Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






HAIBUN

Japanse proza-dichtvorm

en de connectie met zen




Foto: De daken van Uganji. Bashō kwam hier langs tijdens het achtste stadium van zijn reis.
Matsuo Bashō is niet alleen als haiku-dichter bekend geworden, maar ook als de auteur van een reisverslag in de haibun-stijl: "De smalle weg naar het verre noorden".(*)
In dat verslag vinden we uitingen van vreugde, of toch tevredenheid, en appreciatie van het schone dat Bashō op zijn weg ontmoet. Maar hij doet ook met droge ogen verslag van nachten zonder kaarsen, van in herbergkamers geplaagd worden door luizen en vlooien, en van de nachtelijke nabijheid van een incontinent paard.

Een groep enthousiastelingen van de Universiteit van Oregon (1) heeft die tocht nog eens overgedaan, maar dan onder aangename omstandigheden, mogen we aannemen, en heeft fotos genomen op de 42 plaatsen die Bashō op die tocht heeft aangedaan Ze hebben er nog wat extra beeldmateriaal bijgezocht en het verslag, geschreven in de haibun-stijl, inclusief proloog en postscript op het Net gepubliceerd. Het is een pracht-site geworden, compleet met de nodige achtergrond-informatie. De enige kritiek die geleverd zou kunnen worden is dat de stijl nog iets geserreerder had gekund, en dat hier en daar een regel beter in tweeŽn of zelfs in drieŽn had kunnen worden geknipt, in stijl met de beknoptheid van de haiku waar de haibun een ondervorm van is.

Zeker is het dit initiatief geweest die de westerse zenwereld, althans die in de USA en de UK, er toe gebracht heeft de haibun als vehikel te gaan gebruiken voor reisverslagen en verslagen binnen het kader van geŽngageerd boeddhisme, ook al is de haibun als literaire vorm in Japan zelf niet meer in zwang.
We kunnen er aan toevoegen dat Nederland midden twintigste eeuw korte tijd een experimentele periode heeft gekend waarin de proza-dichtvorm, met de nadruk op proza, als essay of korte roman werd uitgeprobeerd. Men heeft het weer laten vallen.
De haibun is dus gťťn haiku, gťťn gedicht, maar een paar korte regels, een tekstje.

(*) Waarom was/is een zinnetje als "de smalle weg naar het verre noorden" zo betekenisvol binnen de oostaziatische cultuur? Omdat het herinnert aan een van de uitspraken van Zhuangzi, een van de aartsvaderen van het daoÔsme. Passage 22 in zijn Complete Werken: "Intelligentie reisde naar het noorden, totaan de duistere wateren. Het besteeg de berg van niet-onderscheid en ontmoette de Gezant van wu-wei."
Herhaling: "(Onderscheid Aanleggen [noot 23]) begaf zich naar de als kil en duister beschouwde krochten van het eigen gemoed. Daar veranderde het in Niet-Onderscheiden en steeg als een lichte vapeur op. Op dat moment was er de gewaarwording van de faculteit tot manifesteren in een niet-affirmeren."
(naar een vertaling door Liu Gia-hui en B. Grynpas.)
Zhuangzi zal er tijdens zijn leven op verschillende momenten in verschillende bewoordingen op terugkomen. Citeren we hier alleen maar zijn eerste uiting in zijn verzamelde werken: "In de noordelijke oceaan is er een vis die Kun heet. Hij is ik weet niet hoeveel mijlen lang. Die vis verandert in een vogel met de naam Peng. De rug van vogel Peng is ik weet niet hoeveel mijlen lang. Wanneer de vogel opstijgt en vliegt zijn zijn vleugels (als) de wolken aan de lucht. ..."
Er wordt algemeen van uitgegaan dat dit een mythologische ontstaansgeschiedenis is, maar in feite gaat het hier om hetzelfde meditatieve veranderen van discursiveren tot niet-discursiveren. In een mythologiseren van een in principe eenvoudig navoelbare ervaring volgt Zhuangzi het adagium van zijn grote voorbeeld Laozi die in een aantal passages een "laat het volk ongeÔnformeerd, dan blijven ze eenvoudig" ten beste gaf.


Wat is haibun?
Haibun voldoet over het algemeen aan de regels van de haiku, maar geeft ook door zijn proza-stijl wat meer ruimte, vooral meer ruimte aan expressie van emotie, zeker die van mededogen.
Het moet echter al gek lopen wil Bashō in zijn haibun-reisverslag ook expliciet lucht geven aan die emoties; dat zou niet in overeenstemming zijn met de landscultuur. Een westerse toeschouwer van het Noh-theater, ook zo'n klassieke, geserreerde Japanse uitingsvorm, merkte eens op, "met een stalen gezicht zingen ze de meest gepassioneerde teksten." Hij verwees hier naar de begeleidende groep muzikanten die in het Noh-spel een zelfde taak hebben als de reien in het klassieke Griekse theater, en in Vondel's stukken.
Toch is het niet voor niets dat Bashō op zijn tocht een omweg maakt om die en die aloude pijnboom te zien, die of die brug, of die of die tempel of schrijn. Achter de wens deze kenmerken in het landschap te zien zit toch op zijn minst een verlangen, een wens schoonheid of religieuze diepgang te ervaren:


Op mijn tocht wilde ik de pijnboom van Aneka en de brug van Odae zien." (stadium 22)


De stadia van Bashō's reis
Een voorbeeld, het tiende stadium van de reis:

"Na vele dagen eenzame reis kwam ik uiteindelijk aan bij de grenspoort van Shirakawa. Deze markeert de doorgang naar het noorden. Hier was mijn geest voor het eerst enigszins in balans en gefocust. Ik werd niet langer geplaagd door ongerustheid. Daarom dacht ik met een milde afstandelijkheid aan de reiziger uit het verleden [de dichter Taira no Kanemori] die onder deze poort doorging, met een brandend verlangen om naar huis te schrijven. Deze poort werd beschouwd als een van de drie grootste grensposten. Vele dichters waren er onderdoor gegaan, en ieder had een zelfgescheven gedicht achtergelaten. Hier wandelde ik tussen dichtbegroende bomen met het verre geluid van de herfstwind in mijn oren. Ik zag de herfsttinten om me heen. Daar waren aan beide zijden van de weg honderduizenden zuiver-witte bloemen van de unohana in volle bloei. Daarbovenop zag ik de eveneens witte bloemen van de bramenstruiken. Daardoor leek de grond, op het eerste gezicht, bedekt met vroege sneeuw. Volgens het verslag van Kiyosuke stapten de ouden hier in hun beste kleren onder de poort door."

"Mijn haar versierend
met de witte bloesem van de unohana,
passeerde ik de poort,
mijn enige gala-kostuum".
(door Sora)


De herfstwind hoort Basshō met zijn geestesoor, ook al is het voorjaar. Met deze vermelding van herfstwind verwijst hij naar collega Noin. Met zijn verwijzing naar de herfsttinten refereert hij aan de Danrin literaire school, en met de vermelding van sneeuw - voor zijn geestesoog - brengt hij de kenner bij de dichter Oe Sadashige.
Het is goed mogelijk dat Bashō met zijn gebruikmaking van het woord "poort" heeft gedacht aan de Wu Men Guan, De Grens (guan) zonder Poort(*), een grondleggend werk voor de sōtō-traditie van het Japanse zen, de Wumenkan. Joe Shmo vertaalt Wu Men Guan met expliciete gebruikmaking van het woord "grens", een grens die over wordt gestoken zonder dat je er erg in hebt, omdat er geen grenspoort is. O, wie op de grens geboren is, weet precies wat dat betekent. Pas achteraf besef je dat die grens gepasseerd is. En in boeddhistisch meditatieve zin betekent dat een stap hebben gezet richting boeddhaschap. Tjonge, moet je nou zien!
(*)De doorklik werkt, maar u moet het even in de adresbalk intikken.)



Veel, zo niet de meeste van Bashō's stadia gaan gepaard met een gedicht, niet een haiku, maar een vierregelig vers. Soms is zo'n vers zelfs een, laten we het noemen, zwaan-kleef-aan-vers: dat maak je minstens met z'n tweeŽn. De eerste schrijft een regel, de tweede schrijft een tweede regel, en zo vervolgens.

Het is ongetwijfeld een beschrijving als deze die de op een van de andere paginas in deze serie genoemde Ken Jones geÔnspireerd heeft tot zijn eigen haibun over een tocht door de Franse Berry. Daar droomt hij, als vorige gasten in diezelfde kamer, in datzelfde bed, hoe een nachtelijke groep over straat trekt onder het zingen van het schone lied, AuprŤs de ma blonde, il fait bon, fait bon, fait bon ... etc:

"Ik dwong mezelf op te staan en gooide de luiken open. De stille weg strekte zich voor me uit, omzoomd met populieren."


Het mededogen en Dōgen
Eerder al werd gezegd dat de haibun iets meer een vertoon van emoties of mentale staten toelaat dan de haiku. En dat is dan ook waarom de sociaal geŽngageerde (angelsaksische) boeddhist zich tot deze literaire vorm aangetrokken voelt. Men wil toch verslag doen van het onderweg beleefde zonder te vervallen in onjuiste spraak zoals geroddel en oeverloos snateren als de ganzen die tijdens hun tocht om geen andere reden snateren dan om contact te houden. De haibun biedt een vorm die enige terughoudendheid toelaat, als in deze regels over een banier, rondgedragen tijdens een Londense protesttocht georganiseerd door dichters:


Poets for Peace:
onze "p's"en "o's" uitgehold
om de wind door te laten.


Wie leeft met de leer rond sunyatŠ had zoeven een grinnik-moment.

Mededogen en sociaal engagement

Tijdens een zeldzaam moment op zijn tocht geeft Bashō blijk van groot mededogen en een zeker sociaal engagement. We zien dat bijvoorbeeld in het 34ste stadium waar hij ongewild toehoorder is van een fluistergesprek tussen twee "concubines", in feite gewongen prostituees, en een oude man:
"Maar de stemmen van twee jonge vrouwen in de kamer naast mij kropen mijn oren binnen. Ze spraken met een oudere man. Uit hun gefluister maakte ik op dat ze concubines van Niigata in de Echigo-provincie waren en dat de oude man, die hen op hun toch naar de Ise-schrijn had vergezeld, de volgende dag naar huis zou gaan met hun berichten aan vrienden en familieleden. Ik had met ze te doen want hun leven was zodanig, zoals ze zelf tussen hun gefluister door zeiden, dat ze bestemd waren om voort te drijven als het witte schuim dat op de kusten slaat. Ze waren gedwongen om iedere nacht een nieuwe kompaan te vinden, en iedere nacht moesten ze opnieuw zeggen dat ze liefhadden. Daarmee bevestigden ze dan iedere keer weer de fatale schuldigheid van hun aard."(2)

Het hier getoonde mededogen, al is het passief, zal zeker door de groeiende westerse haibun-communiteit als een steun in de rug worden gezien.

Dōgen

Het is niet toevallig dat juist op de dag dat deze pagina een eerste start maakte, een website over zenmeester Dōgen en koans werd gelanceerd.(3)
Dōgen, als mede-hai(d)jin, haiku-/haibun-mens, inspireerde Bashō op zijn barre tocht naar het noorden. In het 39ste stadium schrijft hij:

"Vanuit de stad Matsuoka een omweg van ongeveer anderhalve mijl makend, ging ik naar de Eiheiji-tempel. Het leek me niet minder dan een wonder dat de priester Dōgen zo'n afgelegen plaats had gekozen voor de vestiging van zijn nieuwe tempel."

Een tweetal van Dōgen's haiku zijn ons in vertaling overgeleverd:

De wereld?
maanverlichte druppels vallen
een kraanvogel schudt zijn snavel.


en

Watervogels
komen en gaan ... hun spoor verdwijnt
maar nooit vergeten ze hun pad

Eer aan Avalokiteshvara bodhisattva of Kannon
In het 37ste stadium van de reis schrijft Bashō:
"Op mijn weg naar de warme bron van YamŠnaka keek de witte piek van berg Shirane van achteren op me neer. Eindelijk kwam ik aan op de plaats waar er vlakbij een berg, links, een tempel stond. Volgens de legende werd deze tempel gebouwd om Kannon een huis te geven, het grote mededogen. Ze was gebouwd door keizer Kazan nadat hij zijn reis langs de zogenaamde drieendertig (4) Heilige Tempels had beŽindigd. ..... De tuin had mooie rotsen en oude pijnbomen, en het beeld stond in een rietgedekt huis dat op een [platte] rots was gebouwd. De plaats was waarachtig gevuld met bijzondere kenmerken.

Van waar, verder
dan de witte rotsen
van de Rots-tempel
waait de herfstwind.





De al eerder geciteerde Ken Jones merkt op dat met de toegenomen belangstelling voor de literaire vormen van haiku en haibun de westerse, sociaal geŽngageerde boeddhistische wereld wel erg veel aandacht schenkt aan het vinden van nieuwe vormen en wegen om de principes ervan te handhaven in een nieuwe taal-setting, maar dat er te weinig aandacht is voor bestuderen (en vertaling) van de klassieke vormen - die we toch moeten kennen om succesvol nieuwe haiku en haibun te kunnen maken.
Hij probeert die scheefgroei enigszins recht te trekken met de site, www.redthreadhaiku.org.

Noten:

1: http//darkwing.uoregon.edu/~kohl/basho/
2: Het zou ook in Europa tot een eind in de twintigste eeuw duren dat, gelijktijdig met het op gang komen van het nature-nurture-debat, die vermeende fataliteit van de vrouwelijke aard een falsicifactie blijkt, en een de schuld leggen bij het slachtoffer. La donna non e mobile.
3: http://www.mro.org/mr/archive/24-2/articles/dogenandkoansdaido.html
4: Drieendertig is een bijzonder getal omdat het hier verwijst naar het hemelse bereik van "de Drieendertig", devas uit de boeddhistische levenskolom.





Wanneer je dan de oude grond betreedt, zijn ook de bomen 17 jaar ouder geworden, geen dag meer, geen dag minder.
Twee buurvrouwen nemen afscheid bij de deur. De achterblijvende maakt het oeroude gebaar: ze slaat de armen kruislings over de borst, en staand in de deuropening leunt ze half voorbij het deurkozijn en speurt de straat naar beide zijden af.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme