Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Kashgar en het late hīnayāna



september 2016
In een artikel van 7 september had een redacteur van de Shanghai Daily het over het nieuwe Kashgar, de zijderoutestad in de huidige Xinjiang-provincie van China die in het verleden zowel bezocht werd door de pelgrim-monnik Xuanzang als door Marco Polo.

Ook vandaag schijnt Kashgar een grote stad te zijn met meer dan 350.000 inwoners, én ze lijkt te groeien van "ouderwetse" handelsstad tot een plek waar de Minsheng E-commerce Company zijn hoofdkantoor heeft met 43 bijkantoren doorheen het zuiden van de provincie, die samen online de zaken regelen van zo'n 5000 boeren.

Kashgar is een stad waar in de late 16de eeuw de Ishkiyya-subdivisie van de Naqshbandi Sufi-orde ontstond, een sunni-stroming die voor een deel geweldloosheid predikt, en voor een ander deel, in Syrië en Irak, dan weer niet. Het lijkt de enige moslim-denominatie in de Xinjiang-provincie te zijn.

Van de aanwezigheid van het boeddhisme in Kashgar is niet veel over. Er is vandaag alleen de zogenoemde "Topa-Tim" ('topa', soms 'tope' is afgeleid van stūpa [stoepa]). Toen de opgraver en historicus Sir Aurel Stein in 1907 Kashgar bezocht maakte hij de aantekening dat de stoepa naar oud model — een aarden bouwwerk waarin als het goed is de stoffelijke resten van een hooggeplaatste overledene werden bijgezet — zo'n 28 voet hoog was. Zie onderstaande foto.

Xuanzang doorkruiste in 644 deze stad die hij Ka-sha noemde. In dat jaar was hij op weg van India, terug naar China. Uit zijn reisverslag maken we op dat Xuanzang, die graag op hele cijfers afrondde, in Kashgar ongeveer 100 vihāra aantrof met ca. 1000 monniken die het toen zogenoemde Hīnayāna aanhingen, en wel de substroming van het Sarvastivāda. Baij Nath Puri schrijft in "Buddhism in Central Asia" (1987) over een "convent". De westerse mens verstaat onder "convent" een vrouwenklooster. Mocht Baij Nath Puri dat ook zo bedoeld hebben, dan zou het kunnen zijn dat de voor de vrouwenorde van de Sarvastivāda bedoelde pati-mokkha, de beknopte versie van de monialenregels, hier ontstond, en overigens ook die van de mannen.1



1.: Vandaag klinkt vanuit de tibetaans-boeddhistische gemeenschap, en dan met name vanuit het gelugpa, dat men daar de Sarvastivāda-teksten volgt voor wat betreft de exoterische dharma-uitleg (de Kanjur) en voor de (novicen-)monniksregels. Het is een chinese pelgrimmonnik als Ijing geweest die een eeuw na Xuanzang op stap ging. Xuanzang wijdt in zijn reisverslag geen woord aan het Mūla-sarvastivāda, maar Ijing komt hen tegen in de "foothills" van de Himalaya, in Kashmir, en in de Ganges-vlakte — dus ook te Nalanda. Het Mūla-sarvastivāda lijkt een herziening en uitbreiding van het Sarvastivāda te zijn en wijkt zowel in zijn leerstelligheid als in zijn monialenvoorschriften (vinaya) aanmerkelijk af van het eerdere Sarvastivāda. (Mūla betekent wortel, basis.) We hebben het dan nog steeds over late, en eigenlijk zeer late Kleine Voertuigstromingen.
Een voorlopige analyse van het bhikkhuni-vraagstuk met betrekking tot de Himalayastromingen staat als appendix op de derde pagina van de Sri Lanka-bijdrage.

Denkend aan Joseph Walser en zijn rare boek "Nāgārjuna in Context" waarmee hij voor wat betreft zijn complottheorieën een voorloper van Umberto Eco blijkt te zijn — zij het zonder moord en doodslag — is het dus niet zo dat Sarvastivāda en Mūla-sarvastivāda in directe zin tegenover elkaar stonden en debatten aangingen, of stiekem nieuwe teksten lieten drukken, of nog stiekemer bij nacht en ontij bibliotheken binnengingen om daar nieuwe teksten tussen de oude in te schuiven (hoewel latere generaties, om losse velletjes een plek te geven, wel dergelijke samenvoegingen hebben gepleegd). Eerder is het zo dat zeker een eeuw na Xuanzang's reis door Kashgar nadenkende monniken uit noordelijker en oostelijker gebieden deze Sarvastivāda-teksten hebben bestudeerd en er hun eigen stempel op hebben gedrukt, afhankelijk van het filosofische klimaat en de materiële omstandigheden: dit vinden we ook, dat vinden we niet, en daar hebben ze niet aan gedacht, dus dat vullen we even aan.
Het is op gezag van Ijing (ii-djing), en op dat van de Indiër Vinīta-déva die niet lang na Ijing ook op reis ging, dat Bareau (Les sectes bouddhiques, p.153) stelt dat in ieder geval de 8ste eeuw de Tibetanen de Mūla-sarvastivāda volgden. En dat betekent dan weer dat in later eeuwen, mogelijk tijdens de transitie die wordt aangeduid met "Nieuwe Vertalingen-lijn" (10de-11de eeuw), de tibetaanse geleerdheid heeft besloten de Mūla- te vervangen door de oudere teksten van de Sarvastivāda. De Mūla-sarvastivāda heeft niet lang bestaan, en met "niet lang" moeten we dan denken aan de 8ste tot mogelijk de 10de/11de eeuw.
In ieder geval was het Mūla- (evenals de Dharma-goepta substroming) erg overtuigd van het nut van pūja (offerandes met religieus doel en opzet) bij stoepas — die in hun architectuur een weerslag zijn van het boeddhistische denken over de dharma en het universum (vanaf de 3de alinea). Gezien de overweging dat de Mūla-sarvastivāda grote problemen moet hebben gehad voor wat betreft het fysiek overleven is het mogelijk dat monniken en nonnen over te schamele hutten beschikten om daar ceremonieën te kunnen houden; dat deden ze dan noodgedwongen rond de stoepa.


Dat het Hīnayāna-boeddhisme vanaf onbekende tijd tot en met de 10de/11de eeuw in Kashgar kon bestaan, betekent dat het ook toen een grote, of dan toch tenminste een rijke stad moet zijn geweest, want Hīnayāna-tempels hebben per definitie geen eigen inkomenverwervende activiteiten anders dan door grote ceremonieën te organiseren waarbij bezoekers giften achterlaten waar de tempel weer enige tijd op kan draaien. Boeddhisme verdween in de 10de eeuw uit Kashgar om er nooit weer terug te keren.
Niettemin wordt Kashgar in de Shikshanánda-versie van de mahāyāna Avatámsaka soetra een min of meer mythische status verleend2. Daar heet de stad Kóetsjaná waar een gebied "Zetel van de Dharma" wordt genoemd, en waar van oudsher bodhisattvas hebben geleefd. (boek 32). Dat wil zeggen dat het vroege mahāyāna uit de tijd van de Avatámsaka soetra zich de stad heeft toegeëigend als een behorend tot die boeddhistische stroming waar zowel het mahyāna als het hīnayāna — als onderdeel van het mahāyana — floreerde.



2.: Wanneer rond de eerste, tweede eeuw de eerste mahāyāna-geschriften verschijnen, betekent dat niet dat het hīnayāna verdwijnt. De geschiedenis van het boeddhisme is niet lineair; beide hoofdstromingen blijven naast elkaar bestaan, en wanneer het in bepaalde zijderoutesteden moeilijk blijkt om zelfstandig overeind te blijven bezetten ze ieder een hoek van het terrein van de vihāra.
In de loop van de eeuwen vormen bepaalde dharma-opvattingen zich om tot heuse stromingen, sommige hebben het als levende gemeenschap tot vandaag aan toe gehaald, andere zijn na langere of kortere tijd verdwenen.

Het gemelde voorkomen van een van de namen voor het huidige Kashgar in de Avatámsaka soetra wil niet per definitie zeggen dat het Sarvastivāda in de derde eeuw al bestond en bekend was in de stad Khotan, waar we de scribenten van de Avatámsaka mogen veronderstellen.
Boek 32 van de genoemde soetra heeft inhoudelijk geen andere functie dan een geïdealiseerde genealogie van het bodhisattva-schap als zodanig op te stellen: ze waren er al eeuwen, ook in Kashgar! Het is niet al te ver gezocht om te veronderstellen dat de een of twee berken-bladen of palmbladen waarop verschillende plaatsnamen voorkomen door latere herzieners/herschrijvers/herdrukkers aan de bundel teksten zijn toegevoegd. Ze lagen daar maar los rond te slingeren, ze passen er eigenlijk wel bij: we voegen ze toe, kan geen kwaad.








Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme