar oud was, toonde hij zich heel intelligent. Vaak maakte hij uit stenen speelgoed-stoepas en voorzag ze dan van een bloemenbaldakijn. Soms ook speelde hij dat hij een prediker was en gebruikte dan de andere kinderen als zijn toehoorders, hetgeen als een voorteken voor zijn latere levensloop werd gezien.

Toen Xiyan twaalf jaar was, kwam de heilige monnik Tuxun naar zijn huis. Tuxun legde zijn hand op het hoofd van de jongen en zei tegen de vader - "Dit is mijn zoon; je moet hem mij teruggeven." Xiyan's ouders wisten dat Tuxun een buitengewone monnik was, en ze stemden toe. Daarop bracht Tuxun de jongen naar zijn oudste en belangrijkste discipel Ta en liet deze de zorg voor opvoeding en onderwijs op zich nemen.....

Een paar jaar later kwamen twee indiase monniken naar het Chih Hsiang-klooster. Toen ze zagen hoe intelligent Xiyan was, leerden ze hem Sanskriet. .... Al op 14-jarige leeftijd droeg Xiyan de zwarte pij (van de reciterende monniken).....
Hij bestudeerde onderandere meester Āsanga's werk over de Mahāyāna (Mahāyāna-samparigraha) onder meester Ch'ang, en binnen een paar jaar had (hij een goede greep op vele geschriften) en was in staat ze op subtiele en diepgaande wijze te interpreteren.

Na zijn hogere wijding (we weten niet wanneer, maar in ieder geval niet voor zijn 18e jaar) studeerde hij verder onder meester Lin en werd alom geprezen. Hoewel zijn voorgaand karma hem er toe bracht de Hwajen soetra op te pakken en te luisteren naar de uiteenzettingen erover door meester Chih Cheng, was hij niet tevreden met de stijve, formele en ouderwetse manier van exegese. Pas toen hij de uitleg van Vínaya-meester (v = monniksregels) Kuang T'ung las, verdween zijn twijfel enigszins. Door de bestudering van dit werk groeide zijn begrip over het oneindige Voorwaardelijk, Afhankelijk Ontstaan, zoals dat ook was verwoord in de Bijzondere Leer over het Ene Voertuig.1

Als door een mirakel ontmoette hij een monnik die hem aanried de Theorie over de Zes Vormen (de zes kenmerken uit deel 1 van deze serie) te bestuderen. "Daar zou je een of twee maanden in volledige afzondering aan moeten besteden, dan zul je het begrijpen", zei de monnik, en verdween. Dit deed hij, en toen hij veel later een van zijn publieke leringen gaf, was de kroonprins zo onder de indruk dat deze hem een stipendium voor de rest van zijn leven gaf.

In het eerste jaar van Tsung Chang (668 WJ) droomde hij dat het "Wijsheids-altaar" in zijn tempel plotseling instortte. Zijn leerling Hui Hsiao droomde dat er een enorm baldakijn in de lucht hing, en dat boven op dat baldakijn een groot juweel zijn stralen naar alle kanten uitzond. Het baldakijn kwam nader en nader, en toen het de stad bereikt had viel het neer. Daarop wist Xiyan dat zijn tijd gekomen was. Op een dag zei hij tegen zijn leerlingen: "Dit fysieke lichaam van mij is tot stand gekomen als gevolg van Voorwaardelijk, Afhankelijk Ontstaan en heeft niets permanents. Nu vertrek ik tijdelijk naar het Reine Land, en daarna zal ik de Lotus-Schatten-Wereld (van de Hwajen) bezoeken. Ik hoop dat jullie in mijn voetspoor willen treden en dezelfde wens zullen hebben."
In de nacht van de 27ste van de 12e maand (668 WJ), legde Xiyan, zonder zichtbare verandering in zijn gelaatsuitdrukking, zich op zijn zij en overleed.

(1) Hiernaast het "zegel-diagram" waarin Zhiyan de hele leer van de Huayen-leer samenvatte.
Nadat de koreaanse meester Uisang in China aan de voeten had gezeten van meester Zhiyan die hem de Huayen-leer had bijgebracht aan de hand van een omvattende en tegelijk beknopte interpretatie bracht Uisang die Zhiyèn-schematisering, die als een lakzegel uitgesneden zou kunnen worden, mee terug naar zijn land. De in kanji geschreven tekst is overigens een gedicht van de hand van Uisang, niet de tekst van Zhiyn. In navolging van Uisang hebben een aantal Hwa'om-monniken er verhandelingen over geschreven.
U herkent in ieder van de vier secties van het "zegel-diagram" drie om elkaar heen draaiende gangen, als in een doolhof. Als zodanig zijn ze een in karakters gevatte schematisering van het wan-motief, het motief dat alle fenomenen omvat.



Fazang leefde tussen 643 en 712 WJ

Fazang, ook wel Fatsang, die ook in de Ontwaken van Geloof in de Mahāyāna aan de orde komt, de toelichtingen bij teksten 4, 5, en 10, was een veelschrijver. Er wordt gezegd dat zijn werk 100 volumes (chüan) omvatte. Omdat hij het was die zo voortdurend en consequent over de Avatámsaka, ook wel de Hwajen soetra predikte kwam de Hwajen-leer in hoog aanzien te staan. Daarom wordt hij door vele als de echte stichter van de Hwajen-stroming gezien. En ook daarom gaf een keizer hem de titel Dharma-Leraar Eerste-in-de-Staat.

De familienaam van Fazang was Kang, en ze kwamen oorspronkelijk uit Samarkand waar zijn vader officier was in het Chinese leger. Ook het geboorteverhaal van Fazang is legendarisch: in 643 WJ droomde zijn moeder dat ze de zon en de maan inslikte, en daarop geraakte ze zwanger.

Toen hij zeventien was geworden reisde Fazang wijd en zijd om een goede Dharma-leraar te vinden, maar niemand voldeed aan zijn verwachtingen. Daarom werd hij werkelijk een thuisloze, en nam zijn intrek in een kluizenaarshut op berg T'ai Pei waar hij zich in leven hield met de gewassen die er in het wild groeiden. Na een aantal jaren, toen zijn ouders ziek werden, ging hij terug naar huis.

Net in die tijd predikte meester Xiyan de Hwajen soetra in de hoofdstad, in het Yün Hwa-klooster. Op een nacht droomde Fazang dat hemelse lichtstralen zijn huis verlichtten, en in zijn droom bedacht hij zich dat er ergens iemand was die de Dharma predikte. De volgende morgen bezocht hij meester Xiyan, was onder de indruk van zijn Dharma-uitleg, en werd zijn leerling.

Fazang werd pas monnik op de leeftijd van 28, in de tijd dat de keizerin een tempel bouwde ter nagedachtenis aan mevrouw Jung Kuo. Die tempel heette de T'ai Yuan en Fazang werd er abt.

Hoe Fazang de keizering onderichtte leest u in de Rede over de Gouden Leeuw, en in De Spiegelhal.

Korte tijd hielp Fazang de monnik-reiziger-vertaler Xuanzang (Hsuan-tsang) bij zijn vertaalwerkzaamheden. Maar aangezien ze het over die vertalingen niet altijd eens waren, stapte Fazang al snel op.
Hem viel een staatsbegrafenis ten deel.
Zie voor een ander fragment deze pagina.




Chengkuan leefde tussen 738 en 840 WJ

De familienaam van Chengkuan (Djèngkwan) was Hsia-Hou. Hij werd geboren in Yueh Chou. en werd op zijn veertiende monnik. Over zijn geboorte- en sterfdata bestaat grote twijfel: sommige verslagen melden de data 806 - 820, een ander verslag noemt 760 - 820. Hier wordt de traditie gevolgd zoals bovenaangegeven, hetgeen betekent dat hij 102 jaar oud werd. Dankzij zijn leeftijd kon hij Keizerlijk Meester onder zes opeenvolgende Tang-keizers worden - hetgeen iets zegt over de politieke stabiliteit van China in die jaren.
Een tijdlang studeerde Chengkuan de Sanlun-stroming van het boeddhisme waarover een enkel woord is gezegd onder het hoofd De Vijf Perioden in de Inleiding van deze sub-site. Er wordt gezegd dat het succes van de Sanlun-stroming (in de Yangtze-vallei) voor een groot deel zijn werk was. Chengkuan's studie beperkte zich niet tot de Sanlun alleen; hij bezocht vele meesters en zenleraren.

Op een dag zei hij tot zichzelf: "De Bodhisattvas op het Vijfde Niveau zijn in staat Zoheid te realiseren en hun geest te doen opgaan in de sfeer van de Boeddhanatuur. Echter, in de staat die volgt op Samathā [Hou Te Chih Wei] gaan ze er allen toe over wereldse vaardigheden aan te leren om de wezens goed te doen en hun eigen inzicht te verdiepen. Ik zou in hun voetspoor moeten volgen en me de verschillende wetenschappen en kunsten eigen moeten maken." Dat deed hij, en er wordt gezegd dat hij een Homo universalis was.

Lange jaren leefde hij in het grote Hwajèn-klooster op de berg Wutai, en daar legde hij de laatste hand aan zijn omvangrijkste werk, De Grote Uiteenzetting over de Avatámsaka Soetra, die bijna een miljoen karakters bevat. Het schrijven van dit hele werk nam vijf jaar in beslag, en toen het klaar was hield hij een ceremonie waarin hij duizend monniken een maaltijd offerde.
Hij had meer dan honderd leerlingen die de Dharma konden overdragen (zoals dat in de zen-traditie gaat), en meer dan duizend konden uiteenzettingen over de Soetras geven.

Daar Chengkuan geboren werd 27 jaar nadat Fazang overleed, kan hij niet letterlijk een Dharma-erfgenaam van de laatste worden genoemd, dat zou Hui Yüan ([Hwei-jèn] de encyclopedist) zijn geweest. Daar men er echter van uitgaat dat Chengkuan, in tegenstelling tot Hui Yüan, de "orthodoxe" uiteenzettingen van Fazang weer in hun oude luister zette, wordt hij de Vierde Patriarch genoemd.




Zongmi, voluit Kuifeng Zongmi (of Tsungmi), leefde tussen 789 (of 780) en 841 WJ

Hij zou dan de vijfde patriarch van Hwajèn geworden zijn, ware het niet dat hij de weg van ch'an of zen ontdekte. Hij volgde de Ho-tse-lijn van het zuidelijke ch'an. Hij werd een koploper van de Chinese ch'an-stroming. Hoe hij - "cultureel bepaald" door de Hwajèn-interpretatie - ch'an opdeelde in vijf stromingen, en wat hij te zeggen had over ch'an/zen leest u hier (www.wwzc.org/translations/FiveStylesofZen.htm).
De Koreaanse zenmeester Seongcheol (overl.1993) noemde Zongmi een opvolger van Heze Shenhui (670-792) genoemd. Shenhui, zegt Seongcheol sunim, was de stichter-patriarch van "onmiddellijke verlichting met graduele cultivering". Zongmi heeft deze opvatting met kracht vertegenwoordigd. In Zongmi's woorden: "Eerst moet er onmiddellijke (plotse) verlichting zijn, en alleen daarna moet men geleidelijkaan cultiveren." Seongcheol sunim haalt de Avatámsaka en de (mahāyāna) Mahāparinirvāna soetras aan die zeggen dat verlichting is-gelijk boeddha is, en dat er daarna geen noodzaak meer is voor verdere cultivering, d.z.w. voor een eventueel verwijderen van de laatste subtiele bezoedelingen.
Tegen het eind van zijn leven zal Zongmi meer dan gemiddeld bezig zijn met de tathágata-garbha-filosofie (de schoot of de matrix waaruit de boeddhas voortkomen) en zal dan zeggen dat oorspronkelijk verlichting (pen chüeh) is-gelijk de ware "hart-mind" is (pen chüeh chen hsin - oude spelling). Hij zegt dat dit amalgaam inderdaad de boeddhanatuur is (fo hsing - eveneens oude spelling).
De Engelstalige paginas met commentaar op de "Formless Gatha" van zen-patriarch Huineng citeert vrij uitgebreid uit de nalatenschap van Tsungmi.




Op 16 december viert de japanse Kegon-richting die in het Chinees Huayen heet, de gedenkdag voor stichter Rōben.

Rōben leefde tussen 689 en 722 en was opgeleid in de Hossō-richting, de Enkel-Bewustzijn-trend. Hoe Rōben lucht had gekregen van de Avatámsaka-leer is hier niet bekend, en wie deze leer het eerst naar Japan bracht, daarover zijn twee verschillende versies. Een versie is dat Rōben de Chinese monnik Shen-Xiang rond het jaar 740 uitnodigde om in Japan lezingen te geven over de Avatámsaka-filosofie. Shen-Hsiang heet in het japans Shinshō.
Een andere versie zegt dat hij de koreaanse monnik Simsang in 736 uitnodigde naar de Konshu-ji (ji = tempel).

Keizer Shomu (724-748) wilde de Avatámsaka-filosofie hanteren als staatsfilosofie en liet daarvoor de Todai-tempel bouwen met het kolossale beeld van Vairocana Boeddha in de grootste en belangrijkste hal. Vairocana heet in het japans Biroesjaná. Rōben was de eerste monnik/abt die in Todai de scepter zwaaide. De vorm van de Avatámsaka-leer die Rōben voorstond wordt in Japan Kegon(*) genoemd, en is een van de vier hoofdstromingen uit de zogenaamde Nara-periode.
In later jaren nam Myoe (mjo-ee) de staf over en voegde aan de Avatámsaka-filosofie elementen toe uit de Vajrayāna, d.w.z. de esoterie, en ook esoterische praktijken die werden voorgestaan door Gyonen.

(*)Kegon. Spreek kéé-gon ; g = keelklank.



(De Taishô is een japans compendium dat voluit de Tashô Shinshu Daizōkyō heet, en dat in 983 WJ gereed kwam. Het bevat 1076 teksten, zowel canonieke werken als biografieën, en de academische wereld beschouwt het als het meest betrouwbare compendium van boeddhistische geschriften.)




Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme