De officiële geschiedschrijving van het boeddhisme in Korea is als volgt:
In de vroegste periode was Korea opgedeeld in drie rijken. Het noordelijke, het huidige Noord-Korea, heette Koguryō, en in het zuiden waren er twee naast elkaar gelegen rijken genaamd Paekje of Baekje, en Silla of Shilla.
Het was de monnik Sundo die in het jaar 372 boeddhisme binnenbracht in het koninkrijk Koguryō. In het chinees luidt zijn naam Shun-tao; hij was de persoonlijke gezant van de chinese koning Fu Chien (foe tsjčn). Koguryō besloeg het grootste deel van het grondgebied van het huidige Korea — het woord Koguryō is, neemt men aan, de grondvorm voor de naam Korea. Historici nemen aan dat het Koguryō-hof dit binnenbrengen van boeddhisme stimuleerde om de chinese wester- en bovenbuur tevreden te stellen, want de verhoudingen tussen beide gebieden zijn doorheen de geschiedenis gespannen geweest. Op het moment dat Sundo de Boeddha-Dharma predikte stond koning Sosurim toe dat er een eerste confucianistische academie op het grondgebied werd gevestigd. Het duurt tot het jaar 384 voordat een monnik met de naam Manalant'a (Māra-nantha in quasi-Sanskriet; chinezen en koreanen hebben moeite met de
r) de Boeddha-Dharma naar het kleinere en zuidelijker gelegen koninkrijk van Paekche brengt.
Māra-nantha, hij die Māra, het kwaad, verslaat, zou uit het voormalige Kashmir-Gandhára afkomstig zijn geweest.
Wat opvalt is dat de Dharma-interpretatie noord en zuid in het begin gelijkaardig moet zijn geweest, maar dat kan ook haast niet anders wanneer we bedenken dat het onderwezene zich vooral concentreerde op een "je oogst wat je zaait", d.w.z. op een vereenvoudigde vorm van de theorie rond karma. De belangrijkste figuur van verering was in de eerste eeuwen Maitreya Bodhisattva, de komende Boeddha op aarde die in het koreaans Miroku genoemd wordt.
Pas gedurende de tijd van koning Song (523-554) keerde een monnik met de naam Kyomik terug uit India met een aantal teksten. Vanaf het jaar 530 reisden Koreaanse monniken naar Japan om daar het boeddhisme te onderwijzen.
Vanaf het begin van de komst van boeddhisme naar het Shilla-rijk werd in geleerde kringen toch ook de nadruk gelegd op de "One Mind-leer", de universele onderlinge relatie tussen de dingen zoals de
Avatámsaka Soetra dit leert. Het is sindsdien dan ook gebruik geworden de achtergrond van het altaar in de tempels te decoreren met de ontelbare wezens die aanwezig waren tijdens het onderwijzen van die Leer.
Daarnaast werd de Lotus Soetra bestudeerd, en werd er eer gebracht aan
Amitabha Boeddha en aan
Avalokiteshvara Bodhisattva. Tegen het eind van de Shilla-periode werd vanuit China de Ch'an-praktijk (zen of
seon) geďntroduceerd. Deze praktijk leverde 9 sub-scholen op.
Daarna gaan we de tiende eeuw binnen.