Huayen, boeddhistische denkrichting

de Leer over de Totaliteit

Fragment uit de Avatàmsaka soetra
Bijlage bij "Over de gouden Leeuw"




Ver weg, in het hemelse verblijf van god Indra werd een wonderbaarlijk net opgehangen door een gewiekste illusionist. Hij hing het zodanig op dat het zich naar alle zijden in alle oneindigheid uitstrekt. Overeenkomstig de extravagante smaak der goden hing die illusionist op ieder knooppunt van het net een juweel. En omdat het net zelf een oneindige maat heeft, zijn die juwelen oneindig in aantal. Daar hangen die juwelen, glinsterend als de krachtigste sterren, wonderbaarlijk om te zien. Als we nu zomaar een van die juwelen kiezen en er aandachtig naar kijken, dan zullen we zien dat in het gepolijste oppervlak alle andere juwelen die aan het net hangen weerspiegeld zijn, tot in het oneindige. Niet alleen dat, maar ieder juweel dat in dit ene juweel weerspiegeld is, weerspiegelt ook al die andere juwelen, zodat het proces van weerspiegelen oneindig is.


Deze parabel uit de Avatámsaka soetra zelf is eigenlijk duidelijker, en ook mooier, dan Fazang's woorden. Ze geeft aan dat alle wezens, in hun aspect van ledig, sunyā zijn, eender zijn, maar dat ze daarom, als manifeste vorm, elkaar nog niet behinderen in hun tot bestaan komen, er zijn, en weer uit het bestaan verdwijnen.
Ze komt niet voor in de engelse vertaling die gemaakt is op basis van Shikshananda's kopie van de Avatámsaka Soetra, maar wel in de eerdere versie van de hand van Buddhabhadra.