PRENTENMAKER HOKUSAINaar aanleiding van een tentoonstelling in Musée Guimet, midden 2008De naam van Japan's wellicht beroemdste grafisch kunstenaar Katsushika Hokusai (1760-1849) schijnt uitgesproken te moeten worden als Hoksai. ![]()
Hokusai illustreerde een gedicht dat gepenseeld werd door keizer Sutoku-In die leefde van 1119-1164. Daar zegt de keizer: Een snelle stroom ontmoet wellicht een rots, een rem op zijn onstuimige vaart, maar snelt gescheiden voort en is aan 't eind herenigd. Hokusai geeft dan schetsmatig een rivier aan met een brug waarop twee vrouwen, de een alleen, de ander met haar entourage. Een arm, een rijk, maar gelijk geboren. Al snel twee gescheiden werelden die ieder hun weg gaan. Toch zijn ze op meer fundamenteel niveau uiteindelijk verenigd, zowel in hun aspiratie naar geluk in deze wereld, als naar diepste wezen: intrinsiek voorzien van boeddhanatuur. ![]()
Hokusai illustreerde ook een gedicht van de hand van schrijver Kotaikogu no Dayu Toshinari (1114-1204), een lid van de eens machtige Fujiwara-clan die voor het belangrijkste deel de Tendai-stroming steunde en aanhing. Ah, binnen deze wereld is geen schuilplaats. Ik dacht te schuilen in het diepste van de bergen, maar zelfs daar hoorde ik het roepen van het hert. Rechts bovenaan twee herten. Links langs de bergwand zijn mannen bezig eetbare zwaluwnesten te verzamelen. Een figuur op het pad draagt de bagage van de "kluizenaar", een ander, onderaan, maakt muziek. De dichter zelf zien we rechts in zijn draagstoel. Omringd door personeel (men maakte zelf geen vuur, en zette zelf geen potje thee) dacht hij de rest van zijn leven door te brengen in relatieve eenvoud — je zult het maar zo gemakkelijk hebben! Hij dacht zich helemaal van de wereld terug te kunnen trekken in een leven van stilte en meditatie, voorbij samsara, dat wil zeggen, voorbij de cirkelgang van leven en sterven. Maar dat viel tegen. Zelfs ver teruggetrokken horen we vogels, andere rondscharrelende dieren, het razende geluid van cicaden in de paringstijd, of het burlen van een bronstig hert. Wat in dit meditatieve leven op zo'n moment zou kunnen dagen is dat er aan samsara, de cirkelgang van geboren worden en sterven geen einde komt — dat dat einde er alleen is in de realisering van geen einde. De realisering is het einde. ![]()
Dan het gedicht van de Tendai-monnik waarover boven gesproken werd. Saki no Daisodjo Djèn (1155-1225) was een van de senioren in zijn Orde. Aan het eind van zijn leven legt hij als het ware verantwoording af, zoals dat hoort, bescheiden, zoals dat hoort.
Hoewel zwak heb ik toch getracht, met mijn zwarte tabberd-mouw,(*) de mens een schuilplaats aan te bieden voor dit bestaan vol lijden. Ik, die leef op Hiei-berg. (*)De ceremoniële mantel die onder de officiële pij gedragen wordt heeft lange en wijde mouwen. De prent toont ons ook hoe het komt dat de pijen van voorgaande generaties monialen toch zo kort waren. De mensen waren niet kleiner; de pij (wat u hier als een geruite lap stof ervaart) werd alleen niet over de linkerschouder gedragen, maar over de rug, en raakte, in tegenstelling tot vandaag, op geen moment de enkels. |
|