In 2021 vieren de drie vertakkingen van het
Nichiren-boeddhisme dat de stichter van deze stroming, Nichiren Shonin, 800 jaar geleden geboren werd. (Spreek: níesjirun, klemtoon op niesj).
Al voor Nichiren's leven leek boeddhisme volkomen uit India verdwenen, en leefde alleen nog ondergronds voort in de oostelijke en westelijke grensgebieden, en in Sri Lanka. Djenghis Khan, die een deel van Noord-India veroverde, overleed in 1227; pas zijn opvolger liet enkele monniken uit Tibet halen die hem enigszins op de hoogte brachten. Maar omdat China in Djenghis' tijd gemene zaak maakte met Mongolië, dat een paar marine-expedities op Japan en Korea afstuurde, was het China van de dertiende eeuw niet de bron waar het Japanse boeddhisme nog uit kon of wilde putten, ook al circuleerde de in 1246 vervaardigde Mumonkan (Chinees:
Chan Zong Wu Men Guan, de "Gateless Gate") door de zengangen van Japan. De niet zen-georiënteerde boeddhistische scholen van Japan vielen terug op die soetras en verhandelingen die inmiddels in het Japans waren vertaald. Uit het intern verdeelde
Tendai, de Japanse versie van het Chinese T'ien-t'ai, ontstonden nieuwe scholen zoals de
Jōdō (Reine Land) en Nichiren. Maar ook de
sōtō-versie van zen zoals Dogen dat introduceerde stamt uit die tijd.