LANKAVATARA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 1



   
(I) Om! Eer aan de Drie Juwelen! Eer aan alle Boeddhas en Bodhisattvas!
Hier volgt een zorgvuldige weergave van de Soetra over de Afdaling op Lanka waarin de Heer van de Dharma spreekt over de substantieloosheid van alle dingen.

Aldus heb ik het gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het Kasteel van Lanka dat gezocht moet worden op de top van de berg Malaya, nabij de grote oceaan. Die bergtop was versierd met bloemen gemaakt uit diverse edelstenen. Op dat moment was Boeddha omringd door een groot gezelschap monniken en een menigte Bodhisattvas die vanuit vele Boeddhalanden waren samengestroomd. Deze Bodhisattva-Mahāsattvas, met Mahāmati aan het hoofd, hadden allen perfectie bereikt in de verschillende Samādhis, in de [tienvoudige] beheersing van het zelf, in de [tien Boeddha- en Bodhisattva-]krachten en de zes bovennatuurlijke vermogens, en alle Boeddhas hadden hen de handen opgelegd. Zij hadden een goed begrip van de betekenis van zowel de wereld-van-objecten als van de manifestatie van hun eigen bewustzijn. [2] Ze wisten hoe je verschillende leer- gestalten, leringen en disciplines overeind moet houden, aangepast aan de verschillende mentaliteiten en gedragingen van wezens. Ze waren grondig getraind in de vijf Dharmas (noot 7), de [drie] Svabhāvas (noot 8), de [acht] Vijñānas en het tweevoudige niet-zelf.

Toen, na zeven dagen te hebben gepredikt in het paleis van de koning der zeedraken, kwam de Gezegende uit dit paleis tevoorschijn en werd begroet door een grote menigte Nagakányas, waaronder zich ook Sakra en Brahma bevonden. Naar Lanka op de berg Malaya kijkend glimlachte hij en zei: "Ik zeg dit met met kennis over de Tathāgatas uit het verleden; hen heb ik in gedachten, Tathāgatas die Arhat waren, en Volmaakt Verlicht: ook zij spraken deze Waarheid, in ditzelfde kasteel van Lanka op de top van de berg Malaya. Ook zij spraken over dat Weten dat gerealiseerd kan worden dankzij de nobele wijsheid die je diep binnen in je draagt, die wijsheid die voorbij het redeneren van geleerden gaat, en zelfs voorbij het bewustzijn van Toehoorders en Zelf-Verlichtten. Ook ik zal nu, speciaal ten behoeve van Rāvana, Heer der Heren over de Yakshas, spreken over dit Weten.

Geďnspireerd door het supernatuurlijke vermogen van de Tathāgata hoorde Rāvana, Heer over de Rákshasas, zijn stem. En inderdaad, de Gezegende, omstuwd door ontelbare Nagakányas, en vergezeld van Sakra en Brahma, kwam nu uit het paleis van de koning der Zeedraken. De golven van de oceaan aanschouwend en de geestestoestand ziend van de menigte om hem heen, dacht hij aan die oceaan die het Opslagbewustzijn vormt, waarin de immer in beweging zijnde Vijñānas (bewustzijnen), als waren het golven, voortdurend aan de gang worden gehouden door (,als het ware,) de constante winden die in het (omvattende) bewustzijn worden aangewakkerd door het ervaren van de wereld-van-objecten. Terwijl hij daar zo stond zag Rāvana hem en gaf een schreeuw van vreugde. Hij zei, "Ik ga er heen; ik zal de Boeddha vragen om Lanka te betreden, want deze lange, komende nacht zou hij, als hij kwam, waarschijnlijk zowel goden als mensen profijt brengen, goed doen, blij maken."

Toen kwam Rāvana, Heer over de Rakshasas naar de plaats waar de Gezegende was, rijdend in zijn bloemenwagen, vergezeld van zijn personeel. Daar aangekomen stapten Rāvana en zijn manschappen uit. En terwijl ze drie keer om de Gezegende heen liepen, de rechterschouder naar hem toegekeerd, bespeelden ze een muziekinstrument; ze sloegen er op met een drumstick van blauwe Indra (safier). En spelend op een luit die ingelegd was met de beste kwaliteit lapis lazuli, een luit die ze naar een kant over de schouder droegen aan een onbetaalbaar duur lint, geel-wit als (het medicijn van de) Priangu, zongen ze. Hun stemmen harmonieerden fraai met de klank van de fluit en de cadans van de volgende gātha.

1. "Dit Weten, die rijke schat die als principe de zelf-aard van het bewustzijn heeft, is zonder zelf (nairatmyam). Dit staat boven alle redeneren, en is smetteloos rein. Het wijst naar de kennis die je in je diepste wezen hebt gerealiseerd. Heer, wijs me de weg naar dit Weten.

2. "De Welgegane is het lichaam waarin smetteloze waardigheden zijn opgeslagen. In hem zien we zowel het getransformeerde als het transformeren. Hij mag zich verheugen in dat Weten dat hij diep binnenin zichzelf heeft gerealiseerd. Mocht hij Lanka toch bezoeken! Muni, Wijze, nu is de tijd!

3. "In het verleden was Lanka de verblijfplaats van de Boeddhas. Ze waren omringd door hun [Dharma-]zonen in velerlei gedaanten. Heer, toon me nu de hoogste Waarheid; al die verschillende Yakshas zullen luisteren."

Daarna ging Rāvana over op het Tótaka-ritme (= 12 lettergrepen per regel) dat zich goed leent voor de volgende gātha.

4. "Na zeven nachten staat de Gezegende die de oceaan, verblijfplaats van de Mākara, het paleis van de zeekoning, verliet, nu op de kust.

5. "Nu, op het moment dat Boeddha verrijst gaat Rāvana, vergezeld van vele Apsaras en Yakshas, vergezeld van Suka, Sárana en geleerden

6. "als door een wonder naar de plaats waar de Heer nu staat. Uit de bloemenwagen komend groet hij eerbiedig de Tathāgata, overhandigt geschenken, zegt zijn naam, en staat terzijde.

7. "Ik, die hier gekomen ben, wordt Rāvana genoemd, de tienhoofdige koning van de Rakshashas. Vergun mij de eer mij en Lanka met al zijn inwoners te ontvangen.

8. "Dit is wat ik zeg, in deze stad werd door Verlichtten uit het verleden, Verlichtten die de diepste staat van bewustzijn realiseerden, het Weten onthuld, hier op deze bergtop die versierd is met kostbare juwelen.

9. "Laat dan nu ook deze Gezegende, deze Overwinnaar, omringd door zijn [Dharma]zonen, de smetteloze Waarheid onthullen, hier, op deze bergtop versierd met kostbare edelstenen. Wij en de inwoners van Lanka zouden het graag horen.

10. "De Soetra over de Afdaling op Lanka, geprezen door Boeddhas uit het verleden, onthult hun diepste staat van bewustzijn, een staat die zij realiseerden en die in geen enkel ander religieus-filosofisch systeem te vinden is.

11. "Ik herinner me hoe Boeddhas, Overwinnaars uit het verleden, omringd door hun [Dharma]zonen deze Soetra reciteerden. Nu zal ook de Gezegende spreken.

12. "In tijden die nog komen gaan zullen er Boeddhas en Boeddha-zonen zijn die in hun medelijden met de Yakshas over deze magnifieke leer zullen spreken, hier op de bergtop versierd met edelstenen.

13. "Deze schitterende stad Lanka is getooid met een keur aan edelstenen, is omgeven door bergtoppen, is fris, koel en mooi, en er boven hangt een net van edelstenen.

14. "Gezegende, hier wonen Yakshas die vrij zijn van negatieve eigenschappen zoals hebzucht. Ze overdenken het Weten dat in je diepste innerlijk gerealiseerd kan worden, en offeren aan de Boeddhas uit het verleden. Ze geloven in het Grote Voertuig en zijn bereid elkaar correct gedrag te tonen.

15. "Er zijn jongeren onder de Yakshas, jongens en meisjes, die het Grote Voertuig willen kennen. Gezegende, kom, wees onze leraar, kom naar Lanka op de berg Malaya.

16. "De Rakshashas die in de stad verblijven en die Kumbhaharna als hoofdman erkennen zijn het Grote Voertuig toegedaan; ze wensen over die innerlijke realisering te horen.

17. "Ze hebben vol ijver offerandes gebracht aan de Boeddhas uit het verleden, en vandaag gaan ze dat weer doen. In de naam van het mededogen, kom naar Lanka, en breng uw [Dharma-]zonen mee.

18. "Mahāmati, ik geef u mijn woning. De Apsāras zullen u gezelschap houden; ik geef u een varieteit aan halskettingen, en ik geef u de heerlijke Asoka-tuin cadeau.

19. "Ik zelf zal de Boeddha en zijn zonen bedienen. Niets van wat ik heb zal ik achterhouden als het hen geschonken kan worden. Grote Wijze, heb medelijden met mij!

20. Toen hij Rāvana zo hoorde spreken zei de Heer over de Drievoudige Wereld: "Koning der Yakshas, de Leiders uit het verleden bezochten deze berg van edelstenen.

21. "Uit compassie droegen ze aangaande dat Weten dat zich toonde in hun diepste bewustzijn, hun inzicht aan u over. En ook de Boeddhas van de toekomst zullen, hier op deze zelfde juwelenberg, hetzelfde verklaren.

22. "Dit diepste Weten is dat wat de yogins zien; het is tezelfdertijd hun verblijfplaats. Yaksha-koning, u hebt dezelfde compassie als de [andere] Súgatas en ikzelf."

23. Door stil en onbewogen te blijven stemde De Gezegende toe, en stapte in de bloemenwagen die Rāvana hem aanbood.

24. En zo bereikten Rāvana en de anderen, wijze zonen van de Overwinnaar, al zingend en dansend de stad.

25. Aangekomen in deze heerlijke stad was Boeddha opnieuw het voorwerp van alle mogelijk eerbetoon: de Yakshas, Rāvana inbegrepen, en de Yaksha-vrouwen eerden hem.

26. De jongere Yakshas, jongens en meisjes, offerden hem een net van juwelen, en Rāvana omhing Boeddha en zijn zonen met halskettingen versierd met edelstenen.

27. De Boeddha, omringd door Boeddhazonen en wijzen aanvaardde deze offerandes; hij sprak over het Weten, over die staat van geest die diep binnenin je gerealiseerd wordt.

28. Rāvana eerde deze beste van alle sprekers. Hijzelf en het gezelschap Yakshas eerden (bodhisattva) Mahāmati, en de anderen verzochten hem meer dan eens de Boeddha te vragen een en ander te herhalen: [Rāvana zei:]

29. "U (Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati,) bent degeen die de Boeddhas uit het verleden consulteert over die staat van bewustzijn die zij in zichzelf realiseerden, een onderwerp waarover wij, Yakshas zowel als de Boeddhazonen willen horen. Ik, uit naam van de Yakshas, de Boeddhazonen en de wijzen, verzoek u te spreken.

30. "U bent de beste van alle sprekers en de yogin die de grootste inspanning levert. Vol vertrouwen stel ik nu mijn vraag: Vraagt u, Kundige, toch de Boeddhas [uit heden en verleden] omtrent deze leer.

31. "De Kennis die in het diepste bewustzijn wordt gerealiseerd heeft niet de fouten die geleerden, Zelf-Verlichtten en Toehoorders maken. Dat Weten is volkomen rein en leidt uiteindelijk tot de staat van Boeddhaschap."

32. Daarop creëerde de Gezegende juwelenbergen en andere voorwerpen die schitterend waren versierd met edelstenen - een immens aantal.

33. Op de top van iedere berg toonde Boeddha zowel zijn gedaante als die van Rāvana en de Yakshas.

34. Zo was de hele vergadering op iedere bergtop zichtbaar, en alle [Boeddha]landen waren daar, en in ieder sprak een Leider.

35. Ook hier waren de Koning der Rakshasas en de bewoners van Lanka, en de Lankas die de Boeddha zo manifesteerde konden zich meten met elkaar en met de echte.

36. Daar waren nog meer dingen: daar was het Asoka-park met zijn glanzend gebladerte, en op iedere bergtop ging Mahāmati te rade bij de [menigte vroegere en huidige] Boeddhas

37. die de Leer verklaarden voor de Yakshas, die Leer die leidt tot de diepste realisering. Op iedere bergtop sprak Boeddha een gehele soetra. Hij sprak met een prachtige, welluidende stem, met honderdduizend verschillende stembuigingen.

38. Hierna losten de Leraar en zijn [Dharma-]zonen op in lucht, en lieten Rāvana daar staan, in zijn woning.

39. Die dacht: "Wat is dit? Wat heeft dit te betekenen? Wie heeft het gehoord? Wat heb ik gezien? Wie heeft het nog meer gezien? Waar is de stad? en waar is Boeddha?

40. "Waar zijn die landen, waar zijn die als juwelen glanzende Boeddhas, die Súgatas? Heb ik gedroomd? Was het een visioen? of hebben hier de Gandharvas een luchtkasteel gebouwd?

41. "Of had ik stof in mijn ogen, of zag ik een luchtspiegeling, of was het een gedroomd kind, als dat van een onvruchtbare vrouw, of was het als rook dat van een vuurwiel afkomt? Was het dat wat ik hier zag?"

42. Toen overwoog Rāvana: "Dit is de ware aard (dharmatā) van alle dingen; ze behoren tot het rijk van de geest, en dit is iets dat onwetenden, omdat ze verward raken door iedere vorm die de geest zichzelve schept, niet kunnen vatten.

43. "Daar [in die ervaring van dharmatā] is noch degeen die ziet, nog het geziene; daar is noch spreker noch het gesprokene; daar is noch de vorm van de Boeddha noch die van zijn Dharma, noch de manier waarop ze verschijnen - het zijn niets dan voorstellingen in de geest.

44. "Zij die nu de dingen nog steeds zien als voorheen, zien Boeddha niet. Wanneer het relatieve weten (vikalpa) wordt aangewend zie je Boeddha niet. De Boeddha, die volmaakt verlicht is, wordt gezien waar de wereld geen gestalte heeft."

Op datzelfde moment was de heer van Lanka Ontwaakt, voelde hij een omwenteling in geest (paravritti), en realiseerde hij dat de wereld in en uit bewustzijn zelve is. Hij vestigde zich in het rijk waar het relatieve weten geen vat op heeft, aangespoord als hij werd door het reservoir van goede daden uit het verleden. Hij was nu schrander genoeg om alle teksten te kunnen begrijpen. Hij kon nu alle dingen naar hun ware aard zien, was niet meer afhankelijk van anderen, beschouwde de dingen met zijn eigen ontwaakte geest (buddhi), had nu dat inzicht dat in niets lijkt op discursiveren en redeneren, was nu een grote yogin in de Boeddha's Leer, en kon zichzelf in allerlei voortreffelijke gedaanten tonen. Bovendien had hij nu de kennis over de kenmerken van ieder (bodhisattva-)stadium, een kennis die hij nu vaardig kon aanwenden om diezelfde stadia te overstijgen. Hij schouwde nu met vreugde in de zelf-aard van Citta, Manas en Manovijñāna. Hij had nu een wereldbeschouwing die hem in staat stelde zichzelf te bevrijden van het drievoudig voortgaan [door de keten van bestaan: heden, verleden en toekomst]. Hij had nu voldoende kennis om ieder argument van geleerden over oorzakelijkheid te weerleggen. Hij begreep nu ten volle [het begrip] Tathāgatagarbha, het stadium van Boeddhaschap, en je diepste innerlijk. Hij was er zich van bewust dat hij nu een was met Boeddha-kennis - en toen hoorde hij plotseling een hemelse stem die zei: "Je moet het zelf te weten komen."

[Die stem vervolgde:] "Goed gedaan, goed gedaan, heer van Lanka! Ik zeg het nog eens: goed gedaan! Zoals u dat doet zo dient iedere yogin zichzelf te disciplineren. De Tathāgata en alle andere dingen dienen gezien te worden zoals u dat doet; wie het anders ziet geeft zich over aan nihilisme (c.q. vernietigingsleer). De dingen kunnen alleen maar juist gezien worden door de citta, manas en vijñāna te overstijgen - en dat is wat u deed. Men moet introspectief zijn en niet gehecht aan formuleringen, noch aan oppervlakkige beschouwingen over de dingen. Zorg ervoor dat u niet vervalt in dat wat de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten en de geleerden zich als doel stellen; blijf niet steken in hun concepten, ervaringen, meningen en samādhis. Geef u niet over aan loos gebabbel en grappenmakerij. Hecht niet aan de opinies zoals de Vedas die aandragen. Peins ook niet over de ijdele glorie die heersers te beurt valt, en blijf niet steken in de zes dhyānas en dergelijke meer.

"Heer van Lanka, dit realiseren de grote yogins: ze weerleggen de meningen die naar voren gebracht worden door anderen [niet-boeddhisten]; ze maken gehakt van kwalijke opinies, ze houden zich ver van opinies over ego, zelf; in hun binnenste veroorzaken ze een ommekeer, en ze kunnen dat omdat ze volmaakte kennis hebben. Zo zijn Boeddha's zonen die de Grote Weg (Mahāyana) bewandelen. Om nu het stadium van de Tathāgata's zelf-realisatie te kunnen bereiken, moet u deze discipline volhouden.

"Heer van Lanka, zo voortgaand zult u verder gezuiverd worden op de weg die u al ingeslagen bent. Train uzelf goed in samādhi en samāpatti. Volg niet de staat die gerealiseerd wordt door Toehoorders, Zelf-Verlichtten en geleerden, een staat waarin zij zich verheugen en die ontspruit aan de fantasieën van allen die zich trainen naar de woorden van geleerden wier weten nog onvolmaakt is. Ze hechten aan individuele vormen van de wereld, die geschapen zijn door hun ego-gerichte denken. Ze houden er ideeën op na over "element", "kwaliteit" en "substantie". Ze hechten ferm aan opinies die er alleen maar kunnen zijn omdat er onwetendheid is. Ze raken verward door ideeën over ontstaan - terwijl ledigheid (sunyatā) toch de werkelijkheid is. Ze hechten aan onderscheid-aanleggen. Ze vervallen in die denkwijze waar onderscheid is tussen kwalificeren en het gekwalificeerde.

"Heer van Lanka, dit is het dat leidt tot diverse uitstekende resultaten van meditatief bezig zijn; dit is het dat ons bewust maakt van onze innerlijke realisering, dit is het realiseren [van het Grote Weten] van de Mahāyana, dit zal leiden tot een bestaan van hoge kwaliteit.

"Heer van Lanka, wanneer we de Mahāyana-praktijk aanvatten wordt het net van onwetendheid vernietigd, en wenden we ons af van het oneindige aantal golven die de vijñānas veroorzaken, en geven we ons niet over aan het streven en de praktijk van geleerden.

"Heer van Lanka, de praktijk van de geleerden vindt geboorte in hun ego-gerichte hechten. Hun akelige praktijken ontstaan omdat ze hechten aan dualistische opinies over de zelf-aard van vijñāna. Goed gedaan, "Heer van Lanka! denk na over de betekenis van deze dingen, net zoals u nadacht over de woorden van de Tathāgata toen hij nog zichtbaar aanwezig was, want, en dit is wat ik zeg: dit is de Tathāgata zien."

Toen dacht Rāvana: "Ik wil de Gezegende weer zien. Ik wil hem zien omdat hij alle oefeningen en technieken volmaakt beheerst, omdat hij zich afgewend heeft van de praktijken van de geleerden, omdat hij geboren is uit de realisering die hij in zijn binnenste ervoer, en omdat hij zowel het transformeren als het getransformeerde heeft overstegen. Hij is de kennis die de yogins realiseerden. Hij IS de realisering behaald door hen die zich verheugen in de perfecte vreugde van samādhi. Die vreugde verworven zij door, dankzij hun meditatie, tot een intuďtief begrijpen te komen. Moge ik daarom zien hoe de Mededogende zijn wonderbaarlijke vermogens aanwendt om zich te tonen, hij in wie de brandstof voor passies en het relatieve weten is opgeraakt, hij die omringd is door Boeddhazonen, hij die in het bewustzijn en de gedachten van alle wezens is doorgedrongen, hij IS de realisering, die alles weet, die zich ver houdt van ageren (kriya) en van gestaltegeving (lákshana). En als ik hem dan zie, moge ik dat bereiken wat ik nog niet bereikt heb, moge ik behouden wat ik tot zover behaalde, moge ik in de staat verkeren waar het relatieve weten geen toegang tot heeft, moge ik de vreugde van samādhi en samāpatti smaken, en moge ik die grond betreden die de Tathāgatas betreden - moge ik in al deze dingen vorderingen maken."

De Gezegende zag dat de heer van Lanka rijp was om de staat genaamd de anutpattikadharmakshanti (zie deel 2, noot 12) tot de zijne te maken. Daarom toonde hij opnieuw zijn glorieuze compassie met de tienhoofdige en verscheen opnieuw op de bergtop die versierd is met vele juwelen, en omgeven door een netwerk van edelstenen.

Toelichting bij tekst 1

1. - Een paar woorden over de eerste passage van deze Soetra. Hier vaart Boeddha over zee en brengt een bezoek aan Naga-land. Naga kan vertaald worden met zeedraak of zeeslang. In tegenstelling tot de Europese mythologie is de aziatische draak een gelukbrengend wezen: hij zorgt, bijvoorbeeld, voor regen, en hij ziet ook met zorgzaamheid toe op diegenen die de Boeddha-Dharma in praktijk brengen. Nagas worden verondersteld onder de zee te leven, over de kim. Wanneer u een Thaise tempel bezoekt ziet u dat de leuning langs de trap die leidt naar de tempel versierd is met een of ander lang en schubbig dier.Dat is een naga, een 'auspicious sign', een goed voorteken.

In de antieke cosmologie was de wereld een platte schijf. Waar de zeelui die over de kim verdwenen nu precies naar toe gingen, dat wisten weinigen. Dus wellicht gingen ze naar een of ander mysterieus land, een Naga-land. In deze Soetra vaart de Boeddha voorbij het eiland Lanka. Op deze manier toont hij zijn aanwezigheid en stelt de bewoners, inclusief de demon Rāvana die Lanka in zijn greep heeft, in staat zich voor te bereiden op zijn komst. Zijn schip verdwijnt over de einder, en wanneer hij na zeven dagen, omstuwd door een enthousiaste menigte, meegereisd vanaf een verre kust weer aan de horizon verschijnt is hij, uiteraard zeggen vele Lankanen dan, in Naga-land geweest, en zijn zijn vreemde begeleiders die er anders uitzien, zich anders kleden, een andere taal spreken en zich anders gedragen ongetwijfeld "Naga-lui", Nagakányas. Dat maakt indruk op Rāvana, temeer daar Boeddha ook wordt vergezeld door Sakra (Indra) en Brahma, de Oppergoden over hemel en aarde. Rāvana kennen we uit de hinduďstische epen. Rāvana was geen boeddhist, en daarom benaderde Boeddha hem met symbolen en voorstellingen die pasten in zijn culturele bagage. In deze hele episode zien we dus wat wij in het boeddhisme noemen Boeddha's upaya, een vlot en vaardig middel. Dit keer wordt upaya ingezet om vredig en waardig een eiland te kunnen betreden waar de tienhoofdige Rāvana heerst. Om dat eiland succesvol te kunnen betreden zijn nu, op dit moment, de voorwaarden en condities vervuld: de winden zijn gunstig, de Boeddha vaart langs, de eilandbewoners hebben voldoende "good roots" om de lang niet makkelijke Dharma te kunnen ontvangen, en Rāvana staat op het punt te veranderen van een gewelddadige demon in een vredig wezen. Dat de eilandbewoners "good roots" hebben wordt geďllustreerd door de passage waarin Rāvana zegt dat zijn onderdanen weinig last van hebzucht hebben, en bovendien vermeldt de tekst dat de bergtop is verfraaid met kostbare edelstenen. Edelstenen staan in boeddhisme voor perfecte kwaliteiten. Zo staat diamant voor verlichting, en vertegenwoordigt lapis lazuli perfecte moraliteit.

Op Sri Lanka, waar volgens bronnen deze soetra speelt(*), is een legende (of een historisch feit, 't is maar hoe je het bekijkt) levend die zegt dat Boeddha dit eiland drie keer heeft bezocht. Een van die keren zou hij het eiland bezocht hebben negen maanden na zijn Ontwaken, tijdens de vollemaanperiode van Phussa dat in december-januari valt. Hoewel Boeddha's Leer pas een paar eeuwen later door de zoon en dochter van koning-keizer Asoka naar Sri Lanka werd gebracht, voorzag hij bij deze gelegenheid dat de Dharma ooit op dit eiland gevestigd zou raken. Om dat proces te bespoedigen, zo wordt gezegd, predikte hij ten overstaan van de Yakka-clan, die daarop besloten zich op een ander eiland te vestigen, op Giri.
Yakka is een Pali-woord voor het Sanskriet Yaksha of Yaksa. We moeten er van uitgaan dat de beschrijving van de Yaksha in dit eerste hoofdstuk van de Lankávatara soetra een reactie is op deze sinhalese legende. In deze legende worden de Yakka (of Yaksha) voorgesteld als een volk dat Boeddha's Leer niet wilde of kon aanvaarden en daarom vertrok naar andere oorden. In de Lankávatara soetra wordt met grote nadruk gezegd dat de Yaksha Boeddha's toespraken erg waardeerden en ook bereid en in staat waren om wat hij hen voorhield in praktijk te brengen.
We mogen veronderstellen dat ook hier de discussie speelde over de inherente boeddhatuur, of anders gezegd, over de ingeboren mogelijkheid van alle wezens om op kortere of langere termijn de Dharma te begrijpen en tot realisering te brengen. Het onderwerp wordt vooral verwoord in zowel de Lotus soetra als in de Mahāyana Mahāparinirvāna soetra, twee latere geschriften van het Grote Voertuig. Het vormde een contrast met leerstellingen die aan deze twee latere leerstukken voorafgingen, en het onderwerp is lange tijd een diepgaand verschil van mening geweest tussen de oude en de nieuwe scholen van het boeddhisme, maar nu niet meer.

Zie voor upaya tekst 9 van Het Ontwaken van Geloof in de Mahāyana, eveneens onderdeel van deze site.
(*) Een archeologisch onderzoek uit 1909 aan de stūpa van Sīgiriya op Sri Lanka toonde hoe in de onderste van drie opengebroken en leeggehaalde relieknissen een paar platen van marmer uit Amarāvatī in India werden gevonden waarop in vage lijnen Nāga-figuren waren ingekrast. Amarāvatī, als oord waar boeddhisme werd beleden, floreerde tussen de 2de eeu vC en de 3de eeuw nC. De platen tonen een belangrijke Nāga-verering op Sri Lanka.

2. - Bodhisattva-Mahāsattva. Bodhisattva kent een paar interpretaties. De ene betekenis geeft "wezen dat naar verlichting streeft", de andere "verlicht wezen" of "verlichtend wezen". Mahāyana geeft over het algemeen de voorkeur aan de laatste twee interpretaties. Zie ook het zesentwintigste boek van de Avatámsaka Soetra.

3. - Mahāsattva. Mahā betekent Groot, en sattva betekent wezen. Letterlijk staat hier dus Groot Wezen. Dit is een titel voor Bodhisattvas die Boeddha's Verlichting hebben gerealiseerd en nu die formidabele Boeddhakracht in de wereld aanwenden om anderen naar die zelfde staat te brengen. Bodhisattva-Mahāsattvas zijn min of meer gespecialiseerd. Groot Mededogen wordt Avalokiteshvara genoemd. Grote Wijsheid heet Manjushri. Perfecte (meditatieve) Activiteit heet Samántabhadra, enzovoorts. Echter, Grote Wijsheid toont zich in Mededogen, en Perfecte Actie gaat niet zonder Wijsheid; de Bodhisattva-Mahāsattva's specialisatie is niet eenzijdig of star. Zie ook de pagina over Manjushri bodhisattva.

4. - Samādhi. Een aardige vertaling hiervoor is het duitse woord Versenkung. Samādhi is een meditatieve praktijk of meditatieve staat.

5. - "Het relatieve weten" heeft te maken met het begrip samvrti satya, de 'relatieve waarheid'.

Hier wordt het verwoordt met "vikalpa": onderscheiden. Hoewel in deze Yogacara-paraktijk alle onderscheiden wordt afgewezen, komt het begrip toch een aantal keren terug, zowel als gewoon maar "onderscheiden", als dat "Juist Onderscheiden" waarbij de gearriveerde yogin toch even achterom kan kijken om te zien dat het goed was.
Verder hebben we nog het begrip "onderscheid-aanleggen" dat in het Sanskriet prapanca (prapándzja) heet en dat in alle gevallen verkeerd is. Het staat voor het wikken en wegen, het gebabbel in de geest, voor de verslaving overal een ja/nee-mening over te moeten hebben, voor de obsessie alles te moeten beoordelen in termen van relatieve, respectievelijk absolute waarheid, en voor de verkeerde zienswijze fenomenen te moeten verdelen naar "bestaan" of "niet-bestaan".

6. - De tien krachten en de zes bovennatuurlijke vermogens.
De Dasa(=10)-Nipāta(=deeltje) van de Pali Angúttara Nikāya, de Sīhanādasutta (de Leerrede die de 'Leeuwenbrul" van Boeddha wordt genoemd), geeft deze tien, de dasa-balanana, als volgt:
1/ Thanatthana ñāna - de kennis van de werkelijkheid, het zien dat het mogelijke mogelijk is, en dat het onmogelijke onmogelijk is;
2/ Kammavipāka ñāna - kennis over de resultaten van handelingen uit het verleden, heden en de toekomst;
3/ Sabbathagāmini ñāna - kennis van het pad dat leidt naar het welzijn van alle wezens;
4/ Aneka-dhātu ñāna-dhātu loka-ñāna - kennis van de wereld met zijn verschillende elementen;
5/ Ñadhimuttikata ñāna - kennis van de verschillende inclinaties der wezens;
6/ Índriya paropariyatta ñāana - kennis over de verhevenere en lagere faculteiten (vermogens) van wezens;
7/ Jhānadi Samkilesa Vodanavutthana Ñāna - kennis over de mentale bezoedelingen, de zuiverheid, het 'opstijgen' in jhāna (dhyāna), concentratie, dat wat bereikt is, etc.;
8/ Pubbenivasa ñāna - kennis van voorgaande levens;
9/ Cutupapata ñāna (of dibbacakkhu ñāna) - met het supranormale zien waarnemen hoe mensen verdwijnen (overlijden) en weer verschijnen (geboren worden), afhankelijk van hun karma;
10/ Asavakkhaya ñāna - kennis over het uitdoven van alle mentale verslavingen en bezoedelingen.
Dit is de Arahatta-maggaña ñāna, het pad en de kennis van de Arhat.

In de Mahāyana-compilaties zijn de tien: kennis van voorgaande bestaansvormen, bovennatuurlijk vermogen tot horen, kennis van andermans geest, bovennatuurlijk gezichtsvermogen, bovennatuurlijke kracht of vermogen, op alle plaatsen vele vormen kunnen aannemen, het vermogen bezitten om glorie over je eigen leefsfeer te kunnen afroepen, het tonen van een transformatie-lichaam (je in andere, vele gedaanten kunnen voordoen), de macht om kwaad en wedergeboorte een halt toe te roepen.

De door Sten Konov gerestaureerde Sanskriet-tekst van de Dasa-sahásrika Prajñā-paramitā, een van de kortere compilaties van de "Perfectie van Wijsheid", geeft de volgende opsomming:
1/ Hij [Boeddha] weet wat de juiste plaats [voor diepgaande meditatie] is, en wat niet de juiste plaats is;
2/ Hij kent de vrucht [van handelend leven]; hij kent de plaats ervan en de oorzaken in het verleden en de toekomst, en hij kent het huidige handelen en hoe dit zich [als een karmische voorraad] opstapelt;
3/ Hij is juist op de hoogte van de vele verschilende componenten van de wereld;
4/ Hij heeft de juiste kennis over de verschillende, de vele inclinatie der wezens en mensen;
5/ Hij heeft de juiste kennis over de hogere en lagere gradaties in faculteiten [mogelijkheden] van andere wezens en mensen;
6/ Hij weet naar waarheid hoe het Pad zich in alle richtingen uitstrekt;
7/ Hij heeft de juiste kennis over de [mentale] bezoedelingen, de pacificatie, het oprijzen [het licht of opgewekt worden van de geest], de faculteiten, de krachten, de kenmerken van verlichting, de bevrijdingen, de meditaties, de concentraties, het Bereiken;
8/ Hij herinnert zich zijn vele voorgaande levens;
9/ Hij weet naar waarheid hoe wezens verdwijnen en weer verschijnen;
10/ Omdat de mentale bezoedelingen in hemzelf verdwenen zijn bereikt hij de onbezoedelde bevrijding van de geest en wijsheid, nog in dit leven: -- voor mij is er geen wedergeboorte meer; ik heb een zuiver leven geleefd; ik heb gedaan wat gedaan moest worden; ik weet dat er hierna geen worden meer is.


De Sanskriet-tekst luidt:
1/ sthānam sthānato yathābhūtam prajānāti, asthānam asthānato yathābhūtam prajānāti.
2/ atītānāgatapratyutpannānām karmanām karasamādānānām ca sthānaso hetus vipākam yathābhūtam prajānāti.
3/ anekadhātunānādhātulokam yathābhūtam prajānāti.
4/ parasattvānām parapudgalānām nānādhimuktikatām anekādhimuktikatām yathābhūtam prajānāti.
5/ parasattvānām parapudgalānām indriyaparāparatvam yathābhūtam prajānāti.
6/ sarvatragāminīm pratpadam yathābhūtam prajānāti.
7/ indriya-bala-bodhyanga-vimoksa-dhyāna-samādhi-samāpattīnām samklesa-vyavadāna-vyutthāna-jñānam yathābhūtam prajānāti.
8/ anekavidham pūrvanivāsam anusmarati.
9/ sattvānām cyutyupapattim yathābhūtam prajānāti.
10/ āsravānām ksayād anāsravām cetovimuktim prajñāvimuktim drsta eva dharma svayam abhijñāya sāksātkrtyopasampadaya viharati: ksīnā me jātir usitam brahmacaryam krtam karanīyam nāparam asmād bhāvam jānāmīti.


Zie voor de tien supranormale vermogens van de Bodhisattva boek 28 van de Avatámsaka Soetra.

De 6: 1) kennis van bovenwereldse oorden; 2) het vermogen om hemelse wezens te zien, of te zien zoals een deva, een hemels wezen, ziet; 3) het vermogen deze wezens te horen, of te kunnen horen zoals zij; 4) kennis van anderman's geest; 5) kennis over de aard en plaats van wedergeboorte; 6) bezit van de perfecte wijsheid om aan morele obstakels en onwetendheid een eind te maken.

Voetnoten 7 en 8 op de bijlage

9. - De acht Vijñānas. Dit zijn de vijf zintuigen met denken als zesde, plus een bewustzijn dat al deze 6 aanstuurt en overschouwt, plus het Opslagbewustzijn waarover nog uitgebreid gesproken zal worden.

10. - Tathāgata. Zo-gekomene of Zo-gegane, een van de titels van Boeddha.

11. - Geleerden, Toehoorders (srāvakas) en Zelf-Verlichtten (Pratyekaboeddhas). De laatste twee bevinden zich in het Kleine Voertuig.

12. - Rákshasa. Een van de niet-menselijke bestaansvormen.

13. - Gāthā. Zang of lied.
Er zijn een aantal woorden die de vedische traditie van India en de vroeg-perzische religies gemeen hebben. Gatha is er een van. In het perzische geval wordt het woord gebruikt wanneer gesproken wordt over de op schrift gestelde zangen van of over Zarathustra. Een ander gezamenlijk woord is daeva in het vroeg-perzisch, en deva in het sanskriet, een hemels wezen van redelijk ondergeschikt belang. Nog een gezamenlijk woord is Haoma of soma. Een vierde gezamenlijk woord is Sarásvati. In de vedische leer staat het woord zowel voor een verborgen rivier als voor de godin van wijsheid.
De drie eerste woorden komen ook in het boeddhisme voor, met een aangepaste betekenis.
Onderlinge betrekkingen tussen volkeren op dat deel van het continent betekende ook een migreren, herinterpreteren, en indigeniseren van verschillende religieuze concepten.

14. - Súgata. Welgegaan; een titel voor Boeddha.

15. - Apsaras. Hemelse mannen en vrouwen; in boeddhistische iconografie voorgesteld als muzikanten.

16. - Yakshas. Oorspronkelijk "een lichtflits" waargenomen bij nacht. Later geďnterpreteerd als een niet-menselijk wezen.

17. - De wereld-van-objecten. boeddhisme heeft het over Twee Waarheden: de Relatieve Waarheid en de Absolute Waarheid. De eerste, de Relatieve Waarheid vinden we in de wereld van dingen of objecten, of fenomenen om ons heen. Daar kunnen we zeggen "de hemel is blauw"-- en dat doen we dan ook, we blijven redeneren over de wereld zoals die zich aan ons voordoet. Op het tweede vlak, dat van de Absolute Waarheid gaan we over die Relatieve Waarheid heen en realiseren dat die hemel niets "vastigs" heeft, geen kern ("zelf" genaamd) en dat onze ervaring ervan afhankelijk is van wat we zoal aan ervaringsmogelijkheden naar dit leven hebben meegebracht, alsook van wat we menen te weten over concepten als "hemel" en "blauw". Die Absolute Waarheid realiserend is ons bewustzijn rustig en onbewogen. Maar zolang we ons nog op het vlak bevinden van de Relatieve Waarheid zijn al die meningen, weetjes, overwegingen, vragen, als de wind die het in principe rustige water van een oceaan, of in ons geval de geest, opzweept. Die wind te doen ophouden, dat is de meditatieve weg van boeddhisme. Is dat gelukt dan toont zich de hoogste waarheid die zelfs voorbij het weten van niet-zelf, afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan gaat.

18. - Het getransformeerde en het transformeren (punt 2 van Rāvana's gāthā). Veel wordt gesproken over de Boeddhas' en Bodhisattvas' vermogen om zogenaamde transformatie-lichamen te doen zien. Daar is echter ook een andere interpretatie mogelijk, en wel de wetenschap dat het bewustzijn getransformeerd kan worden, dat er een dramatische omwenteling kan plaatsvinden richting Boeddhaschap.

19. - Het Grote Voertuig. Grofweg kent boeddhisme twee paden waarlangs geoefend kan worden: het Kleine Voertuig, vaak de orthodoxie genoemd, en het Grote dat in het verleden reformatie heeft toegelaten.

20. - Annutpattikadharmaksanti. Zie tekst 46.

21. - Drievoudige wereld. De werelden van verleden, heden en toekomst.

22. - Vers 18. Hier krijgt Boeddha de naam Mahāmati, de naam die we overigens tegenkomen als die van Boeddha's interlocuteur. In veel Mahāyana soetras, zoals de Bloemenkrans soetra, zien we dat Boeddhas uit een bepaald boeddhaland, en de bodhisattva-mahāsattva die hem daar als het ware vertegenwoordigt dezelfde naam dragen. Dit is gedaan om aan te tonen dat de Bodhisattva-mahāsattva die voorbij het negende stadium is gekomen identiek is aan Boeddhaschap. Zie voor "stadium" de desbetreffende aantekeningen.
Wanneer we kijken naar een aantal boeken uit de Avatamsaka soetra, dan zien we dat het Boeddhaland aangeduid wordt met "Weten", of "kennis."
23. - Vers 22. Eenzelfde uiting vinden we in de Bloemenkrans Soetra: "Met hun oog van wijsheid zagen ze [de Bodhisattvas] de waarheid - een meteloos rijk. "Kennis" was de naam van hun land. Wijds was het, uitgestrekt, grenzeloos, als de ruimte." (Zie de aanhef tot de geversificeerde passages uit het boek Zangen vanuit Tushita.)

24. - vers 33-37. In deze verzen herkennen we de filosofie van de Bloemenkrans Soetra (Avatámsaka) waarin bij voortduring wordt herhaald hoe een sfeer of wereld alle andere insluit en hoe in al die gemanifesteerde sferen, Boeddhalanden genaamd, allen die aanwezig zijn op het moment en op de plaats van Boeddha's uiteenzetting, Lanka in dit geval, zich tegelijkertijd ook in al die andere sferen bevinden, en hoe daar exact hetzelfde geschiedt als in de tekst die nu, hier, gesproken wordt. Het is het belangrijkste kenmerk van de chinese Huayen (Bloemenkrans soetra) filosofie, waar meesters zoals Fazang benadrukken hoe alle dingen elkaar insluiten of omvatten zonder dat dit leidt tot verlies van eigen vorm van die dingen of wezens.

25. - vers 34. Boeddhaland is een veelomvattend begrip. Het wordt gezien als een al dan niet mentale sfeer van zuiverheid waarover een Boeddha zich ontfermt. Diezelfde filosofie volgend wordt ook gezegd dat een boeddhaland je binnenste is, in zijn meest pure staat. De Himalaya-tradities en een deel van de oost-aziatische zeggen dat dit de getransformeerde staat van geest is die je op het moment van overlijden kunt binnengaan. De zen en daarmee gelijkstellende tradities gaan ervan uit dat deze transformatie - revolutie, zegt D.T. Suzuki - al tijdens dit leven bereikt kan worden. Wanneer dan een tekst als de Lanka zegt dat bodhisattvas "vele boeddhalanden" hebben bezocht, betekent het dat ze ofwel op vele grenzen van een leven naar een ander die getransformeerde staat zijn binnengegaan, ofwel dat ze tijdens dit of vele levens vele verlichte(ende) momenten hebben ervaren.

26. - vers 37. Dat wil zeggen, de Boeddha sprak de Soetra over de Afdaling op Lanka. Sommige vertaling zeggen dat hij "honderdduizend perfecte soetras" sprak, maar hier wordt vastgehouden aan de versie waarin hij zijn perfecte stemgeluid op vele manieren laat horen - dat perfecte stemgeluid dat een van de kenmerken is van een "Mahāpurusha", een Groot Wezen.

27. - vers 42. Dharmatā en sunyatā. Dharmatā is een moeilijk begrip. Het wordt vertaald met "aard zoals het (nu eenmaal) is", " de aard van de bevrijdde", "ware aard", "weg of aard van de fenomenen of de dingen". We kunnen het niet vertalen met "zoheid" omdat zoheid in 't Sanskriet "tathāta" is. Dharmas zijn "de dingen", "alles in en aan het universum". Als we het achtervoegsel -ta zien als de Instrumental, dan impliceert het begrip dharmatā dat de dingen gebruikt worden, ja zelfs nodig zijn, om de ware staat aan te duiden. In deze analyse is de logische volgende stap het zien dat de dingen (dharmas) en het absolute "gelijk", "hetzelfde" zijn. Je kunt de verhevenste staat niet realiseren zonder dat er de dingen in de wereld zijn, en vanuit die verhevenste staat gezien zijn de dingen van de wereld niet anders dan het Absolute zelf. Of zoals de Hart soetra zegt: "Vorm is sunyatā, en sunyatā is vorm." Sunyatā is dan dat conglomeraat van niet-zelf of kernloosheid, veranderlijkheid, en afhankelijkheid van voorwaarden en condities - de dingen gezien als illusoir.

Sunyatā: Om met hele grote stappen door de geschiedenis te gaan; de oudste teksten spreken over anattá, niet-zelf (atta = zelf, an is een ontkennend voorzetsel). Daar zegt Boeddha dat in de mens een eeuwigdurende vaste onveranderlijke kern afwezig is. De eerste Mahāyāna-geschriften, na de Prajńāparamitā-teksten, breiden het concept van het ensloze uit naar alle ademende en niet ademende fenomenen. Op dat moment komt het woord sunyatā pas werkelijk in beeld. De jongste teksten van de Theravāda-geschriften, die rond het begrip anattá, met name de Grote en Kleine Sunyatā Sutta uit de Majjhima Nikāya, zetten zich daar tegen af door het oorspronkelijke concept van anattá nog eens nadrukkelijk op te voeren.
Het duurt dan tot de generatie van de monnik-vertaler Kumārajiva, rond het jaar 400, voordat wordt gezegd dat alles dat ontstaat, bestaat en vergaat als gevolg van onderliggende voorwaarden en condities vlietend en voorbijgaand is, en dus sunyatā, ledig. Uiteindelijk resulteert dit in een generatie die een stem krijgt in de Lankāvatāra soetra die zegt dat al het vlietende illusoir is, en dat dit illusoire is-gelijk sunyatā is.
Deze laatste opvatting weerspreekt het aanvankelijke concept van anattá niet; het is alleen zo dat de eerste generatie(s) de noodzaak niet zullen hebben gevoeld in zo'n radicale zin te spreken over het ledig zijn van essentie, en dus van het vlietende van alle dingen in de wereld. Het vlietende werd wel uitgebreid benoemd, maar niet gedefinieerd als ledig, sunyatā.

28. - Vers 44. Boeddha zien is, in de filosofie van de Lanka (en van zen), afstand gedaan hebben van discursiveren. Die stille staat-van-geest is zowel Boeddha, verlichting zelf, als dat wat die stille geest al dan niet meemaakt.
Het lijkt er op dat ook dit leerstuk gebaseerd is op de oudste tekstlagen. In de Sutta Nipāta, behorend tot de Pali-canon, in de Ajitamānavapucchā (PTS F.188: 1037) krijgt de kersverse monnik Aadjita het volgende te horen: "... (het koppel) naam en vorm kan tot een volkomen eind gebracht worden door het ophouden van het denken (vińńāna)." "Naam en vorm" is een technische term voor wat we vandaag lichaam en geest noemen; ze zijn onafscheidelijk. "Het denken" is hier een vertaling van het Pali-woord vińńāna. Zoals boven gesteld lopen in de oude teksten de verschillende aanduidingen voor denken, geest, en bewustzijn door elkaar.
( ... yatta nāmań ca rūpań ca asesam uparujjhati: vińńānassa nirodhena etth' etam uparujjhati.)

29. - "Waar de wereld geen gestalte heeft." Dit verwijst naar die stille geest waarin we ons geen beelden maken van wat er dan ook maar voorstelbaar is. Deze staat van geest inspireerde de Enkel Bewustzijn-traditie (Yogacāra) tot de leerstelling dat alles uit de geest voorkomt - hetgeen de tekst van het belangrijkste Dharmapada-vers volgt: "Alle dingen worden door de geest aangestuurd. De geest gaat vooraf, ze geeft gestalte." (Manopubbángamā dhammā | Manosetthā, manomayā).
In die Yogacara-filosofie (spreek: jooga-tsjaara) "scheppen" we dus geen wereld zoals een godheid wordt verondersteld dat te doen, maar wordt de wereld pas, uit componenten samengesteld, een wereld, d.w.z. zichtbaar, hanteerbaar, benoembaar zodra de geest met het voorhanden materiaal aan de slag gaat en er beeld, geluid, geur enzovoorts van maakt. Zowel in de Surángamasutra als in het boek Zangen vanuit Suyāma uit de Bloemenkrans Soetra vinden we de metafoor van een schilder "die [met verf, penselen en doek] een wereld schept." Die schilder, zeggen beide heilige teksten, is de geest. Herlees ook verzen 42 en 43.
De Chinese traditie heeft het gezegde xin ji li, mind = principe.
Het ongetwijfeld deze mystiek-filosofische gedachtengang van het yogacara die het neo-confucianisme heeft beďnvloed. Zowel Lü Jiuyüan (1139-1193) als zijn quasi opvolger Wang Shouren (of Wang Yangming -- 1472 – 1529) hebben adagia die daarop wijzen. Lü: "Het universum is mijn mind, en mijn mind is het universum." Volgens de Wang-school is de mind de natuur (d.w.z. de ware aard der dingen).

30. - Paravritti. Ook vertaald met "omwenteling". Op het moment van verlicht geraken, zo wordt gezegd, keert de geest zich als het ware om, en af van het Relatieve, en gaat terug naar de oorspronkelijke Absolute staat, die verlichting is, of waar verlichting wordt gevonden.
Er is op gewezen dat hier een door en door Daoďstisch concept het boeddhisme was binnengebracht. De "Drie Zhi's", drie monniken, een de meester, en de andere twee de leerlingen, die rond het eind van keizer Huangdi's regering, in 169, een Prajnya-paramitā-tekst vertaalden, de Soetra over de Overgang naar Oneindige Oneindigheid dankzij Grote Verlichting (Da ming Du Wuji Jing), legden de nadruk op dit begrip van paravritti waarbij volgens een van de "Zhi's" het fundamentele principe van het leven was een terugkeer te bewerkstelligen naar zijn origineel, en dat dan het leven conform de Dao zou zijn.
Men gaat ervan uit dat dit de gedachtengang van Lazi en Zhuangzi is, alhoewel met name Laozi ook zegt dat uit de Dao alles voort en voort stroomt (en nooit terugkeert).
Samen met een ander voorbeeld in het tweede deel van deze Vertaling, waarin wordt gewezen op een Chinese invulling van de paramitā, is dit een van die momenten waarop we mogen aannemen dat latere Chinese copiďsten aanvullingen op een oorspronkelijke tekst hebben gemaakt.

31. - Buddhi. Buddh betekent ontwaakt of verlicht.

32. - De stadia op de weg naar Boeddhaschap. De Bloemenkrans Soetra bevat het boek De Tien Stadia (Dasabhumi). Dit is het bekenste werk dat zich bezig houdt met wat de bodhisattva, al dan niet in-spe, allemaal moet doen om Boeddhaschap te bereiken.

33. - Citta, Manas en Manovijñāna (tsjieta, maanas, maano-vidjaana). Binnen de Tharavāda-traditie worden deze drie begrippen gezien als synoniem, maar hier moeten we Lanka's Mahāyāna-interpretatie volgen. Citta staat in de Lanka voor een opslagfaciliteit waarin de "zaden" van alle gedachten en daden zijn opgeslagen.
In het tantrische boeddhisme, zegt A. Waywan(*), wordt citta gezien als de plaats in het hart. We mogen "plaats in het hart" dan wellicht interpreteren als de gedachte die heel bewust gekoppeld is aan het sentiment dat er mee opgeroepen wordt.
Manas is het denken: het wenst, onderscheidt, beoordeelt, en leidt uiteindelijk tot het ervaren van dualiteit, tot overwegingen als "ik en de anderen." Hieraan moet worden toegevoegd dat, onder invloed van een grote belangstelling voor het Taoďsme in het westen begrippen als het Ene versus dualiteit binnen boeddhistische teksten over het algemeen worden herleid naar de discussie daarover in de klassieke Taoďstische geschriften. Echter, wanneer duidelijk uit de indiase invloedssfeer stammende canonieke werken aan de orde zijn spreken over het Ene en de Dualiteit, dan stoelen dergelijke uitspraken op filosofieën uit de indiase traditie. Die woorden over eenheid in de indiase filosofische geschriften vinden dan weer hun basis in de hindu theologie en yogische ervaringen. "hindu-revelatie en yogische ervaringen" zegt Gavin Flood in zijn Introduction to Hinduďsm, p. 229, "verwijzen naar een absolute realiteit die Een is, zonder twee..."
. Manovijñāna: Er zijn vijf zintuigen plus denken of mentaal actief (manas) zijn als zesde. Manovijñāna is het zevende: het superviserende bewustzijn. Andere geschriften en andere trends zullen het zevende bewustzijn benoemen met alaya-vijñāna, het Opslagbewustzijn. Hierover is veel onduidelijkheid, en veel debat.
(*)Aspects of Buddhist Sanskrit, Sarnath 1993

34. - De geleerden en de leer van oorzakelijkheid. De lezer wordt er aan herinnerd dat boeddhisme zich vooral van andere wereldbeschouwingen onderscheidt door het feit dat wij geen Eerste Oorzaak erkennen, noch een volledig gedetermineerd zijn, al dan niet door een macht of kracht die ons leven in de hand houdt. Kies voor dit onderwerp uit de vele introducties tot boeddhisme die in de loop der jaren zijn verschenen.

35. - Tathāgatagarbha. Schoot van of waaruit de Boeddhas voortkomen. Dit onderwerp komt nog uitgebreid aan bod.

- De passage beginnend met "Goed gedaan!"
36.
. Nihilisme. De voorgaande passage liet zien hoe de geest als het ware "de schilder is die een wereld schept" - zie boven. Met deze zienswijze wordt voorkomen dat de Enkel-Bewustzijn-filosofie wordt uitgelegd als een volstrekt niet bestaan van een externe wereld - een veel gemaakte fout die in de canon wordt omschreven met "vernietigingsleer."

37.
. De opinies van de Vedas. Vroege chinese vertalers verwezen hiermee impliciet naar niet-boeddhistische filosofieën over eeuwig zelf en soortgelijke omschrijvingen.

38.
. De zes dhyānas. De orthodoxie spreekt in nagenoeg alle soetras over vier dhyānas, vier meditatieve stadia: van een gelukservaring tot het stadium van noch wel, noch niet ervaren. Door het bereiken van de vierde dhyāna verkrijgt de yogin de zes bovennatuurlijke vermogens, deze worden de zes dhyānas genoemd. De laatste ervan bestaat uit het totaal verwijderen van ook de laatste restanten van de wortels tot kwaad of onheilzaam gedrag. De Lanka vertelt hier dus dat zelfs dit niet alles is, dat ook deze zes overstegen moeten worden.

39.
- Gezegende. Sanskriet: bhagavant.

Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme