Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Op 3 mei 2005 verwierp een gerechtshof in Japan een eis van nabestaanden van Japan's oorlogsslachtoffers om aan hen compensatie uit te betalen voor de schade die zij meenden geleden te hebben door het bezoek van Japan's Eerste Minister en de gouverneur van Tokyo aan de Yasukuni-schrijn.

De Yasukuni-schrijn is een door het 19e-eeuwse Meiji-bewind (Meidjie) in het leven geroepen monument ter herdenking van de soldaten die voor het vaderland zijn gesneuveld - althans dat is vandaag de interpretatie.
De ca. 1000 mensen die de eis hadden ingediend, waaronder 470 Koreanen, toonden zich teleurgesteld over het besluit van het Hof. "Het besluit van vandaag opent de weg om de oorlog (weer) te gaan verheerlijken," zei Shinichi Kaba, een boeddhistisch monnik. Dit berichtte Reuters die dag.
In 2004 al verklaarde het Fukuoka Gerechtshof dat de Eerste Minister's (Koizumi's) bezoek aan Yasukuni een ongrondwettelijke daad was, maar verwierp de aanklacht van gedupeerden dat hun vrijheden hierdoor waren geschaad. Het was een herhaling van een eerdere uitspraak elders, in 1991.

de spirits
De Yasukuni-schrijn is een oord waar de "spirits" van overleden soldaten worden herdacht en geëerd.
Over "spirits" het volgende: Boeddhisme kent het concept van wedergeboorte. We zeggen dat sterke mentale impulsen, vooral verlangens om iets in de toekomst te gaan doen, maar ook opgebouwde gewoontepatronen zo sterk zijn dat ze zich vlak na het moment van overlijden als een soort mentale kracht inplanten in een nieuw leven dat ergens anders geconcipieerd wordt. We menen ook dat wanneer een leven heel abrupt of heel ongelukkig eindigt die bundel mentale kracht 't even niet meer weet, en dus nog vastklampt aan een bestaan dat er niet meer is, daarmee niet voort kan gaan naar een nieuw bestaan. Zo'n moment van verwarring kan een paar minuten duren, een paar dagen, maar soms ook jaren en jaren. In feite moeten we zeggen dat de spirit van een overledene nog daar kan zijn zolang nabestaanden er verlangende aandacht aan geven, d.w.z. wensen dat hij/zij eigenlijk nog in leven zou moeten zijn.
In tegenstelling tot de Shintō-praktijk toont Boeddhisme aan dat ook die mindset doorheen de transmigratie van samenstelling en/of intensiteit verandert. Alles is veranderlijk en vergankelijk, ook 'ziel', 'spirit', 'geest'.

Na iemand's overlijden zijn er in Oost-Azië in principe twee plaatsen waar een overledene herdacht wordt, of, in andere woorden, verblijft. De ene plaats is het graf of de urn - waar de Aziaat per traditie niet graag mee geconfronteerd wordt, en de andere plaats is een soort naambordje in een schrijn of in een tempel waar nabestaanden vooral op de sterfdag heen gaan voor een ceremonie en om wensen uit te spreken, en dan met name de wens dat die spirit, mocht ze nog aanwezig zijn, naar een nieuw bestaan gaat, danwel - voor zover het Boeddhisten aangaat - naar een Boeddhaland, hetgeen in deze context een ander woord is voor nirvana. Zo'n schrijn is de Yasukuni-schrijn die voortgekomen is, en behoort tot het Shintōïsme, meer bepaald tot het (nieuwe) Staats-Shintōïsme (Jinja Shintō, dat in moderne bronnen geïdentificeerd wordt met 'Schrijn-Shintō') zoals dat onder het Meiji-bewind gestalte kreeg.




Shintō en Boeddhisme zij aan zij
Oorspronkelijk, zo wordt gezegd, behelsde het Shintōïsme niet meer dan rituele verering van de kami, de goden. Het woord shintō bestond nog niet, maar voor het gemak geven we voorlopig het vroege japanse volksgeloof die naam.
Japan, zo zegt de legende, werd gesticht door de goden Izanagi en Izanami die uiteindelijk geboorte gaven aan Amaterasu Omikami, de zonnegodin Amaterasu. De zoon van Amaterasu's kleinzoon was de mens geworden Jimmu Tenno (Djiemoe), en deze Jimmu werd de eerste keizer van Japan. Amaterasu had de bestuursmacht over Japan in handen gelegd van de goden. En omdat Jimmu goddelijk was, waren ook alle volgende keizers goddelijk, totdat aan het eind van de Tweede Wereldoorlog keizer Hirohito afstand deed van die claim.

Boeddhisme arriveerde vanuit Korea in Japan, en wel in het jaar 552; de koning van de koreaanse staat Paekche schenkt de 'Yamato-heerser' een gouden Boeddhabeeld. De vertegenwoordigers van het Shintōïsme raden de heerser echter af Boeddhisme tot staatsreligie te verheffen, en in feite worden de eerste twee pagodes en het beeld in brand gestoken - zegt de legende. Een paar jaar later lukt het dan beter.
Ten tijde van de eerste introductie stelt het volksgeloof, het Shintōïsme zich teweer: men zou beter, als vanouds, de Goden van de aarde en de gewassen, alsook de overige 108 goden (noot a) vereren en van offerandes voorzien.

De eerste heerser die zeer uitgesproken Boeddhist was, was prins Shotoku, zoon van keizerin Soe-ieko (Suiko). Hij legde, zegt een zijner chroniqueurs, gedragsregels vast voor de heersende klasse, een ethische code voor de ambtenaren, en hij verving een op bloedverwantschap gebaseerde moraliteit door de confucianistische universele principes. Over het Boeddhisme heeft Shotoku het in zijn bericht aan het land slechts kort wanneer hij de mensen aanbeveelt hun vertrouwen te stellen in het Drievoudig Juweel: de Boeddha, de Leer, en de Communiteit. Over het inheemse geloof heeft hij het niet - alhoewel hij in het jaar 607, op aandringen van zijn keizerlijke moeder, er op uit trekt om bij een zekere berg "de goden van hemel en aarde te eren".
De Nihongi, of Nihonshoki, waarover hieronder meer, baseert zich voor de introductie van Boeddhisme in Japan op Shotoku's verhandelingen. De Nihongi is ook het eerste werk dat het overlijdensjaar van Boeddha op 949 voor WJ stelt.' Aan deze Nihonshoki werd de laatste hand gelegd onder keizerin Genshō Tennō.

Het is, vóór Suiko's en Shotoku's regeringsperiodes, onder de Yamato-heersers, dat vertegenwoordigers van het volksgeloof, geconfronteerd met het zojuist binnengebrachte Boeddhisme, nadruk gaan leggen op het chinese begrip shen-tao, vertaald als "De Goddelijke Weg", een woord dat afkomstig is uit de Ijing (I-ching), en dat al snel 'verjapanst' wordt tot shintō. En die goddelijke weg is tegelijkertijd de keizerlijke weg; de keizer krijgt "de eigenschap van een god" (kamu-nagara).
Boeddhistische immigranten in Japan die aanvankelijk uit Korea en China komen zien daarin niets vreemds: shen-tao was in China een 'huishoudbegrip', de boeddhistische Canon spreekt over de Wereldheerser (cakravartin), het woord tao gold vanaf de introductie van het Boeddhisme in China als een acceptabele vertaling van het Sanskriet marga, weg.

Ook Shotoku's opvolger, Temmu, voelt zich tot het Boeddhisme aangetrokken. Niettemin wordt vanaf zijn tijd het keizerlijke Shintō tot keizerlijk ritueel verheven. Het is echter pas vanaf 718, onder keizer Yōrō dat er een aantal shintoïstische hoogtijdagen worden vastgelegd.



synthese
We komen in het Boeddhisme het begrip 'hemelse parels' tegen die als mani-juwelen een wens-vervullend karakter worden gegeven, en het mani-juweel is het verlichte bewustzijn. Het vroege Shintō heeft het over de tama, 'Steinperlen' die een leven-gevende kracht bezitten. Hier zien we twee begrippen die "elkaar niet bijten". Juist omdat tama betrekking heeft op het stoffelijke, en het mani-juweel op het onstoffelijke zal een deel van de bevolking het samengaan van beide begrippen opgevat hebben als een gelukkig huwelijk.
En ook het boeddhistische dictum dat alleen de mens bewust naar Verlichting streven kan, in tegenstelling tot de hemeling die domweg veel te gelukkig is om daar zelfs maar aan te kunnen denken, wordt als het ware bevestigd door de Shintō-legende over een godheid die niet snugger genoeg is om te beseffen dat je uitgeholde kalebassen met geen mogelijkheid onder water dompelen kan.

Zeker vanaf het moment dat de monnik Kūkai (774-835) het Shingon-Boeddhisme naar Japan had gebracht vond er een verdere, en waarschijnlijk meer bewuste synthese plaats tussen het volkse Shintōïsme (genaamd Kyōha) en Shingon-Boeddhisme. Ook hier zien we hoe Shingon, letterlijk 'het Ware Woord', ook wel de mantrayana genoemd, in de opvatting van velen aansluit op eerdere gebruiken van Shintō, en nu het geritualiseerde, het 'Sekten-Shintō' zoals Naumann dat noemt. De Shingon-praktijk van mantras reciteren zal herkend zijn geworden door diegenen die bekendheid hadden met de inheemse rituele gebeden (norito) aan de goden, want in die norito zit een 'Wens-Woord' (koto) verpakt, zoals ook de mantra een wensvervullende eigenschap wordt gegeven - in sommige boeddhistische kringen. En dan omvat dat Woord (koto), zegt Shintō, een innerlijke geestkracht (tama, identiek aan de bovenvermelde 'Steinperlen'). Over die geestkracht is heel Azië het eens, met name die religies of praktijken die mantras reciteren als belangrijkste techniek hanteren.

Dat het volk in zijn algemeenheid die samensmelting van shintō en boeddhisme wel een best idee vond, vinden we als het ware verwoord in een haiku van dichter Masaoka Shiki (1867-1902) die, wanneer hij in 1893, geplaagd door de zomerhitte, verkoeling zoekt in een shintō-boeddhistische tempel dicht: "koelte — / goden en boeddhas / zijn buren." (the art of haiku, p.269)
(De Meiji-regering heeft dan echter, vanaf 1868 de deur al dicht gedaan naar het boeddhisme, en zeker naar de combinatie shintō en boeddhisme, maar het is niet bijzonder of ongebruikelijk dat zo'n gebruik of gedachtegang onder de bevolking nog een tijdlang nasuddert. Het grootste vrachtschip heeft meer moeite de bocht te maken dan een roeiboot.)

Het volkse Shintō nam ook aspecten over van het Tendai-, en in mindere mate van het Nichiren-Boeddhisme.
Een paar hedendaagse voorbeelden:
De oudste japanse smederij van samurai-zwaarden wordt beheerd door Shintō-monniken. Voordat zij de taak van het smeden van een nieuw zwaard aanvangen reciteren ze een aantal malen de mantra op de Lotus soetra zoals Nichiren die heeft geïntroduceerd. (noot b)

Vrouwen die hun ongeboren kind verloren hebben voorzien vaak een beeldje van de boeddhistische Ksitigarbha (= Djiezoo in 't Japans) bodhisattva van een rood stukje textiel. Een van de Shintō kami, Inari, toont zich in een vosje (noot c). Vaak ziet men beeldjes van het vosje voorzien van het rode stukje textiel dat oorspronkelijk bestemd was voor de bodhisattva.

Het is vanaf het jaar 781, onder keizer Kōnin, dat enkele Shintō-goden de titel 'jinzu daibosatsu' kregen: De Grote Bodhisattva. En daarmee, concludeert Naumann, zijn de Shintō- en de boeddhistische Helpers in Nood, de goden en de Grote Bodhisattvas, op een gelijk niveau geplaats.
Vanaf de negende eeuw beseft de heersende klasse steeds meer dat, waar de keizer een godenzoon is die de staat te dienen heeft, ook de goden en de bodhisattvas, ja zelfs Boeddha diezelfde taak hebben. Het komt de boeddhistische monnikengemeenschap in die tijd wel van pas; in één mandje zitten met de keizer vergemakkelijkt zowel de bouw van tempels als de verspreiding van de Boeddha-Dharma - mits deze niet wordt voorgesteld als in tegenspraak met de aloude geplogenheden.

Het is wel zeker dat het japanse Boeddhisme diep beïnvloed is geworden door de shintoïstische filosofie over de kami, en door die over de spirits die als kami naar de hemel opstijgen en 's-avonds aan de hemel te flonkeren staan. Maar over het algemeen kan waarschijnlijk toch gezegd worden dat de kern van het Boeddhisme goed overeind is gebleven, terwijl het Shintōïsme, bij gebrek aan een fundamentele eigen filosofie wat verloren heeft, althans, dat is de mening die geventileerd wordt in een van de onderstaande bronnen.

Kokugaku
De geleerde werken van een laatzeventiende-eeuwse boeddhistische monnik, Keichū, deden de wens ontstaan te weten wat nu "echt Japans" was. Hij onderzocht een achtste-eeuwse collectie gedichten, niet als Boeddhist of als Confucianist, maar als Japanner, en haalde daaruit waarden waarvan gezegd werd dat ze typisch Japans waren: eenvoud, zuiverheid, en warmte. Uit deze terugkeer naar het oorspronkelijke, zoals het gevoeld zal zijn, ontstond een gedachteschool met de naam Kokugaku, letterlijk "Leren", die onderwees dat Japan en haar inwoners gekenmerkt werden door spontaniteit, natuurlijke goedheid, en ingeboren goddelijkheid. Het boek werd tijdens de Edo-periode geschreven door Motoori Norinaga.



De Meiji-periode en Boeddhisme
Onder het bewind van de jonge Meiji-keizer stelden overheidsambtenaren Ichiro Hori en Yoshio Toda het verschil tussen de twee religies vast: Het volkse (kyōha) Shintō, dat door hedendaagse historici Priester (= Sekten) Shintō wordt genoemd, bestond uit een aantal volkse religieuze gebruiken, het keizerlijke Shintō was een ethische cult gebaseerd op voorouderverering.
De Meiji-keizer stelt dan in een officieel document dat zijn opvatting over zijn en andere keizers' functioneren een 'terugkeer betekende naar het Keizerlijke Bewind van Jimmu Tenno' inclusief de goddelijkheid van de keizer.
Zijn houding naar religies die niet uit eigen bodem ontsprongen, en die zijn goddelijke aard niet kenden of niet erkenden, leidt dan tot een ultra-nationalistische instelling, hetgeen er toe leidt dat het keizerlijk Shintō, formeel uitgesproken, Staats-Shintō wordt. Dan komt de relatie tussen het nieuwe Staats-Shintō en Boeddhisme op scherp te staan.

Vanaf de vroege Middeleeuwen werden de Shintō-goden in de boeddhistische 'levenskolom' ingedeeld, een kolom die helemaal onderaan de helwezens bevat, in het midden de mens, en daarboven de hemelingen. Binnen deze kolom worden de wezens, afhankelijk van de uitwerking van hun verleden karma, nu eens hier, dan weer daar herboren. De uitspraak van keizer Kōnin, zie boven, waarin hij zegt dat Shintō-goden en boeddhistische bodhisattvas allemaal bodhisattvas zijn, ligt in het verlengde van die geloofsregel. In 1868 herroept de Meiji-keizer die uitspraak en verordonneert "de scheiding van Goden en Boeddhas" - de inheemse goden zijn niet langer Grote boeddhistische Bodhisattvas. Daarmee is er een scheiding van kerk en staat gekomen waarop dat deel van de monniken-gemeenschap dat tot dan toe op goede voet stond met de keizerlijke overheid niet gerekend had, een scheiding die op dat moment ook niet in hun interesse leek. Hoewel gedurende de Nara-tijd het actief propageren van de Boeddha-Dharma enige tijd aan banden was gelegd, waren de banden met de opeenvolgende keizers-huizen nauw. Nu echter verloren met name de Tendai en Shingon-richtingen hun traditionele invloed aan het Hof - de positie van de Jōdō-stroming was inmiddels al een heel andere geworden. De maatregel kan ook Meiji's "tikkie-t'rug" geweest zijn in de richting van Kūkai die liet weten dat "alhoewel hun (geestelijke) verdieping varieert, ze (de leringen van en over de inheemse goden) toch slechts de leringen van wijzen zijn." (Hakeda, Y.S., Kūkai, Major works, 1972)

Itō Hirobumi, Eerste Minister tussen 1892 en 1896 reisde in de jaren voordat hij de Grondwet samenstelde door Europa en de USA om daarover gedachten op te doen. In Duitsland leerde hij onder de professoren Rudolf von Gneist en Lorenz von Stein over de religieuze vrijheid, maar ook dat de Staat in staat zou moeten worden gesteld om religieuze organisaties te "gidsen". Itō zag dat als een goed model voor Japan; eerbied voor de keizer en de troon zouden de beste samenballende kracht voor Japan in de komende jaren zijn. Dit betekende in de praktijk eveneens een versterking van het Staats-Shintōïsme.

In 1899 vaardigde de Minister van Onderwijs een "Order nr. 12" uit waarin stond dat in scholen geen godsdienstonderwijs meer gegeven mocht worden. Daarmee liet hij het onderricht in ethiek en moraliteit over aan het Staats-Shintō (Jinja). In 1900 volgde een verder decreet waarbij het religieuzen verboden werd nog langer in politieke organen bezig te zijn; ook dit versterkte de positie van het Staats-Shintō.

Als resultaat van de antiboeddhistische beweging bracht het Meiji-bewind Boeddhisme stevig onder controle van het Staats (Jinja) Shintō - althans, deed een poging daartoe - en als resultaat daarvan werd het zogenaamde Daikyoin (dajkjo-ien) gevestigd. Het hoofdkwartier van dit bureau werd gevestigd in de de Zodjodjie-tempel (Zojoji) in Kyoto. Deze tempel was een leidend instituut binnen de Djodo-stroming (Jōdō, het Reine Land-Boeddhisme, de meest omvangrijke stroming in Japan), en het beeld van Amida (Amitabha) Boeddha dat daar stond werd vervangen door een beeld van de godin Amaterasu Omikami.
Shimaji Mokurai, een Shin-priester uit de Reine Land Honganji-school die in Engeland had gestudeerd en het westerse religieuze leven had bestudeerd, legde er na zijn terugkeer grote nadruk op dat in het Westen staat en religie gescheiden zijn. Gehoor gevend aan zijn uitspraken verlieten zowel de Oostelijke als de Westelijke Honganji (Reine Land-gemeenschap) de Daikyoin, en was er van een eenheid tussen Staats-Shintō en Boeddhisme geen sprake. Overigens was de Meiji-wens Shintō en Boeddhisme samen te voegen niet bepaald in overeenstemming met het bovengenoemde besluit de Goden en de Boeddhas te scheiden.



De Yasukuni-schrijn
Yasukuni-schrijnWat Naumann het "Sekten-Shintō" noemt is het geformaliseerde Shintōïsme zoals dat in tempels of schrijnen en door priesters wordt beleden. Tot die categorie behoorde het oorspronkelijk in Kyoto gevestigde Shokonsha: "schrijn waar de zielen van de doden worden aangeroepen". Deze schrijn werd in 1869 naar Tokyo overgebracht en veranderde in juni van dat jaar van naam en werd de Yasukuni-schrijn die in dienst kwam te staan van het Staats-Shintō. Ze werd het symbool voor de macht van de staat over zowel het seculiere als het religieuze leven, en verzinnebeeldde de goddelijkheid van de keizer.

"Binnen het traditionele Shintō (kyōha), gebaseerd op de Kojiki en de Nihonshoki (noot d), zegt Umehara Takeshi, wordt geloofd dat, inplaats van de 'zielen' van onze geallieerden in een schrijn te plaatsen, we er eerder die van de vijanden zouden moeten plaatsen die door hen vernietigd werden." (In de Yasukuni worden alleen de 'zielen' van Japan's soldaten herdacht). "De vorm van Shintō zoals die in Yasukuni wordt beleden is een nieuwe."
Hij vervolgt met: "Mijn standpunten hierover werden gesteund door de decaan van (het universiteits-departement van ) Boeddhologie, Nakamura Hajime, en ook door andere religieuze vertegenwoordigers."

In 1945 schaften de Geallieerden het net iets meer dan een eeuw oude Staats- (Jinja-)Shintō af ten faveure van een scheiding van kerk en staat naar westers model. Naar de mening van een japanse elite waren echter zowel het rituele ('Sekten') Shintō als het Staats-Shintō -- door hen niet onderscheiden als verschillende vormen van Shintōïsme -- onverbrekelijk verbonden met het keizer-Shintō; men zal in de afschaffing van het Staats-Shintō nog niet het afschaffen van het keizer-Shintō gezien hebben. We zien dan ook in de keizerlijke generaties na Hirohito dat de keizer, voorafgaand aan het bestijgen van de troon, de Shintō-riten ondergaat zoals die in de loop van de tijd zijn vastgesteld.
Zouden de Geallieerden al op de hoogte zijn geweest van deze verknoping van keizerschap en Shintō, dan nog zouden ze hiermee geen rekening hebben willen houden.

De sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog vastgestelde Grondwet heeft twee artikelen, nrs. 19 en 20, vrijheid van denken en geweten, resp. vrijheid van godsdienst. De tegenstanders van Staats-Shintōïsme, en daarmee van de Eerste Minister's bezoeken aan de Yasukuni-schrijn menen dat hij deze artikelen geweld aandoet wanneer hij deze bezoeken aflegt in zijn officiële hoedanigheid. Ook artikel 89 zou met zijn officiële bezoeken geweld aangedaan worden.
Zij die vandaag Yasukuni ondersteunen (de Vereniging van Nabestaanden van in de 2e Wereldoorlog gevallen soldaten en het Yasukuni-bestuur) zeggen dat Yasukuni een nationaal monument is geworden, geen religieus gebouw. Het probleem is echter dat de schrijn Shintō is gebleven met de religieuze symbolen van zwaard en spiegel (noot e), en met Shintō-priesters die de riten uitvoeren.
Die verwarring wordt ook duidelijk uit twee andere uitspraken : In 1946 stelde de Minister van Onderwijs dat de overheid de (Shintō) schrijnen had behandeld als niet-religieuze instituten, maar in 1991 schrijft Inoue dat 'de schrijnen nu worden beschouwd als religieuze corporaties.'

Een deel van het japanse volk blijft behoefte houden aan een plaats waar officieel gerouwd kan worden over de gevallen soldaten. In 2002 wordt dan een initiatief gelanceerd met een priester uit de boeddhistische Reine Land-traditie, (uit de Otani-groepering) als een van de woordvoerders. Hij is met anderen van mening dat "iedere dode aan zijn familie moet worden teruggegeven", d.w.z. dat de naamplaatjes die nu opgesteld staan in Yasukuni naar de huizen van de nabestaanden dienen te verhuizen opdat iedere familie naar eigen believen kan herdenken en eren.
Een ander 2002-voorstel is geweest om de Chidorigafuchi oorlogsbegraafplaats in Tokyo de functie van een Margraten of een Arc de Triomphe te geven zodat Yasukuni weer zijn oorspronkelijke functie terugkrijgt. Het voorstel werd ingediend door Tanaka Nobumasa and friends, maar kwam er niet door, ook niet wanneer ieder jaar op 18 september de Reine Land Jōdō Shin Honganji-traditie een eigen herdenkingsceremonie organiseert en impliciet en expliciet de plaats en rol van Yasukuni afwijst - inclusief de bezoeken van Eerste Ministers en andere regeringsleiders in functie.



Scheiding van kerk en staat
Het zijn zoals gezegd de Geallieerden geweest die, gesteund door ervaringen van Japanners die Europa en de USA bezocht hadden, een scheiding van kerk en staat doorgevoerd hebben. Met name binnen de Reine Land-traditie lijkt een dergelijke scheiding als zeer wenselijk te worden beschouwd. Het Nobumasa-comité dat in 2002 onderzoek doet naar een alternatieve herdenkingsplaats voor gevallen soldaten krijgt vanuit die richting duidelijke en harde vragen te beantwoorden: Waarom treurt de Staat om oorlogsslachtoffers? Waarom treurt de Staat over dankbaarheid en respect? Waarom heeft de Staat zo'n plek nodig? Hoe zit het met de morele schuld die de Staat draagt? Nobumasa vindt dat hij met dergelijke retorische vragen geen kant op kan, maar luistert toch naar het advies om het plan niet door te zetten omdat men vreest dat de boeddhistische wereld in tweeën uiteen zou kunnen vallen over de keuze tussen een nationaal monument en helemaal niets, resp. een privé-herdenken van omgekomen familieleden.

"Gebaseerd op onderzoek naar de controverse rond de Yasukuni-schrijn, zijn na-oorlogse ondernemingen om in Japan religie en staat volledig te scheiden niet honderd procent effectief geweest," zegt Sarah Dorfman.
Met een nadruk op individuele verantwoordelijkheid, op geweldloosheid, en, in Japan, met een van oudsher gegroeide argwaan naar een mogelijke wederopstanding van Staats-Shintō, een vorm van Shintō die gebruik van geweld door de staat gemakkelijk kan doen herleven, zeggen bezorgde stemmen, blijken japanse Boeddhisten dan toch telkens weer vooraan te staan wanneer de Yasukuni-kwestie om een oplossing schreeuwt.

Met het in 2009 aan de macht komen van de traditionele politieke oppositie in Japan lijkt de rol van Yasukuni als oorlogsmonument uitgespeeld, en zien we hoe ieder jaar de "nieuwe religies" en enkele oude Chidorigafuchi die rol toebedelen.

1 juni 2005

Bronnen
  • Sarah Dorfman: The history of State Shintō and the Yasukuni controversy, internet-pdf-file 15 april 2005
  • Richard Lambert: The Maintenance of Imperial Shintō in Postwar japan as seen at Yasukuni Shrine and its Yushukan Museum, Asia Pacific PERSPECTIVES, Electronic Journal May 2004.
  • Umehara Takeshi in Asahi Shimbun 20 april 2004
  • Shizuka Obara, The Yasukuni Issue, internetfile 5 december 2001
  • Alfred Bloom, ongedateerd internetfile "Shin Buddhism: The Contemporary Situation"
  • Tanaka Nobumasa, www.japanfocus.org/014.html, Yasakuni Shrine, Japanese Nationalism, and the Constitution Prime Minister Challenged
  • Nelly Naumann, Die einheimische Religion Japans, Leiden 1994 (2 vols) (noot f)
.




Noot a: Het cijfer 108 komen we veelvuldig in het Boeddhisme tegen, nu eens als het aantal Grote Bodhisattvas, dan weer als het aantal mentale aandoeningen waartegen Boeddha evenzoveel Dharma-deuren, d.w.z. geneeswijzen aanbood. Het cijfer 108 heeft in Japan Shintō-wortels, hoewel ook het Taoïsme het cijfer 108 veelvuldig gebruikt, zowel in de technieken van schijngevechten als in de kunst van het gezichten 'lezen'. In Japan gingen Shintō en Taoïsme vooraf aan het Boeddhisme.
Ook het Hinduïsme, waar het vroegere Boeddhisme ten nauwste mee te maken had, hanteert het cijfer 108: als de 108 namen voor de godin Durga, en als de 108 gopis, en het zegt dat er 108 Upanishads zijn, d.w.z. 108 heilige, niet allemaal vedische teksten.






Noot b: Deze samurai-zwaarden-geschiedenis is verbonden met de Shintō Yahata-schrijn of de Usa-schrijn. Daar vastte ooit een bijzondere smid drie jaren lang, bad, en bracht offergaven in de hoop dat, indien er een god zou zijn, deze zich aan hem zou tonen. Het verhaal gaat dat de godheid zich inderdaad toonde in de gedaante van een kleine jongen. Die godheid werd Yahata genoemd en toen, ooit, rond 741, een legereenheid de strijd tegen rebellen dreigde te verliezen werd Yahata aangeroepen en wonnen ze de strijd. Als dank werd de Yahata-schrijn onderandere twee boeddhistische soetras aangeboden: de soetra van het Grote Licht (suvarna-prabhasa) en de Hokke-soetra, d.w.z. de Lotus soetra.

Al in 740, het jaar waarin keizer Shōmu, een Shingon-Shintō-gelovige, die overigens regeert naar de leer van de Kegon-stroming - die rond de Avatamsaka Soetra - de Grote Boeddha, d.w.z. Vairocana Boeddha, bestemd voor de Todaiji-tempel, uit brons wil laten gieten wordt de Yahata-schrijn ingeschakeld. Die schrijn ligt in een mijnbouwgebied waar heel wat koreaanse vaklui aanwezig zijn, en waaraan een smederij in wat voor vorm dan ook verbonden moet zijn geweest. Het was waarschijnlijk een gewone zakelijke transactie waaraan al snel religieuze componenten worden toegevoegd. De legende zegt dat Yahata, de god der smeden, expliciet zijn hulp bij deze onderneming toezegde. Bij de gelegenheid van de installatie van het beeld in Todaiji ontving de kami Yahata bijzondere eer en verkreeg uit naam des keizers de "Eerste Prinsen-rang".
Yahata wordt ook wel Hachiman genoemd, en onder die naam, Hachiman, hebben we dan te maken met de god der krijgers - en zijn we ver verwijderd van het Boeddhisme, ook al wordt Hachiman helaas afgebeeld als Jizo (Djiezo - Ksitigarbha) de Bodhisattva van Grote Geloften die de wezens in de onderwereld bijstaat.






Noot c: De vos is een manifestatie van de godheid Inari, en is volgens de oude Shintō-geschriften de godheid van het voedsel, respectievelijk van de gewassen. Enkelen zeggen dat Inari een godin is en de wensen van vrouwen verhoort. Het zou ook een gelukbrengende godheid zijn. Het later binnengekomen Shingon-Boeddhisme is in Inari een daakini, een hemelse vrouw gaan zien. Er wordt gesproken over de, japanse, daakini als "draak-vos". En daarmee wordt dan een chinees (boeddhistisch) symbool, de gelukbrengende draak, gevoegd bij een japans, de vos.
En zo kunnen zowel de Shintōïst als de Shingon-Boeddhist zeggen dat de vos 'een van ons' is. De Shingon-opvatting over de daakini is niet noodzakelijkerwijs identiek aan de tantrische daakini-praktijken uit de Himalayas.
Verder met een paar woorden over de dakini en Reiki.






Noot d: Zowel de Kojiki als de Nihonshoki zijn ontstaan op aandringen van keizer Temmu. Een eerste versie van de Kojiki, de Kroniek van Wat er Vroeger Was (zeer vrij vertaald), kwam gereed in 712, en de Nihonshoki, de Annalen van Japan, in ca. 720. Het laatste werk is sterk doordrongen van prins Shotoku's opvattingen.(Naumann)






Noot e: De spiegel, het zwaard, en de Krummjuwelen, een halssierraad, zijn attributen van de opperste godheid van het Shintōïsme, maar lijken in later tijd indicatief te zijn geworden voor het (goddelijke) keizerschap.(Naumann) Wanneer de Yasukuni-schrijn dan het zwaard en de spiegel bevat kan dit opgevat worden als een vorm van Keizers-Shintō, en wel in die vorm waarin de keizer de door Amaterasu gesanctioneerde heerser is. Het Keizers-Shintō - zie daarvoor ook noot f - is in de opvatting van Naumann niet identiek aan het Staats-Shintō, althans niet in eerste instantie. De hedendaagse praktijk toont echter dat het huidige Yasukuni-bestuur de schrijn in de richting van het (formeel niet meer bestaande) Staats-Shintō heeft getrokken.






Noot f: Onder de hier genoemden maakt alleen Naumann een onderscheid naar 4 vormen van Shintō: "einen Shintō des Kaisershauses, Schrein-Shintō, Sekten-Shintō und Volksshintō", hoewel deel I van haar werk aantoont dat het Keizers-Shintō vanaf het begin zwaar gepolitiseerd was, en in feite vanaf het begin al Staats-Shintō was, ook al werd het niet als zodanig benoemd. Wellicht is het beter keizer- en staats-shintō samen te voegen, in die zin dat aan het Hof een klasse geleerde priesters verbonden was. In tegenstelling daarmee was (en is) er dan een samengaan van het rituele ('Sekten') Shintō en volks-Shintō dat een beroep doet op de overige priesters die niet aan het Hof verbonden zijn maar aktief zijn in de samenleving. Zo lijkt het vandaag door japanse kenners te worden opgevat, waarbij Kyōha-Shintō vandaag slechts een van de vele denominaties is.





Keizerlijke bezorgdheid
Een onverwacht vervolg op dit verhaal werd op 4 augustus 2007 gebracht toen Kyodo News verwees naar een memorandum van de overleden groot-kamerheer, Yoshihiro Tokugawa, waaruit blijkt dat de inmiddels overleden keizer Hirohito, posthuum bekend als de Showa-keizer, ongelukkig is geweest met het onderbrengen van "Class-A war criminals" in Yasukuni.

Keizer Hirohito moet een fervent waka-dichter zijn geweest". Een waka is een gedicht in een van de traditionele vormen(*). In een van deze gedichten, herinnerde dichter Okano zich, die in 2006 bezoek had ontvangen van Yoshihiro Tokugawa, uitte de keizer zich met een term die "bezorgdheid", of zelfs "angstige bezorgdheid" (anxiety) over Yasukuni aangeeft. Het gedicht was in het najaar van 1979 aangeboden tijdens een jaarlijkse waka-competitie.

"Tokugawa wordt geciteerd met 'Zijne Majesteit heeft een mening die ingaat tegen het in de schrijn onderbrengen van Klasse-A oorlogsmisdadigers'." De keizer meende dat 'dit in de toekomst, met betrekking tot landen die in een oorlog met Japan zijn verwikkeld, diep problematisch zijn kan'."
De angstige bezorgdheid werd op verzoek van onbekenden met eufemismen omkleed, zodat omstanders niet onmiddellijk de gronden of motieven ervan zouden waarnemen.
Tijdens zijn leven heeft keizer Hirohito acht keer Yasukuni bezocht, zegt Kyodo News, de laatste keer in november 1975. De Klasse-A oorlogsmisdadigers, waaronder Eerste Minister Hideki Tojo, werden in 1978 aan de lijst van te herdenken personen in Yasukuni toegevoegd.
Kyodo News liet weten dat de huidige keizer Akihito tot op het moment van publicatie van dit nieuws de Yasukuni-schrijn nooit bezocht had.

Het citaat van Tokugawa gaat als volgt: "There are two reasons.'' ''One is that he believes it alters the nature of the enshrined deities when (Yasukuni Shrine) is made to honor the souls of people who went to war for the country and died in wars,''…
''Emperor Hirohito held ''the view that it will leave a deep source of problems for the future with regard to countries involved in war'' with Japan,…

(*) Waka: www.temcauley.staff.shef.ac.uk/introduction.shtml



Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme