
Stephen Mansfield had op 30 december 2012 een artikel in Japan Today over een boek dat werd samengesteld door Mira Locher: "Zen Gardens: The Complete Works of Shunmyo Masuno, Japan's Leading Garden Designer".
Het is uitgegeven door Tuttle Publishing.
Stephen begint zijn artikel met uit te leggen dat de term zen-tei, zen-tuin, weliswaar een japanse is, maar dat ze vooral gehanteerd werd en wordt door westerse beschouwers-tuinliefhebbers, en wel als eerste door Lorraine Kuck (*) die als eerste over deze stijl van tuinieren publiceerde. Tot aan de Tweede Wereldoorlog, zegt een deskundige, was men huiverig het woord "zen" te gebruiken voor de tuin van Ryōan-ji (foto).
Stephen merkt op dat het de zenleraar Daisetz T. Suzuki is geweest die van de stenen-tuin (of hard landscaping zoals sommigen het noemen) heeft gezegd dat het "de geest van zen" uitademt.
Roanji, of Ryoanji is, zegt Shohi Yamada in zijn in 2009 gepubliceerde Shots in the Dark, als tempel pas als een voorbeeld van zen in de aandacht van het Westen gekomen na het in 1949 uitkomen van de film "Late Spring" van Ozu waarin de rotstuin en de waterput van Ryoanji stille getuigen zijn.
Tegen de achtergrond van deze aarzeling de droge en natte tuinen van Japan de naam zen-tuin te geven moeten de volgende woorden over de tuinen van Shunmyo Masuno beoordeeld worden.
(*) One Hundred Kyoto Gardens, 1935; The Art of Japanese Gardens, 1940
Op 20 augustus 2005 deed de Avro haar kijkers een plezier met een uitzending over de zentuinen van de japanse priester Shunmyo Masuno. In een zorgvuldige en respectvolle film werden zowel de droge als de natte tuinen van Masuno getoond, aangelegd op zowel de begane grond als op dakterrassen in en om Tokyo.
Binnen de omkadering van strenge, met zen verbonden principes kregen we ook een glimp te zien van het hedendaagse syncretisme binnen het Japanse boeddhisme: een beeld van Jizo (Ksitigarbha) sierde een van zijn tuinen, en in de natte tuinen waren watervallen prominent aanwezig.
Binnen formeel aangelegde tuinen wordt door de aanwezigheid van watervallen Fudō(*) geëerd, een naam die men buiten Japan niet aantreft. Ook al hebben we hier te maken met een beschermende kracht die een vlammend zwaard draagt, toch is Fudō verbonden met water, bluswater. Bedenken we dat de middeleeuwse Japanse steden een opeenhoping van houten huisjes waren, waar nog wel eens brand woedde, dan is de ontdekking van Fudō verklaarbaar.
Voorts behoren watervallen eigenlijk tot de shugendō, het berg-ascetisme. Binnen dat berg-ascetisme pleegt de kluizenaar, niet per definitie boeddhistisch, luid recitatieven schreeuwend onder een ijskoude waterval te staan om zich zowel uiterlijk als innerlijk - het laatste door de concentratie op de heilige tekst - te reinigen. Tegelijkertijd oefent hij de volharding en onverschrokkenheid die we menen te kennen uit de samurai-cultuur. Het shingon-boeddhisme, zo verweven met de indigene natuurreligie, kent dit gebruik ook.
Masuno's getoonde tuinen waren in alle gevallen "kijktuinen" zoals de commentaarstem zei. Men mag er naar kijken, maar er niet in rondlopen. De menselijke aanwezigheid lijkt totaal afwezig in deze tuinen; het ervaren en realiseren van het materiële - belangrijk binnen zowel de theravada-vipassanā-meditatie als in de Himalaya-stromingen van het boeddhisme - lijkt geheel uitgebannen ten gunste van het cerebrale, zo prominent aanwezig in de Enkel-Bewustzijn-trend waar zen in wortelt (tekst 1, noot 29).
 Geen tuin van Masuno
De afwezigheid van de mens in deze tuinen is echter maar schijn. Als in de landschappen van Hercules Seghers ontbreken de 'poppetjes'. Maar alles is door de mens gemaakt: Seghers' landschappen tonen door de mens gemaakte en aangelegde hekken en heggen. In Masuno's tuinen is het de mens die bepaalt waar de rotsblokken liggen, hoe hoog de bomen mogen worden, waar de heesters, varens en mossen mogen groeien, en is het de mens die ieder afgevallen blad zorgvuldig verwijdert om het beeld perfect te houden.
Ook dat is onderwerp van meditatie en reflectie : is de uiterlijke natuur een innerlijke geestesgestalte, of is het dat niet. Is de notie dat ik dat rotsblok ben, en dat rotsblok ik een meditatieve waarheid, of is het dat niet. Is die notie van eenderheid, of van samenvallen prapanca ('invullen', klik tekst 1, noot 5), of is het dat niet.
Zie ook de mostuin van de Saiho-(d)ji.
(*) Meer over Fudō. Fudō Myo-o, zeggen japanse bronnen, betekent Licht-koning, en Licht staat dan voor kennis. Acala (spr. Atsjála) in het Sanskriet, = hij die door begoocheling heen breekt.
De naam komt in Japan zowel voor binnen een deel van de Reine Land-stroming, als binnen de tendai en kegon(²) (= Avatámsaka)-scholen. Binnen dat deel van de Reine Land richt de stervende die zich niet krachtig genoeg acht om tot het Reine Land van Amitābha (Amida) te geraken, zich tot Fudō om dan tenminste geboorte te mogen vinden in Tushita, het rijk waar de komende Boeddha Maitreya (Miroku) over presideert.
Binnen de tendai, nazaat van het Chinese T'ien-tai-boeddhisme, moet het de monnik Sōō (831-918) geweest zijn die de riten rond Fudō binnenbracht, en binnen de kegon-school was het Myōe (1173-1232) die Fudō beschouwde als een afspiegeling van Vairócana (Vairoodzjana) Boeddha, de Cosmische Boeddha.
Fudō is belangrijk binnen de gemeenschap van berg-asceten, yamabushi die shugendo beoefenen, een spirituele praktijk waarbij watervallen een grote rol spelen. Bijvoorbeeld in het Noh-spel (een klassieke japanse theatervorm) Nomori, De Wachter over de Vlakte, is de reiziger (bijna een standaard-rol binnen de Noh-spelen) een shugendo-beoefenaar die op zijn reis geconfronteerd wordt met een magische spiegel. Het stuk zegt dan dat datgene wat de spiegel reflecteert alleen verdragen kan worden door iemand die goddelijke krachten bezit. Daarom roept deze yamabushi Fudō aan wiens naam, althans in die traditie, "de Onbewogene" betekent (fudoshin = "onbewogen geest"), en wanneer hij dan in de spiegel kijkt, kijkt hij met de ogen van Fudō. (Overigens is de spiegel een attribuut van het indigene shinto.)
In de japanse perceptie is een tuin dan ook een afspiegeling van de vrije natuur, en meer bepaald de bergen waar Fudō rondgaat. De sōtō-zen-gemeenschap roept Fudō iedere avond aan met een herinnering aan de ontelbare bergen waar deze "weldoende mysticus" verblijft.
Een veelvoorkomende afbeelding van Fudo is die waarin hij in zijn linkerhand een touw houdt, om je emoties mee in bedwang te houden, en in zijn rechter een zwaard waarmee onwetendheid wordt doorkliefd. Daarmee is hij een op en top representant van het boeddhisme.
De figuur van Acála, dan gespeld als achala (atsjaala) komt ook in het tibetaanse of Himalaya-boeddhisme voor.
(²) De eerste veertien dagen van maart — dan spreken we over de het eind van de eerste/begin van de tweede maanmaand, dus het begin van het voorjaar in Oost-Azië — gaan de monniken in de kegon-tempels twaalf dagen lang 's-avonds rond door de tempelhallen met grote fakkels waarvan de zegenende as op de toegestroomde menigte valt. Op de ochtend van de dertiende dag wordt het Festival van het Water Putten gehouden, een ritueel waarbij naar men zegt gezegend (bron)water naar boven wordt gehaald dat vervolgens wordt geofferd aan (in de Todai-tempel in Nara) Vairócana Boeddha en de overige Boeddhas, bodhisattvas en devata.
Ook hier zien we samengaan van water en vuur dat in die vorm toch wel typisch japans genoemd mag worden.
|
|