LANKAVATARA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 1, Deel 1-2



   
Tekst 2

Toen zag de tienhoofdige koning over Lanka opnieuw de pracht die zich al eerder op deze bergtop manifesteerde. Hij zag de Tathāgata, die Arhat was, en Volmaakt Verlicht; hij zag hem voorzien van zijn tweeëndertig tekenen van perfecte fysieke schoonheid. In alle Boeddhalanden in alle tien de windrichtingen was hetzelfde te zien; en overal was het precies gelijk. Toen, met zijn oog van wijsheid - dat niet het gewone oog van vlees en bloed is - overschouwde de Boeddha deze menigte en lachte luid en krachtig; noem het zijn leeuwenbrul. Vanuit de haartoef tussen zijn wenkbrauwen, en vanuit zijn ribben, vanuit zijn lendenen, vanuit de Srivatsa op zijn borst, en vanuit iedere porie straalde hij licht uit. Het waren lichtstralen die opvlamden als het vuur dat verschijnt aan het eind van een kalpa. Het leek een vurige regenboog; het was als de rijzende zon, schitterend stralend, glorieus. Dit alles werd vanuit de hemelse sferen waargenomen door Sakra, Brahma en de Lokapalas (beschermers van de wereld). De Boeddha, die op een bergtop zat, op Lanka, een top die berg Soemeroe evenaart, lachte het luidst (van alle Boeddhas in de manifest gemaakte windstreken.)

Op dat moment dacht ieder der verzamelde bodhisattvas, en Sakra, en Brahma: "Waarom, zo vraag ik me af, ... of, anders gezegd, wat is de reden waarom de Gezegende, die heer is over alle manifeste werelden (sarva-dharma-vasavartin), zo luid lacht? Waarom zendt zijn lichaam lichtstralen uit? Waarom, nu hij toch lichtstralen uitzendt, blijft hij zwijgen? Waarom doet hij dat terwijl hij toch het Weten in zichzelf tot realiteit heeft gemaakt, nu hij toch diep is ondergedompeld in de vreugde van samādhi - zonder daarover verbaasd te zijn, nu hij toch de tien windstreken overschouwt, nu hij toch om zich heen kijkt als de koning der leeuwen, nu hij toch alleen de Dharma in gedachten heeft, nu hij alleen dat wat bereikt kan worden voor zich heeft, en dat wat Rāvana tentoon spreidt?"

Nu voelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati medelijden met Rāvana. De gedachten en gevoelens van de menigte bodhisattvas kennend, overwegend dat wezens die geboren zullen worden in latere tijden verward zullen geraken doordat ze vreugde scheppen in de "Leer-naar-de-letter" (desanapatha) - omdat ze zullen hechten aan die letter, aannemend dat dit in volle overeenstemming is met de kern (artha) van de Leer - en overwegend dat in die wezens, vanwege hun gehechtheid aan de kracht van discipline in de Toehoorders, Zelf-Verlichtten, en geleerden, de vraag zou kunnen rijzen hoe het mogelijk is dat Tathāgatas, Gezegenden, zelfs in hun staat van bewustzijn-overstegen-zijnd dan toch zo hard kunnen lachen, daarom vroeg bodhisattva Mahāmati de Boeddha hun nieuwsgierigheid te bevredigen. En hij stelde de volgende vraag: "Waarom, om welke reden lachte u, wat was de oorzaak?"

De Gezegende zei: "Goed zo, goed zo, Mahāmati! Goed gezien, Mahāmati! Je overziet de wereld zoals ze is; je wenst de mensen, die [nu, op dit moment al] in een verkeerde filosofie over de dingen van vroeger, nu, en later vallen, tot verlichting te brengen; daarom heb je jezelf ertoe gebracht me die vraag te stellen. Zo zou het moeten zijn met wijze mensen die ten bate van zowel zichzelf als anderen vragen willen stellen. Mahāmati, Rāvana, de heer van Lanka, stelde de Tathāgatas uit het verleden, de Arhats en Perfecte Boeddhas, een vraag die in twee delen uiteen valt. En nu wenst hij mij eenzelfde tweevoudige vraag te stellen opdat er duidelijkheid ontstaat over het relatieve weten, over dat wat behaald kan worden en over de reikwijdte ervan - en dit onderwerp is nog nooit ervaren door hen die de meditaties volgen van de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten, en de geleerden. Hetzelfde zal overigens gevraagd worden door een weetgierige tienhoofdige uit de toekomst, die op zijn beurt de Boeddhas zal ontmoeten."

Met dit in gedachten zei de Gezegende tot de heer van Lanka: "Vraag, heer van Lanka. De Tathāgata geeft toestemming tot vragen stellen; stel het niet uit; welke vraag u beantwoordt zou willen zien, ik zal hem beantwoorden, weloverwogen, het zal uw hart goed doen. Wanneer u uw gedachtenbron vrij houdt van het relatieve weten hebt u goed oog op wat er in ieder stadium overwonnen moet worden. Overdenk de dingen in wijsheid. Schouw de aard van het innerlijke principe in uzelf en verblijf zo in de vreugde van een kalme geest. Voorbij de samādhi en het begrip dat Toehoorders en Zelf-Verlichtten wonnen gaand verblijft u in de stadia van Acala, Sadhumati en Dharmamegha. Hebt een goed begrip van het kernloos zijn van alle dingen - zie het naar zijn werkelijke betekenis. Weest gezegend door de Boeddhas in samādhi, hier in het grote paleis van lotus-juwelen. O, koning van Lanka, het zal niet lang duren voordat u zichzelf ook ziet zitten op een lotus-troon, en daar zult u blijven, op een heel natuurlijke manier. Daar zijn ontelbare families van lotuskoningen en ontelbare bodhisattva-families. En ieder individu zit op een lotustroon. En door hen omgeven zult u elkaar van aangezicht tot aangezicht zien, en ieder van hen [lotus-koning en bodhisattvas] zal na niet te lange tijd naar een rijk gaan dat het verstand te boven gaat. U zou voor uzelf een plan moeten opstellen om op een bepaald niveau van discipline te kunnen oefenen. Zo'n plan moet de vlotte en vaardige middelen bezitten [om verder te kunnen geraken] opdat u dat bereik zult waarmaken dat voorbij het voorstellingsvermogen gaat. En u zou het stadium van Tathāgataschap moeten bereiken in welk stadium men zichzelf in andere en vele gedaantes kan tonen, hetgeen iets is dat nooit eerder werd gezien door Toehoorders, Zelf-Verlichtten, geleerden, Brahma, Indra, Upendra en anderen."

Met toestemming van de Gezegende stond de heer van Lanka op van zijn zetel die geplaatst was op de top van de juwelenberg. Die zetel glom als een edelstenen-lotus, volkomen zuiver en schitterend. Rāvana stond temidden van een groot gezelgschap Apsaras, en op datzelfde moment verschenen er allerhande halssierraden, bloemen, parfums, wierook, geurige zalven, parasols, banieren, vlaggen, halskettingen, halve halskettingen, diademen, tiaras en andere versierselen die hun gelijke in kwaliteit en schoonheid niet kenden. Er werd muziek gespeeld, verhevener dan die van de goden, Nagas, Yakhsas, Rakshasas, Gandharvas, Kimnaras, mahoragas en mensen.

Toelichting bij tekst 2

De ontmoeting van Boeddha met de bewoners van Lanka is hier een ontmoeting met niet-menselijke wezens. Zowel Rāvana als Yakshas en de andere genoemden in de laatste bovenstaande zin zijn wezens die beschreven worden in de voor-boeddhistische geschriften van India. met name Yaksha worden daar beschreven als goden van of over het plantenrijk. Er wordt van uitgegaan dat de naam Lanka staat voor Sri Lanka, en "Lanka" werd dan gebruikt voordat Europese zeelieden en kolonisten de naam Ceylon zijn gaan gebruiken. Omdat Sri Lanka van oudsher een natie van landbouwers is of was, was de naam Yaksha daar zeer ingeburgerd.
Wat we dus zien is een scribent die zijn eigen moeizame gang als Dharmaleraar projecteert op Boeddha, en ons zo laat weten dat er aanvankelijk geen kip geïnteresseerd was in wat hij te zeggen had.

1. De eerste strofen. Leeuwebrul: Gezegd wordt dat iedere verlichte vlak na het Ontwaken een betekenisvolle uitspraak doet of een krachtig gebaar maakt dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Dit wordt een leeuwebrul genoemd. De Boeddha, in wie verlichting nooit afwezig is geweest, slaakt niettemin zo'n brul voordat hij een belangwekkende leerrede uitspreekt.

2. - De passage beginnend met "Heer van Lanka." "Ze veroorzaken een ommekeer": Letterlijk zou dit moeten luiden: "ze keren zich af." Deze volmaakte yogins keren zich af van onvolledige analyse over bestaan of niet-bestaan. Ze weten inmiddels beter. De discussie over bestaan versus niet-bestaan is uiteindelijk gebaseerd op een vers uit de Sutta Nipāta, de Attaka Vagga vers 786, waarin staat, "Voor de wijzen bestaat er geen vastgelegde leerstelling over bestaan of niet bestaan." Dit is een van de zinsneden die de monniken uit het Kleine Voertuig, de voorloper van het hedendaagse theravāda, uit het hoofd moesten leren wilden ze monnik genoemd willen worden.

De zinsneden over bestaan resp. niet-bestaan, of zijn resp. niet-zijn moeten bij de vertalers naar het chinees een gevoelige snaar hebben geraakt. In de vierde eeuw, begin vijfde eeuw, in de tijd waarin de monnik-vertalers Tao-an en Kumārajīva leefden, een tijd waarin de monniken nog zwoegden op concepten die ze wel uit de oude chinese filosofieën kenden, maar waarvan ze de boeddhistische context nog niet helemaal doorhadden, was er een denkrichting die wordt vertaald met "Het Oorspronkelijke Niets" (ben wu zong). Die school werd op een gegeven moment bekritiseerd door een monnik met de naam Shao. Hij zei — hier wordt de engelse versie herhaald van een anonieme essayist die in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw onderzoek heeft gedaan: "The advocates of Original Nothingness align their sentiments on the side of wu [nietsheid] and then write their words of teaching to support that argument. They refute, to begin with, the notion of existence and say that you [spreek uit als jow; existence or being] was in fact wu [non-existence]. Even if one refuted the notion of non-existence it will nonetheless still be nonexistence. The original meaning of the Buddhist canons is that fei you [not being] is not really being, and that fei wu [not non-being] is not really non-being. Why must one insist on refuting the notion of being and say that "this being is not," or refute the notion of non-being and say that "this non-being is not"?
Zie voor nog een paar woorden over het onderwerp de paginas over Kumārajīva.


3. - Samāpatti: Het woord samāpatti komt in de vroege Pali-geschriften voor als "(ergens) aankomen", "bereiken". Het wordt gegeven in samenhang met kásina, letterlijk "plaats van cultiveren", "het geheel". Kásina-samāpatti is dan letterlijk "aankomen op de plaats waar gecultiveerd wordt", en staat in figuurlijke zin voor het in meditatie de blik gericht houden op dat ene voorwerp. Zo ook is er nirodha-samāpatti, de meditatieve geest gericht houden op "uitdoven" of nirvāna, phala-samāpatti, de meditatieve geest gericht houden op de vrucht van het cultiveren of mediteren, rūpa-samāpatti, de geest richten op het lichamelijke of vormhebbende, en meer specifiek op het mooie, en vimokkha samādhi samāpatti, de geest in samādhi (een generieke term voor meditatie) gericht houden op bevrijding.

De achtste-eeuwse ch'an-meester Han Shan, een Linchi of Rinzai-meester zegt in zijn voetnoten bij de Surángama soetra: Samathā is de meditatieve studie van alles als ledig of immaterieel, samāpatti is de meditatieve studie van alles als onwerkelijk, vluchtig of tijdelijk, en dhyāna is de meditatieve studie van het Midden dat beide omvat houdt.

De Ch'an-meester, de eerwaarde Sheng-yen zegt over dit begrip het volgende: [Nadat de oefening in concentratie-meditatie (samathā) succesvol is verlopen is er] samāpatti, hetgeen letterlijk "gelijk aankomen" betekent. Het is een staat waar bodhisattvas zich niet verwijderen van samathā en samādhi (zie hierboven), en toch nog steeds in interactie met de wereld zijn." In de laatste tekstgedeelten van de Lanka zullen we dan ook zien dat daar de Boeddha beschreven wordt als voortdurend in samāpatti zijnd: in voortdurende meditatie, maar niet afgewend van de wereld.

De betekenis van het woord samāpatti is dus doorheen de eeuwen flink veranderd. Hier gaan we er van uit dat meester Sheng-yen's interpretatie het begrip in de Lanka weergeeft, maar eigenlijk is dat ook maar "invullen".

4. - De passage beginnend met: "Ze houden er ideeën op na." In deze zin wordt het analyseren van het bestaande, zoals dat bijvoorbeeld in de Abhidharma gedaan wordt, van de hand gewezen. Alles is immers leeg van substantie en afhankelijk van voorwaarden en condities, waarom dan nog verder zoeken naar verklaringen? Tot zover zien we in deze tekst slechts een zekere detaillering in de opsommingen van meditatietechnieken.

5. - De zin waarin wordt gesproken over kwalificeren en het gekwalificeerde. Herlees hiervoor de aantekeningen over svabhāva (1,n.9) en 1,vers 42. Ten overvloede: zowel het kwalificeren, de mentale handeling van ergens een etiket op plakken, als dat waarop we menen een etiket te moeten plakken, d.w.z. de vormen die de wereld toont, zijn leeg van substantie en afhankelijk van voorwaarden en condities. Overdenk vooral het eerste deel van de zin, die over kwalificeren; het is geen voor de hand liggende filosofie, maar wel essentieel voor een totaal-begrip.

6. - Vijñānas. Hier staat het woord voor gewoon bewustzijn. Er zijn er zes en ze zijn synoniem aan de vijf zintuigen plus het denken als zesde. Daarbovenop komen nog twee niveaus: 1. een vijñāna - bewustzijn - dat deze zes omvat, overschouwt en aan de gang houdt, en 2. een bewustzijn, het Opslagbewustzijn, de Âlayavijñāna, soms, en zeker hier, ook genoemd de Tathāgatagarbha, de Schoot-waaruit-de-Boeddhas-Voortkomen - ook wel citta genoemd, dat voor velen in zichzelve al de verhevenste staat van oorspronkelijk bewustzijn is, dat echter alle andere omvat houdt of in zich bergt. Hier vinden we weer de Bloemenkrans (Avatámsaka) filosofie van onderandere meester Fazang waar een enkele wereld alle andere insluit. Het Opslagbewustzijn realiseren, werkelijk maken, is het streven van de mahāyana-boeddhist.

De door de auteur of auteurs van de Lanka bewonderde meester Âsanga (zie de introductie) beschrijft in het eerste hoofdstuk van zijn mahāyāna Samgraha (de samenvatting van het Grote Voertuig) de Âlayavijñāna met de volgende woorden: "Waarom onderwees Boeddha dat dit bewustzijn het Opslagbewustzijn is? Omdat de resultaten van de bezoedelde mentale staten van alle wezens er als resultaten in verborgen en opgeslagen liggen, en ook omdat dit bewustzijn als oorzaak ligt verborgen en opgeslagen in al die mentale staten. Verder nog wordt het 'Opslagbewustzijn' genoemd omdat alle wezens (mensen), daar ze hechten aan een beeld van 'zelfheid', zelf opgeslagen liggen binnen de grenzen van dit bewustzijn."

(Naar een vertaling uit het chinees door John Keenan.)

Met andere woorden, Âsanga beschreef hier de duivelskringloop waarin we ons bevinden, en waaruit we ons alleen maar kunnen bevrijden door de ultieme waarheid van alle fenomenen te zien als ledig van essentie, onderling afhankelijk, en daarom illusoir — maar niettemin functionerend in deze wereld die eveneens zowel in het Opslagbewustzijn ligt verborgen, als dat Opslagbewustzijn in zich bergt.
Overigens vinden we de leer omtrent ledigheid (sunyatā) al in de alleroudste manuscripten behorend tot de Pali-canon van de theravāda-traditie. In de Sutta Nipāta, boek vijf, de woorden die Boeddha spreekt tot Posāla (PTS F.204 : 1119) zegt hij: "Als je voortdurend bewust bent, dit beseft, Suññata, dat de wereld ledig is (suññato lokam), en je jezelf niet ziet in termen van (eeuwige) ziel, dan ben je op de weg die leidt naar die staat die voorbij aftakeling, voorbij dood is."
Boeddha zegt dit tegen een man die een paar weken daarvoor nog leerling was van de meest vooraanstaande asceet binnen de vedische (brahmaanse) leer. Hij spreekt hem aan in zijn eigen vaktaal en gaat rechtstreeks naar die concepten die hij afgewezen heeft, en die de kern vormen van de Boeddha-Dharma. Daardoor komen zijn woorden eenzijdig over, maar dat was onder de gegeven omstandigheden ook de enig juiste "insteek".

7. - Dualistische opinies. Zolang men meent dat er enerzijds een zelf of ziel is en anderzijds al het andere dat zich in de wereld bevindt, of, anders gezegd, zolang men zich als afgescheiden individu tegenover de wereld opstelt en niet beseft dat men die wereld is, ongedeeld, in al zijn vormen en aspecten, zolang is men dualistisch gericht en niet in staat de leer van de mahāyana te begrijpen.

8. - De Tathāgata zien. Dit is een buitengewoon belangrijk woord dat in vele mahāyana soetras voorkomt: de Leer ten volle begrijpen, zien, is de Boeddha zien. Deze woorden vinden hun oorsprong in een passage uit een leerrede uit de Pali-canon, een passage die tot op de dag van vandaag een enorme impact heeft. Daar zei de Boeddha: "Wie mij ziet, ziet de Dharma, wie de Dharma ziet, ziet mij."

9. - De zin beginnend met: "Hij is de kennis ... hij is de realisering" Hier wordt Boeddha, zoals in zovele mahāyana-geschriften, gelijkgesteld aan Verlichting. In dit opzicht verwijst de Lanka naar meer esoterische teksten waarin het Dharmalichaam (de Dharmakaya) en Boeddha als niet-twee worden voorgesteld. Het thema zal in latere passages van de Lanka terugkeren.

10. - Lakshaná. Dit woord betekent vorm of gestalte. In deze context staat het voor het vormgeven aan datgene wat zich aan de zintuigen voordoet. Zie de aantekening bij vers 44.

11. - "Die grond betreden die de Tathāgatas betreden." De "grond" is hier het voortdurende, ononderbroken als werkelijkheid ervaren van sunyata, het "zonder-beelden-zijn" en andere synoniemen voor vormen van verlichting.

12. - De passage beginnend met: "De gezegende zag ..."
. Anutpattikadharmaksanti. Anutpatti betekent niet-geboren; het staat ook voor het niet-geschapene, niet-samengestelde, hetgeen een synoniem is voor Tathāgata, Boeddha. Ksanti wordt meestal vertaald met het woord geduld, het betekent echter ook volharding, uithoudingsvermogen. Anutpattika-dharma-ksanti betekent "volharden in het zien van de dingen (dharma) als ongeboren, niet-samengesteld." Het is een aanduiding voor verlichting.

13. - De passage beginnend met: "Toen zag de tienhoofdige ..."
. De 10 windrichtingen zijn de vier kardinale windrichtingen, de vier tussenliggende, plus het nadir en het zenith.

14. - "Overal was het precies gelijk." Vooral de Avatámsaka soetra herhaalt, in de eerste zinsneden van vele boeken daarin opgenomen, hoe Boeddha met zijn magische kracht ontelbare boeddhalanden in alle windrichtingen toont, en hoe ieder van die landen precies gelijk is aan alle andere, en hoe in al die landen exact hetzelfde gebeurt, op exact hetzelfde moment. Dat is een beeld dat onze geest helpt de Boeddha-Dharma in zijn cosmische dimensies te zien. Echter, diezelfde Avatámsaka soetra, onderandere in het boek "Zangen vanuit Tushita", zegt hoe we "Boeddhas (kunnen) zien, zoveel als er gedachten zijn .... en geen hetzelfde." Daar hebben we dan weer de ervaringsfilosofie waarin het relatieve, al die verschillende voorstellingen van Boeddhas, en het absolute, het eender en hetzelfde zijn van alle boeddhalanden, tesamen worden opgevoerd als fundamenteel onafscheidelijk.

15. - De passage beginnend met: "Op dat moment dachten ..."
Fenomenen als het uitzenden van lichtstralen en de tien richtingen overschouwen worden in de soetras vermeld als gebeurtenissen die een rede aankondigen.

16. - De passage beginnend met: "Wanneer u uw gedachtenbron vrij houdt..."
De stadia waarover hier wordt gesproken zijn de 10 stadia op het bodhisattva-pad. De drie laatste worden hier met hun Sanskriet-naam benoemd: Acāla, Sadhumati, en Dharmamegha. De leer over de 10 stadia vindt u in het boek "De Tien Stadia (Dasabhumi)", een onderdeel van de Avatámsaka (Bloemenkrans) soetra.

17. - De passage beginnend met: "O, koning van Lanka."
Bijvoorbeeld, in het rijk van Amitabha Boeddha, maar ook in dat van andere Boeddhas, verblijven de hem gezelschap houdende bodhisattvas en anderen ieder op een enorme lotus die oprijst uit het water van een prachtige vijver. Lotussen staan voor reinheid, en het water van een zuivere vijver is heel verkoelend. Dit beeld is derhalve een metafoor voor een zuivere en bekoelde staat van geest. Met name in de leer die centreert rond Amitābha Boeddha vinden we negen typen individuen die zijn boeddhaland bewonen; de "laagste" groep doet er lang over om "uit de lotus geboren" te worden, de "hoogste" zit vanaf het begin op deze zetel van reinheid. Daar, naar de sermoemen van de Boeddha luisterend, cultiveren ze "op een heel natuurlijke manier" tot aan Boeddhaschap, hetgeen "het verstand teboven gaat" zoals onze Lanka zegt.




Tekst 3

Opeens bleken er muziekinstrumenten te zijn gemaakt die net zo mooi en goed waren als alle instrumenten tesamen in alle werelden-van-verlangen, en net zo mooi en goed als die in alle boeddhalanden. De Gezegende en de bodhisattvas waren omgeven door een juwelen-net. Als groet aan de Boeddha rezen vaandels en banieren hoog in de lucht, zo hoog als zeven taala-bomen boven elkaar, en uit die lucht regende het giften en klonk muziek naar alle kanten. De heer van Lanka daalde af en zette zich neer op de top van de juwelenberg waarop prachtige lotussen van edelstenen te zien waren; alleen de zon en bliksemstralen schitterden mooier. Daar zittend groette hij beleefd, en glimlachte eerst in de richting van de Boeddha die hem toestemming had gegeven om een vraag te stellen. Toen stelde hij zijn tweevoudige vraag: "Dit werd de Tathāgatas uit het verleden, die Arhat waren, en Volmaakt Verlicht gevraagd, en zij vonden het antwoord. Gezegende, nu vraag ik het aan u. U zult ongetwijfeld antwoorden voor zover woorden in staat zijn dergelijke dingen duidelijk te maken; zo deden ook de Boeddhas uit het verleden het. Gezegende, dualiteit werd besproken door Transformatie-Tathāgatas, maar niet door de Oorspronkelijke Tathāgatas die bleven zwijgen. De Zwijgende Tathāgatas zijn volledig ondergedompeld in de vreugdevolle staat van samādhi, in deze staat verblijvend is het relatieve weten ver van hen, noch spreken zij in dergelijke termen. Gezegende, u wilt ongetwijfeld wel spreken over het onderwerp dualisme. U bent zelf een meester in alles; u bent Arhat, Tathāgata. De Boeddhazonen en ikzelf zouden hier graag over horen."

De Gezegende zei: "Heer van Lanka, vertel me wat u bedoelt met dualisme." De heer der Rakshasas, die juist nieuwe sieraden droeg, schitterend mooi, met een diadeem, een armband, en een halsketting aan elkaar geregen met een diamanten koord, zei: "Er wordt gezegd dat zelfs dharmas achterlaten moeten worden, laat staan adharmas. Gezegende, waarom bestaat dit dualisme dat we verondersteld worden achter te laten? Wat zijn adharmas? Wat zijn dharmas? Hoe kan er dualisme zijn in de dingen die we moeten achterlaten, een dualisme dat ontstaat uit het relatieve weten, dat ontstaat uit het waarnemen van een "zelf-substantie" waar er geen is, dat ontstaat uit gemaakte (bhautika) en niet-gemaakte dingen - is het omdat de niet-onderscheidende aard van de Alayavijñāna niet herkend is? Het is net als iemand met staar die een krans van haar in de lucht ziet en deze voor echt houdt; zo behoort het idee van dualisme tot de wereld van het nog niet compleet gezuiverde denken. Als het is zoals ik me dat voorstel, hoe kan er dan achterlaten zijn van dharmas of adharmas?"

De Gezegende zei: "Heer van Lanka, ziet u niet dat onderscheid maken (prapanca) tussen de dingen - bijvoorbeeld verschil zien tussen potten en andere breekbare waar en het stof waarin het op den duur toch uiteenvalt de onderscheid-makende gedachtengang is waar de onwetende zich aan overgeeft? Dat is toch zo? Moet het niet op deze manier begrepen worden? Het is vanwege de onwetende's relatieve weten (dat onderscheidt tussen illusoire dingen) dat er verschil bestaat tussen dharma en adharma. Nobele wijsheid (aryajñāna) echter, ontstaat niet op deze manier. Heer van Lanka, laat de onwetenden dan het bestaande maar gedetaileerd benoemen, laat hen onderscheid maken tussen potten en dergelijke. Zo is het echter niet met de wijze. Een enkele vlam van uniforme aard verrijst, of het nu huizen treft, buitens, parken of terrassen - die vlam legt alles in de as. Anderzijds wordt er differentiatie verondersteld in de vlammen, al naar de kracht van ieder brandend materiaal, en daar is onderscheid in duur, grootte, enzovoorts. Zo ziet men dat. Maar waarom moet je het zo niet begrijpen? Omdat er zo dualiteit ontstaat tussen dharma en adharma. Niet alleen, heer van Lanka, is een vurige vlam zichtbaar die zich in een continuüm uitspreidt - en toch een variëteit aan vuurtongen toont, maar ook komen uit een enkel zaadje - eveneens in een continuüm - wortels voort, spruiten, bladknoppen, bladeren, bloemblad, bloemen, vruchten, takken, ieder met een individueel aanzien. Zoals het is met ieder extern voorwerp waar een menigte aan dingen uit voortkomen, zo is het ook met objecten in de geest. Uit onwetendheid ontspruiten de Skandhas, Dhatus, Ayatanas tesamen met allerhande bijbehorende zaken, en ze komen tot wasdom in de drie werelden waar we, zoals we zelf kunnen zien, geluk ontmoeten, en vorm, en spraak, en gedrag, ieder met een eigen manifestatie, ad infinitum. De eenheid die de Vijñāna is wordt op diverse manieren gezien en behandeld al naar gelang wat er op dat moment in de wereld van de dingen aanwezig is; en zo meent men dat er inferieure dingen zijn, en superieure, en middelmatige, meent men dat dingen bezoedeld zijn of onbezoedeld, dat er goede dingen zijn en slechte. Heer van Lanka we zien niet alleen, in zijn algemeenheid, een verschil tussen de dingen en hoe ze samengesteld zijn en zich voordoen, we zien ook hoe iedere yogin een verscheidenheid aan realisaties toont, al naar gelang zijn pad van discipline, zijn praktijk. (Als we dat al zien) dan nemen we, in een wereld die zich toont in allerhande details die voortgekomen zijn uit wat door het relatieve weten tot stand komt, toch zeker ook verschillen waar? Zo is dat toch?"

"Heer van Lanka, het verschil tussen dharma en adharma is er vanwege het relatieve weten. Heer van Lanka, wat zijn dharmas? Ze zijn er in de geest die (slechts) weet op dat relatieve niveau waar geleerden, Toehoorders, Zelf-Verlichtten en onwetenden zoveel waarde aan hechten. Die denken dat de dharmas, voor hen herkenbaar door kwaliteit en substantie, ontstaan uit oorzaken - dit idee moet je achterlaten, daar moet je geen aandacht aan schenken, want het zijn niet meer dan gestalten (lakshana). Omdat men er aan hecht, daarom worden de manifestaties van iemands eigen geest als de werkelijkheid (dharmatā) gezien. Dingen als potten enzovoorts zijn producten van het relatieve weten dat onderscheidt zoals onwetenden dat doen - ze bestaan niet, hun substantie valt nergens waar te nemen. De dingen op deze manier zien (zoals ik dat nu uitleg), dat wordt achterlaten genoemd.

"Wat zijn adharmas? Heer van Lanka, een zelf valt in dharmas niet waar te nemen. Het zijn geen verschijnselen die ontstaan zijn uit het relatieve weten; ze ontstijgen noties als oorzakelijkheid. In hen wordt niets waargenomen dat je realiteit of niet-realiteit zou kunnen noemen. Deze zienswijze heet achterlaten van dharmas. Wat wordt dan bedoeld met het niet vast te stellen zijn van dharmas? Vergelijk het hiermee: ze zijn als horens op een haas, of op een ezel, of een kameel, of een paard; ze zijn als het kind dat geboren wordt uit een onvruchtbare vrouw. Dit zijn (a)dharmas waarin een aard of kern niet vast te stellen is. Je moet ze niet voor echt houden, want het zijn slechts verschijnselen. Namen als deze worden alleen maar in alledaags spraakgebruik gebezigd - als ze er al iets toe doen. Men moet er niet aan hechten, zoals je niet moet hechten aan potten enzovoorts. Zoals men deze onwerkelijkheden moet achterlaten omdat ze met het bewustzijn (vijñāna) niet te vatten zijn, zo ook moet u ontstane dingen (bhāva) achterlaten omdat deze zich lenen voor onderscheid-aanleggen. Dit heet achterlaten van dharmas en adharmas. Heer van Lanka, uw vraag betreffende het achterlaten van dharmas en adharmas is hiermee beantwoord."

"Heer van Lanka, u zei daarnet dat u dezelfde vraag heeft gesteld aan de Tathāgatas uit het verleden, die Arhat waren en Volmaakt Verlicht, en dat de vraag door hen naar genoegen was beantwoordt. Heer van Lanka, als u zegt "verleden", dan legt u onderscheid aan, en zo is het ook met "toekomst"; met mij, hier, in het heden, is het net zo. Heer van Lanka, de Leer van alle Boeddhas is voorbij het relatieve weten. Omdat het voorbij alle relatieve weten en futiel redeneren gaat kun je het niet zien als een corpus met verschillende aspecten; het zo (,op de juiste wijze,) te zien ontstaat alleen in wijsheid. Dat over deze Leer al wordt gesproken is enkel om de wezens vreugde te verschaffen. Zo'n uiteenzetting zoals ik die nu houd kan er zijn vanwege vormen ontstijgende wijsheid. Dat, die wijsheid, wordt Tathāgata genoemd. Vandaar dat de Tathāgata zijn essentie heeft (nl. wijsheid), en dat zijn lichaam zich in deze wijsheid (nl. de Dharmadhātu) bevindt. Derhalve legt hij geen onderscheid aan, noch kan hij onderscheiden worden (want er is geen dualiteit). Ontleedt hem niet aan de hand van noties als ego, persoonlijkheid, of zijn. Waarom is relatief weten dat onderscheidt op die manier onmogelijk? Omdat het superviserende bewustzijn onstaat als reactie op een vormhebbende wereld waarin het zichzelf hecht aan vormen en beelden. Nu is de Tathāgata voorbij zowel relatief weten dat onderscheidt als aan het onderscheidene. Heer van Lanka, het is als een wandschildering; zo'n schildering neemt niets waar. Zo ook zijn wezens; daar is geen handelen, geen resultaat. En zo zijn alle leringen: geen horen, geen leren."

"Heer van Lanka, alles in de wereld is als een beeltenis die als bij magie getransformeerd wordt. Dit hebben de geleerden en de onwetenden niet begrepen. Heer van Lanka, hij die de dingen zo ziet, ziet werkelijk. Zij die het anders zien begaan het pad van het relatieve weten, en omdat ze afhankelijk zijn van onderscheid-aanleggen hechten ze sterk aan dualisme. Dat dualisme is als het zien van je eigen beeltenis in een spiegel, of je eigen schaduw zien in water, of in het maanlicht, of op de muur van een huis; het is als het horen van een echo in een vallei. Mensen die grijpen naar hun eigen schaduw, die onderscheid aanleggen, houden er de opinie over dharma en adharma op na, en omdat ze het achterlaten van dualisme niet voor elkaar krijgen gaan ze voortdurend door het relatieve weten te cultiveren en bereiken nooit een bekoelde, rustige geestestoestand. Met een rustige geestestoestand wordt eenheid (ekagra) bedoeld, en eenheid geeft geboorte aan de hoogste samādhi die ontstaat samen met het binnengaan in de schoot van Tathāgataschap, dat het rijk is van nobele wijsheid die men in zijn diepste binnenste waar maakt."

Dit is het eerste boek genaamd: Rāvana vraagt om uitleg.

Toelichting bij tekst 3

1. - De passage beginnend met "opeens bleken er muziekinstrumenten".
In deze passage wordt het woord "gemaakt" of "geschapen" gebruikt. Dat kan, voor boeddhisten, verwarrend zijn aangezien wij er geen scheppingsleer op na houden. Boeddhas en Bodhisattva-mahāsattvas echter, zijn in staat om vanuit de geest als het ware dingen te doen ontstaan. Er zijn niet-boeddhistische magieers in de wereld van vandaag die dat ook kunnen. Het verschil is dat Boeddhas en Bodhisattva-mahāsattvas dergelijke zaken alleen maar laten zien om een goed of beter begrip van de Dharma te vestigen. Voor de volledigheid, Boeddhas zijn geen Scheppers zoals God of de goden uit de religieuze systemen.

2. - Transformatie-Tathāgatas. In eerder passages las u over boeddhalanden in alle tien de windstreken. In ieder van die landen is een Transformatie-Boeddha. Met name de Avatámsaka- en de Vairócana Soetra spreken over de Oorspronkelijke (Dharmatā-)Boeddha die niets anders is dan Boeddhaschap als zodanig. Boeddhaschap als zodanig is dan weer niets anders dan het Corpus-van-de-Leer, de Dharmakaya. Deze oorspronkelijke Boeddha wordt vaak Vairócana genoemd, en hier en daar (in de Lotus Soetra) Prabhutaratna, of Aksóbhya in weer andere geschriften. Alle Boeddhas in al die landen, en op aarde, zijn in feite manifestaties of transformaties van Boeddhaschap als zodanig. De aanzet tot deze gedachtengang vinden we in de Pali-canon waar Sakyamuni Boedha, kort na zijn Ontwaken op een desbetreffende vraag ten antwoord geeft dat hij geboren is uit het geslacht der Boeddhas.

3. "Hierin leggen zij geen onderscheid aan." Zie tekst 1,n.6.

4. - Dharma en adharma. Het contrast tussen deze twee begrippen wordt in de Bhagavad Gīta, een basistekst voor het Hinduïsme als volgt aangeduid wanneer god Krisna tot de krijger Arjuna spreekt: "Want wanneer het niet goed gaat met de Wet (dharma), dan gaat het goed met ... wetteloosheid (adharma), ..."
(Gavin Flood, Introduction to Hinduism)
In Boeddhisme is Dharma de Leer van de Boeddhas, dharmas zijn de dingen en de fenomenen, ook die van de geest. a- is een ontkennend voorzetsel.
De eerwaarde Yin Shun, Taiwan's oudste en meest vereerde monnik (overleden in 2006), wijst in een van zijn opgetekende toespraken op de Ágama de collectie Kleine Voertuig-geschriften zoals die in de chinese vertaling bewaard zijn gebleven. Hij citeert dan de Samyuktágama als volgt: "Wanneer we de waarheid van het ledig zijn van essentie (sunyatā) zien, dan realiseren we dat er geen dharma is (d.w.z. de op-zijn-kop visie over 'bestaan' of 'zijn'), en zien we dat er ook geen niet-dharma is (d.w.z. de op-zijn-kop visie over permanent vernietigd zijn na de dood)."
In de Pali-Nikāyas vinden we de Parabel over het Vlot. Het vlot, het middel waarmee Bevrijding is behaald, kan na succesvol gebruik achtergelaten worden zoals ook het getob over de dharmas en niet-dharmas achtergelaten kan worden. Zie ook noot 8. Zie ook boek 21 uit de Avatámsaka Soetra.

5. - Skandhas, Dhatus, Áyatanas.

. Skandhas zijn de vijf groepen van samengestelde dingen die een levend wezen vormen en waar we aan hechten, en die elkaars gezelschap nodig hebben om leven tot stand te brengen en in stand te houden: 1/ lichaam, 2/ gevoel of ondervinding, 3/ perceptie of bewustzijn, 4/ fysiek en mentaal ageren, en 5/ bewustzijn.
In de vroege Chinees-boeddhistische opvatting worden de skandhas de 'vijf elementen' (wu yin) genoemd: 1/ se, 2/ shou, 3/ xiang, 4/ xing, en 5/ shi. Nr. 2/ echter, wordt in die opvatting gegeven als 'aanvaarden', of 'levensloop' in de zin van voorafbepaalde toekomst.
. Dhatu betekent letterlijk element, er zijn er 18: oog, oor, neus, tong, lichaam, zichtbare dingen, geluid, geur, smaak, dat wat gevoeld wordt, plus de bewustzijnen die als het ware het veld vormen waarin ieder zintuig met zijn objecten speelt. (De Dharmadhatu echter, is het veld waarin de Leer van de Boeddha operatief is, dus het universum.)
. Áyatana betekent letterlijk sfeer. Het zijn de bovenstaande zintuigen (6), plus de objecten van die zintuigen: zichtbare dingen enzovoorts. Deze namen zullen voortdurend, en onvertaald, terugkomen. U zoudt daarom kunnen besluiten dit stukje toelichting op te slaan of te printen.

6. - Vijñāna. Hier zien we hoe bewustijn of de geest (vijñāna) als een geheel wordt gezien, dat slechts in het relatieve denken uiteenvalt in diverse onderdelen.

7. - De passage beginnend met ,"Heer van Lanka."
"Ze bestaan niet; hun substantie valt nergens waar te nemen." Tot niet zo lang geleden werd aan de hand van dergelijke uitspraken aangenomen dat de Enkel-Bewustzijn-traditie, waar deze filosofie toe behoort, nihilisme predikt. En een uitspraak als "ze bestaan niet" zou inderdaad in die richting kunnen wijzen. Daar wordt hier dan echter aan toegevoegd: "hun substantie valt nergens waar te nemen." Dat wil zeggen dat alle dingen die zich aan onze geest voordoen, en dus verschijningen genoemd kunnen worden, kernloos zijn. Maar, als er geen kern is in die verschijningen kan niet gezegd worden: HET ontstaat, bestaat, vergaat, want in laatste instantie zou Het, als zoiets al mogelijk ware, alleen zo'n kern, zo'n ziel zijn - in een vlietend lichaam bijvoorbeeld, waar je een predikaat als werkelijkheid of "bestaan" aan toe kunt kennen. Het zelfde geldt voor de uitspraak: "het bestaat niet." Beide posities tonen de af te wijzen eeuwigheidsleer en vernietigingsleer. Zie het voorwoord.

8. - De passage beginnend met: "Wat zijn adharmas?"
Zie ook noot 4.
. "Niet vast te stellen." In het Duits wordt soms "dass trifft nicht zu" gebruikt. Bijvoorbeeld, je kunt niet spreken van een vergelijkend warenonderzoek op Mars omdat er op Mars geen waren zijn.
. De zin, "Dit heet achterlaten van dharmas en adharmas" komt er in het kort op neer dat we niet alleen de geest-geschapen, kernloze dingen moeten achterlaten, maar ook de notie dat ze kernloos en onwerkelijk zijn. En dit is het moeilijkste op het pad van Boeddhisme; we zijn na enig nadenken redelijk in staat te begrijpen en aanvaarden dat niets vaste, eeuwigdurende kern heeft, maar hebben we die filosofie eenmaal te pakken, dan hangen we daar weer aan en denken dat we nu de ultieme waarheid hebben gevonden. Maar zelfs dat moeten we achterlaten. We vinden deze hele filosofie klaar en duidelijk terug in boek 21 van de Avatámsaka Soetra: 'Zangen vanuit Suyāma', waar, nog meer dan in boek 24, 'Zangen vanuit Tushita' waarin beide technieken van, laten we zeggen, zen, en het visualiseren gepresenteerd worden, deze beide en volgende passages van de Lanka direkter, eenvoudiger, helderder verduidelijkt worden. Niettemin, de overeenkomst tussen dharmas en adharmas wordt in Zangen vanuit Tushita nader verduidelijkt: "Zoals door ogen aangedaan door staar een beeld opdoemt dat intern, noch extern genoemd kan worden, zo ook is de visie van de wereld waar het Boeddha aanbelangt." Boeddha, hier, is dan zoals eerder verklaard, identiek met de Dharmadhātu of Mind, Verlichting.

9. - "Het is als een wandschildering; zo'n schildering neemt niets waar. Zo ook zijn wezens; daar is geen handelen, geen resultaat. Zo zijn alle leringen: geen horen, geen leren."
Dat klinkt cru, maar dit stuk van de vertaling (die tijdens de T'ang dynasty, 6e-10e eeuw ontstond) valt geheel binnen de filosofie van niet-zelf. Waar wezens en dingen geen vaste kern hebben - die in deze filosofie het enige zou kunnen zijn dat in laatste instantie zintuiglijk kan opereren - kan er niet gezegd worden "HET handelt" - zie noot 7. Niettemin is er handelen, en zelfs zinvol handelen; dat bewijst de sprekende en lerende Boeddha, maar het is wel sunyata.

10. Over het niet van toepassing zijn van termen als verleden, heden, en toekomst zegt boek 24 van de Avatámsaka Soetra: "Dit is het principe van de Boeddhas: hoewel verleden, heden, toekomst, woorden zijn die niet toepasbaar zijn op Boeddhas, spreekt men nochthans van Boeddhas uit het heden, verleden, en de toekomst." Boek 27 gaat er nog uitgebreider op in.

Vertaling: bhiksuni Ratana.