Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






PRENTENMAKER HOKUSAI

Naar aanleiding van een tentoonstelling in Musée Guimet, midden 2008


De naam van Japan's wellicht beroemdste grafisch kunstenaar Katsushika Hokusai (1760-1849) schijnt uitgesproken te moeten worden als Hoksai.

Hokusai is vooral bekend vanwege zijn "grote golf", recentelijk herdoopt in tsunami, een werk waarop we de vingers van een enorme gekromde golf zich zien buigen over een kleine roeiboot en zijn doodsbange bemanning.
Hij heeft overigens ook een prent gemaakt van een rietkraag met alle bloemen, een paar vissen en vogels die de bejaarden onder ons snel zullen herinneren aan de oude schoolplaten met titels als "aan de plas" van Jetses en Koekoek.
Daarnaast maakte Hokusai een serie van zesendertig uitzichten op de berg Fuji.

Wat niet zo erg bekend is, is dat Hokusai een Boeddhist moet zijn geweest. Tot welke stroming hij behoorde is, althans hier, niet bekend, maar Tendai is een goede gok.

"Een kraamverzorgster" heeft honderd prenten bijeengebracht die Hokusai maakte ter illustratie bij klassieke japanse gedichten. Of deze gedichten de waka-vorm hadden, of weer een andere, dat moeten deskundigen maar bepalen. Wat aan een paar van deze gedichten opvalt is niet zozeer dat ze gepenseeld werden door dames aan het hof — "gewone" vrouwen hadden daar noch de tijd, noch de middelen voor — maar dat deze gedichten vaak de melacholieke sfeer ademen die we tegenkomen in Het Verhaal over Genji, die eerste japanse roman waarin zoveel dames languisant doen over een onbereikbare geliefde.
We vinden er ook het soms expliciete, soms verborgen verlangen naar een andere wereld in, naar Amitābha's Reine Land, zoals we dat ook zien in een paar teksten van Noh-stukken.
Niettemin illustreert Hokusai ook een gedicht geschreven door een Tendai-abt zoals u hierna zult zien.

Wat u op deze pagina ziet zijn een paar voorbeelden van het zwart-wit werk van Hokusai, en niet de, naar noord-europese maatstaven, felgekleurde prenten waar de makers van dergelijke ukiyo-e-prenten bekend om zijn geworden. (Ukiyo-e = deze vlietende, tijdelijke, voorbijgaande wereld, onrealistisch als een wolk, niet "this floating world" zoals een paar angelsaksische kunstkenners het zijn gaan noemen. Het vlietende etc van deze wereld is een boeddhistisch concept.)




Hokusai illustreerde een gedicht dat gepenseeld werd door keizer Sutoku-In die leefde van 1119-1164. Daar zegt de keizer:

Een snelle stroom
ontmoet wellicht een rots,
een rem op zijn onstuimige vaart,
maar snelt gescheiden voort
en is aan 't eind herenigd.

Hokusai geeft dan schetsmatig een rivier aan met een brug waarop twee vrouwen, de een alleen, de ander met haar entourage. Een arm, een rijk, maar gelijk geboren. Al snel twee gescheiden werelden die ieder hun weg gaan. Toch zijn ze op meer fundamenteel niveau uiteindelijk verenigd, zowel in hun aspiratie naar geluk in deze wereld, als naar diepste wezen: intrinsiek voorzien van boeddhanatuur.



Hokusai illustreerde ook een gedicht van de hand van schrijver Kotaikogu no Dayu Toshinari (1114-1204), een lid van de eens machtige Fujiwara-clan die voor het belangrijkste deel de Tendai-stroming steunde en aanhing.

Ah, binnen deze wereld
is geen schuilplaats.
Ik dacht te schuilen
in het diepste van de bergen,
maar zelfs daar hoorde ik het roepen van het hert.

Rechts bovenaan twee herten. Links langs de bergwand zijn mannen bezig eetbare zwaluwnesten te verzamelen. Een figuur op het pad draagt de bagage van de "kluizenaar", een ander, onderaan, maakt muziek. De dichter zelf zien we rechts in zijn draagstoel. Omringd door personeel (men maakte zelf geen vuur, en zette zelf geen potje thee) dacht hij de rest van zijn leven door te brengen in relatieve eenvoud — je zult het maar zo gemakkelijk hebben! Hij dacht zich helemaal van de wereld terug te kunnen trekken in een leven van stilte en meditatie, voorbij samsara, dat wil zeggen, voorbij de cirkelgang van leven en sterven. Maar dat viel tegen. Zelfs ver teruggetrokken horen we vogels, andere rondscharrelende dieren, het razende geluid van cicaden in de paringstijd, of het burlen van een bronstig hert.
Wat in dit meditatieve leven op zo'n moment zou kunnen dagen is dat er aan samsara, de cirkelgang van geboren worden en sterven geen einde komt — dat dat einde er alleen is in de realisering van geen einde. De realisering is het einde.



Dan het gedicht van de Tendai-monnik waarover boven gesproken werd. Saki no Daisodjo Djèn (1155-1225) was een van de senioren in zijn Orde. Aan het eind van zijn leven legt hij als het ware verantwoording af, zoals dat hoort, bescheiden, zoals dat hoort.

Hoewel zwak
heb ik toch getracht, met mijn zwarte tabberd-mouw,(*)
de mens een schuilplaats aan te bieden
voor dit bestaan vol lijden.
Ik, die leef op Hiei-berg.

(*)De ceremoniële mantel die onder de officiële pij gedragen wordt heeft lange en wijde mouwen.

De prent toont ons ook hoe het komt dat de pijen van voorgaande generaties monialen toch zo kort waren. De mensen waren niet kleiner; de pij (wat u hier als een geruite lap stof ervaart) werd alleen niet over de linkerschouder gedragen, maar over de rug, en raakte, in tegenstelling tot vandaag, op geen moment de enkels.






Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme