Huayen, boeddhistische denkrichting

de Leer over de Totaliteit

Fragment uit de Avatŕmsaka soetra
Bijlage bij "Over de gouden Leeuw"




Ver weg, in het hemelse verblijf van god Indra werd een wonderbaarlijk net opgehangen door een gewiekste illusionist. Hij hing het zodanig op dat het zich naar alle zijden in alle oneindigheid uitstrekt. Overeenkomstig de extravagante smaak der goden hing die illusionist op ieder knooppunt van het net een juweel. En omdat het net zelf een oneindige maat heeft, zijn die juwelen oneindig in aantal. Daar hangen die juwelen, glinsterend als de krachtigste sterren, wonderbaarlijk om te zien. Als we nu zomaar een van die juwelen kiezen en er aandachtig naar kijken, dan zullen we zien dat in het gepolijste oppervlak alle andere juwelen die aan het net hangen weerspiegeld zijn, tot in het oneindige. Niet alleen dat, maar ieder juweel dat in dit ene juweel weerspiegeld is, weerspiegelt ook al die andere juwelen, zodat het proces van weerspiegelen oneindig is.


Deze parabel uit de Avatámsaka soetra zelf is eigenlijk duidelijker, en ook mooier, dan Fazang's woorden. Ze geeft aan dat alle wezens, in hun aspect van ledig, sunyā zijn, eender zijn, maar dat ze daarom, als manifeste vorm, elkaar nog niet behinderen in hun tot bestaan komen, er zijn, en weer uit het bestaan verdwijnen.
Ze komt niet voor in de engelse vertaling die gemaakt is op basis van Shikshananda's kopie van de Avatámsaka Soetra, maar wel in de eerdere versie van de hand van Buddhabhadra.

In het jaar 676 keert de Koreaanse monnik Ŭisang (oeisang) terug naar zijn land en wordt daar bouwheer en abt over Buseok-sa. Hij heeft dan jaren in China verbleven, en heeft daar Fazang ontmoet. Beiden vertegenwoordigen de Avatamsaka-school, die in het Chinees Huayen wordt genoemd, en in het Koreaans Hwa'om. Twintig jaar na hun ontmoeting schrijft Fazang een brief aan Ŭisang, in de wetenschap dat ze elkaar nooit meer zullen ontmoeten. In die brief laat hij weten dat het tot China is doorgedrongen dat de Koreaanse monnik de Avatámsaka onderwijst, en daarover schrijft Fazang: "Met respect in het hart ontving ik het nieuws dat u, na uw terugkeer naar uw land, begonnen bent met onderricht te geven in de Avatámsaka soetra, en dat u daarmee de dharmadhātu [hier: sfeer waarin de dharma floreert] verspreidt. Met een [kennis over] de door niets gehinderde [leer over het] Voorwaardelijk, Afhankelijk Ontstaan, en over het veel-lagige Net van Indra, bent u begonnen een boeddhaland te bouwen waarvan de verdienstelijkheid werkelijk zeer groot is. En dit doet mijn vreugde met sprongen toenemen."

Fazang schrijft dat hij zelf een paar woorden over Indra's Net had willen schrijven, maar dat hij zich niet competent genoeg achtte. Daarop besloot hij een commentaar te schrijven op hetgeen zijn leermeester Zhiyan (zie-jčn, 602–668) daarover had opgetekend. Hij geeft die aantekeningen mee met de monnik Seungjeon die naar Korea terugkeert, en hoopt dat het goed ontvangen zal worden.
Na ontvangst besluit Ŭisang tien tempels te laten bouwen waar afschriften van het werk van Fazang bewaard en bestudeerd kunnen worden.
Dat Fazang zich incompenent achtte, moeten we eerder waarderen als een vorm van bescheidenheid — een bijna verplichte stijlvorm wil men niet van blaaskakerij beschuldigd worden — dan dat het werkelijk waar zou zijn. Fazang's woorden over Indra's Net, vervat in de brief aan Ŭisang, hebben zo'n impact gemaakt dat ze ook begin 21ste eeuw nog in Engelse vertaling voorhanden zijn onder de titel "A Jewel In Indra's Net". De vertaling is van de hand van Antonino Forte.






Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme