Het japanse Nōh |
Het japanse Nōh-theater is in Nederland nauwelijks bekend. In 2000 was er een Nōh-voorstelling in Alkmaar, en in 2004 werd een Nōh-stuk opgevoerd binnen het kader van een wereld-theaterfestival.Nōh omschrijven gaat misschien nog het best aan de hand van de hier iets beter bekende chinese opera. Breng je het thema van zo'n opera helemaal terug tot het essentiële minimum, stileer, dogmatiseer en canoniseer je de gebaren, breng je het orkest terug tot een fluit en drie trommels, en voeg je een koor (rijen) toe van vier tot acht stemmen, dan heb je met twee tot vier acteurs-dansers Nōh.Omdat Nōh tot voor enkele jaren werd opgevoerd door louter mannen, veelal van middelbare leeftijd, wordt er in het geval van kinderen, vrouwen, grijsaards, demonen, goden en yamabushi, d.w.z. berg-asceten, gebruik gemaakt van maskers, zodat proto-types of arche-types ontstaan. Dat wil zeggen, niet alle Nōh-acteurs dragen een masker. Met de komst van initiatieven als youtube.com , maar ook met yahoo-video-doorklikfuncties zijn we nu in staat een on-line-glimp op te vangen van Nōh. Sinds de Unesco ook het niet-tastbare erfgoed binnen de poorten wil halen, is het bijvoorbeeld mogelijk het stuk "The Well-curb" (izutsu, - vert. de Waterbron-wieg), te zien op www2.ntj.jac.go.jp/unesco/noh/en/movie.html Op youtube heeft scottrekishika in 2007 een paar verhelderende fragmenten met Nōh-muziek en -drummen gezet. Verder zijn er een aantal amateur-opnamen die hele korte fragmenten tonen, zoals in de "Shigakendai Nōh Club" op yahoo, en op youtube het "Teatro Nōh". Bronnen vertellen dat er aan het begin van de 21ste eeuw in Japan heel wat amateur-gezelschapjes zijn die ofwel een heel Nōh-stuk opvoeren, ofwel fragmenten er uit dansen of musiceren. Beelden tonen ons dat de traditionele setting vaak is weggelaten, en dat er nu ook hier en daar vrouwen aan deelnemen. Ten slotte toont youtube een opvoering van het stuk Makurajidou op het Nōh-podium van de Hourin-tempel. Ontstaan en plaatsDe eerste Nōh-stukken zouden geschreven zijn door de acteur Zeami (1363-1441) en zijn vader, de Shintō-priester en Nōh-schrijver Kan'ami, hoewel bronnen van Nōh al in de achtste eeuw gevonden werden, met nog eerdere sporen ervan op het vasteland, in Korea, aan de overkant van de Japanse Zee. Van de hand van Zeami zijn 240 stukken bekend, maar al-in-al zijn er meer dan 300 stukken; een van de andere stukken bijvoorbeeld, Kagekyo, werd geschreven door Motokiyo (1374-1455). Niet meer dan twintig van die meer dan driehonderd zijn in het engels vertaald en uitgegeven door de Columbia University in New York. Daarnaast zijn er nog een paar kleinere uitgaven. Onder de vertalers zijn Royall Tyler en Arthur Waley(1) de belangrijkste geweest. Maar ook de dichter Ezra Pound(2) heeft een paar pogingen gewaagd.De stukken spelen zich allemaal in de buitenlucht af, hetgeen niet verwonderlijk is als we lezen dat de voorlopers van Nōh werden uitgevoerd door rondtrekkende priesters, ofwel in de open lucht, ofwel op de veranda van een tempel of Shintō-schrijn. Op het achterdoek van het toneel staat dan ook standaard een pijnboom bij het water die "de pijnboom van de goden-verschijning" wordt genoemd. Deskundige Richard Emmert meent dat deze pijnboom de toeschouwer er aan herinnert hoe de Shintō-goden Nōh aan de mensen doorgaven met een pijnboom als medium. Maar Royall Tyler wijst ook op de boeddhistische levenskolom wanneer hij de setting naar drie onderdelen beschouwt. De pijnboom staat aan de voet van een berg (al is het, wanneer verwezen word naar een historische gebeurtenis, maar een molshoop), en aan de rand van de zee (al is het maar een slootje), en daar tussenin ligt de mensenwereld - gesymboliseerd door die pijnboom, dus land, dus agrarische activiteit - waar het drama zich afspeelt. Die mens bevindt zich dan tussen de hogere wereld van gelukkiger wezens - met Boeddha of Boeddhaschap, vaak door een volle maan gesymboliseerd daarboven(3), en de lagere wereld waar zowel de goedmoedige draken als de hellen gevonden moeten worden daar onder. Wanneer we het hele gebied op de kaart bekijken, zien we dat de Japanse Zee waarschijnlijk een groot kratermeer is, en herinneren we ons dat het langs die kraterrand nog steeds niet rustig is. Daar zouden we de oorsprong kunnen vinden van de magische krachten die de Japanse Nōh-liefhebber aan de zee en de kusten toeschrijft. Een verwijzing naar tegelijkertijd de zee en de reddende "Ander-kracht" van Amida Boeddha vinden we in het stuk Matzukaze: "Een roeiboot kan de zee niet oversteken | noch wij deze droomwereld."
Noten: (1) Arthur Waley (1889–1966), orientalist en aanjager van de Reine Land-gemeenschap in Europa, en met name de UK. (2) Ezra Pound (1885-1972). Hij werkte samen met de orientalist Ernest Fenollosa. (3) Wanneer een van de twee aan hun lot overgelaten courtisanes uit het stuk Matsukaze, toch van de hand van de Shintō-priester Kan'ami, zegt, "Oh, kijk! Ik heb de maan in mijn emmer" (de weerspiegeling van de maan in een emmer zeewater), dan wordt hiermee gezegd dat ook de meest eenvoudige dingen boeddhanatuur hebben, en dus waardigheid bezitten. |
![]() Het Boeddhisme van NōhVoor de beschouwing over de Nōh-literatuur, en met name de connectie met het Boeddhisme, wordt hier gebruik gemaakt van een artikel van Royall Tyler zoals dat op het Internet is achtergelaten door een vietnamese boeddhistische gemeenschap.(1)In dat artikel wijst hij zowel op de verbintenis met Shintō, als op "boeddhistische elementen" in Nōh. Hij wijst op de sterke aanwezigheid van devotie naar Amitābha Boeddha, die in Japan Amida(2) heet, en ook op de verering van de Lotus Soetra(3), op sporen van de Avatámsaka (in het japans Kegon)-leer, op zen(4), en op de invloed van het esoterische Boeddhisme, dat - kijken we naar de vertaalde stukken zelf - gehaald werd uit de Shingon-traditie, meer dan uit de esoterische tak van de Tendai-traditie. Daarnaast hebben zowel rondtrekkende monniken uit een inmiddels verdwenen Reine Land-sub-traditie, als de yamabushi een belangrijke rol in de Nōh-stukken. Yamabushi zijn in de bergen verblijvende monnik-asceet die zich tot op de dag van vandaag laat inspireren door zowel Shintō-riten zoals die rond het water, als door het Amidisme, als de leer rond de Lotus Soetra, en de boeddhistische esoterie. Noten: (1) www.buddhismtoday.com/english/world/country/014-Buddhism in Nōh.htm (2) Hier wordt gesproken over "Amidisme", en niet over "Reine Land-leer" omdat Amida Boeddha zoals hij in Nōh wordt aangeroepen welbeschouwd eerder de Amida van de Lotus Soetra is dan die van de Reine Land-geschriften. Een van de plaatsen in de Lotus waar Amida wordt voorgesteld gaat als volgt: "Welke vrouw dan ook, die in de laatste vijfhonderd jaar van dit millenium dit hoofdstuk over de Aloude Devotie naar Bhaishagyarāga zal horen en er in door zal dringen, zal, na haar verdwijnen van deze aarde, in de wereld Sukhāvati worden geboren waar de Heer Amitāyus [Amida], de Zo-gekomene, Zo-Gegane ... verblijft, omringd door een menigte bodhisattvas. Daar zal hij (die in een voorgaand leven een vrouw was) verschijnen, gezeten op een troon in het midden van een lotus ..." Het zijn vooral vrouwen die in de Nōh-stukken Amida Boeddha aanroepen zoals in Nonomiya, een stuk over een achtergelaten courtisane die in haar laatste woorden de Lotus Soetra-parabel over het Brandende Huis in herinnering roept met een, "De poort van het brandende huis | de poort van het brandende huis!" en daarmee impliciet haar verlangen naar Sukhāvati en Amida Boeddha's aanwezigheid verwoordt. Het fragment over het Brandende Huis vindt u in een engelse vertaling hier. Een van de vele meer expliciete verwijzingen naar Amida Boeddha vinden we in Izutsu waar de vrouw Sageuta zegt, "Want zonder onderbreking, | een van geest, | vertrouw ik op Boeddha's | aangeboden koord ...." Het aangeboden koord verwijst naar een Amidistische praktijk waarbij men de hand met een koordje of draadje verbindt aan een afbeelding of beeld van Boeddha: Kom, en haal me wanneer het zover is, wanneer de dood zich aandient. Zie hiervoor de engelstalige pagina over de mudra, het stukje over de raigo. (3) Hoe verborgen, maar ook onmiskenbaar de connectie tussen de verering van de Lotus Soetra en Shintō is, vinden we bijvoorbeeld in het stuk Sekidera Komachi. Sekidera is vandaag bekend als de Choanji op het eiland Kyushu, niet ver van Kyoto. Het is samen met een aantal andere tempels gesticht door de Fujiwara-clan. Sekidera/Choanji bezit een op een koperen plaat gedrukt fragment van de Lotus Sutra, vervaardigd in het jaar 1141. De tempel heeft een connectie met de Shintō Usa Hachiman Schrijn, en bezit een beeld van Taro Ten, een Shintō-manifestatie van de boeddhistische Fudō Myo-o. Zie voor Fudō de pagina over het japanse tuinieren. (4) Tyler toont in zijn stuk de nauwe verbondenheid tussen Nōh en de Kofuku-tempel waar eertijds de Hossō-leer werd gepredikt, die Mahāyana-boeddhistische visie die we globaal met Enkel Bewustzijn mogen omschrijven, en die zijn invloed heeft gehad op zen, maar niet alleen op zen. Het zou een vergissing zijn om de beleving van de vroege Hossō-leer helemaal te identificeren met het huidige zen. De Lotus Soetra, Shingon en Amida Boeddha
Over de boeddhistische invloed op de Nōh-auteurs, en over karakters die regelmatig in deze stukken voorkomen, schrijft Tyler onderandere: "En no Gyoja (laat 7de eeuw), de half-legendarische stichter van de traditie van de berg-asceten die Shugendo wordt genoemd (de Weg van het cultiveren van geestkracht), wordt zonder uitzondering afgebeeld als zittend onder een rotsblok dat de contouren van een vogel heeft, de Gierenpiek (Grdrhakūta nabij het moderne Rajgir in India), van waaraf Boeddha de Lotus Soetra predikt.(1) Bodhisattva Kannon (Avalokiteshvara), die op vele heilige bergen vereerd werd [en wordt], is prominent aanwezig in de Lotus Soetra. Bodhisattva Fugen (spreek Foegeen, Samantabhadra) die in het stuk Eguchi voorkomt, is dat eveneens." De heilige bergen spelen in veel Nōh-dramas een belangrijke rol. Ze zijn de thuishaven voor de Shintō-goden, en ook de verblijfplaats van de geesten van de overledenen die, allemaal tesamen genomen, de geest van de berg zijn die regelmatig en in vastgelegde rituelen geëerd wordt. Hierinneren we hierbij aan prins Shotoku die in het jaar 607, op aandringen van zijn keizerlijke moeder, er op uit trekt om bij een zekere berg "de goden van hemel en aarde te eren".(2) Nu komt bodhisattva Samantabhadra inderdaad prominent voor in de Lotus Soetra, maar meer nog in de Avatámsaka Soetra die het belangrijkste geschrift is binnen de Kegon-gedachtegang, terwijl ook de geschriften die ten grondslag liggen aan de esoterische Shingon-traditie, d.w.z. de Mahāvairocana Soetra en de Vairocana Tantra(3), Samantabhadra als rolmodel opvoeren. Houden we de Avatámsaka Soetra er even buiten omdat deze veel belangrijker is voor de beleving van zen binnen het Nōh-theater, dan blijven de verwijzingen naar Samantabhadra in de Lotus Soetra en de Vairocana-geschriften over. Tussen deze twee heeft de japanse boeddhistische gemeenschap, en de Nōh-auteurs in het bijzonder, een verbindingsstreepje gezet. De Shingon-traditie houdt het verhaal in ere rond de monnik Subhakarasimha (637-735) die, eenmaal aanbeland bij een van de grotere kloosters in India, waarschijnlijk Ratnagiri in Orissa, de opdracht kreeg om eenentwintig dagen de Lotus Soetra samādhi te beoefenen, een eenentwintig dagen lang reciteren van de Lotus Soetra, met als doel Samantabhadra Bodhisattva te kunnen zien. We moeten dan begrijpen dat het Samantabhadra is die, met andere grote Bodhisattvas, de manifeste verlichting van Boeddha's lichaam, de Sambhogakaya, waarneemt. Doorheen de recitatie van de Lotus Soetra een visualisering van Samantabhadra tot stand brengen moet dan uitmonden in een realisering van Boeddha's Sambhogakaya volgens de Shingon-definitie. Wanneer dan een yamabushi in een van deze Nōh-stukken zich uitlaat over Boeddha, of verwijst naar zijn Sambhogakaya (ofwel het Gelukzalige Lichaam), dan speelt hierbij op de achtergrond zowel de cultivering van de Lotus Soetra mee die belangrijk is in de kringen van deze berg-asceten, als de esoterische op Shingon gebaseerde praktijken die daar in zwang zijn, globaal aangeduid met shugendo.
(1) De (esoterische) Lotus Soetra situeert zich buiten tijd en ruimte, en wordt nog steeds gepredikt voor wie de woorden ervan tot zich neemt. |
Zen, Hossō, en de afwezigheid van dualiteit
"Deze kleur op de vlakte,(1) Sneeuw op de bergen, Maanlicht op de lichte kust, —(2) Wat is het mooist? Ach, geen kent zijn gelijke bij de dageraad van een voorjaarsdag." (Uit Hagoromo)
Dit is een van de heel weinige stukjes tekst die we kunnen interpreteren in de zen way. Dat wil zeggen, er wordt een zoals-het-is voorstelling van zaken gegeven, maar eigenlijk is dan de waardering die aan deze observatie wordt gegeven toch ook weer niet erg zen. Niettemin menen deskundigen de geest van zen in de Nōh-stukken te kunnen waarnemen. Wanneer we die gedachtegang volgen komen we al snel uit bij de sfeer van de stukken, en wel een sfeer van melancholie. A.L. Sadler merkt in zijn boek over de kunst van het theedrinken terecht op dat deze melancholie of weemoed niet zen is, maar een soort tijdgeest die rondwaarde in de tijd dat de keizers hun macht verloren hadden.(3) We mogen beslist niet denken dat het hedendaagse zen van zuchtjes en snikjes aan elkaar hangt - integendeel. Wat in deze stukken zen genoemd wordt, is waarschijnlijk meer een weerslag van het Enkel Bewustzijn-denken dat in het japans Hossō genoemd wordt, of yogacara in het Sanskriet.(4) De eerder genoemde Kofoku-tempel (Kofukuji) was het belangrijkste centrum van het Hossō-denken. Tyler meent dat het karakter van de rondreizend priester, monnik of asceet heel prominent aanwezig is in Nōh, maar dat door het dooreenmengen van vele (sub-)tradities niet vast te stellen valt tot welke school ze behoorden. Sommigen zouden tot de Kofukuji-lijn teruggeredeneerd kunnen worden, ware het niet dat het geestgeschapen figuren zijn. Een ander voorbeeld van Hossō/zen vinden we in het stuk Izutsu (de Waterbron-wieg):
"Ach, de klagende wind(5) nabij het oude heiligdom! Het blad van de banaan.(5) Droom breekt tot ontwaken droom breekt bij de dageraad."
De twee regels "droom breekt | tot ontwaken" kunnen verwijzen naar het ontwaken zoals zen dat ervaart. Maar wanneer we de zinnen "droom breekt | bij de dageraad" nemen, dan zou de betekenis heel anders geïnterpreteerd kunnen worden — hoewel... (1) De vlakte is hier een vlak, hoog boven en enigszins voor de kustlijn uitstekend stuk rots. |
|