LANKAVATARA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 2
Deel 2



   
Tekst 20

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: Gezegende, volgens uw leer is het eeuwig-ondenkbare de verheven staat van zelf-realisatie, is ze de hoogste realiteit. Is het echter niet zo dat ook de geleerden over het eeuwig-ondenkbare spreken en het de scheppende kracht noemen?

De Gezegende antwoordde: Nee, Mahāmati, het eeuwig-ondenkbare zoals de geleerden zich dat voorstellen, dat wil zeggen als karakteristiek voor hun schepper, kan geen stand houden. Waarom niet, omdat (,naar mijn analyse,) hun idee van eeuwig-ondenkbaar het idee van oorzaak (van dat eeuwig-ondenkbare) uitsluit. Mahāmati, als hun idee van het eeuwig-onvoorstelbare niet conform een oorzakelijkheidsfilosofie is, hoe kan het dan houdbaar zijn? Anderzijds, zou het idee van eeuwig-ondenkbaar wel conform een oorzaak die in zichzelf berust zijn, dan is inderdaad het woord eeuwig op zijn plaats. Maar omdat hun filosofie over een schepper berust op een daarachter gelegen oorzaak, daarom kan het niet eeuwig-ondenkbaar zijn. Maar, Mahāmati, mijn hoogste realiteit is het (ware) eeuwig-ondenkbare, want het is conform aan het concept van voorwaarden en condities, en het is voorbij bestaan en niet-bestaan (d.w.z. voorbij dualisme). Omdat het de verheven staat van zelf-realisatie is heeft het zichzelf als karakteristiek (is het niet-twee). Omdat het zichzelf, de hoogste realiteit, onderbouwt is het een oorzaak-in-zichzelf. Omdat het ver is van bestaan en niet-bestaan (de relatieve wereld) is daarin geen handelen (want ook handelen is kernloos). Omdat het niet in de zelfde categorie ingedeeld kan worden als het luchtruim, nirvāna, en ophouden (nirůdha), daarom is het eeuwig. Daarom is het (,mijn,) eeuwig-ondenkbare niet hetzelfde als dat van de geleerden; de Tathāgata's eeuwig-ondenkbare is "datheid" (tathāta) hetgeen zij, gebruik makend van nobele wijsheid in zichzelf realiseerden.
Laat de Bodhisattva-mahāsattva zich daarom disciplineren om zodoende, nobele wijsheid inzettend, de waarheid van zelf-realisatie te bereiken, hetgeen het eeuwig-ondenkbare zelve is.

Verder, Mahāmati, heeft het eeuwig-ondenkbare van de geleerden niet eeuwigheid als karakteristiek omdat het een niet-eeuwige oorzaak heeft; wat zij aanzien voor eeuwig is niet eeuwig, want het heeft de kracht niet zichzelve te veroorzaken. Als, verder, Mahāmati, de geleerden de eeuwigheid van hun eeuwig-ondenkbare bewijzen als in tegenspraak met schepping, en daarmee het niet eeuwig zijn van geschapen dingen tonen, dan kan ik, een zelfde redenering volgend, bewijzen dat hun eeuwigheid de naam niet verdient, precies omdat geschapen dingen niet eeuwig zijn; ze ontstaan (althans, in de gedachtengang van de geleerden).

Als, nogmaals, Mahāmati, dat eeuwig-ondenkbare van de geleerden zich conformeert aan de idee van een oorzaak, dan is wat zij de karakteristiek van een oorzaak noemen een niet-entiteit, vergelijkbaar met hazehorens. Dan is hun eeuwig-ondenkbare niet meer dan gepraat, onderscheid-aanleggen; en daarin ligt dan de geleerden's fout. Waarom? omdat praten en onderscheid-aanleggen hazehorens genoemd kunnen worden; ze hebben niet de karakteristiek van het zelf-geschapene.

Bovendien, Mahāmati, is mijn eeuwig-ondenkbare werkelijk eeuwig omdat het zijn ontstaan vindt in de verheven staat van zelf-realisatie, en omdat het (bovendien) niets van doen heeft met een schepper (,en) met bestaan en niet-bestaan. Mijn (gerealiseerde) eeuwigheid is geen afgeleide van redeneringen die gebaseerd zijn op externe (in de wereld-van-objecten bestaande) noties over bestaan en niet-bestaan, over eeuwigheid en niet-eeuwigheid. Zou het eeuwig-ondenkbare eeuwig zijn op basis van redeneringen over niet-bestaan en eeuwigheid van externe dingen, dan kunnen we van deze opvatting van het eeuwig-ondenkbare zeggen dat de geleerden niet begrijpen wat bedoeld wordt met het karakteristieke zelf-veroorzaakte. Omdat zij de staat van zelf-realisatie, die bereikt kan worden door Nobele Wijsheid in te zetten niet bezitten, slaat hun verhandeling nergens op.

Toelichting bij tekst 20

- "Het eeuwig-ondenkbare de verheven staat van zelf-realisatie, is ... de hoogste realiteit." Uit tekst 8 moeten we begrijpen dat deze hoogste realiteit identiek is aan wat daar de "zelf-aard, het eerste principe" wordt genoemd. Die Hoogste Realiteit is zevenvoudig: de wereld van het denken, van Kennen, van supranormaal Weten, van denken-in-dualiteit, voorbij de bodhisattva-stadia, en de Tathāgata's wereld waarin hij zijn realisatie toont. Merk op dat ons dagelijkse op-zijn-kop denken (het denken in dualiteit) net zo goed deel uitmaakt van de Hoogste Realiteit als de Boeddha-sfeer.

- Voorwaarden en condities.
Moge de Mahāyana dan, in hoogste analyse, het idee van veranderlijkheid verwerpen, dat echter de illusoire gestalten ontstaan en bestaan op basis van onder- en achterliggende voorwaarden en condities valt aan te tonen.

- "Maar, Mahāmati, mijn hoogste realiteit is het (ware) eeuwig-ondenkbare, want het is conform het concept van voorwaarden en condities."
Met deze zin verwijzen we naar bovenstaande opmerking waar gezegd wordt dat de gewone wereld van denken in tegengestelden deel uitmaakt van de hoogste realiteit. Met andere woorden, samsara en verlichting zijn een, daar is geen dualiteit. Merk op dat in de laatste zin van deze alinea het eeuwig-ondenkbare, de hoogste realiteit nirvāna ontstijgt; ook het hechten aan een dergelijk concept moeten we overboord zetten.

- "Daarom is het (d.w.z., mijn) eeuwig-ondenkbare niet hetzelfde als dat van de filosofen." Hier wordt verteld dat er geen externe "Eerste Oorzaak" is, maar dat de realisatie zelf het absolute eindpunt is, en niet iets dat daar dan weer aan voorbij gaat.

- "Als, verder, Mahāmati, de filosofen de eeuwigheid van hun eeuwig-ondenkbare bewijzen door (de filosofie van) schepping aan te voeren ..."
De gedachtengang achter deze passage is, dat, waar het eeuwig-ondenkbare en de geschapen dingen niet identiek en onverbrekelijk aan elkaar verbonden zijn, het een niet uit het ander kan voorkomen; daarmee is dan het eeuwig-ondenkbare van de filosofen niet de scheppende kracht die zij veronderstellen het te zijn, maar niet meer dan een spel van woorden.




Tekst 21

Verder, Mahāmati, weten zij die bang zijn voor het lijden dat inherent is aan het onderscheid maken tussen enerzijds geboren worden en sterven, en anderzijds nirvāna, niet dat deze twee niet van elkaar gescheiden zouden moeten worden. Verder is het zo dat, omdat zij zien dat de van elkaar te onderscheiden fenomenen geen werkelijkheid hebben, ze (als gevolg daarvan) denken dat nirvāna het verder vernietigen is van de zintuigen en de sferen waarin deze operatief zijn. Mahāmati, ze zijn zich er niet van bewust dat nirvāna het Opslagbewustzijn is waar op het moment van zelf-realisatie een ommekeer en afwenden (paravritti) plaats vindt. Daarom spreken de onozelen in termen als "Drie Voertuigen", en hebben ze het niet over de staat van Enkel-Bewustzijn waarin zich geen beelden (bv. geen onderscheiden Voertuigen, yānas,) aftekenen. Daarom hechten zij die de leer van de Tathāgatas uit het verleden, het heden en de toekomst niet kennen, leringen die ideeŽn als "externe wereld" behandelen - die toch in en uit bewustzijn zelve zijn, aan de notie dat er een wereld is buiten het bewustzijn, en daardoor gaan ze maar voort en voort door het wiel van geboren woren en sterven (samsara).

Verder is het zo, Mahāmati, dat, zoals de leringen van alle Tathāgatas uit het verleden, het heden, en de toekomst verklaren, alle dingen ongeboren zijn. Waarom? Omdat ze werkelijkheid ontberen, omdat ze manifestaties van (het Opslag-)bewustzijn zijn; omdat ze niet ontstaan uit bestaan of niet-bestaan, daarom zijn ze ongeboren. Mahāmati, alle fenomenen zijn als hazehorens, als horens op een paard, een ezel, of een kameel. De simpelen van geest echter, toegewijd als ze zijn aan hun verkeerde voorstellingen van zaken, zien dingen (als objectief bestaand) waar ze niet zijn. Daarom: alle dingen zijn ongeboren. Dat alle dingen naar hun zelf-aard ongeboren zijn (is een wetenschap die) tot het rijk van zelf-realisatie behoort die dankzij Nobele Wijsheid aan het licht komt; in essentie behoort het niet tot het rijk van dualisme, niet tot dat van onderscheid-aanleggen, zo geliefd bij de onwetenden en de simpelen van geest. De zelf-aard en de kenmerken van lichaam, eigenschappen en verblijfplaats komen (slechts) aan het licht wanneer de onwetenden het Opslagbewustzijn voorstellen als dat wat enerzijds het grijpen is, en anderzijds het gegrepene. Op dat moment vervallen ze in een dualistische visie aangaande het bestaan waar ze (vervolgens) ontstaan, bestaan, en verdwijnen in (menen te) herkennen, en koesteren ze de gedachte dat alle dingen geboren zijn (uit een oorzaak) en onderhevig aan onderscheid naar bestaan en niet-bestaan. Daarom, Mahāmati, disciplineer je (in zelf-realisatie).

Toelichting bij tekst 21

- " ... nirvāna het Opslagbewustzijn is..." Merk op dat ook hier weer wordt verteld dat het ultieme en het relatieve, d.w.z. nirvāna en samsara, een zijn, want in het Opslagbewustzijn liggen de zaden van alle handelen (goed en minder goed) opgeslagen, en het beweegt mee met de op het relatieve vlak actief zijnde zintuig-bewustzijnen.

- "... alle dingen geboren zijn (uit een oorzaak) ..."
Het kan niet genoeg benadrukt worden dat Boeddhisme het geboren worden uit een (Eerste) oorzaak afwijst, maar daarentegen zegt dat er voorwaarden en condities zijn die het mogelijk maken dat een of ander fenomeen zich toont, danwel weer verdwijnt. Een illustratie daarvoor is de vergelijking van de pot en het stof waaruit die pot gemaakt is uit het eerste hoofdstuk: de voorwaarden en condities zijn hier aarde, water, de handen van de pottenbakker en hitte van zon of vuur. Als gevolg van een samenkomen van deze gegevens kan er een pot ontstaan; onbreekt er al was het maar een van die voorwaarden, dan is de fabricage van een aarden pot niet mogelijk.




Tekst 22

Mahāmati, verder zijn er vijf groepen van individuen, en binnen iedere groep behaalt het individu het (daarbij behorende) inzicht. Welke zijn die vijf? Dat zijn: zij wier inzicht behoort tot dat van de Toehoorders; zij wier inzicht behoort tot het Voertuig van de Zelf- Verlichten; zij die thuis horen in het Voertuig van de Tathāgatas; zij wier karakter niet te definieren valt, en de groep waarbinnen nooit enig inzicht zal komen.

Mahāmati, hoe herken je de groep uit het Toehoorders-Voertuig? Daar zijn mensen die kippevel krijgen wanneer ze de aard van de skandhas, dhātus, āyatanas kennen en waar maken, en bovendien begrijpen wat bedoeld wordt met algemeenheid en individualiteit. Hun hart springt op wanneer ze die weg beoefenen die behoort tot de categorie verschijningen; ze hebben minder begrip van, en oefenen ook minder op de weg die de ononderbroken keten van afhankelijk, voorwaardelijk bestaan wordt genoemd. Deze mensen behoren tot het Toehoorders-Voertuig. Nadat ze een inzicht hebben gewonnen in wat behoort tot hun eigen Voertuig verblijven ze op het vijfde of zesde (van de tien bodhisattva-)stadium waar ze het ontstaan van passies niet meer toelaten, maar echter geen eind maken aan gewoontepatronen. Ze zijn nog niet voorbij het onvoorstelbare stadium van dood door transformatie, en hun leeuwebrul is, "mijn leven is vernietigd, mijn moraliteit is geperfectioneerd, enzovoorts." Daarna zullen ze zich disciplineren in het zelfloos-zijn van de mens en uiteindelijk nirvāna bereiken.

Mahāmati, dan zijn er nog anderen die geloven in zaken zoals ego, zijn, vitaal principe (jivitŪndriya), Voeder, hoogste geest of persoonlijke ziel, en daarin nirvāna zoeken. Er zijn er ook die, wanneer ze zien dat alle dingen afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, dit zien als de weg naar nirvāna. Maar omdat deze (laatsten) geen inzicht hebben in het zelfloos zijn van (niet alleen wezens maar ook) dingen, kunnen ze zich daar niet van bevrijden. En hier, Mahāmati, is het dat het Toehoorders-Voertuig en de geleerden dat verkeerde inzicht tonen dat er toe leidt dat ze niet-bevrijding bevrijding gaan noemen. Mahāmati, daarom moet je jezelf disciplineren om aan dit verkeerde inzicht te ontsnappen.

En dan, Mahāmati, behoren diegenen tot het Zelf-Verlichten-Voertuig die tranen voelen opkomen en kippevel krijgen wanneer hen het inzicht van de Zelf-Verlichten wordt getoond. Wanneer hen het volgende wordt onthuld, namelijk het zich verre houden van sociale interactie en verwikkelingen, het niet gehecht raken aan de externe wereld en zijn vele vormen, het tonen van supra-normale vermogens waarbij zij meer dan een enkele gestalte kunnen aannemen of (andere) transformatie tonen, dan voelen ze zich hierdoor aangesproken en uitgenodigd. Beseffend dat zij behoren tot die groep mensen wier inzichten behoren tot die van het Zelf-Verlichtten-Voertuig, zullen ze in overeenstemming daarmee de Dharma uiteen zetten. Mahāmati, dit is de karakteristiek van hen die behoren tot het Zelf-Verlichtten-Voertuig.

Wel, Mahāmati, het inzicht van hen die behoren tot het Tathāgata-Voertuig kent drie aspecten. Dat zijn: het inzicht dat de zelf-aard van dingen geen zelf-aard is, een verheven weten dat toont dat zelf-realisatie is bereikt, en een kennen van de onmetelijkheid van alle externe Boeddhalanden. Mahamati, wanneer deze drie aspecten de een na de ander worden onthuld, wanneer het onvoorstelbare rijk van het Opslagbewustzijn wordt onthuld waarin lichaam, eigenschap en sfeer gezien worden als manifestaties van het bewustzijn zelve - en wanneer het individu daarbij geen enkele vorm van angst vertoont, dan wordt zo iemand beschouwd als behorend tot het Tathāgata-Voertuig. Mahamati, dit is het wat diegenen kenmerkt die tot het Tathāgata-Voertuig behoren.

Mahāmati, wanneer een persoon geconfronteerd wordt met deze vormen van inzicht dan kan men hem of haar er van overtuigen dat disciplinering op die weg goed is. Doet zo iemand dat, dan bevindt hij of zij zich in het aanvangsstadium leidend tot intrede in deze groep. Die persoon heeft dit stadium nodig om tot de staat van zonder-beelden-zijn te kunnen geraken. Maar de Toehoorder die op pad gaat om zijn gepassioneerde gewoontepatronen te zuiveren door een innerlijke perceptie aangaande het Opslagbewustzijn te ontwikkelen, en door te zien (dat niet alleen het wezen maar ook) de dingen zelfloos zijn, zal zich vestigen in de vreugde van samādhi en zal uiteindelijk het lichaam van de Tathāgata verwerven.

De Gezegende reciteerde de volgende verzen:
130. Het resultaat behaald door degeen die "de Stroom binnengaat", dat van hen die nog slechts een leven voor zich hebben, dat van hen die niet meer (in mensengedaante) zullen terugkeren, en arhatschap - al deze resultaten zijn slechts het gevolg van vervormd bewust zijn.

131. Ik spreek slechts over "Drie Voertuigen", of over "het Ene Voertuig", of over "Geen-Voertuig" ten behoeve van zowel de langzamen van geest als van de wijzen die de eenzaamheid prefereren (Zelf-Verlichten).

132. De poort naar de hoogste realiteit heeft niets van doen met de twee vormen van gedachten-constructies (subject en object). Daar waar het zonder-beelden-zijn de realiteit is, is er toch geen noodzaak een boom op te zetten over de Drie Voertuigen?

133. De dhyānas, de (Onmetelijken (de meditaties op universele vriendelijkheid, mededogen, vreugde over andermans voorspoed en gulheid of gelijkmoedigheid) - geen van hen vinden we terug in de leer van Enkel-Bewustzijn (zij behoren de aanvangsleer toe).

Toelichting bij tekst 22

- "Het onvoorstelbare stadium van dood door transformatie." In de hoogste stadia van bodhisattva (-mahāsattva)schap is deze, nu een "boeddha-entiteit" gewordene in staat om in plaats van "gewoon" dood te gaan, verschillende gedaanten aan te nemen, aangepast aan de noden van zich op lagere treden bevindende wezens die naar Boeddhaschap geholpen moeten worden. Het bekendste voorbeeld daarvan vindt men in de Lotus soetra waar een heel jong meisje wordt toegevoegd dat het toch jammer is dat zijn geen man is, daar vanuit het lichaam van een vrouw Boeddhaschap niet verworven kan worden. In een oogwenk neemt zij dan de gedaante van een man aan en toont dat en hoe ze Boeddhaschap gewonnen heeft - om daarna opnieuw de gedaante van een kind aan te nemen - waarbij eenieder dan begrijpt dat de vorm, de gedaante, niets zegt over het stadium van cultiveren in een bodhisattva-mahāsattva.

In een eerdere toelichting werd uiteengezet dat de Lanka de Voertuigen van de Toehoorders en Zelf-Verlichtten afwijst.




Tekst 23

Mahāmati, hoe komt het dat de IcchŠntikas nooit verlangen naar zelf-bevrijding? Dat komt omdat hun hele voorraad aan verdienstelijke daden uitgeput is, en omdat ze bepaalde geloften hebben afgelegd met betrekking tot alle wezens. Wat bedoel ik met "voorraad aan verdienstelijke daden?" Deze term verwijst naar al diegenen die afstand gedaan hebben van wat er ten aanzien van de weg van de bodhisattvas is vastgelegd. Ze wijzen het af omdat ze ten onrechte beweren dat datgene wat over deze weg is gezegd niet overeenstemt met wat er in de soetras en de regels betreffende moraliteit staat, en ook niet met wat er staat over (zelf-)bevrijding. Zodoende hebben ze hun voorraad aan verdienstelijke daden uitgeput en zullen nirvāna niet bereiken.
Mahāmati, dan zijn er Bodhisattva-Mahāsattvas die, op basis van afgelegde geloften betrekking hebbend op alle wezens zeggen, "zo lang zij nirvāna niet verworven hebben, zo lang zal ik het binnengaan in die staat uitstellen"; - zo houden ze zich verre van nirvāna. Mahāmati, dit is de reden dat ze (deze categorie bodhisattvas) nirvāna niet binnengaan, en als gevolg betreden ze het pad van de IcchŠntika.

Mahāmati vroeg, "Gezegende, wie zijn diegenen die nooit nirvāna zullen binnengaan?
De Gezegende antwoordde: De (Bodhisattva-)IcchŠntika weet dat alle dingen in zichzelf en vanaf het beginloze begin nirvāna zelf zijn, daarom gaat deze Bodhisattva-IcchŠntika nirvāna niet binnen. Echter, al die IcchŠntikas die hun hele voorraad aan verdienstelijke daden (in een daad van ultieme zelfloosheid) hebben afgezworen, gaan nirvāna wel binnen. Mahāmati, die IcchŠntikas die hun hele voorraad aan verdienstelijke daden hebben afgezworen kunnen ooit nog wel eens onder de invloed van Boeddhas wonderlijke kracht komen, om dan die voorraad weer te activeren. Waarom? Omdat de Tathāgatas geen wezen aan de kant laten staan. Daarom is het (alleen) de (eerstgenoemde categorie) Bodhisattva-IcchŠntika die nooit nirvāna zal binnengaan (want het is al bereikt).

Mahāmati, verder dienen de Bodhisattva-Mahāsattvas zich de kennis omtrent de drie soorten svabhāva goed eigen te maken.
Mahāmati, onderscheid maken, hetgeen verkeerd is, ontstaat uit beelden (nimitta). Hoe verrijzen die beelden uit vorm? Zolang svabhāva nog wordt beschouwd vanuit een relatief weten (vanuit de visies behorend tot de wereld-van-objecten) verschijnen ze in diverse gedaanten, met lichamen, tekens, en vormen. Mahāmati, wanneer je aan deze lichamen, tekens, en vormen gaat hechten (ze voor echt en waar aanziet), dan is dit hechten tweevoudig. De Tathāgatas, Arhats, en Volmaakt Verlichtten zeggen dat onderscheid maken, hetgeen verkeerd is, bestaat uit (enerzijds) hechten aan namen, en (anderzijds) hechten aan objecten.
Mahāmati, met hechten aan objecten bedoel ik het hechten aan innerlijke en uiterlijke vormen. Met hechten aan namen bedoel ik dat iemand aan die innerlijke en uiterlijke vormen karakteristieken als individualiteit of algemeenheid gaat toekennen, en dan gaat denken dat die karakteristieken zonder enige twijfel bij de objecten behoren.
Mahāmati, dit zijn de twee vormen van hechten; zij ZIJN in wezen het onderscheid maken, hetgeen verkeerd is. De kennis over het relatieve aspect (paratantra) verrijst zodra we subject (asraya) en object (alŠmbana) van elkaar gaan scheiden.

Mahāmati, wat is Perfect Weten? Dit Perfect Weten wordt waar gemaakt zodra we de onderscheid-aanleggende noties over vorm, naam, realiteit, en karakteristiek opzij zetten; dit is de innerlijke realisering behaald dankzij nobele wijsheid. Mahāmati, dit Perfecte Weten is de essentie van de Schoot-waaruit-de-Tathāgatas-voortkomen (tathāgatagarbha).

Daarna reciteerde de Gezegende dit vers:
134. Vorm, naam, en onderscheid-aanleggen komen overeen met de twee (eerstgenoemde) vormen van svabhāva; Juiste Kennis en Zoheid (vormen de laatstgenoemde vorm van svabhāva's) aspect van Perfecte Kennis.

Mahāmati, dit (,wat ik tot nu toe uiteenzette,) wordt de leer genoemd die de aard van de Vijf Dharmas en de twee svabhāvas onderzoekt; het is het corpus van de staat van zelf-realisatie die behaald wordt door nobele wijsheid in te zetten; jij en andere bodhisattvas zouden deze discipline moeten beoefenen.

Toelichting bij tekst 23

- De drie vormen van svabhāva. Zie teksten 1,n.9; tkst 11, en 27.

- "Zolang svabhāva nog..." Deze alinea verwijst naar de oudste tekstlagen waarin het bestaande wordt ingedeeld naar twee kenmerken: nama (naam, betekenis geven), en rūpa (zintuiglijk waarneembare gestalte, of lichaam).

- Innerlijke en uiterlijke vormen zijn de beelden die onze geest schept, inclusief de gedachten, alswel als de vormen die de geest op een relatieve buitenwereld presenteert. Simpel gezegd, de innerlijke vorm is de stoel die we in gedachten scheppen, en de uiterlijke vorm is de stoel waar we op gaan zitten.




Tekst 24

Verder, Mahāmati, wens ik dat alle Bodhisattva-mahāsattvas een diepgaand begrip hebben van de aard van de tweevoudige zelfloosheid. Mahāmati, wat is dat, tweevoudige zelfloosheid? (1:) In de vijfvoudige groep van hechten (skandhas), in de elementen (dhātu), in de sferen (āyatana) is een zelf, een substantie afwezig, zijn er ook geen dingen (zoals karakteristieken) die tot zo'n substantie zouden kunnen behoren. De zintuigbewustzijnen (vijñāna) ontstaan uit onwetendheid, handelen, en verlangen; ze onderhouden die functie door met behulp van de zintuigen zoals het oog enzomeer, naar objecten te grijpen, en door daar vervolgens aan vast te houden als waren die zintuiglijk waarneembare vormen echt - terwijl toch de wereld-van-objecten en lichamen manifest gemaakt wordt omdat die wereld, die toch in en uit de geest is, niets anders is dan onderscheid-aanleggen, een onderscheid-aanleggen dat zich niet buiten het (Opslag)bewustzijn bevindt. Daar er als gevolg van verbeelding (dat maar substantieloze verbeelding is) vanaf de tijd zonder begin gewoontepatronen zijn geaccumuleerd, zorgen die gewoontepatronen er voor dat deze wereld (vishaya) van moment tot moment verandert en onderhevig is aan verval en verdwijning. Zie die wereld als een rivier, als een zaadje, een lamp, als de wind, als een wolk. Zie die wereld (als een manifestatie van Bewustzijn zelve) als een rusteloze aap, als een vlieg die voortdurend op zoek is naar vuil en vieze plaatsen; ze is als een vuur dat voortdurend gevoed moet worden, of vergelijk met een waterrad, of met een machine - zo gaat de wereld voort doorheen het wiel van geboren-worden en sterven en draagt ze een menigte aan lichamen en vormen met zich mee. Dat wiel (samsara) brengt de doden weer tot leven, vergelijkbaar met de demon Vťtala die, als een tovenaar, houten poppen tot beweging brengt. Mahāmati, deze fenomenen grondig doorzien, dat wordt begrip van het zelfloos zijn van personen genoemd.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met zelfloosheid der dingen? Het betekent dat je realiseert dat, alleen maar vanwege het feit dat men onderscheid aanlegt - hetgeen verkeerd is - de vijfvoudige groep van hechten, de elementen, en de sferen eenkarakterisering opgeplakt krijgen. Mahāmati, omdat er in deze drie laatsten geen substantie is, omdat de skandhas (de vijfvoudige groep van hechten) slechts een samenkomen van constituerende onderdelen zijn, omdat die onderdelen (niet meer dan) elkaars voorwaarde zijn, en onderling van elkaar afhankelijk - samengebonden als ze zijn door de ketenen van begeerte en handelen - en omdat er in hen geen scheppende entiteit is, daarom, Mahāmati, ontberen de skandhas de kenmerken van individualiteit en algemeenheid. Daar ze onderscheid aanleggen, hetgeen verkeerd is, denken de onwetenden hier een veelheid aan fenomenen waar te nemen; de wijzen doen dat echter niet. Mahāmati, de Bodhisattva-mahāsattvas zien dat geen ding zoiets heeft als Opslag-bewustzijn, denken, of het superviserende bewustzijn, noch ontdekken ze daarin de vijf Dharmas of de drie svabhāvas. Als gevolg begrijpen ze wat bedoeld wordt met zelfloosheid der dingen.

Mahāmati, zodra de Bodhisattva-mahāsattva een goed begrip heeft van het zelfloos zijn van dingen zal hij binnen niet te lange tijd het eerste stadium (van de 10 Bodhisattva stadia) bereiken; hij bereikt dat zodra hij definitief de (meditatieve staat) van zonder-beelden-zijn heeft verworven. Zodra vervolgens de kenmerken van de stadia voorgoed zijn verworven zal de Bodhisattva-mahāsattva diepe vreugde ervaren, en, geleidelijk de overige stadia doorlopend, zal hij het negende stadium bereiken waar zijn inzicht perfect zal zijn geworden; daarna gaat hij het (tiende en laatste) stadium, dat van de Dharma-regen (Dharma-megha) binnen. Zich daar vestigend zal hij zijn plaats innemen in het grote juwelen-paleis genaamd "Grote Lotus Troon"; die troon heeft de vorm van een lotus en is versierd met een variŽteit aan juwelen en parels. Daar zal hij een wereld verwerven en perfectioneren die de aard van Māyā (illusie) heeft. Omringd door bodhisattvas als hijzelf, door Boeddhas uit alle Boeddhalanden gezegend als ware hij de zoon van een wereldheerser (Cakravartin), gaat hij vervolgens voorbij dat stadium van Dharma-wolk en behaalt de nobele waarheid van zelf-realisatie en wordt een Tathāgata, toegerust met de volmaakte vrijheid van het Dharma-lichaam (Dharmakāya) - en al dit omdat hij (als eerste van vele stappen) de substantieloosheid der dingen heeft ingezien. Mahāmati, dit wordt de zelfloosheid der dingen genoemd, en hierin zouden jij en alle andere Bodhisattva-mahāsattvas moeten oefenen.

Toelichting bij tekst 24

- In feite zouden we de Lanka ook kunnen zien als een lange reprise van de AvatŠmsaka soetra's zesendertigste boek, zoals ook onderstaand wordt aangegeven.

- De eerste alinea: "De zintuigbewustzijnen (vijñāna) ontstaan uit onwetendheid, handelen, en verlangen; ze onderhouden die functie door met behulp van de zintuigen zoals het oog enzomeer, naar objecten te grijpen, en door daar vervolgens aan vast te houden als waren die zintuiglijk waarneembare vormen echt ..." De Sarvastivada-vaibhasika-traditie, niet meer als zelfstandige stroming bestaand meende dat de vijf zintuigbewustzijnen een inherent vermogen tot onderscheiden (svabhāvavikalpa) hebben. Het is niet ondenkbaar dat dit deel van de Lanka op deze kennis teruggrijpt.

- "... omdat die wereld, die toch in en uit de geest is, niets anders is dan onderscheid-aanleggen, een onderscheid-aanleggen dat zich niet buiten het Opslagbewustzijn bevindt."
Bedenk opnieuw dat volgens de Lanka en gelijkgestemde geschriften samsara en nirvāna een zijn, en dat daarom ook onderscheiden, op werelds niveau denken, niet verschillend is van de ultieme manifestatie van verlichting, en dat als gevolg het Opslagbewustzijn niet iets fundamenteel anders is dan de gewone zintuigbewustzijnen. De soetras spreken echter over deze en gene bewustzijnsmanifestatie teneinde het functioneren en manifesteren op verschillende niveaus van cultiveren duidelijk te maken. Deze gedachtengang was zeer belangrijk in het denken van bijvoorbeeld de monniken Ijing en Fazang, de belangrijkste sprekers van de Tien-T'ai en AvatŠmsaka-scholen van Boeddhisme. Zij benadrukten telkens weer het fundamenteel een en hetzelfde zijn van de fenomenen terwijl deze fenomenen niettemin nooit hun eigen manifeste vorm verliezen: koeien en paarden blijven van elkaar onderscheiden in hun manifeste vorm ook al zijn ze in hun aspect van sunyatā niet van elkaar verschillend. Ook in deze alinea van de Lanka wordt een hechten doorbroken: hechten aan "Mind" als het enig ware.
De AvatŠmsaka soetra, boek 36 over de praktijken van Bodhisattva-mahāsattva SamŠntabhadra zegt: "Alle landen zijn manifestaties / van het netwerk van conceptualiseren; / Door het net van illusies (vlot en vaardig) te hanteren / kun je in een oogwenk in al die landen doordringen."

- "Mahāmati, ... het zelfloos zijn van dingen, ..."
De Lanka maakt weliswaar veel werk van het vestigen van het begrip van zelfloosheid, op zich leidt dat begrip echter niet verder dan het eerste van tien te verwerven stadia op weg naar Boeddhaschap. Niettemin is dat stadium belangrijk, zoals de eerste streepjes op een velletje papier belangrijk zijn op weg naar de fraaiste staaltjes van schoonschrift.

- "Een wereld ... die de aard van Māyā heeft." Een zowel reŽle als illusoire wereld, reŽl omdat alle gestalten die bewustzijn tevoorschijn tovert op het relatieve vlak bestaan en serieus genomen mogen worden, illusoir omdat ze substantieloos zijn.




Tekst 25

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati tot de Gezegende: Onderwijst u mij alstublieft over het onderwerp "vaststellen en weerleggen" opdat wij bodhisattvas verkeerde opinies over dit onderwerp overboord kunnen zetten, opdat wij in een enkel ogenblik volmaakte verlichting waarmaken. Zijn we dan eenmaal verlicht, dan houden we ons verre van zowel vaststellen van de eeuwigheidsleer als van weerleggen van de vernietigingsleer (d.w.z. van zinloos polemiseren). Dan zal uw visie, die van een verlichtte, niet meer weerlegd kunnen worden.

De Gezegende die Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati's verzoek ten volle begreep, reciteerde daarop dit vers:
135. Vaststellen en weerleggen komt in Enkel-Bewustzijn niet voor. De onwetenden die niet begrijpen dat Bewustzijn lichaam, eigenschap en verblijfplaats (in een) is zwerven door samsara met (opinies over) vaststellen en weerleggen.

[71] Toen verklaarde de Gezegende dit vers als volgt:
Mahāmati, bevestigen van dingen die nochtans (in ultieme zin) niet bestaan, is viervoudig. Wat zijn die vier? Daar wordt vastgesteld dat dingen, die nochtans (in ultieme zin) niet bestaan, individuele kenmerken hebben (als waren het "echte"). Daar zijn vaststellingen omtrent filosofische opinies die (nochtans, in ware zin,) niet bestaan. Daar wordt vastgesteld dat er een Oorzaak is, die nochtans niet bestaat, en daar zijn vaststellingen over objecten die (naar ware aard) niet bestaan. Mahāmati, dit zijn de vier vormen van vaststellen.

En dan, Mahāmati, wat wordt bedoeld met weerleggen? Dat betekent dat er, omdat er onwetendheid is vanwege vaststellingen die gebaseerd zijn op onjuist inzicht, niet correct (en grondig) wordt onderzocht. Mahāmati, dit karakteriseert "vaststellen en weerleggen".

Verder, Mahāmati, wat karakteriseert "vaststellen aangaande individuele merktekens die nochtans niet bestaan?" Dat betreft merktekens als individualiteit en algemeenheid met betrekking tot de skandhas, dhātus en āyatanas die nochtans (in ultieme zin) niet bestaan. Maar wanneer iemand ze voor reŽl aanziet en er aan gaat hechten, dan kan zo iemand tot de bevestiging komen dat ze zo of zo zijn, en niet anders. Mahāmati, dit karakteriseert vaststellen en weerleggen. Mahāmati, dit vaststellen en onderscheiden van individuele kenmerken die nochtans (in ware zin) niet bestaan verrijst uit de sinds de tijd zonder begin opgeslagen gewoontepatronen, en dat verrijzen vindt plaats op basis van een veelvoud aan verkeerde inzichten, ontstaan uit fantaseren.

En verder, Mahāmati, wat ik bedoel met niet-bestaande filosofische inzichten is dat (door sommigen), in de skandhas, de dhātus, en de āyatanas een zelf wordt verondersteld, of een wezen, een ziel, iets levends (of leven-gevends), een Voeder, of een geest. Mahāmati, er wordt gezegd dat dit de vaststellingen zijn van enkele filosofische stromingen die (nochtans naar ware aard) niet bestaan.

Mahāmati, dan is er nog dit: Wat bedoeld wordt met het vaststellen van een niet-bestaande oorzaak is dat er een oorzaaksloze geboorte is (of zou zijn) van een eerste Bewustzijn. Dat eerste bewustzijn zou dan later een Māyā-gelijk (= illusoir) niet-bestaan krijgen, hetgeen wil zeggen dat het oorspronkelijk niet-geboren bewustzijn (pas) begint te functioneren wanneer oog, vorm, licht en herinnering het gaan conditioneren. Dat functioneren gaat dan een poosje door, en houdt vervolgens op. Mahāmati, dit is de vaststelling dat een oorzaak niet-bestaand is.

Vervolgens, Mahāmati, is er een vaststelling dat dingen niet-bestaand zijn, een vaststelling die geboren is uit het hechten aan niet-operatief zijnde dingen als ruimte, ophouden (nirodha), en nirvāna. (Echter,) deze (drie dingen) zijn noch bestaand, noch niet-bestaand. En zo is het met alle dingen: de tegengestelden van bestaan of niet-bestaan zijn niet toepasbaar op welk fenomeen dan ook; ze zijn als hazehorens, als horens op een paard of op een kameel, ze zijn als een haarnet dat iemand met staar meent waar te nemen. De onwetenden denken dat het realiteiten zijn. Omdat hun geest nog niet is doordrongen van die waarheid die zegt dat er buiten geestesgestalten zelf niets is zijn ze verslaafd aan polemiseren. Met de wijzen ligt dat anders. Mahāmati, dit is karakteristiek voor de vaststelling dat er niet-bestaande objecten zijn. Daarom, Mahāmati, zou je opinies gebaseerd op vaststellen en weerleggen moeten mijden.

Toelichting bij tekst 25

- De alineas na vers 135 hebben uiteindelijk alleen maar de bedoeling de praktikant grondig te doen inzien dat niets, maar dan ook niets, zelfs niet andere filosofische stromingen, noch hun inzichten, in ultieme zin gerangschikt kunnen worden onder een hoofdje "Bestaan"; alles is kern- of substantieloos, en niettemin functionerend. Tegen het eind van dit deel van de soetra komen we dan voorts een paar pogingen van niet-boeddhistische stromingen tegen die, geschrokken van dit boeddhistische niet-zelf, niet-ziel-principe, verwoede pogingen doen om zo'n zelf of ziel toch aan te tonen. Het is vergelijkbaar met hedendaagse niet-boeddhisten die weliswaar, de moderne fysica volgend, "begrijpen" dat zelfs in de sub-atomaire onderdelen van het bestaande niets vastigs is te vinden, maar twee seconden later even zo vrolijk spreken over de kinderziel.

- "Vervolgens, Mahāmati, ..." In de eerste regels van deze passage wordt gewaarschuwd tegen hechten aan noties als: "ruimte", of verlichting, of nirvāna op zich handelen niet, creeeren geen karma, en dat is toch wel fantastisch - letterlijk het einde en de ultieme waarheid; nu hebben we eindelijk iets in handen!"




Tekst 26

Mahāmati, die bodhisattvas wier begrip van de aard van het Opslagbewustzijn en de bewustzijn's diepe gronden heeft bereikt, bodhisattvas die weten wat het superviserende bewustzijn, de vijf dharmas, de svabhāvas en het tweevoudige zelfloos zijn inhouden zullen, om anderen goed te doen, verschillende gedaanten aannemen, vergelijkbaar met die verbeeldde gestalten die ontstaan zolang er geen overstijgen van relatieve kennis is. Je kunt het ook vergelijken met het mysterieuze juweel dat een veelvoud aan kleuren reflecteert. Naar alle Boeddhalanden en bijeenkomsten (rond de Boeddhas) gaand zullen de bodhisattvas naar de Boeddhas luisteren, ze zullen spreken over het als een visioen, een droom, een illusie, een reflecie, de illusoire weerspiegeling van de maan in het water zijn van alle dingen, wetend dat niets ook maar iets van doen heeft met geboren-worden-en-dood, met de eeuwigheidsleer of met de vernietigingsleer. Wanneer de bodhisattvas van aangezicht tot aangezicht staan met de Tathāgatas zullen ze luisteren naar hun leringen over die waarheid die niet gevonden wordt in de Voertuigen van de Toehoorders en Zelf-Verlichtten. Dan zullen ze honderd-duizend samādhis verwerven, ja zelfs honderd-duizend niyutas van kotis samādhi. En in deze samādhis verblijvend zullen ze van het ene land naar het ander gaan. Daar zullen ze de Boeddhas eer bewijzen; ze zullen in hemelse sferen wedergeboorte vinden en daar zullen ze spreken over Het Drievoudige Juweel, en Boeddhalichamen aannemen. Omringd door Toehoorders en Bodhisattvas zullen ze hen, teneinde hen te bevrijden van de tegengestelden "bestaan" en "niet-bestaan", instructies geven, opdat dezen een diepgaand begrip krijgen van wat bedoeld wordt met de wereld-van-objecten die niets anders is dan Bewustzijn zelve, en waarin "werkelijkheden", "realiteiten" afwezig zijn.

Daarna reciteerde Boeddha het volgende vers:
136. Wanneer de Boeddha-geborenen zien dat de wereld niet meer dan Bewustzijn zelve is, zullen ze een transformatie-gestalte aannemen, een gestalte die (echter) niet geboren is uit iets anders, maar toch voorzien is van de (10 Boeddha- en Bodhisattva-) krachten, de supranormale vermogens, en controle over die eigen gestalten.

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati de Boeddha opnieuw een vraag.
Vertelt u mij, Gezegende, hoe zijn alle dingen ledig (sunyatā), ongeboren, niet-twee; hoe zijn ze zonder zelf-aard; vertelt u mij dit opdat ik en de andere Bodhisattva-mahāsattvas ontwaken tot die leerstukken inzake ledigheid, niet-geboren-zijn, niet-tweeheid en de afwezigheid van zelf-aard, zodat wij, het onderscheiden tussen bestaan en niet-bestaan achterlatend, snel de verhevenste verlichting behalen.

Toen zei de Gezegende tot Mahāmati: Goed, Mahāmati, luister goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati antwoordde, Gezegende, dat zal ik doen.
De Gezegende zei: Ledigheid! Ledigheid! Mahāmati, dit is een expressie waarvan de zelf-aard (niet meer dan) verbeelding is. Mahāmati, omdat we gehecht zijn aan verbeelding voelen we ons genoodzaakt te spreken over ledigheid, over niet-geboren-zijn, over niet-dualiteit, en over afwezigheid van zelf-aard. Goed dan, er zijn zeven vormen van sunyatā (ledigheid). Ze zijn: de afwezigheid van individuele kenmerken (lŠkshana), de afwezigheid van zelf-aard (bhāvāsvabhāva), de ledigheid die niet-handelen is (apracarita), de ledigheid die handelen is (pracarita), de ledigheid van alle dingen in hun aspect van onvoorspelbaarheid (nirabhilapya), de ledigheid naar zijn hoogste betekenis als verhevenste realiteit die alleen waar gemaakt kan worden met behulp van nobele wijsheid, en de ledigheid van onderling vergelijken (itaretara) als zevende.

Mahāmati, wat is de ledigheid van individuele kenmerken (lŠkshana)? Het betekent dat geen ding zoiets heeft als een kenmerk van individualiteit en algemeenheid. Wanneer we kijken naar wederzijdse relaties en opeenstapeling (van processen als gevolg daarvan, lijken dingen waar en echt), maar bij nadere beschouwing zijn ze niet-bestaand, en kan er ook niet van gezegd worden dat ze (in de toekomst) individualiteit of algemeenheid (zullen) hebben. En omdat concepten als zelf, anders, of zowel-zelf-als-anders bij nader inzien geen steek houden, daarom kunnen we niet langer spreken over individuele kenmerken. Daarom wordt er gezegd dat geen ding een kenmerk van individualiteit of algemeenheid heeft.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid van zelf-aard (bhāvasvabhāva)? Mahāmati, dat betekent dat alle dingen naar hun ware aard ongeboren zijn, derhalve is er geen zelf-aard. Daarom wordt er gezegd dat dingen ledig zijn van zelf-aard.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid die niet-handelen is (apracaritŠ)? Het betekent dat de skandhas nirvāna zelve zijn, en dat er (derhalve) daarin vanaf het begin zonder begin geen handelen is. Daarom spreekt men over de ledigheid die niet-handelen is.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid die handelen is (pracarita)? Dat betekent dat de skandhas en dat wat daartoe gerekend kan worden substantieloos, zelfloos zijn. Het betekent dat ze doorgaan te functioneren als gevolg van de interactie tussen voorwaarden en handelen. Derhalve spreekt men over de ledigheid die handelen is.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid van alle dingen in hun aspect van onvoorspelbaarheid (nirabhilapya)? Het betekent dat de aard van het fantaseren niet in woorden valt uit te drukken; vandaar dat alle dingen ledig zijn in hun aspect van onvoorspelbaarheid - zo spreekt men daarover.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid naar zijn hoogste betekenis als verhevenste realiteit die alleen waar gemaakt kan worden met behulp van nobele wijsheid? Dit betekent dat in het bereiken van een innerlijke realisatie, die plaats vindt dankzij nobele wijsheid, er geen spoor is van gewoontepatronen voortgekomen zijnd uit verkeerde voorstellingen van zaken. Daarom spreekt met over de hoogste betekenis van de verhevenste realiteit, waar te maken met behulp van nobele wijsheid.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met de ledigheid van onderling vergelijken (itaretara)? Dat betekent het volgende: wanneer een ding hier ontbreekt, zegt men dat het daar ledig is. Bijvoorbeeld, Mahāmati, in de hal van samenkomst in het Hertenpark (in Benares) zijn geen olifanten, geen ossen, en geen schapen. Maar monniken, daarvan kan ik zeggen dat die aanwezig zijn in deze hal; die hal is slechts ledig voor zover het de dieren aangaat. Verder is het zo, Mahāmati, dat je niet kunt zeggen dat deze hal van samenkomst geen eigen kenmerken heeft, noch dat het de monniken ontbreekt aan monnikschap, noch dat er op andere plaatsen geen olifanten, ossen en schapen zijn. Mahamati, dit is dus de dingen bezien naar hun aard van individualiteit en algemeenheid. Echter, bezien vanuit het standpunt van wederzijds vergelijken bestaan sommige dingen (wel hier maar) niet ergens anders. Zo spreken we dan over de ledigheid van onderling vergelijken.

Mahāmati, dit zijn de zeven vormen van ledigheid, en onder hen komt (ledigheid van) onderling vergelijken op de laagste plaats; verwerp ze.

En dan, Mahāmati, is het niet zo dat dingen niet geboren worden, maar dat ze niet uit zichzelf geboren worden - met uitzondering van wat men in samādhi kan ervaren; dit wordt "alle dingen zijn ongeboren" genoemd. In de ultieme betekenis betekent "ongeboren zijn" geen zelf-aard hebben. Mahāmati, dat geen ding zelf-aard bezit betekent dat er een voortdurend doorgaand worden is, een van moment tot moment voortgaande verandering van een fase naar een volgende. Mahāmati, als je dit ziet, zie je dat geen ding zelf-aard bezit. Daarom wordt er gezegd dat dingen geen zelf-aard bezitten.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met niet-dualiteit (of niet-twee)? Het betekent dat licht en schaduw, lang en kort, zwart en wit relatieve begrippen zijn, en niet onafhankelijk van elkaar. Net zoals nirvāna en samsara niet-twee zijn, zo zijn alle dingen (niet-twee). Geen nirvāna zonder samsara, geen samsara zonder nirvāna, want zo is het bestaande: er is geen wederzijds uitsluiten. Daarom wordt er gezegd dat dingen niet-twee zijn, zoals nirvāna en samsara niet-twee zijn. Daarom, Mahāmati, zou je je moeten disciplineren in de leer aangaande ledigheid, niet-geboren-worden, niet-twee, en de niet-zelf-aard.

Daarna reciteerde de Gezegende de volgende twee verzen:
137. Het enige wat ik predik is ledigheid (sunyatā); het gaat voorbij de eeuwigheids- en vernietigingsleer. Samsara is als een droom en een visioen, en karma wordt nooit uitgewist.

138. Ruimte, nirvāna, en de twee vormen van ophouden (nirodha) - de onwetende denkt ervan dat dit resultaatloze fenomenen zijn, maar de wijze staat boven bestaan en niet-bestaan.

Toen zei de Gezegende tot Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: Deze (leer aangaande ledigheid), niet geboren worden, niet-twee, en de niet-zelf-aard wordt in alle leerredes van alle Boeddhas gevonden; deze leer wordt in al die leerredes bevestigd. Niettemin, Mahāmati, zijn de leerredes in overeenstemming met de geneigdheden van de wezens; in woorden wijken ze soms af, maar hun waarheids-bevestigende uitspraken zijn gelijk. Mahāmati, vergelijk het met een luchtspiegeling die met zijn verraderlijke bronnen de herten aantrekt; de bronnen zijn er niet, maar de herten, denkend dat ze echt zijn, zijn gebonden (door dit illusoire beeld). Zo is het ook met de leringen die in soetras zijn opgenomen; ze zijn er slechts om de wezens plezier te laten beleven aan hun onderscheid- aanleggende geest. Het zijn niet de waarheids-bevestigende uitspraken die slechts met nobele wijsheid bevat kunnen worden. Daarom, Mahāmati, houd je aan de betekenis en schep geen (uitsluitend) genoegen in de letter-van-de-leer.

Toelichting bij tekst 26

- "verbeeldde gestalten." We denken dat we kennen wat we zien, en we geven er namen aan, maar filosofen uit alle eeuwen hebben steeds getwijfeld; ze vroegen zich steeds af of dat wat we waarnemen wel is wat wij denken dat het is, en of de naam die we er op plakken die naam wel verdient. De Lanka en andere Mahāyana geschriften maken korte metten met die twijfel: alles is slechts een verbeeldde manifestatie, alles is in en uit bewustzijn zelve - en daar bewustzijn alles omvat, of alles is, kan er daarbuiten eenvoudigweg niets anders zijn. Maak niet de fout "bewustzijn" als een "iets" te gaan beschouwen, het is maar bij wijze van spreken.

- "niyutas van kotis." afstands en inhoudsmaten zoals die eeuwen geleden werden gehanteerd en nu verloren zijn gegaan.

- "Het Drievoudige Juweel." De Boeddha, de Leer, en de Communiteit.

- "Boeddha-geborenen." Op een niveau kunnen we dit begrijpen als, bijvoorbeeld, "waterratten" bij het denken aan perfecte menselijke zwemmers. Op een ander niveau moeten we denken aan Boeddha is-gelijk de Dharmadhātu, en aan alle fenomenen als manifestaties van die Dharmadhātu. Daar de Lanka probeert het ongedeeld zijn van alles aan te tonen, heeft de laatste visie de voorkeur.

- "Bewustzijn zelve." Hoewel de voorgaande passages ook bewustzijn als niet-zelf, substantieloos, afschilderen, inclusief het Opslagbewustzijn, lijkt hier, in vers 136, gesproken te worden alsof Bewustzijn een entiteit is. De Lanka zo interpreteren zou deze tekst echter onrecht aandoen: het substantieloze, zo impliceert de hele soetra, doet andere substantieloze fenomenen ontstaan; ze zijn geestesmanifestaties - hoe moet je het anders beschrijven?!

- "Mahāmati, dat geen ding zelf-aard bezit betekent dat er een voortdurend doorgaand worden is." Dit is voor Boeddhisten een van die geluk brengende momenten: ware er een vaste, eeuwigdurende, onveranderlijke kern in het wezen, dan was verandering, d.w.z. geboren worden, ouder worden, sterven, en wedergeboren worden niet mogelijk, dan zou het streven naar wat dan ook maar goed genoemd wordt niet mogelijk zijn; we zouden muurvast zitten door die kern, of ziel, of dat zelf. Nu er echter niets is dat ons voor eeuwig in de ene of de andere staat vasthoudt, kunnen we veranderen, kunnen we streven, zijn we in staat betere bestaansfasen te bereiken.

- "karma wordt nooit uitgewist." Deze zin en de voorgaande woorden over veranderlijkheid als een serieus te nemen zaak, zijn een herinnering aan de aanvangsleer waarin beide aspecten van de Boeddha-Dharma terecht veel aandacht krijgen. Hoewel in wat we dan het gevorderde denken zouden kunnen noemen beide niet vaak, en soms helemaal niet meer voorkomen, moet daaraan niet de conclusie verbonden worden dat ze dus niet belangrijk zijn; ze zijn even belangrijk voor een goede opbouw van begrip van de Boeddha-Dharma als het fundament dat is voor de bouw van een huis.

In dit tekstgedeelten wordt gesproken over ledigheid met als illustratie de "hal van samenkomst". Dit is nagenoeg identiek aan een passage uit de SurŠngama soetra. Van de schrijver van de SurŠngama, Paramiti, wordt aangenomen dat hij niet bestond, dat het een "nom de plume" is voor een chinees auteur, want, zo wordt gezegd, slechts ťťn vermelding van zo'n naam in de diverse antologieŽn, is geen vermelding. De Lanka heeft minstens twee passages die direct verwijzen naar Paramitti's werk. Dan zijn er twee conclusies mogelijk: ofwel Lanka's auteur had weet van de SurŠngama soetra en bewonderde deze, of de SurŠngama en - althans een deel van - de Lanka werden opgetekend door een en dezelfde persoon. Zou dat laatste het geval zijn, dan bestond Paramiti al weer een beetje meer dan wordt aangenomen.




Tekst 27

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati tot de Boeddha: Nu spreekt de Gezegende in de soetras over de Tathāgatagarbha (Schoot waaruit de Boeddhas voortkomen). U beschrijft het daar als van nature helder en zuiver, als in zijn oorspronkelijke staat onbevlekt, als toegerust met de twee-en-dertig uitmuntende kentekenen (van een Groot Wezen, Mahāpurusha), als een kostbare edelsteen verborgen in ieders lichaam, als ware die edelsteen verpakt in een vies vod, verpakt in de skandhas, dhātus en āyatanas, en bezoedeld door het vuil van hebzucht, boosheid, dwaasheid, en fanseren. Tegelijkertijd beschrijft de Gezegende het als eeuwig, permanent, een verheven (voor-)teken, en onveranderlijk. Is de Tathāgatagarbha zoals verklaard door de Gezegende dan niet hetzelfde als de ego-substantie die de geleerden postuleren? Het ego, het zelf zoals de geleerden dat postuleren is (immers) een eeuwige schepper, zonder kwalificatie, al-aanwezig, en onvernietigbaar.

De Gezegende antwoordde: Nee, Mahāmati, mijn Tathāgatagarbha is niet hetzelfde als het zelf dat geleerden naar voren schuiven. Mahāmati, de Tathāgatagarbha zoals de Zo-Gekomenen dat onderwijzen is-gelijk ledigheid (sunyatā), is-gelijk de grens aan de realiteit (bhutakoti), is nirvāna, ongeboren, niet gekwalificeerd, en ontdaan van enige intentie (tot ontstaan, resp. handelen of evolueren). De reden waarom de Tathāgatas, die Arhat zijn en Volmaakt Verlicht, de leer omtrent de Schoot-waruit-alle-Boeddhas-voortkomen uiteenzetten is om er voor te zorgen dat de onwetenden hun angst opzij zetten en naar de leer omtrent niet-zelf luisteren, opdat ook zij de staat van niet-onderscheiden en zonder-beelden-zijn zullen bereiken. Mahāmati, ik wens bovendien dat ook de Bodhisattva-mahāsattvas van het heden en uit de toekomst niet zullen hechten aan het idee van een zelf. Mahāmati, ik geef een andere vergelijking, die van een pottenbakker die uit een of andere kleisoort met zijn eigen handen, en met behulp van een rotting, water en touw een variŽteit aan potten bakt. Zo ook prediken de Tathāgatas de zelfloosheid in alle dingen, waardoor alle sporen van onderscheid-aanleggen verdwijnen, met behulp van een menigte aan vlotte en vaardige middelen die ontspringen aan hun alles-overstijgende wijsheid. Dat wil zeggen, soms onderwijzen ze de Tathāgatagarbha en soms hebben ze het over zelfloosheid; net zoals een pottenbakker diverse hulpmiddelen gebruikt, zo gebruiken de Tathāgatas een variŽteit aan vaktermen, uitdrukkingen en synoniemen. Daarom, Mahāmati, is de doctrine der geleerden niet identiek aan de leer omtrent de Tathāgatagarbha. En daarom ook, Mahāmati, wordt de leer over de Tathāgatagarbha aan het licht gebracht opdat de geleerden ontwaken uit hun hechten aan het idee van zelf, opdat die geesten die ten prooi zijn gevallen aan de opinie dat het niet bestaande zelf (bestaat en) werkelijk is, en die bovendien denken dat de drievoudige bevrijding het ultieme doel is, snel tot de staat van Volmaakte Verlichting zullen ontwaken. In overeenstemming met wat ik hierover zei onderwijzen de Tathāgatas die Arhats zijn, en Volmaakt Verlicht, de leer omtrent de Tathāgatagarbha die niet gekend mag worden als identiek aan de geleerden's noties over een zelf- of ziels-substantie. Daarom, Mahāmati, moet je je, teneinde de verkeerde gedachtengang van de geleerden terzijde te stellen, wijden aan de leer omtrent (zowel) niet-zelf als die over de Schoot-waaruit-de-Boeddhas-voortkomen.

Toen reciteerde de Gezegende het volgende vers:
139. Persoon of ziel, voortgang (doorheen samsara), de skandhas, ontstaan, atomen, het Hoogste Zelf, de heerser (zijnde de Al-ziel of vergelijkbare concepten), de schepper - al deze zijn volgens de Enkel-Bewustzijn-traditie (niet meer dan) geestes-onderscheidingen.

Toelichting bij tekst 27

- "de Tathāgatagarbha ... is-gelijk ledigheid (sunyatā), is-gelijk de grens aan de realiteit (bhutakoti)." Zie hiervoor een van de voorgaande aantekeningen waar gezegd wordt dat de verlichtings-ervaring zelf het ultieme, absolute is, en dat deze ervaring niet instrumenteel is tot het bereiken van iets dat daar dan weer achter zou moeten liggen. Kortom, zegt de Boeddha-Dharma, de ervaring is het, helemaal; daaraan is geen voorbij. De ervaring die ontstaat als gevolg van het waar maken van sunyatā is de grens aan de realiteit; de geest vermag daaraan voorbij niets anders waar te nemen - tenzij we ons overgeven aan fantaseren en in onze geest een Al-ziel, een schepper enzomeer gaan samenstellen uit geestes-materiaal dat net zo illusoir is als het concept dat we onszelf willen opdringen. Overigens vinden we in de Srimala soetra een nagenoeg identieke beschrijving van de Tathāgatagarbha: "Maar, Heer, de Tathāgatagarbha is ongeboren, vergaat niet, noch sterft ze om daarna weer wedergeboren te worden. ...
De Tathāgatagarbha is permanent, constant, eeuwig." Hiermee is niet gezegd dat de visies van de Srimala en de Lanka hetzelfde zijn. In de Srimala komt bijvoorbeeld het woord sunyatā niet voor, noch de term bhutakoti. Wat volgens velen de waarde van de Srimala is, is dat het concept "Schoot-waaruit-de-Boeddhas-voortkomen" een vlot en vaardig middel is waarmee diegenen die bang zijn voor een verlies van het precieuze zelf over de streep getrokken kunnen worden via de gedachte dat er toch "iets" is, n.l. die Schoot (garbha). Zo kunnen ze geleid worden tot de leer van niet-zelf die alle dingen mogelijk maakt.
Het concept wordt overigens ook aangetroffen in de Ratnagotra-vighaga sutra of -shastra, die, zegt de traditie, de toekomstige Boeddha Maitreya werd onderwezen aan Asanga - en Asanga is degeen die de auteur(s) van de Lanka nog wel het meest bewondert.
Het is binnen het kader van de Lanka niet erg zinvol verder in te gaan op aard en doel van de Srimala soetra, noch op de Ratnagotra-vibhāga; laten we slechts bedenken dat diegenen die de vier bodhisattva-geloften voor leke-boeddhisten hebben opgenomen, plechtig beloofd hebben om "alle Dharma-deuren te openen", d.w.z. om met open vizier alle mogelijke Dharma-benaderingen tegemoet te treden, maar ... in wezen is het verwonderlijk dat een "compleet afgeronde leer", zoals dat in vaktermen heet, d.w.z. de doctrine van de Lanka, de leer rond de Tathāgatagarbha er als het ware met de haren bij sleept; de soetra had het zonder kunnen stellen en was daardoor niet minder volledig of geslaagd geweest.
Dat gezegd zijnd moet er ook aan herinnerd worden dat Huang Po (Huangbo), de stamvader van Lin-chi Ch'an (of Rinzai zen) de Tathāgatagarbha besprak, en wel om er "gehakt van te maken". In zijn "Doctrine van Universeel Bewustzijn" zegt hij: "In de Schoot-waaruit-de-Boeddhas-Voortkomen is er niets dat ook maar enigszins tastbaar of ervaarbaar is."




Tekst 28

Toen dacht Bodhisattva-mahāsattva aan toekomstige generaties en vroeg de Gezegende het volgende: Gezegende, vertelt u mij alstublieft over de discipline, over de perfectionering die Bodhisattva-mahāsattvas grote yogins doet worden.

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, om een groot yogin te worden moeten zij vier dingen perfectioneren: - Goed begrijpen dat alles dat wordt waargenomen bewustzijn zelve is; - afrekenen met ideeŽn over ontstaan, bestaan, en verdwijnen; - zien dat er geen externe (,buiten het bewustzijn bestaande) wereld is; en - innerlijke realisatie zoeken door nobele wijsheid in te zetten. Wanneer Bodhisattva-mahāsattvas deze dingen bezitten worden ze grote yogins.

Mahāmati, hoe verwerft een Bodhisattva-mahāsattva een goed begrip van het feit dat alles dat wordt waargenomen bewustzijn zelve is? Hij verwerft dit begrip door in te zien dat de drievoudige wereld bewustzijn zelve is, dat er geen zelf is, noch iets dat daartoe gerekend zou kunnen worden; hij begrijpt dat die drievoudige wereld moeiteloos is, zonder komen en gaan; hij begrijpt dat deze drievoudige wereld, onder invloed van sinds onheugelijke tijden opgeslagen gewoontepatronen - ontstaan als gevolg van foutief redeneren en fantaseren - manifest gemaakt wordt en gestalte krijgt als waren ze echt. Hij begrijpt dat er in de drievoudige wereld een veelvoud aan objecten en handelen is, verwant met, nee, hetzelfde als ideeŽn over onderscheid-aanleggen tussen bijvoorbeeld lichaam, eigenschap, en verblijfplaats. Zo, Mahāmati, verwerft de Bodhisattva-mahāsattva een goed begrip van het feit dat alles dat wordt waargenomen bewustzijn zelve is.

Mahāmati, hoe rekent de Bodhisattva-mahāsattva af met ideeŽn over ontstaan, bestaan, en verdwijnen? Hiermee bedoel ik dat van alle dingen bedacht moet worden dat ze geboren zijn uit een visioen of een droom, en dat ze nooit geschapen zijn daar er niet zoiets is als "zelf", "ander", of "zowel zelf als ander". De Bodhisattva-mahāsattvas zullen inzien dat wat externe wereld wordt genoemd slechts bestaat in de zin zoals de Enkel-Bewustzijn-leer dat beschrijft. Ze zien in dat de bewustzijnen onbewogen zijn en dat de drievoudige wereld een gecompliceerd netwerk van voorwaarden en condities is, ontstaan vanwege onderscheid aanleggen. Als gevolg zien ze dat geen ding, of het nu binnen is of buiten, in aanmerking komt voor predikaat-geving. Ze zullen zien dat niets het predikaat zelf-aard verdient en dat je van de wereld niet kunt zeggen dat ze "ontstaan" is. Dat ziend zullen ze zich conformeren aan het inzicht dat dingen slechts visioenen en dergelijke zijn, en zullen ze gaan erkennen dat dingen ongeboren zijn. Zich op het achtste van de (tien) bodhisattvastadia vestigend zal in hun bewustzijn een ommekeer plaatsvinden. Dat zal plaatsvinden doordat ze het Opslagbewustzijn, het denkbewustzijn, en het superviserende bewustzijn zullen overstijgen, evenals de vijf dharmas, de svabhāvas en het tweevoudige niet-zelf. Dan zullen ze het geest-geproduceerde-lichaam (manomayakāya) verwerven. Zo, Mahāmati, zullen de bodhisattva-mahāsattvas de ideeŽn over ontstaan, bestaan, en verdwijnen achterlaten.

Mahāmati zei: Gezegende, wat wordt bedoeld met geest-geproduceerd-lichaam?
De Gezegende antwoordde: het betekent dat men zich supersnel en zonder obstakels te ontmoeten kan verplaatsen waarheen men dat ook wil - vandaar dat het "wilslichaam" wordt genoemd. Bijvoorbeeld, dankzij die wil kan iemand, wanneer hij zich omgevingen voor de geest haalt die voordien zijn herinnering binnendrongen, zonder obstakels te ontmoeten afstanden afleggen over bergen, muren, rivieren, bomen en dergelijke meer, zelfs al bevinden die objecten zich op honderdduizenden yojanas afstand. Tegelijkertijd gaat zijn normale geestesactiviteit gewoon door, zonder enige interruptie, zonder dat die bewustzijnsfunctie ergens door gehinderd wordt. Zo ook, Mahāmati, zal het wilslichaam, zodra het de samādhi genaamd illusie-(māyā)gelijk is binnengegaan, en zodra het merktekens bezit zoals de (10 Boeddha en Bodhisattva) krachten, de supranormale vermogens en controle over het zelf, geboren worden in de nobele praktijken en temidden van de bijeenkomsten (rond de Boeddhas). Daar zal dat wilslichaam, als gevolg van een herinneren van zowel oorspronkelijke geloften als van de werelden waarin het voordien verbleef, vrijelijk overal heen kunnen gaan teneinde wezens te doen groeien (in de Dharma).

Vervolgens, Mahāmati, wat bedoel ik wanneer ik zeg dat de Bodhisattva-mahāsattva een goed begrip heeft van het niet-bestaan van externe (,buiten het bewustzijn bestaande) objecten? Dat betekent, Mahāmati, dat alle dingen zijn als een luchtspiegeling, een droom, een haarnet aan de lucht zoals mensen met staar dat menen te zien. En ziend dat alle dingen hier zijn vanwege ons hechten aan dat gewoontepatroon genaamd onderscheid aanleggen, dat als gevolg van foutief verbeelden en gissen vanaf de tijd zonder begin tot rijping is gekomen, zullen de Bodhisattva-mahāsattvas de zelf-realisatie nastreven die behaald kan worden door nobele wijsheid in te zetten. Mahāmati, toegerust met deze vier dingen zullen de Bodhisattva-mahāsattvas grote yogins worden. Daarom, Mahāmati, beoefen deze weg.

Toelichting bij tekst 28

- "... de bewustzijnen onbewogen zijn ...." Tot hiertoe werd gesteld dat de bewustzijnen in constante flux zijn, aangewakkerd door de "winden veroorzaakt door het waarnemen van objecten" die op hun beurt veroorzaakt worden door het onderscheid aanleggen. Daar echter ook de bewustzijnen substantie missen, moet ook van bewustzijnen in laatste instantie gezegd worden dat ze, bij afwezigheid van iets waar een predikaat als "zelf", "kern" en dergelijke, niet opgeplakt kan worden, noch komen ze in aanmerking voor predikaten als "niet-bestaan", of "bestaan-en-noch-bestaan".

- Een yojana was een afstandsmaat.




Tekst 29

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati de Gezegende opnieuw een vraag: Gezegende, vertelt u mij alstublieft over het afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan van alle dingen, opdat wij Bodhisattva-mahāsattvas de aard van voorwaarden en condities kunnen inzien. En wanneer we dan het onderscheiden naar eeuwigheids- respectievelijk vernietigingsleer hebben afgeworpen zijn we in staat om ook het onderscheiden naar geleidelijk, danwel gelijktijdig ontstaan van alle fenomenen af te werpen.

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, er zijn twee voorwaardelijke (of conditionerende) factoren die alle dingen doen ontstaan: intern en extern. Mahāmati, de externe factoren zijn (bijvoorbeeld) een klompje klei, een stokje, een (pottenbakkers)wiel, touw, water, een arbeider en zijn werk - al deze dingen samen veroorzaken het ontstaan van een pot.
Mahāmati, zoals het gaat met die pot die gemaakt is uit een klompje klei, of zoals het gaat met stof die geweven wordt uit garen, of met een mat die gevlochten is uit geurig gras, of met een spruit die ontstaat uit zaad, of met verse boter die door een man vervaardigd wordt wanneer hij met zijn eigen handen melk karnt, zo gaat het met alle dingen: als gevolg van externe voorwaarden verschijnen ze de een na de ander, in een ononderbroken opeenvolging.
Mahāmati, met de interne oorzakelijke factoren bedoel ik onwetendheid, verlangen, en handelen; die drie tesamen vormen ons idee van oorzakelijkheid. Als gevolg van deze drie manifesteren zich de skandhas, de dhātus, en de āyatanas; het zijn geen separate entiteiten, hoewel de onwetende ze wel als zodanig ziet.

Welnu, Mahāmati, er zijn zes (vormen van) voorwaarden en condities: - de mogelijkheids-voorwaarde, - de afhankelijkheids-voorwaarde, - de objectieve voorwaarde, - de handelende voorwaarde, - de manifesterende voorwaarde, en - de gelijkmoedigheids-voorwaarde.
Mahāmati, met mogelijkheids-voorwaarde bedoel ik dat wanneer zo'n voorwaarde (niet langer latent, maar) resultaat-brengend is, er interne en externe fenomenen aan het licht komen. Met afhankelijkheids-voorwaarde bedoel ik dat zodra latente condities effectief worden, er zowel interne als externe skandha-zaden verrijzen. Verder bedoel ik met objectieve voorwaarde dat, gebonden als ze is door de wereld-van-objecten, (het bewustzijn) voortdurend (in) actie is. Dan, Mahāmati, met handelende voorwaarde bedoel ik dat, als in het geval van een regerend vorst, een conditie (of voorwaarde) die op dat moment oppermachtig is zich manifesteert. Met manifesterende voorwaarde bedoel ik dat, zodra het vermogen tot onderscheid-aanleggen verrijst, het onmiddellijk individuele kenmerken in het daglicht stelt, zoals een brandende lamp vormen in het schijnsel zet. En dan, met gelijkmoedigheids-voorwaarde bedoel ik dat wanneer er een uiteenvallen of vergaan is (van een ding of een wezen), daarmee gelijktijdig de kracht om dingen samen te stellen ophoudt, en dan verrijst er een geestestoestand van niet-onderscheiden.

Mahāmati, dit is het resultaat van het onderscheid-aanleggen zoals de onwetenden en eenvoudigen van geest dat doen, en er is geen geleidelijk of gelijktijdig verrijzen van bestaan. Waarom niet? Wel, zou er een gelijktijdig verrijzen van het bestaande zijn, dan zou er geen verschil zijn tussen oorzaak en gevolg; dan zou over niets gesproken kunnen worden in termen van "oorzaak". Nemen we aan dat er een geleidelijk ontstaan is, dan is er geen substantie die individuele kenmerken bij elkaar houdt; daarom is geleidelijk ontstaan onmogelijk. Mahāmati, zolang een kind nog niet geboren is, kun je niet spreken van een vader. De logici beweren dat datgene dat geboren is en datgene dat geboorte geeft er zijn op basis van een wederzijds functioneren van oorzakelijke factoren als daar zijn: oorzaak, een levens-onderhoudende factor, voortgang, versnelling (van bv. het geboorteproces), en andere zaken; zij concluderen vervolgens dat er een geleidelijk ontstaan van het bestaande is. Maar, Mahāmati, hun idee over geleidelijk ontstaan kan alleen maar stand houden wanneer je ferm gehecht bent aan de notie van zelf-aard. Wanneer je (concepten als) lichaam, eigenschap, en verblijfplaats koestert - terwijl deze toch niet meer zijn dan manifestaties van Bewustzijn zelve, dan zie je de buitenwereld in zijn aspecten van individualiteit en algemeenheid, aspecten die, overigens, geen werkelijkheden genoemd kunnen worden. Derhalve is noch een geleidelijk, noch een gelijktijdig ontstaan van fenomenen mogelijk. (Er kan slechts gesproken worden van geleidelijk of gelijktijdig ontstaan) wanneer het bewustzijn operatief is vanwege onderscheid-aanleggen dat verschil maakt tussen fenomenen die (op zich) niets meer dan geestesmanifestaties zijn. Daarom, Mahāmati, moet je er naar streven om ideeŽn over geleidelijkheid en gelijktijdigheid van oorzakelijke activiteiten opzij te schuiven. Want dit wordt er gezegd:

140. Oorzakelijkheid is nooit de reden van geboren worden of sterven; wanneer het onderscheiden oorzakelijkheid waarneemt, neemt het geboorte en dood waar.

141. De concepten van geboren worden en sterven zijn niet afgescheiden van dat van oorzakelijkheid - waar de onwetende zo aan hangt.

142. Het bestaan en niet-bestaan van dingen, onderhevig aan oorzakelijkheid, heeft geen werkelijkheidswaarde; de drievoudige wereld dankt zijn bestaan aan het (Opslag-)bewustzijn dat in turbulentie wordt gehouden door gewoontepatronen.

143. Dingen bestaan zelfs niet, wat zal er dan geboorte vinden! In (de leer van) afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan is niets verloren; zolang de samengestelde dingen (samskrta) worden beschouwd als waren ze het kind van een steriele vrouw, of een bloem aan de lucht, zolang ziet men dat zowel het grijpen-naar als dat waarnaar gegrepen wordt een (mentale) aberratie is, waarvan men zich distantieert.

144. Niets zal geboren worden, noch is er iets dat geboren is - zelfs oorzakelijkheid vond geen geboorte; het is slechts om op relatief niveau te kunnen communiceren dat van dingen wordt gezegd dat ze geboren zijn.

Toelichting bij tekst 29

- In dit tekstgedeelte wordt gesproken over afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan (pratityasamutpada), en over voorwaarden en condities (hetu- pratyāya). De leer van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan mag verondersteld worden bekend te zijn bij de lezer van deze soetra; met voorwaarden en condities kan het iets anders liggen. De component hetu betekent "dat waarmee een resultaat wordt bereikt of vastgesteld"; pratyāya moet geÔnterpreteerd worden als een "bijkomende oorzaak". Hetu wordt ook "reden" genoemd, en pratyāya "oorzaak". Hetu is bijvoorbeeld het wortelstelsel van een boom; pratyāya is het water dat voorwaardelijk is voor de groei van die boom. Boeddhisme wijst oorzakelijkheid af wanneer er mee bedoeld wordt dat iets voortkomt, of geboren wordt uit een enkel ander ding. Boeddhisme heeft het derhalve nooit over een Eerste Oorzaak. De termen hetu en pratyāya zijn nagenoeg synoniem; ze komen altijd samen voor en worden hier omschreven met "voorwaarden en condities". Voor het aan het licht komen, bestaan, en weer verdwijnen van wat voor fenomeen dan ook zijn altijd meerdere factoren essentieel, de tweede alinea van dit tekstgedeelte geeft daarvan een voorbeeld. Op een dag vroeg een niet-boeddhistische Indiase asceet aan een van Boeddha's verlichtte nonnen: Het Ene, wat is dat. Zij antwoordde: Alle dingen bestaan op basis van voeding. Toen de Boeddha van dit gesprek verslag werd gedaan zei hij: ik had zelf net zo geantwoord. Het Ene, zegt Boeddhisme, is een concept dat aantoonbaar onhoudbaar is, daarentegen is afhankelijk, voorwaardelijk bestaan, voorwaarden en condities wel een verifieerbaar feit.

- "... skandha-zaden ...". Hierbij moet u denken aan zoiets als embryonaire vormen van lichaam en de andere vier constituerende onderdelen van deze Vijfvoudige Groep van Hechten.

- "... een geestestoestand van niet-onderscheiden." Hiermee is de aap uit de mouw: het verwerpen van onderscheid-aanleggen wordt niet zomaar aanbevolen, het doel is niet zomaar een gedachtenloze geestestoestand bereiken, of het is niet zomaar een geesteshouding aankweken waarin we kunnen zeggen dat "alle voordeel zijn nadeel heb", en omgekeerd, nee, niet-onderscheiden is het vlotte en vaardige middel dat leidt tot gelijkmoedigheid van geest, een geesteshouding waarmee het zoet en het zuur dat leven met zich brengt verdragen kan worden.

- "... gelijktijdig verrijzen ...". Wat hier bedoeld wordt is een tegelijkertijd aan het licht komen van, bijvoorbeeld, zowel het zaad als de plant die eruit tevoorschijn komt. Wat in deze en volgende alineas wordt besproken is de onmogelijkheid van oorzakelijkheid - zie boven.

- "Nemen we aan dat er een geleidelijk ontstaan is, dan is er geen substantie ...". Die substantie zou dan zo'n vaste, eeuwigdurende kern moeten zijn die als bindende factor alle veroorzaakte dingen bijeenhoudt.

- "144. Niets zal geboren worden, ..." Nogmaals, waar er geen ens is, daar is naar laatste analyse geen geboorte, dood, of oorzakelijkheid.




Tekst 30

Toen sprak Bodhisattva-mahāsatva Mahāmati opnieuw en zei: Gezegende, vertelt u mij alstublieft over de leer die bekend staat als de essentie van onderscheid-aanleggen aangaande woorden. Gezegende, wanneer wij, Bodhisattva-mahāsattvas, dit goed gaan begrijpen, we goed bekend raken met de leer die bekend staat als de essentie van onderscheid-aanleggen aangaande woorden, wanneer we grondig weten wat de betekenis is van twee dingen, namelijk het tot uitdrukking brengen en dat wat uitgedrukt wordt, en we als gevolg onmiddellijk de verhevenste verlichting ervaren, dan kunnen ook wij (aan anderen) de betekenis verklaren van deze twee dingen: het tot uitdrukking brengen en dat wat uitgedrukt wordt. Dat zal ter zuivering van alle wezens zijn.

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, luister dan goed; ik zal het uitleggen.
Dat is goed, zei Mahāmati, en hij luisterde.
De Gezegende zei dit: Mahāmati, er zijn vier soorten onderscheid-aanleggen naar woorden. Dat zijn: (1) woorden die individuele kenmerken aanduiden, (2) droomwoorden, (3) woorden die voortkomen uit de gehechtheid aan gissen en onderscheid-aanleggen, en (4) woorden die voortkomen uit dat fantaseren dat geen begin kent.

Welnu Mahāmati, woorden die individuele kenmerken aanduiden verrijzen uit het als echt onderscheiden van vormen en karakteristieke kenmerken; vervolgens hecht men zich er aan. Mahāmati, droomwoorden verrijzen uit onwerkelijke omgevingen die zich tonen wanneer vroegere ervaringen in herinnering komen. Woorden die voortkomen uit de gehechtheid aan fantaseren en onderscheid-aanleggen, Mahāmati, verrijzen als gevolg van de herinnering aan daden die we vroeger begingen. Mahāmati, woorden die voortkomen uit dat onderscheiden dat geen begin kent verrijzen uit de gewoontepatronen waarvan de zaden tot wasdom kwamen als gevolg van fantaseren en foutief verbeelden, en dit sinds de tijd zonder begin. Mahāmati, ik zeg dat dit de vier kenmerken zijn van onderscheiden naar woorden, en dit beantwoordt je vraag.

Daarna vroeg Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati verlof om over het volgende onderwerp te spreken; hij zei: Gezegende, vertelt u mij alstublieft over de condities waaronder onderscheid-aanleggen aangaande woorden zich manifesteert. Waar, waarvandaan, hoe, en door wie vindt dit onderscheid-aanleggen aangaande woorden plaats?
De Gezegende zei: dit onderscheid-aanleggen aangaande woorden vindt plaats door een samenwerken van hoofd, borstkas, neus, keel, gehemelte, lippen, de tong en de tanden.
Mahāmati zei: Gezegende, zijn woorden dan verschillend of niet-verschillend van onderscheid-aanleggen?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, noch hetzelfde, noch verschillend Waarom is dat? Dat is omdat woorden verrijzen met onderscheiden als oorzaak. Mahāmati, waren woorden verschillend van onderscheid-aanleggen, dan kunnen ze dit (onderscheid-aanleggen) niet als oorzaak hebben. Maar als ze er niet van verschillen, dan zouden woorden de betekenis niet tot uitdrukking kunnen brengen - nochtans doen ze dat. Daarom zijn woorden en onderscheid-aanleggen noch verschillend van elkaar, noch niet-verschillend.

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: Gezegende, zijn woorden zelf de hoogste realiteit (paramartha)? Of is dat wat door middel van woorden tot uitdrukking komt de hoogste realiteit?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, noch woorden, noch dat wat ze tot uitdrukking brengen is de hoogste realiteit. Waarom niet? Omdat de hoogste realiteit een verheven vreugdevolle geestestoestand is, en die toestand is onbereikbaar door er slechts over te spreken; woorden zijn niet de hoogste realiteit. Mahāmati, de hoogste realiteit kun je bereiken door het in jezelf realiseren van de hoogste wijsheid; het is geen staat van woord-onderscheiden, en daarom zeg ik dat onderscheiden (of onderscheid-aanleggen) niet de hoogste realiteit uitdrukt. En overigens, Mahāmati, woorden zijn onderhevig aan ontstaan en vergaan (geboorte en dood); ze zijn (een) onzeker(e factor), ze conditioneren elkaar, en zijn onderhevig aan afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan. En dan, Mahāmati, dat wat onderling conditioneert en voortkomt als gevolg van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, kan de hoogste realiteit niet tot uitdrukking brengen, want de indicaties "zelf" en "niet-zelf" hebben geen bestaan. Mahāmati, woorden zijn deze indicatoren en zijn niet dat wat uitgedrukt wordt.

[88] Verder, Mahāmati, onderscheiden-naar-woorden kan de hoogste realiteit niet tot uitdrukking brengen, want de externe (buiten ons bewustzijn geprojecteerde) fenomenen met hun veelheid aan individuele kenmerken zijn niet; ze verschijnen slechts voor ons als iets dat in en uit bewustzijn zelve is. Daarom, Mahāmati, moet je jezelf verre houden van de verschillende vormen van onderscheiden-naar-woorden.

Er wordt gezegd:
145. Geen ding heeft zelf-aard, ook woorden hebben geen realiteit. Daar onwetenden niet begrijpen wat bedoeld wordt met sunyatā, ja, sunyatā, zwerven ze voort (door het wiel van geboorte en dood).

146. Geen ding heeft zelf-aard; dingen bestaan slechts in de woorden die mensen uiten. Dat wat onderscheiden wordt heeft geen (ultieme) realiteit; nirvāna is droomgelijk; niets gaat doorheen leven na leven, noch is er ook maar iets dat nirvāna binnen gaat.

147. Een koning of een rijke huisbezitter geeft zijn kinderen (eerst) verschillende speelgoed-dieren gemaakt van (broze) klei. Later echter geeft hij hen de echte (dieren).

148. Zo doe ik dat ook. Om mijn kinderen te onderwijzen maak ik gebruik van een variŽteit aan vormen en beelden. Echter, de grens aan de realiteit (bhutakoti) kun je alleen maar zelf waarmaken.

Toelichting bij tekst 30

Doorheen dit tekstgedeelte worden de termen vikalpa en prapanca veelvuldig gebruikt. Noot 1,n.6 gaat hier op in.

- Bij de derde alinea. De woorden "noch hetzelfde, noch verschillend" vinden we voor het eerst in de Pali-canon wanneer iemand Boeddha ondervraagt over wedergeboorte: Is de persoon die wedergeboren wordt hetzelfde of verschillend van de overledene. Het antwoord is: noch hetzelfde, noch verschillend.
. De daarop volgende regels: "... waren woorden verschillend van onderscheid aanleggen,... niet als oorzaak hebben." Ter vergelijking: een vrouw kan, onder natuurlijke omstandigheden, niet het kind van een ander baren. Anderzijds is het kind, haar eigen kind, dat zij baart niet identiek gelijk aan, noch verschillend van haarzelf. Ware het identiek gelijk, dan zouden moeder en kind een en dezelfde opeenhoping materie zijn en zou de een niet van de ander onderscheiden kunnen worden.

- Vers 147. Het beeld dat in dit vers gebruikt wordt stamt uit een van de bekendste parabels uit de Lotus Soetra.




Tekst 31

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati de Gezegende opnieuw een vraag:
Gezegende, vertelt u mij alstublieft over die zelf-realisatie die bereikt wordt door nobele wijsheid in te zetten en die niet behoort tot de praktijken der geleerden. Vertelt u mij over die zelf-realisatie waarop categorieŽn als bestaan en niet-bestaan, eeuwigheid en niet-eeuwigheid, fantaseren, individualiteit en algemeenheid niet van toepassing zijn. Vertelt u mij over die zelf-realisatie die zichzelf toont als een hoogste werkelijkheid (paramartha satya) en die, door stadium na stadium van zuivering te doorlopem ten leste aankomt op het niveau van de Tathāgata. Op dat niveau van Tathāgataschap is er, dankzij de kracht van oorspronkelijke geloften - die moeiteloos genomen zijn - een handelen dat doorheen ontelbare werelden gaat, vergelijkbaar met een juweel dat een menigte aan kleuren reflecteert. Dat stadium van Tathāgataschap manifesteert zich zodra dingen zich gaan aftekenen, al naar gelang er een begrip groeit over wat er gebeurt en wat de werkingssfeer is van dat wat in en uit bewustzijn zelve is. Op dat punt zullen wij Bodhisattva-mahāsattvas in staat zijn de dingen te schouwen met behulp van dat inzicht dat niet gehinderd zal zijn door (tegengestelden als) enerzijds individualiteit en algemeenheid, en anderzijds fantaseren; zo zullen we in staat zijn snel volmaakte verlichting te bereiken om alle wezens naar een perfectionering van hun nobele kwaliteiten te brengen.

De Gezegende antwoordde: Goed zo, goed zo, Mahāmati! Dat was werkelijk goed! Uit mededogen met de wereld, voor het welzijn en het geluk van vele mensen en hemelse wezens sta je nu voor me en stelt deze vraag. Mahāmati, luister aandachtig en overdenk wat ik nu ga zeggen.
Dat zal ik doen, zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati, en hij luisterde.

Dit zei de Gezegende: Mahāmati, de onwetenden en eenvoudigen van geest weten niet dat de wereld in en uit Bewustzijn zelve is, daarom hangen ze aan de veelvormigheid van externe fenomenen, daarom hechten ze aan ideeŽn over zijn en niet- zijn, eenheid en anderheid, tweeheid en niet-tweeheid,bestaan en niet-bestaan, eeuwigheid en niet-eeuwigheid. Ze denken dat deze fenomenen zijn gekarakteriseerd door zelf-aard, een zelf-aard die overigens ontstaat als gevolg van onderscheid-aanleggen, dat op zijn beurt verrijst omdat er gewoontepatronen zijn - ze (omdat ze dit niet weten) zijn verslaafd aan foutief verbeelden. Mahāmati, vergelijk het met een luchtspiegeling waarin je een bron ontwaart als ware deze echt. Zo zien de dieren het, en, dorstig vanwege de hitte in het droge seizoen, springen ze er op af. Omdat ze niet weten dat zo'n bron slechts een product is van hun eigen hallucinaties beseffen deze dieren niet dat die bron niet echt bestaat. Op vergelijkbare wijze is vanaf de tijd zonder begin het bewustzijn van de onwetenden en eenvoudigen van geest doordrongen van speculeren en fantaseren. Met een geest die brandt door hebzucht, boosheid, en onwetendheid verheugen ze zich in de wereld met zijn vele gestalten, zijn hun gedachten doordrenkt van ideeŽn over geboorte, vernietiging, en voedsel, en ze begrijpen niet goed wat bedoeld wordt met bestaan en niet-bestaan, met intern en extern; daarom gaan ze hechten aan (concepten als) eenheid en anderheid, zijn en niet-zijn. Mahāmati, het is als de hemelse stad van de Gandharvas, een stad die de niet al te scherpzinnigen voor echt houden, hoewel ze dat niet is. In feite verschijnt deze hemelse stad vanwege hun hechten aan de oeroude herinnering aan een stad, bewaard als ware het een zaadje (in het Opslagbewustzijn). Die herinnerde stad is zowel echt als niet-echt. Vanaf de tijd zonder begin hechtend aan gewoontepatronen aangaande speculeringen en doctrines (,incorrect, onjuist, onnodig en foutief), houden ze stevig vast aan concepten als eenheid en anderheid, zijn en niet-zijn, en zijn hun gedachten te confuus om te beseffen dat al het geziene louter bewustzijn is. Mahāmati, het is te vergelijken met een man die in zijn droom een land binnen gaat waar hij vrouwen, mannen, olifanten, paarden, wagens, voetgangers, dorpen, steden, gehuchten, koeien, ossen, huizen, bossen, bergen, rivieren en meren ziet, en dan een kamer binnengaat en wakker wordt. Wanneer hij dan wakker is herinnert hij zich die stad en die kamer. Wat denk je, Mahāmati, is zo iemand die zich al die verschillende droomgestalten voor ogen haalt wijs?

Mahāmati zei, nee Gezegende, wijs is hij niet.
De Gezegende ging verder: Zo is het ook met de onwetenden en eenvoudigen van geest die verstrikt zijn geraakt in foute voorstellingen van zaken en geneigd zijn de geleerden te volgen. Ze zien niet in dat geestesgestalten als dromen zijn; ze blijven gehecht aan concepten als eenheid en anderheid, zijn en niet-zijn. Mahāmati, het is als het doek van een schilder: daarin zijn geen heuvels en dalen, maar de onwetende verbeeldt zich heuvels en dalen. Mahāmati, zo kunnen er in de toekomst mensen zijn die vergroeid zijn geraakt met de gewoontepatronen, de mentaliteit, en het fantaseren gebaseerd op de onjuiste inzichten der geleerden. Hechtend aan ideeŽn over eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit kunnen ze zichzelf en anderen definitief schade toebrengen, want ze zijn in staat diegenen nihilist te noemen die zich houden aan de leer van niet-geboren-zijn, die leer die niets te maken heeft met antoniemen als zijn en niet-zijn. Niet overtuigd zijnd dat oorzaken hun gevolgen hebben (d.z.w. de leer van karma) volgen ze onheilzame opinies, en als gevolg verbruiken ze hun hele voorraad aan goed en zuiver karma. Men dient ze ver verwijderd te houden van al diegenen die naar uitmuntendheid streven. Het zijn de mensen wier gedachten verstrikt zijn geraakt in foutieve voorstellingen over zelf, anderen, en zowel-zelf-als-anderen; ze zijn verstrikt geraakt in dat gefantaseerde zijn en niet-zijn, bevestigen en weerleggen -- hel is wat ze uiteindelijk zullen meemaken. Mahāmati, het is als iemand met staar die een haarnet in de lucht waarneemt en tegen anderen roept: "fantastisch, fantastisch! Eerwaarde heren kijk toch eens!" - en zo'n haarnet bestaat niet eens. In feite is zo'n haarnet noch een fenomeen, noch een niet-fenomeen, want het is gezien en toch niet gezien. Mahāmati, het is net zo met al diegenen wier geest verslaafd is geraakt aan onderscheid-aanleggen tussen de foutieve inzichten der geleerden; zij zijn degenen die materialistische visies aanhangen aangaande zijn en niet-zijn, eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit; zij zullen de Goede Dharma (Saddharma) tegenspreken hetgeen zal leiden tot teloorgang van zowel henzelf als anderen. Mahāmati, vergelijk het met een vuurwiel; alhoewel de onwetenden het die karakteristiek verlenen is het geen echt wiel. De onwetenden zien het zo, de wijzen echter niet. Zo is het ook met diegenen wier geest verslaafd is geraakt aan de foutieve opinies der geleerden: in het verrijzen der wezens zullen ze verkeerdelijk eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit menen waar te nemen. Mahāmati, het is als regendruppels die (onder bepaalde weersinvloeden) op kristallen lijken; de onwetenden gaan er op af denkend dat het echte kristallen zijn. Mahāmati, in de ogen van de enen zijn het slechts waterdruppels, geen echte juwelen, echter, in de ogen van anderen zijn het niet niet-juwelen (d.w.z. zij zien er juwelen in). Mahāmti, diegenen wier geest gehecht is geraakt aan de gewoontepatronen van filosofische opinies en verbeeldingen zullen dingen die geboren zijn gaan zien als niet-bestaand, en ze zullen dat wat door bepaalde oorzaken vernietigd is gaan beschouwen als bestaand (d.w.z. ze zullen een op-zijn-kop waarnemen vertonen).

Dan, Mahāmati, maken (de geleerden) gebruik van de drie manieren van maat aanleggen en van de (vijf) geledingen van een syllogisme, om aan de hand daarvan dat onderscheid te maken dat zegt dat er een werkelijk en in zichzelf berustend zijn is dat bereikt (of gekend) kan worden door nobele wijsheid in te zetten, en dat ontdaan is van de twee (eerste) svabhāvas. Dit is echter onjuist. Want, Mahāmati, wanneer in de geest van de yogin een ommekeer plaatsvindt, (en deze ziet wat) het Opslagbewustzijn, het denkbewustzijn en het superviserende bewustzijn (zijn), dan doet hij afstand van (het enerzijds-anderzijds) onderscheiden, (ziet hij de aard) van zowel dat waarnaar gegrepen wordt als dat wat grijpt, en ziet hij dat deze zaken uitsluitend in en uit bewustzijn zelve zijn. Dan gaat hij het Tathāgata-stadium binnen en realiseert daar wat met nobele wijsheid gerealiseerd kan worden - en in die staat is er geen gedachte aan bestaan of niet-bestaan. Mahāmati, wanneer er in het (mentale) rijk waarin de yogin verkeert een hechten is aan (concepten als) bestaan en niet-bestaan, dan zal er ook een hechten zijn aan een ego, een Voeder, een hoogste ziel, of "persoon". Ik herhaal het, Mahāmati, de leer die wijst in de richting van zelf-aard, individualiteit en algemeenheid in de dingen, is de leer van de Transformatie-Boeddhas, niet die van de Oorspronkelijke (Dharmatā) Boeddha. Mahāmati, een dergelijke Dharma-uitleg (zoals de Transformatie-Boeddhas in hun mededogen met beginners onderwijzen) is er voor de onwetenden; zo'n uitleg voegt zich naar hun mentaliteit, naar hun manier van denken en hun wereldbeschouwing. Echter, ieder vasthouden aan een visie die de weg van zelf-aard volgt leidt ertoe dat de waarheid omtrent zelf-realisatie, die bereikt wordt door nobele wijsheid in te zetten, niet aan het licht komt, noch bereikt men er de vreugdevolle sfeer van samādhi mee.

Mahāmati, dit is een vergelijking: er is de weerspiegeling van bomen in het water; die weerspiegelingen zijn zowel weerspiegelingen als niet-weerspiegelingen, en de bomen zijn bomen en tegelijkertijd niet-bomen. Mahāmati, zo is het ook met diegenen die doordrongen zijn geraakt van de gewoontepatronen in het denken der geleerden; zij gaan door met verschil zien tussen eenheid en anderheid, tussen dualiteit en niet-dualiteit, zijn en niet-zijn; hun geest is niet verlicht tot de kennis die gevonden wordt in de leer van Enkel-Bewustzijn.

Mahāmati, het is als een spiegel die alle kleuren en beelden reflecteert - afhankelijk van de omstandigheden en zonder voorkeur te tonen - en de beelden die zo getoond worden zijn noch beelden, noch niet-beelden omdat ze worden gezien als beelden, maar ook als niet-beelden. Mahāmati, het zijn onderscheiden vormen die slechts in en door bewustzijn zelve worden gezien; de onwetenden noemen het "beelden". Daarom zijn eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit beelden die in en door het Zelf-bewustzijn worden weerspiegeld - hun gestalten lijken reŽl (maar zijn het niet).
Mahāmati, het is als de echo die een mensenstem weerkaatst, of het geluid van een rivier, of die van de wind. Omdat het gehoord wordt als een stem, maar ook als een niet-stem bestaat dat geluid en bestaat het niet. Zo ook zijn de noties van zijn en niet-zijn, eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit zowel onderscheidingen in en van het Zelf-Bewustzijn als onderscheidingen van gewoontepatronen.
Mahāmati, het is als een luchtspiegeling die, (als het ware) samenwerkend met de zon verschijnt en boven de aarde, op plaatsen waar geen grassen, struiken, klimplanten en bomen zijn, zijn golven toont; noch bestaan ze, noch is het niet zo dat ze niet-bestaan; het (bestaan of niet-bestaan ervan) hangt af van ofwel het verlangen ernaar, ofwel van hun afwezigheid.

Net zo is vanaf de tijd zonder begin het onderscheidende bewustzijn van de onwetende, doordrenkt als het is met de gewoontepatronen van speculeren en fantaseren - hetgeen verkeerd is, opgejaagd als ware het een luchtspiegeling. Het is opgejaagd, zelfs temidden van de realiteit die aan het licht komt door nobele wijsheid in te zetten; het is opgejaagd door de golven van geboorte, voedsel, en vergaan, door die van eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit, door (concepten als) zijn en niet-zijn.
Mahāmati, het is als (de tovenaar) PisŠca die zijn magie gebruikt om een lijk of een houten beeld hartslag te geven, ook al heeft zo'n lijk of zo'n beeld zelf geen kracht of vermogen. Hier echter hecht de onwetende aan het niet-bestaande, en beeldt zich in dat het (lijk of beeld kracht heeft tot bewegen).
Net zo, Mahāmati, zijn de onwetenden en eenvoudigen van geest. Ze hangen foutieve filosofische inzichten aan en zijn grondig toegewijd aan ideeŽn als eenheid en anderheid - maar hun premissen zijn niet goed gefundeerd.
Mahāmati, om die nobele realiteit te bereiken die binnenin jezelf schuilt, zou je derhalve al dat onderscheid-aanleggen af moeten werpen, onderscheid-aanleggen dat leidt tot gedachten over geboren worden, over verblijven (bestaan), en vergaan, gedachten over eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit, zijn en niet-zijn.

Vandaar dat er gezegd wordt:
149. De Vijfvoudige Groep van Hechten (skandhas), waarvan bewustzijn het vijfde is, zijn gelijk de weerspiegeling van bomen in het water; zie ze als Begoocheling (Māyā) en een droom; ze zijn wat ze zijn als gevolg van gedachtenconstructies - onderscheid ze niet!

150. Deze drievoudige wereld lijkt meer op een haarnet (gezien door hen die lijden aan staar), of ze lijkt op het opgezweepte water in een lucht-spiegeling; ze is als een droom, als Begoocheling - door het zo te zien bereik je bevrijding.

151. De geest is als een luchtspiegeling in het voorjaar: turbulent. Dieren beelden zich in dat daar water is, maar realiteit ontbreekt geheel.

152. Zo wordt het zaad dat opgeslagen ligt in het (Opslag-)bewustzijn tot kiemen gebracht en komt de wereld in zicht; de onwetenden zeggen dan dat er geboorte is; ze zijn als myopen die in de duisternis turen en dingen menen waar te nemen.

153. De onwetenden gaan vanaf de tijd zonder begin doorheen de paden (van bestaan na bestaan), gewikkeld als ze zijn in hun gehechtheid aan bestaan; zoals een wig gedreven wordt door gebruik te maken van een wigvormig instrument, zo leiden we ze naar een achterlaten (van hun gehechtheid aan bestaan).

154. Wanneer we de wereld constant beschouwen als een lijk dat als door magie tot leven is gebracht, of als een machine, of als een droom, of een lichtflits, of een wolk, dan wordt dat voortgaan door de drievoudige wereld tot de grond toe afgebroken, en zijn we bevrijd.

155. Hier (in die bevrijdde staat) zijn geen gedachtenconstructen; ze zijn als een beeltenis aan de lucht. Wordt alles zo begrepen, dan hoeft er niets gekend te worden.

156. Hier (in die bevrijdde staat) is er niets dan gedachtenconstructen (vikalpa) en naam (nāma). Tevergeefs zoek je naar individuele kenmerken; de skandhas zijn als dat haarnet waarin onderscheid-aanleggen maar voort en voort gaat.

157. Een menigvuldige wereld is een haarnet, een visioen, een droom, de stad van de Gandharvas; ze is als een vuurwiel, als een luchtspiegeling; ze is een niet-entiteit, niet meer dan een gestalte die aan mensen verschijnt.

158. Eeuwigheid en niet-eeuwigheid, en eenheid, en dualiteit, en niet-dualiteit - al dit wordt onderscheiden door de onwetenden wier geest in tumult verkeert, door hen die vanaf de tijd zonder begin geketend zijn aan foutief denken.

159. Weerspiegelingen worden waargenomen in een spiegel, in water, in een (metalen) pot, en in een edelsteen; hierin kan echter nergens een (werkelijkheid hebbend) beeld vastgegrepen worden.

160. Als een luchtspiegeling, zo is de menigvuldigheid der dingen; het zijn schijngestalten; ze tonen zich in velerlei gedaanten, maar ze zijn niet meer dan het gedroomde kind van een onvruchtbare vrouw.

Toelichting bij tekst 31

In dit gedeelte wordt opnieuw uitgehaald naar "de geleerden". Bedenk dat hier een categorie religieus-filosofisch ingestelde asceten en priesters werd bedoeld die in de tijd van het ontstaan van de Lanka furore maakten in India, alhoewel van een aantal onder hen de preciese omschrijving van hun doctrine verloren zou kunnen zijn gegaan.

- "... haarnet noch een fenomeen, noch een niet-fenomeen, want het is gezien en toch niet gezien." In deze zin wordt gedemonstreerd dat de Enkel-Bewustzijn-traditie geen nihilisme predikt: een verbeeld haarnet bestaat niet in materieele zin, echter, het bestaat wel degelijk als een manifestatie van bewustzijn. Daar bewustzijn echter "zijnsloos" is, sunyatā, kan er als gevolg niet gesproken worden in categorieŽn van bestaan en niet-bestaan.

- "... niet niet-juwelen." Deze kromme bewoording moet wel gehandhaafd blijven omdat ze behoort bij een fameus tetralemma, voor het eerst gebruikt door Sakyamuni Boeddha en in later eeuwen herhaald door groten zoals Nāgārjuna (1e/2e eeuw). Twee welbekende tetralemma die Nagārjuna in zijn Mūlamadhyāmakakarikā (Zangen over de Wortels van het Midden) aanvoerde gaan als volgt:
"Omdat een ding dat bestaat, of niet bestaat, of tegelijktertijd bestaat en niet bestaat niet aantoonbaar is, kun je toch niet spreken over een producerende oorzaak!" We hebben hier 1. bestaan, 2. niet-bestaan, 3. bestaan-niet-bestaan, en - impliciet - 4. noch-bestaan-noch-niet-bestaan, hetgeen in feit niets anders is dan een herhaling van 3. Het tweede voorbeeld:
"Een ziener bestaat noch afgescheiden van, noch niet-afgescheiden van het zien; hoe kun je derhalve spreken over zien, of over een object dat gezien wordt!"

- "Ik herhaal het, Mahāmati, ..." De leer van de Transformatie-Boeddha is hier een beleefde verwijzing naar het nog onvolledige denken der Grote Toehoorders.

- "... er is de weerspiegeling van bomen ...". Zie hiervoor eerdere aantekeningen over de (on)mogelijkheid fenomenen in de wereld te benoemen. Deze zinsnede is daar een illustratie van en spreekt opnieuw over het sunyatā zijn van alle wezens en dingen.

- "Zo ook zijn de noties ... zowel onderscheidingen in en van het Zelf-Bewustzijn als van gewoontepatronen." Ook deze regel toont de intrinsieke eenheid van het absolute en het relatieve, of in deftige Sanskriet-termen, van paramartha en samvriti satya. Het is opnieuw een illustratie van de Hart Soetra's belangrijkste regel: vorm is sunyatā, en sunyatā is vorm.

- De vijf geledingen van een syllogisme staan in het Boeddhisme bekend als: propositie (pratijñā), reden of voorwaarde (hetu), voorbeeld (udaharana), toepassing (upanaya), en conclusie (nigamana). Aangenomen mag worden dat deze vorm van argumenteren stamt uit de Sarvastivāda-traditie op welks schema de Himalaya-traditie nog steeds debatteert.

- "155. Hier (in die bevrijdde staat) zijn geen gedachtenconstructen, ..." en
"156. Hier (in die bevrijdde staat) is er niets dan gedachtenconstructen ..."
Beide verzen moeten tesamen gelezen worden. Wanneer we vers 155 als een op zichzelf staande uitspraak zouden lezen, zou er de idee ontstaan dat de Enkel-Bewustzijn-trend totale nietsheid of nihilisme predikt. Echter, vers 155 zegt dat in gedachtenconstructen geen "ens" valt waar te nemen, terwijl vers 156 zegt dat we nochtans niet over geen-gedachtenconstructen" kunnen spreken waar er niet zoiets als gedachtenconstructen is, of wordt waargenomen, of verbeeld - hoewel het "ens-loos" is.




Tekst 32

Mahāmati, voorts is de Boeddha-Dharma vrij van de volgende vier concepten: eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit, zijn en niet-zijn, bevestigen en weerleggen. Vooraanstaand in de Boeddha-Dharma zijn de (vier nobele) waarheden, de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, en het (nobele achtvoudige) pad dat leidt tot bevrijding. Mahāmati, de Boeddha-Dharma heeft niets van doen met de volgende ideeŽn: die over Prakriti, Isvara, oorzaaksloosheid, toeval, atomen, tijd, en Zelf (zoals religieuze systemen dat verstaan).

En dan (leiden de Boeddhas de wezens) stap voor stap voorwaarts; ze zijn als karavaan-leiders en wensen hen te zuiveren van de twee obstakels die passie (begeerte) en (boeken)kennis vormen; ze wensen hen te vestigen in de honderd-en-acht leerstukken over zonder-beelden-zijn alsook in de karakteristieke onderscheidingen tussen de Voertuigen, in de (tien) stadia (van bodhisattvaschap), en in de (zeven) factoren van verlichting.

Voorts, Mahāmati, zijn er vier soorten van dhyāna. Welke zijn dat? Dat zijn de dhyāna die beoefent wordt door de onwetenden, de dhyāna waarin naar betekenis gezocht wordt, de dhyāna die Zoheid (tathāta) als object heeft, en de dhyāna van de Tathāgatas.

Wat bedoel ik met de dhyāna die beoefent wordt door de onwetenden?
Dit is de dhyāna van die yogins die zich op het pad van de Toehoorders en Zelf-Verlichtten bevinden, en die, ziend dat er geen ego-substantie is, ziend dat dingen gekarakteriseerd worden door individualiteit en algemeenheid, ziend dat het lichaam niet meer is dan een schaduw of een skelet - voorbijgaand, lijdensvol en onzuiver - koppig aan deze noties vasthouden en er van zeggen dat ze zo zijn, en niet anders. Deze inzichten als beginpunt nemend gaan ze geleidelijk voort tot ze dat ophouden bereiken waar er geen gedachten meer zijn. Dit heet de dhyāna die beoefent wordt door de onwetenden.

Mahāmati, wat bedoel ik met de dhyāna waarin naar betekenis gezocht wordt?
Dit is de dhyāna van diegenen die een stap verder zijn gegaan dan het (inzien van) substantieloos zijn van dingen, en van individualiteit en algemeenheid. Zij zien dat concepten over zelf, ander, en zowel-zelf-als-ander - de stek der geleerden - geen steek houden. Derhalve gaan ze voort en onderzoeken en volgen de betekenis van diverse aspecten van egoloosheid en de stadia van het Bodhisattva-pad. Dit heet de dhyāna die beoefent wordt door de onwetenden.

Mahāmati, wat bedoel ik met de dhyāna die Zoheid (tathāta) als object heeft?
Wanneer ingezien wordt dat de twee vormen van egoloosheid (van het wezen en van de dingen) niet meer zijn dan verbeeldde gestalten, en wanneer de yogin, zich vestigend in de werkelijkheid van "zo-is-het" (yathābhutŠ), zich gewaar is dat er geen onderscheid-aanleggen meer ontstaat, dan noem ik dat de dhyāna die Zoheid als object heeft.

Mahāmati, wat bedoel ik met de dhyāna van de Tathāgatas? Wanneer de yogin de staat van Tathāgataschap binnen gaat en daar verblijft in de drievoudige vreugde die het kenmerk is van die zelfrealisatie die behaald wordt door nobele wijsheid in te zetten, en wanneer hij zich vervolgens inzet voor het welzijn van alle wezens en onwaarschijnlijke taken volbrengt, dan noem ik dat de dhyāna van de Tathāgatas. Daarom wordt er gezegd:
161. Er is de dhyāna die beoefent wordt door de onwetenden, de dhyāna waarin naar betekenis gezocht wordt, de dhyāna die Zoheid (tathāta) als object heeft, en de dhyāna van de tathāgatas.

162. De yogin neemt in zijn beoefening de vormen van zon of maan waar, of iets dat lijkt op een lotus, of de hellen, of verschillende andere zaken zoals de hemel, vuur, enzovoorts.

163. Al deze verschijningen leiden hem naar de praktijk der geleerden; ze doen hem neertuimelen naar de staat van de Toehoorders, of naar het rijk der Zelf-Verlichtten.

164. Zijn al deze (vistas) terzijde geschoven dan is er de staat van zonder-beelden-zijn, dan verschijnt er een conditie die in overeenstemming is met Zoheid, dan komen alle Boeddhas uit alle boeddhalanden om met hun lichtende handen deze weldoener over het hoofd te strelen.

Toelichting bij tekst 32

- (Boeken)kennis. Alhoewel een canoniek geschrift als de Lanka een hele hoop informatie geeft die maar het best gememoriseerd kan worden, ontmoedigt ze een al te diepgravend onderzoek in zowel boeddhistische als niet-boeddhistische geschriften omdat dit de praktikant a/ kan weerhouden van meditatieve praktijk in de formele zin van het woord, en b/ dergelijk diepgravend onderzoek kan leiden tot "welles-nietes" gekibbel, hetgeen ook niet erg dienstig is op de weg naar Boeddhaschap. Dit is het standpunt van de auteur van de Lanka die de meditatieve praktijk van Enkel-Bewustzijn voorstaat; andere stromingen zullen met evenveel kracht van overtuiging stellen dat in geleerdheid een even goede stap op de Weg gezet kan worden.




Tekst 33

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: Gezegende, u spreekt over nirvāna. Wat wordt bedoeld met het woord nirvāna?
De Gezegende antwoordde: wanneer de zelf-aard en de gewoontepatronen in al de bewustzijnen, inclusief het Opslagbewustzijn, het denkbewustzijn, en het superviserende bewustzijn waaruit de gewoontepatronen van fantaseren en speculeren ontstaan, wanneer die de ommekeer doormaken, dan zeggen ik en alle andere Boeddhas dat er nirvāna is, en manifesteert nirvāna zich als (de realisatie van) ledigheid, de staat van realiteit.

Mahāmati, verder is nirvāna het rijk van zelf-realisatie dat bereikt wordt door nobele wijsheid in te zetten, die wijsheid die vrij is van onderscheid-aanleggen tussen de eeuwigheidsleer en die van vernietiging, tussen bestaan en niet-bestaan. Hoe komt het dat het niet behoort tot de eeuwigheidsleer? Omdat het een onderscheid-aanleggen tussen individualiteit en algemeenheid heeft afgeworpen - daarom behoort het niet tot de eeuwigheidsleer. En wat kan er gezegd worden over de onmogelijkheid nirvāna te vernietigen? Het kan niet vernietigd worden omdat alle wijzen uit alle tijden deze realisering bereikt hebben, bereiken, en bereiken zullen - daarom heeft het niets te maken met vernietiging.

Nogmaals, Mahāmati, het Grote Heengaan (Parinirvāna) is noch vernietiging, noch dood. Mahāmati, ware het Grote Heengaan dood, dan zou er geboorte en voortgang zijn. Ware het vernietiging, dan zou het de karakteristiek aannemen van een gevolg-producerende handeling - daarom is het Grote Heengaan noch destructie, noch dood; noch is er iets dat verdwijnt, sterft. Het (Parinirvāna) is het doel waar de yogin naar streeft. En verder, Mahāmati, is het Grote Heengaan noch achterlaten, noch bereiken; het is niet betekenis-hebbend, noch is het niet niet-betekenis-hebbend - zo is nirvāna.
En, Mahāmati, het nirvāna dat de Toehoorders en Zelf-Verlichtten erkennen bestaat uit het herkennen van individualiteit en algemeenheid; het bestaat in een vlucht uit de maatschappij, in het vrij zijn van op-zijn-kop meningen over de wereld, en in niet-onderscheiden - dit is hun opvatting over nirvāna.

Mahāmati, verder zijn er nog twee karakteristieke kenmerken van zelf-aard. Welke twee? Het zijn, 1/ hechten aan woorden als hadden ze zelf-aard, en, 2/ hechten aan objecten denkend dat deze zelf-aard hebben. Mahāmati, hechten aan woorden als hadden ze zelf-aard is er als gevolg van iemand's hechten aan het gewoontepatroon van woorden en inbeelden, en dit al vanaf de tijd zonder begin. Mahāmati, hechten aan objecten, denkend dat deze zelf-aard hebben ontstaat omdat iemand niet beseft dat de externe wereld slechts een geestesgestalte is.

Dan zijn er nog twee vormen van ondersteunende kracht die uitgaan van de Tathāgatas die Arhat en Volmaakt Verlicht zijn, en, ondersteund door deze kracht buigen (de bodhisattvas) voor hun voeten neer en stellen vragen. Wat is die tweevoudige kracht die bodhisattvas ondersteunt? De ene is de kracht die hen ondersteunt wanneer ze zich in (de meditatieve staten van) samādhi en/of samāpatti bevinden. De andere is de kracht waarmee Boeddhas zich in persoon aan de bodhisattvas manifesteren en hen de hand opleggen. Dan, Mahāmati, wanneer de bodhisattvas zo ondersteund zijn door Boeddha's kracht, zullen ze, eenmaal in het eerste (van de tien) stadia verblijvend de bodhisattva-samādhi binnengegaan die gekend wordt onder de naam "Licht van Mahāyana"; die samādhi behoort tot het rijk van de bodhisattva-mahāsattvas (en niet tot dat van de Toehoorders en Zelf-Verlichtten). Dan zullen ze (, de Bodhisattva-mahāsattvas,) in een oogwenk de Tathāgatas voor zich zien verschijnen, komend vanuit alle windrichtingen, en die Tathāgatas zijn Arhat, en Volmaakt Verlicht, en dan zullen dezen voor de bodhisattvas staan en hen hun ondersteunende kracht verlenen, manifest in lichaam, mond, en woorden. Mahāmati, als in het geval van Bodhisattva-mahāsattva Schoot van Diamant (Vajragarbha), en ook in dat van andere bodhisattva-mahāsattvas die een gelijkaardig karakter en waardigheid bezitten, zo zullen alle Bodhisattva-mahāsattvas die in het eerste stadium verkeren de Tathāgata-kracht ontvangen die hen doorheen samādhi en samāpatti zal ondersteunen. Dankzij de morele verdiensten die zij gedurende honderd-duizend eonen hebben geaccumuleerd zullen ze, geleidelijk-aan de stadia doorlopend, en grondig bekend rakend met wat wel en niet gedaan moet worden uiteindelijk dat Bodhisattvastadium bereiken dat Dharmamegha (Dharmawolk, het tiende en laatste) wordt genoemd. Hier zit de Bodhisattva-mahāsattva op een troon in het Lotus-paleis, omringd door andere bodhisattva-mahāsattvas die hetzelfde bereikt hebben. Hij zit daar met een met edelstenen versierde tiara op het hoofd en zijn lichaam glanst als de goudgele maan, het goudgeel van de TsjŠmpaka-bloem. En dan komen de Boeddhas uit hun boeddhalanden in alle tien de windrichtingen, en met hun lotusgelijke handen besprenkelen ze het hoofd van de Bodhisattva-mahāsattva die op die troon in het Lotus-paleis zit; zo voeren de Boeddhas persoonlijk het abhisekha-ritueel uit, net zoals een grote wereldheerser (cakravartin) dat doet. Van deze en de andere Bodhisattva-mahāsattvas wordt gezegd dat ze, omdat ze zo gezegend zijn, ondersteund worden door de Boeddha's kracht. Mahāmati, dit is de tweevoudige ondersteunende kracht die de Bodhisattva-mahāsattvas ontvangen. Gesterkt door deze ondersteunende kracht komen ze oog in oog met alle Boeddhas, en dit is de enige manier om Tathāgatas, Arhats, Volmaakt Verlichtten vragen te stellen.

En dan nog dit, Mahāmati: welke samādhis, psychische krachten en leringen de Bodhisattva-mahāsattvas ook tonen, ze worden alle ondersteund door de tweevoudige ondersteunende kracht van de Boeddhas. Mahāmati, zouden de Bodhisattva-mahāsattvas welsprekend zijn zonder Boeddha's ondersteunende kracht, dan zouden de onwetenden en eenvoudigen van geest dat ook zijn (maar zo is dat niet). Hoe komt dat? Dat komt omdat de eersten die ondersteunende kracht voelen, maar de anderen niet. Waar ook de Tathāgatas met hun ondersteunende kracht tussenbeide komen, daar is muziek, niet enkel voortgebracht door een variŽteit aan instrumenten en drums, maar ook door grassen, struiken, bomen, en bergen, zelfs door steden, zelfs door paleizen, huizen en koninklijke verblijfplaatsen. Hoeveel temeer dan door hen die zintuigen hebben! Mahāmati, dan zullen de doofstommen genezen zijn en vreugde beleven aan hun bevrijding. Mahāmati, dat is de zeer grote verdienste van de ondersteunende kracht zoals de Tathāgatas die verlenen.

Toen zei Mahāmati: Gezegende hoe komt het dat wanneer de Bodhisattva-mahāsattvas eenmaal gevestigd zijn in de samādhis en samāpattis, en zodra de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht hen de handen hebben opgelegd, deze laatsten hen hun ondersteunende kracht verlenen?
De Gezegende antwoordde: Dat wordt gedaan opdat ze de kwade krachten, karma, en passies zullen ontwijken, het is om hen weg te houden bij de dhyāna en stadia van Toehoorderschap, het is om hen het stadium van Tathāgataschap te doen realiseren en om hen te doen groeien in de waarheid en de ondervindingen die ze alreeds bezitten. Daarom, Mahāmati, ondersteunen de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht deze bodhisattva-mahāsattvas hen met hun ondersteunende kracht. Mahāmati, waren ze zo niet ondersteund, dan zouden ze terugvallen naar de denkwijzen en gevoelens die te vinden zijn temidden van die geleerden die het mis hebben, en temidden van de Toehoorders; ze zouden verlichting niet bereiken. Daarom, Mahāmati, ondersteunen de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht, de Bodhisattva-mahāsattvas. Want dit wordt er gezegd:

165. De ondersteunende kracht is gezuiverd door Boeddha's geloften. Die kracht is aanwezig doorheen het abhisekha-ritueel, doorheen de samādhis, en zo verder.

Toelichting bij tekst 33

- "Dan zijn er nog twee vormen van ondersteunende kracht."
Nagenoeg iedere serie verzen uit de AvatŠmsaka soetra begint met te referen aan deze ondersteunende Boeddha-kracht, als bijvoorbeeld de serie verzen uit De Tien Toewijdingen, boek 25: "Toen overschouwde Bodhisattva-mahāsattva Banier van Diamant de tien windrichten, en, de geestkracht van Boeddha ontvangen hebbend zei hij: ..."

Vanaf en inclusief de bovenstaande regel over het ontvangen van Boeddha's kracht - bij velen in Nederland bekend als empowerment - parafraseert dit gedeelte van de Lanka het Boek De Tien Stadia, opgenomen in de AvatŠmsaka Soetra. Hier is derhalve geen sprake meer van een zuivere Enkel-Bewustzijn-interpretatie, en het is daarom dat de auteur onomwonden spreekt over de zegeningen van samādhi en samāpatti, die overigens in het geversifieerde deel van de Tien Stadia, het eerste stadium behandelend, alleen vagelijk worden aangeduid met "honderd concentraties".

- "Lotusgelijke handen." Een aantal jaren geleden merkte de eerwaarde Zuiver-Land-meester Chih Kung op dat nagenoeg iedere lotus-bloem inderdaad een klein blaadje heeft, half vastzittend aan een ander en ietsje gekruld, dat op een duim lijkt. Als een lotus dan behalve dit kleine blaadje nog vier andere bladeren heeft, dan lijkt het, plat uitgespreid, iets op een handje. Lotussen zijn overigens geheiligde bloemen in AziŽ, zowel vanwege hun zuiverheid - vuil blijft er niet op hangen, als vanwege een heel subtiele geur.




Tekst 34

Opnieuw sprak Bodhisattva Mahāmati en zei: De keten van Afhankelijk, Oorzakelijk Ontstaan zoals de Gezegenden dit onderwijzen berust op (de premisse van) een oorzaak die een gevolg genereert, en dat is niet (hetzelfde als) de theorie die zegt dat er een zichzelf-veroorzakende Substantie is. Ook de geleerden verklaren dat er een oorzakelijk ontstaan is wanneer ze zeggen dat alle dingen verrijzen met een hoogste geest, Õshvara, een persoonlijke ziel, tijd, of atomen als veroorzaker. Hoe komt het dat de Gezegende het verrijzen van alle dingen verklaart met andere bewoordingen over oorzakelijkheid, maar met een betekenis die niet verschilt (van die van de filosofen)? Gezegende, de geleerden verklaren geboorte aan de hand van de theorie over zijn en niet-zijn. De Gezegende echter, zegt dat alle dingen ontstaan uit ledigheid en dat ze verdwijnen als gevolg van oorzaken (c.q. voorwaarden en condities). Of, anders gezegd, de Gezegende zegt dat er onwetendheid is waaruit mentaal ageren ontstaat, en zo vervolgens tot aan Ouderdom en Dood. Deze leer die de Gezegende verkondigt is de leer van niet-oorzakelijkheid, niet een van oorzakelijkheid. De Gezegende zegt: "wanneer dat is, is dit er". Als dit gelijktijdige conditionering (of gelijktijdig ontstaan) betekent, en niet een onderling-betrokken opeenvolging, dan is dat niet juist. Op dat punt, Gezegende, is dat wat de geleerden verkondigen correct, en is uw leer dat niet. Waarom niet? De oorzaak die de geleerden veronderstellen is niet afhankelijk van de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, en ze produceert (toch) een gevolg. Maar, Gezegende, oorzaak is verbonden met gevolg, en gevolg met oorzaak. En zo is er een onderlinge betrokkenheid van veroorzakende aaneenschakeling, en uit dat wederzijdse gebeuren ontstaat de fout van niet-eindigheid. Wanneer mensen over "wanneer dat is, is dit er" spreken, dan spreken ze over een staat van oorzaaksloosheid.

De Gezegende antwoordde: Fout, Mahāmati, ik onderwijs geen theorie van oorzaaksloosheid die uitmondt in een [eindeloze] onderlinge betrokkenheid van oorzaken en condities. Wanneer ik zeg "wanneer dat is, is dit er" dan doe ik dat omdat ik de aard van de externe wereld doorgrond die niets anders is dan Bewustzijn zelve; ik spreek zo omdat ik de onwerkelijkheid van het gegrepene en het grijpen voor ogen heb (d.w.z. van object en subject). Echter, wanneer mensen hechten aan de notie van het gegrepene en dat wat grijpt, dan zijn ze niet in staat de wereld te zien als iets dat in en uit bewustzijn zelve is. Mahāmati, dan begaan ze de fout de externe wereld met zijn wezens en niet-wezens te zien als iets werkelijks; maar mijn leer over afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan doet dat niet.

Opnieuw sprak Mahāmati: Gezegende, is het niet zo dat, omdat woorden werkelijkheid bezitten, alle dingen bestaan? Gezegende, waren er geen woorden, dan zou er geen verrijzen van fenomenen zijn; vandaar dat ik zeg dat alle dingen bestaan omdat woorden werkelijkheid bezitten.

De Gezegende zei: Mahāmati, zelfs wanneer er geen (corresponderende) objecten in de geest zijn, dan zijn er nog altijd woorden; we hebben het immers over hazehorens, schildpadharen, het kind van een onvruchtbare vrouw, en zo verder; die dingen zijn niet ervaarbaar in de wereld, maar de woorden zijn dat wel. Mahāmati, het zijn noch entiteiten noch niet-entiteiten, maar ze vinden uitdrukking in woorden. Mahāmati, als je zegt dat er fenomenen (in de wereld) zijn omdat woorden werkelijkheid hebben, dan praat je onzin. Er is geen Boeddhaland waar woorden bestaan; Mahāmati, woorden zijn constructen. Er zijn Boeddhalanden waar ideeŽn gestalte krijgen door intens en zonder de ogen te knipperen te kijken. Andere landen geven ideeŽn gestalte door gebaren, weer andere door de wenkbrauwen te fronsen, of door met de ogen te bewegen, of door te lachen, te geeuwen, de keel te schrapen, of door te herinneren, of door te beven. Mahāmati, er zijn bijvoorbeeld, in de werelden van Ononderbroken Zien en Uitmundende Geuren, en ook in het Boeddhaland van Tathāgata SamŠntabhadra - die Arhat is, en Volmaakt Verlicht - Bodhisattva-mahāsattvas die door ononderbroken staren gaan inzien dat alle dingen ongeboren zijn; ze zien dan voorts allerhande uitmuntende vormen van samādhi. Het is daarom, Mahāmati dat een (eventueel) werkelijksgehalte van dingen, fenomenen, niets van doen heeft met (het al dan niet werkelijk zijn van) woorden. Merk op, Mahāmati, dat zelfs in deze wereld, in de koninkrijken van bijzondere wezens zoals mieren en bijen, het werk uitgevoerd wordt zonder dat er spraak aan te pas komt. Daarom wordt er gezegd:
166. Zoals het luchtruim, hazehorens, en het kind van een onvruchtbare vrouw non-entiteiten zijn, behalve wanneer er woorden aan gegeven worden, zo is bestaan louter imaginair.

167. Zodra voorwaarden en condities samenkomen beelden de onwetenden zich in dat er verrijzen (of geboorte) is. Omdat ze de diepere lagen hiervan niet vermogen te zien gaan ze voort door de drievoudige wereld - hun verblijfplaats.

Toelichting bij tekst 34

De eerste alinea: Dit is zo ongeveer de moeilijkste passage uit deze soetra. Het is helemaal niet zeker dat ze correct vertaald is. Waar het om lijkt te gaan is dat een opvatting als "gelijktijdig ontstaan" niet houdbaar is omdat in dat geval oorzaak en gevolg niet uit elkaar te houden zijn. Ook plaatst Mahāmati een vraagteken bij het eindig, danwel niet-eindig zijn van de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan. Grof geformuleerd ziet hij, op het relatieve vlak, niet hoe er in een schijnbaar eindeloze keten van geboren-worden en sterven een kink in de kabel kan komen. In deze soetra verklaart Boeddha opnieuw, en nu zijn we weer terug van onze uitstap naar De Tien Stadia, en opnieuw stevig gegrondvest in de Enkel-Bewustzijn-traditie, dat alles in en uit bewustzijn zelve is, en dat dus, impliciet duidelijk gemaakt, de keten doorbroken wordt zodra de staat van "zonder-beelden-zijn" bereikt is. In die wijsheid hebben geboorte en dood - als fysiek gebeuren - hun kracht verloren, en hebben ze - als mentaal gebeuren - die kracht nooit bezeten.

- "Wanneer dat is, is dit er". Dit is een van de oudste en meest oorspronkelijke uitspraken van Shakyamuni Boeddha wanneer hij pratitya samutpāda, ofwel Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, behandelt.

- "Er zijn Boeddhalanden waar ideeŽn gestalte krijgen ..." Boeddhalanden betekent, volgens meer dan een passage uit de AvatŠmsaka soetra, de praktijken die naar Boeddhaschap leiden.

- "Mahāmati, er zijn bijvoorbeeld .... in het Boeddhaland van Tathāgata SamŠntabhadra ..."
Geen van de drie boeken uit de AvatŠmsaka Soetra die rechtstreeks over de praktijken van SamŠntabhadra gaan - daar "Bodhisattva-mahāsattva" genoemd - zeggen dat deze Grote Boeddhakwaliteit zelf Boeddha is, maar het kan er wel uit afgeleid worden, zeker wanneer we in het laatste boek, "Binnengaan in het Rijk van de Werkelijkheid" lezen dat SamŠntabhadra aan het hoofd staat van een Boeddhaland.
. "Ononderbroken staren". Deze praktijk is een ware "tapas" een streng het lichaam onder druk zetten om een bepaald spiritueel resultaat te kunnen bereiken. Omdat Shakyamuni Boeddha in zijn eerste Leerrede ernstig waarschuwde tegen zelfkwelling komt die praktijk in Boeddhisme niet veel, en in de 20e/begin 21e eeuw helemaal niet meer voor. Het kan echter zijn dat dergelijke beschrijvingen de canon zijn binnengeslopen onder druk van de Ongeklede Jain (DigŠmbara), en/of hindu(-geÔnspireerde) ascetische praktijken.

- "Het is daarom, Mahāmati dat een (eventueel) werkelijksgehalte van dingen, fenomenen, niets van doen heeft met (het al dan niet werkelijk zijn van) woorden." Tot in de twintigste eeuw is dit een onderwerp geweest waar onder andere taalfilosofen zich het hoofd over braken: "covert" een naam het ding waar het naar verwijst? Wordt een ding een ding omdat er een naam aan gegeven wordt?




Tekst 35

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati dit tot de Gezegende: Gezegende, waar (in welke rede) zegt u dat geluid eeuwig is?

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, dit is een foutieve denkwijze. Zelfs wijzen hebben deze foutieve denkwijze, hoewel ze (overigens) niet op-zijn-kop denken. Mahāmati, stel je de niet-zo-schranderen van deze wereld voor: zij hebben een op-zijn-kop manier van denken over luchtspiegelingen, vuurwielen, haarnetten, de stad van de Gandharvas, Māyā, dromen, weerspiegelingen, en een Aksha-wezen; ze weten dat dit alles niet echt is, maar dat betekent niet dat ze niet lijden onder dergelijke illusies. Mahāmati, is deze foutieve denkwijze er eenmaal, dan wordt er een menigte aan vormen waargenomen, ook al kun je van deze foutieve denkwijze niet zeggen dat een term als vergankelijkheid (of niet-vergankelijkheid) er op van toepassing is. Waarom is dat zo? Omdat het niet gekarakteriseerd kan worden met concepten als zijn of niet-zijn. Mahāmati, waarom kun je op een foutieve denkwijze geen maatstaven als zijn of niet-zijn toepassen? Omdat de onwetenden allerlei beelden tot hun geest laten doordringen, zoals "de golven van de oceaan", of "het water van de Ganges" die dan niet gezien zouden worden door de hongerige geesten (maar wel door anderen). Daarom, Mahāmati, kun je van het gefantaseerde bestaan niet zeggen: "het bestaat"; maar omdat er zijn die dit water wel degelijk waarnemen (als een verbeeld beeld), kun je niettemin ook niet zeggen: "het bestaat niet." Daarom is voor de wijzen zo'n foutieve denkwijze noch op-zijn-kop denken, noch niet-op-zijn-kop denken. En daarom, Mahāmati, kun je zeggen dat foutieve denkwijzen als zodanig gekarakteriseerd worden door permanentie, ook al kunnen ze niet onderscheiden (c.q. waargenomen) worden. Mahāmati, als men van zo'n foutieve denkwijze denkt dat ze een distinct ander ding is, met andere individuele kenmerken dan overige fenomenen, dan ziet men het inderdaad ook als een ander ding, verschillend van de rest.
En zo kun je zeggen dat foutieve denkwijzen worden gekarakteriseerd door permanentie. Mahāmati, hoe kun je zeggen dat een foutieve denkwijze realiteit bezit? Mahāmati, wat dat betreft hebben de wijzen er geen opinie over, is het voor hen noch foutieve kennis, noch niet-foutieve kennis - ze is zo, en niet anders. Mahāmati, zou een wijze er wat voor gedachte dan ook op na houden over foutieve denkwijzen, dan is dat tegengesteld aan de werkelijkheid die bereikt kan worden door nobele wijsheid in te zetten. Als er hier al iets is, dan is het het gebabbel der onwijzen, en niet de woorden der wijzen.

Stel, een foutieve denkwijze wordt geanalyseerd in termen van wel of niet op-zijn-kop denken, dan geeft zo'n analyse geboorte aan twee soorten families (gotra of kūla): de familie der wijzen, en de familie der onwijzen. Welnu, Mahāmati, de familie der wijzen valt uiteen in drie groepen: de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten, en de Boeddhas. Mahāmati, hoe verrijst de familie der Toehoorders uit het onderscheid-aanleggen dat de onwetenden brengt tot een foutieve denkwijze? Wel, de familie der Toehoorders verrijst wanneer er gehechtheid is aan concepten als individualiteit en algemeenheid. Mahāmati, dit is hun weg, zo ontstaat de familie der Toehoorders. Mahāmati, hoe verrijst de familie der Zelf-Verlichtten uit dat onderscheid-aanleggen dat de onwetenden brengt tot een foutieve denkwijze? Wel, de familie der Zelf-Verlichtten verrijst wanneer, als onderdeel van deze foutieve denkwijze, de gehechtheid aan concepten als individualiteit en algemeenheid iemand brengen tot een terugtrekken uit de samenleving. Mahāmati, zo ontstaat de familie der Zelf-Verlichtten. Mahāmati, hoe verrijst in de intelligenten, wanneer ze het foutieve denken waarnemen, de Boeddha-familie? Wel, wanneer de wereld gezien wordt als in en uit Bewustzijn zelve is er geen onderscheid-aanleggen meer tussen bestaan en niet-bestaan van externe fenomenen. Mahāmati, dit is de familie, dat wordt bedoeld met familie.
Nogmaals, Mahāmati, wanneer de onwetenden hun foutieve denken gewaar worden, dan ontstaan (gelijktijdig) een veelheid aan vormen die hen er toe brengen hiervan te zeggen dat het zo is, en niet anders - en zo verrijst de familie van hen die leven na leven zullen leven. Daarom, Maāamati, denkt de onwetende dat een foutieve denkwijze zich toont in veelvormigheid, dat ziet hij als de karakteristiek ervan, (maar de wijze weet dat) deze foutieve denkwijze noch een realiteit, noch een niet-realiteit (is). Mahāmati, wanneer de wijze zich bewust is van een foutieve denkwijze, dan transformeert deze (fout) zich in zoheid (tathāta), want dan vindt in deze wijze een ommekeer plaats met betrekking tot het (Opslag)bewustzijn, tot het denk-, en het superviserende bewustzijn; dan vindt er een ommekeer plaats met betrekking tot verkeerd redeneren, gewoontepatronen, de svabhāvas en de (vijf) dharmas. En dus wordt er gezegd dat tathāta (zoheid) betekent: bevrijd bewustzijn. Mahāmati, hiermee heb ik de betekenis van deze uitspraak duidelijk gemaakt: met overboord gooien van onderscheid-aanleggen bedoel ik (dan ook werkelijk) alle onderscheiden achterwege laten - ik heb gezegd!

Daarop zei Mahāmati: Gezegende, is foutief denken (of: een fout) een entiteit of niet?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, het is als Māyā (illusie); een fout bezit geen kenmerk dat (ook maar enigszins) geschikt zou zijn om je aan te hechten (want ook een fout is "ens-loos"). Had foutief denken ook maar iets (mentaal substantieels) waaraan gehecht zou kunnen worden, dan zou bevrijd geraken van samsara niet mogelijk zijn, dan zou Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan begrepen (moeten) worden als ware het schepping, zoals de geleerden dat doen.

Mahāmati zei: Gezegende, als foutief denken Māyā (illusie) is, dan zal het de oorzaak zijn van een nieuwe, daaropvolgende fout.

De Gezegende antwoordde: Nee, Mahāmati, Māyā kan geen oorzaak zijn van foutief denken, want het is (bij afwezigheid van veroorzakende substantie) niet in staat het kwade of fouten te veroorzaken: Māyā veroorzaakt geen slechte en foutieve gedachten. En bovendien, Mahāmati, in Māyā zelf is geen onderscheiden(d vermogen); het ontstaat slechts wanneer een bepaald persoon zijn magie er op los laat. In en uit zichzelf bezit het geen gewoontepatronen zoals slechte en foutieve gedachten die het, ontstaand uit zelfreflectie, zouden kunnen raken. (Binnen-)In Māyā zijn geen fouten. Wanneer er zo over wordt gedacht dan is dat alleen maar in de onwetende's verwarde gedachtengang over Bewustzijn; de wijzen hebben daarmee niets van doen.

Daarom werd er gezegd:
168. De wijzen zien geen foutieve denkwijzen, noch hebben foutieve denkwijzen iets te maken met de waarheid (van de Boeddha-Dharma). Ware waarheid aan te wijzen in foutieve denkwijzen, dan zou zo'n foutieve denkwijze deel uitmaken van het ware.

169. Als er buiten het foutieve denken een beeld (nŪmitta) zou verrijzen, dan is daar waarachtig een fout, dan is zo'n beeld een smet op het bewustzijn, duisternis.

Toelichting bij tekst 35

- "waar (in welke rede) zegt u dat geluid eeuwig is?"
Daar hier geantwoord wordt dat "zelfs de wijzen" deze verkeerde inzichten hebben, moeten we aannemen dat hier een verschil van mening tussen het Kleine en het Grote Voertuig aan de orde is. In de Pali Abhidhamma wordt gesproken over de paramatta sacca (spreek: sŠtsja), de hoogste realiteiten. Dit zijn de skandhas (zie de woordenlijst), de grote en afgeleide elementen, en ruimte (ākāsa). Daar deze dingen niet meer tot iets anders herleid kunnen worden zegt het Kleine Voertuig dat dit ultieme werkelijkheden zijn. Een van die ultieme werkelijkheden is stem of geluid. Daarmee is het Grote Voertuig het niet eens. Niet het wel of niet verder herleidbaar zijn van gegevenheden, zo wordt hier gezegd, is het criterium, doch de vraag of de fenomenen al dan niet "ens-loos" zijn. Ook van de door het Kleine Voertuig aangeduidde ultieme werkelijkheden, zo zegt het Grote Voertuig, moet gezegd worden dat deze een Žns", een "-heid"missen, en dus GEEN ultieme werkelijkheden zijn. De discussie over stem, geluid, of spraak is binnen de aziatische religieuze filosofieŽn altijd zeer belangrijk geweest. Niet alleen dat wat met behulp van geluid wordt uitgedrukt is belangrijk, maar ook geluid, spraak, of stem zelve. Zo staat er in de Hindu-leer geschreven dat de Veda het geluid, of de stem is die niet-geschapen is. Verder wordt Spraak, Vac genaamd, voorgesteld als een goddellijke emanatie: Vac is een godin. Voorts ken Hinduisme de Sri Vidya-leer die zich centreert rond de Godin (Devi). In die leer wordt gezegd dat het absolute het oer-geluid is (sabda, nada, of Om); hier wordt dit absolute geidentificeerd met energie, licht, en bewustzijn. Vroege taalfilosofen, die de taal in grammaticale regels vatten, hadden het dan bovendien nog over taal als "het absolute geluid", of "de absolute klank"" (sabdabrahman), hetgeen bepaald terugverwijst naar wat over de Veda is gezegd - zie boven.

- " ... wateren die ... niet gezien zouden worden door de hongerige geesten."
Dit is een oud beeld over de al dan niet mentale restanten van die overledenen die als hongerige geest nog geruime tijd door het universum gaan voor ze een nieuwe bestemming vinden. De stumperds kunnen water niet zien, en verdrinken dus - en gaan zo een nieuwe hel binnen.

- "Foutieve denkwijzen". Het eerste deel van deze tekst raadt de wijze aan zich niet te bemoeien met ideeŽn over het al dan niet bestaan van geluid of voorstellingen in de geest. Als iemand zegt: "geluid bestaat", of: "hazehorens bestaan omdat ik er een gedachte over heb", dan doet de wijze er het zwijgen toe, heeft er geen mening over. Zegt iemand: "geluid bestaat niet", of "hazehorens bestaan niet", dan doet hij of zij hetzelfde. Wat op het relatieve vlak ook over beelden of geluid gezegd kan worden, in ultieme analyse kan er niets gevonden worden waarvan gezegd kan worden "dit is geluidheid", of "dit is de hazehoornheid van hazehorens." Niets zeggen over "vaststellende" uitspraken staat dus niet voor een wijfelachtige houding waarin de wijze de kool en de geit wil sparen ("iedereen heeft wel een beetje gelijk"), maar dit zwijgen heeft ten maken met het feit dat we het, in laatste analyse, niet over "iets" hebben.

- "Familie". Er zijn twee woorden: kula, dat familie betekent en gotra dat meer weg heeft van het engelse lineage of clan. Het is niet duidelijk of hier en elders kula danwel gotra stond. Wel is het zo dat wanneer gezegd wordt dat iemand "in de Boeddha-familie geboren wordt" het woord gotra op zijn plaats is. Ook deze passage stoelt op een zeer vroege tekst waar een Noordindiase vorst de jonge Boeddha Shakyamuni vraagt tot welke familie, gotra, hij behoort. Boeddha antwoordt dan: "Ik behoor tot de gotra der Boeddhas." Overigens spreekt deze passage niet alleen over Volmaakt Verlichtten, maar ook over wezens die een behoorlijk eind gevorderd zijn op weg naar dat doel.

- "Nogmaals, Mahāmati, wanneer de onwetenden hun foutieve denken gewaar worden, dan ontstaan (gelijktijdig) een veelheid aan vormen ..." Met andere woorden, zodra het bewustzijn maar even de naald doet uitslaan van de ene denkpool naar de andere, wanneer er de "wetenschap" is dat er "correct" danwel "foutief" denken is, is er onmiddellijk dat veelvormige denkproces dat we maar al te goed kennen, een denkproces dat ons gemakkelijk doet verdrinken in een zee van beelden waar we op dat moment de hoogste waarde aan toekennen.

- "Mahāmati, wanneer de wijze zich bewust is ..."
Dit is wel de belangrijkste passage van de Lanka waar het de praktijk betreft. De zen-meditator zal het omschrijven met "kensho" of soortgelijke termen - daarvoor zitten ze op hun matje.

- "Had foutief denken ook maar iets (mentaal substantieels) waaraan gehecht zou kunnen worden ..."
Hadden concepten, gedachten, fantasieŽn een vaste, eeuwigdurende, kenmerkende kern, dan zouden die kernen er altijd en immer zijn en ons stevig gevestigd houden in een soort, bij de geboorte meegebrachte, uitgangspositie - zo zoiets al voorstelbaar is; verandering, groei, verwerven van wijsheid zou onmogelijk gemaakt worden door een stagnatie veroorzakend woud van "kernen" of "...heiden" zoals de bovengenoemde "geluidheid" of "hazehoornheid".

Māyā. De Hindu-school, de Saiva-siddhanta stelde dat māyā de eeuwige substantie is waarin de materieele en mentale wereld haar genese vindt. Zij stelden de god Siva voor als transcendent en totaal verschillend van māyā. Dit deel van de Saiva-theologie ontstond waarschijnlijk in dezelfde tijd als de Lanka.

- Vers 168. Dat wordt gezegd dat samsara en nirvāna een en hetzelfde zijn, betekent nog niet dat het een onontwarbare en onherkenbare klomp goed en fout zou zijn. De waarheid van de Boeddha-Dharma komt slechts aan het licht door foutieve denkwijzen te verwijderen - echter, ze kunnen niet verwijderd worden als ze er niet eerst zijn. Of, om een ander beeld te gebruiken, er kan geen strafrecht zijn zonder wetsovertreders.

- vers 169 oppert de (on)mogelijkheid dat er in een eenmaal gezuiverde geest toch nog bijvoorbeeld fantaseren zou zijn. Dat is onmogelijk, maar ware het mogelijk dan zou dat alle behaalde wijsheid teniet doen; duisternis zou weer intreden.




Tekst 36

Verder is het zo, Mahāmati, dat Māyā (illusie) niet irreeŽl is; het ziet er uit als een realiteit; alle dingen hebben de aard van Māyā.

Mahāmati zei: Gezegende, zijn alle dingen Māyā-gelijk omdat Māyā een geestesvoorstelling is en er (derhalve) aan wordt gehecht als ware ze veelvormig, als had ze vele gestalten? Of zijn alle dingen Māyā-gelijk omdat er ten onrechte een verbeelden is van individuele vormen? Als alle dingen Māyā-gelijk zijn omdat Māyā een geestesgestalte is, en er aan gehecht wordt als ware het iets met een veelvoud aan individuele vormen, dan, Gezegende, moeten we het zo zien dat dingen niet Māyā-gelijk zijn.
Waarom niet? Omdat het zien van vormen met een veelvoud aan individuele kenmerken niet zonder oorzaak is. Zouden de vormen verschijnen zonder dat daar een reden toe is, met een veelvoud aan individuele kenmerken en vormen, dan zouden ze Māyā-gelijk zijn. Daarom, Gezegende, dat dingen Māyā-gelijk zijn is niet omdat beide (d.w.z. Māyā en de dingen) gelijk zijn in de zin dat ze verbeeld zijn en er aan gehecht wordt als hadden ze een veelvoud aan individuele kenmerken.

De Gezegende zei: Mahāmati, dat alle dingen Māyā zijn is niet omdat ze verbeeld zijn en er aan gehecht wordt met een verbeelde veelvoud aan individuele gestalten; alle dingen zijn Māyā-gelijk omdat ze onwerkelijk zijn, omdat ze als een lichtflits zijn die in een oogwenk verdwijnt. Mahāmati, bliksem verschijnt als een snelle opeenvolging van lichtflitsen - dat kunnen (zelfs) de onwetenden zien. Op dezelfde manier verschijnen (en verdwijnen) de dingen (snel als lichtflitsen) met (kenmerken van) individualiteit en/of algemeenheid, afhankelijk van de onderscheidende geest. Is er eenmaal weet van de staat van zonder-beelden-zijn, dan dringen verbeelde dingen - individuele kenmerken vertonend - zich niet meer op.

Daarom wordt het volgende gezegd:
170. Māyā is niet zonder realiteit want het heeft iets dat het gelijkt; zo spreekt men over de realiteit van alle dingen: ze zijn onwerkelijk als een lichtflits, daarom zijn ze Māyā-(illusie)gelijk.

Toen zei Mahāmati opnieuw: Volgens de Gezegende zijn alle dingen ongeboren en Māyā-gelijk. Maar, Gezegende, is dit niet in tegenspraak met wat er eerder werd gezegd? Want u hebt gezegd dat alle dingen ongeboren zijn omdat ze de aard van Māyā hebben.

De Gezegende zei: Mahāmati, wanneer ik vaststel dat alle dingen ongeboren zijn omdat ze de aard van Māyā hebben, dan is dat niet in tegenspraak met mijn eerdere woorden. Waarom niet? Wel, wanneer we eenmaal weten dat de wereld zoals die zich aan ons voordoet Bewustzijn zelve is, dan is geboorte niet-geboorte. En met betrekking tot alle externe fenomenen waarvan we zeggen dat ze wel of niet zijn, daarvan moeten we zeggen dat ze beschouwd moeten worden als niet-bestaand en ongeboren; daarom, Mahāmati, is deze uitspraak hier niet in tegenstelling tot wat ik eerder verklaarde. Maar, Mahāmati, teneinde af te rekenen met de geleerden's opinie dat geboorte ontstaat als gevolg van oorzakelijkheid, zeg ik dat alle dingen Māyā-gelijk zijn, en ongeboren. Mahāmati, de geleerden, een verzameling verwarde geesten, koesteren de idee dat alle dingen geboren zijn als gevolg van bestaan en niet-bestaan, (een van hun) filosofie(en). Ze zijn niet in staat het te beschouwen als veroorzaakt door gehechtheid aan (illusoire) veelvormigheid die (als mentale gestalte) verrijst uit onderscheid-aanleggen. Mahāmati, wanneer ik dit zeg, voel ik geen enkele angst, (want) zo moet je het begrip "ongeboren" verstaan.

Nogmaals, Mahāmati, de (boeddhistische) leer die zegt dat alle dingen bestaan wordt onderwezen om die leer van wedergeboorte te valideren, ze wordt toegestaan om nihilisme tegen te gaan, een nihilisme dat zegt: "niets bestaat", en ze wordt toegestaan om mijn leerlingen dat leerstuk te doen aanvaarden waarin de realiteit van karma wordt vastgesteld, karma dat gestalte krijgt in verschillende vormen, en in geboorte in verschillende sferen - want als we de term "bestaan" toelaten, dan laten we de leer van wedergeboorte toe. Mahāmati, de leer die zegt dat alle dingen gekarakteriseerd worden door de zelf-aard van Māyā (illusie) is bedoeld om de onwetenden en eenvoudigen van geest hun idee van zelf-aard in alle dingen opzij te doen zetten. Daar de onwetenden en eenvoudigen van geest foutieve ideeŽn koesteren, daar ze "wereld" niet juist begrijpen, het niet zien als Bewustzijn zelve, daarom verbeelden ze zich dat er oorzakelijkheid is, alsook ageren, geboren worden, en individuele kenmerken. Om hier een halt aan te roepen onderwijs ik dat alle dingen, naar hun zelf-aard, de aard van Māyā bezitten, droomgelijk zijn. Gehecht als ze zijn aan foutief denken staan ze zowel zichzelf als anderen in de weg door niet te zien dat alle dingen, zoals ze zijn, naar waarheid en werkelijk zijn. Mahāmati, zien dat alle dingen naar waarheid en werkelijk zijn zoals ze zijn betekent dat je je realiseert dat er niets dan Bewustzijn zelve is.

Daarom wordt er gezegd:
171. In de leer omtrent niet-geboren-zijn, is voor die van oorzakelijkheid geen plaats. Aanvaard je dat er bestaan is, dan aanvaard je tevens wedergeboorte. Zie je alles als illusiegelijk (Māyā), dan is er geen onderscheiden van individuele kenmerken.

Toelichting bij tekst 36

Deze en andere tekstgedeelten behandelen een groot aantal refutaties van de Boeddha-Dharma zoals die rond het ontstaan van de Lanka werden aangevoerd door niet-boeddhistische stromingen. Tekstgedeelten zoals deze zouden nu als overbodig gekenschets kunnen worden, ware het niet dat nu of in de toekomst nieuwe filosofisch-religieuze stromingen gelijkaardige argumenten naar voren zouden kunnen schuiven. Derhalve wordt er nooit iets verwijderd uit boeddhistische soetras, maar werd er daarentegen in de loop der tijden af en toe iets aan toegevoegd dat van pas kon komen in die "verleden tegenwoordige tijd."

- "... omdat ze als een lichtflits zijn." In de Burmese meditatieve praktijk wordt dat flitsendsnelle aanwezig zijn en weer verdwijnen van dingen aangeduid met de woorden "pjit-pjet", komen-gaan, en zelfs die twee korte een-lettergrepige woorden zijn nog veel te lang om alles te "grijpen" dat aan ons geestesoog voorbijschuift.

- "... want als we de term "bestaan" toelaten, dan laten we de leer van wedergeboorte toe." Dit tussenstation op weg naar een volkomen begrip van de ultieme waarheid van Boeddhisme wordt dankbaar aangegrepen zowel door de Sino-japanse stromingen die de leer van Amitabha Boeddha prediken, als door die vorm van Boeddhisme die in de Himalayas wordt gepredikt. Het komt dan ook voor dat geleerden die Boeddhisme bestuderen met stelligheid beweren dat Tibetaans Boeddhisme ziel toelaat, zonder daarbij te vertelen, of te weten, dat we hier te maken hebben met upaya, een vlot en vaardig middel.




Tekst 37

(Tussen dit en het vorige tekstgedeelte bevat de Lanka een passage waarin de auteur ingaat op de gramatische structuur van het Sanskriet, of van die vorm van Sanskriet die gebruikt werd bij het vastleggen van de boeddhistische canon. In zijn verhandeling noemt de auteur de termen nama en skandhas zoals die in het Boeddhisme worden onderwezen. Hij zegt van nama (naam) dat hiermee de vorm (rūpa) wordt aangeduid, maar dat het in een bepaalde kontekst ook sarŪra, laten we zeggen, stoffelijkheid kan betekenen. We vinden de naam sarŪra terug waar gesproken wordt over relieken van Boeddha's lichaam en stoffelijke restanten van verlichtten uit het verleden. Van "pada-lichaam" zegt hij dat dit een zinsdeel aanduidt waarin de volle betekenis van de zin gegeven wordt; het is het onderwerp van de zin. En dan spreekt hij nog over een "lettergreep(vyŠnjana)-lichaam" dat samen met de bovengenoemde nāma en pāda vier van de vijf Groepen van Hechten (pancaskandha) vormt. Een complete vertaling van dit tekstgedeelte zou uitsluitend op prijs gesteld worden door hen die gespecialiseerd zijn in Sanskriet - en dezen hebben geen nederlandstalige weergave nodig. Derhalve is de voor een relatieve leek nogal duistere passage achterwege gelaten.)

Mahāmati, er kan een tijd komen dat zij die het verkeerd zien, d.w.z. niet de juiste wijsheid aangaande waarheid en oorzaak bezitten, en bovendien geneigd zijn tot fantaseren, ondervraagd worden door de wijzen. Ze kunnen dan ondervraagd worden over datgene dat bevrijd is van dualistische opvattingen over fenomenen zoals eenheid en anderheid, en tweeheid en niet-tweeheid. Wanneer ze dan zo ondervraagd worden zouden ze kunnen zeggen: "Dit is geen vraag; die vraag is niet juist gesteld. Moeten vorm (en de overige vier van de vijf Groepen van Hechten plus vergankelijkheid gezien worden als een, of als meer-dan-een?" Hetzelfde kunnen ze zeggen over (paren als daar zijn:) nirvāna en de skandhas, indiceren en dat waarnaar verwezen wordt, kwaliteiten en het kwalificerende, realiteiten en de (vier grote) elementen, het geziene en zien, stof en atomen, weten en de yogin. Dergelijke vragen over de diverse aspecten van het bestaan leiden tot associatief denken, zonder eind. En zij die ondervraagd zouden worden over dergelijke onbeantwoordbare kwesties zouden zeggen dat de Gezegende ze terzijde plaatste omdat een antwoord op deze vragen niet mogelijk is. Deze onwetenden zullen echter niet in staat zijn het gehoorde (werkelijk) te realiseren (d.w.z. waar te maken), want hun kennis zal te gering zijn. De Tathāgatas, die Arhat zijn en Volmaakt Verlicht, verklaren (daarom) deze dingen niet aan alle wezens, want ze willen de onwetenden niet de stuipen op het lijf jagen (met vergaande uitspraken).

Mahāmati, om de geleerden te vervreemden van hun verkeerde zienswijzen en theorieŽn, hebben de Tathāgatas het nooit over deze onbeantwoordbaarheden (vyahritāna). Mahāmati, de geleerden kunnen zeggen: "wat leven is, is lichaam", of ze kunnen zeggen: "leven is een ding, lichaam is een ander", (echter) dit zijn onverklaarbare uitspraken. Mahāmati, omdat de geleerden totaal verstrikt zijn geraakt in ideeŽn over een schepper doen ze onverklaarbare uitspraken; in mijn leer vind je dat echter niet. Mahāmati, in wat ik onderwijs is er geen onderscheid-aanleggen omdat ik zeg dat je voorbij (dualiteiten als) het gegrepene en dat wat grijpt moet gaan - waar is terzijde plaatsen hier dan goed voor! Echter, Mahāmati, zij die verslaafd zijn aan (dualiteiten als) het gegrepene en dat wat grijpt, zij die een grondige kennis ontberen omtrent de wereld die in en uit Bewustzijn zelve is, zij hebben iets opzij te zetten (,althans, dat denken ze). Mahāmati, wanneer de Tathāgatas, die Arhat zijn en Volmaakt Verlicht de wezens de Dharma onderwijzen, dan doen ze dat aan de hand van vier vormen van vraag en antwoord. En, Mahāmati, voor wat betreft de (eerder genoemde) proposities die terzijde geplaatst (moeten) worden: daarvan maak ik van tijd tot tijd gebruik wanneer ik mij richt tot hen wier zintuigen nog onvolmaakt zijn; maar hen wier zintuigen wel volmaakt zijn hebben niets terzijde te plaatsen.

Voorts, Mahāmati, alle fenomenen zijn ongeboren; in hen is geen ageren noch iets dat ageert. En omdat er niets is dat ageert wordt gezegd dat alle fenomenen ongeboren zijn. Mahāmati, alle fenomenen ontberen zelf-aard. Waarom is dat? Omdat er, wanneer ze met zelfkennis onder de loep worden genomen, geen kenmerken waar te nemen zijn die de karakteristiek "individualiteit" of "algemeenheid" zouden verdienen; daarom wordt er gezegd dat ze geen zelf-aard hebben. En voorts, Mahāmati, er is geen ding dat geboren wordt, of uitdooft (vergaat). Waarom niet? Omdat, Mahāmati, kenmerken van individualiteit en algemeenheid worden gezien als bestaand, maar dat zijn ze niet; ze worden gezien als uitdovend, maar daarvan is geen sprake. Daarom, Mahāmati, fenomenen worden noch geboren, noch doven ze uit. En verder: de term vernietiging is niet toepasbaar op de fenomenen.
Waarom niet? Omdat al die individuele kenmerken die de zelf-aard van fenomenen zouden uitmaken niet bestaan; ongrijpbaarheid is het juiste woord voor de dingen. Het is daarom dat er wordt gezegd dat geen ding ooit vernietigd wordt. En bovendien, Mahāmati, geen ding is eeuwig.
Waarom niet? Omdat het verrijzen van individuele kenmerken gekarakteriseerd wordt door niet-eeuwigheid. Vandaar dat er gezegd wordt dat dingen niet eeuwig zijn. Maar ook, Mahāmati, alle dingen zijn eeuwig! Waarom? Omdat het verrijzen van individuele kenmerken niet-verrijzen is, niet-bestaand: alle dingen zijn eeuwig vanwege hun niet-eeuwigheid. Daarom, Mahāmati, wordt er gezegd dat alle dingen eeuwig zijn.

Dit wordt gezegd:
173. De vier vormen van uitleg geven zijn: een positieve (bevestigende) uitspraak, ondervragen, juist inzicht, en terzijde plaatsen - hiermee worden de geleerden op afstand gehouden.

174. De Sankhya en Vaisťshika geleerden onderwijzen dat geboorte plaatsvindt uit een wezen of een niet-wezen. Wat zij te vertellen hebben is onverklaarbaar.

175. Wanneer het Weten de zelf-aard onderzoekt, dan (wordt vastgesteld:) het is ongrijpbaar. Daarom zijn alle fenomenen zonder zelf-aard en voorbij grijpen-naar.

Toelichting bij tekst 37

- "En omdat er niets is dat ageert wordt gezegd dat alle fenomenen ongeboren zijn." Tot nu toe concentreerde de leer omtrent het niet-geboren zijn van dingen op het concept sunyatā, ledigheid van substantie en afhankelijkheid van voorwaarden en condities. In deze passage wordt een nieuw, religieus argument aangevoerd: er is geen schepper.

- "... uitdooft (vergaat)." Verlichting, of Parinirvāna, het Grote Heengaan behalen wordt per traditie vergeleken een kaars die uitgaat. Zie hiervoor eerdere aantekeningen. In dit fragment wordt deze zwaar beladen term gebruikt om aan te geven dat bij afwezigheid van "ens" en een scheppende er geen sprake kan zijn van ontstaan of vergaan van dingen.

- "Het is daarom dat er wordt gezegd dat geen ding ooit vernietigd wordt." Dingen hebben geen vaste, eeuwig aanwezige substantie; alleen zo'n substantie zou in aanmerking kunnen komen voor vernietiging, de rest is illusoir en vlietend. Voorts, zo moeten we uit een van de bovenstaande regels aflezen, zou alleen een scheppende/vernietigende kracht zo'n daad kunnen verrichten, maar dat is een concept dat binnen het Boeddhisme ten stelligste van de hand wordt gewezen.

- "Omdat het verrijzen van individuele kenmerken gekarakteriseerd wordt door niet-eeuwigheid." Want wanneer er verrijzen is, is er daaraan voorafgaand, en daaropvolgend vergaan, dus is niets dat individuele kenmerken wordt toegedicht eeuwig.




Tekst 38

Toen zei Bodhisattva-Mahāsattva Mahāmati tot de Gezegende:
Gezegende, vertelt u mij alstublieft over Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan; vertelt u mij over dat wat zij behaalden, dat wat hun geestestoestand karakteriseert; vertelt u mij dit opdat wij Bodhisattva-mahāsattvas een grondige kennis hierover verwerven, opdat we vervolgens kennis vergaren over de middelen en het gedrag van Hen-die-nog-eenmaal-terugkeren, over Hen-die-niet-meer-zullen-terugkeren, en over de Arhat. Daarna zullen wij weten hoe zij vervolgens alle wezens de Dharma onderwijzen. Wanneer ze (deze vier groepen) dan eenmaal een goed begrip hebben verworven van het tweevoudige niet-zelf, zich hebben bevrijd van het tweevoudige obstakel, zullen ze de stadia van de Bodhisattva-carriere doorlopen, waarvan elk stadium zijn eigen kenmerken heeft. Dan zullen ze Tathāgataschap bereiken en dat geestesrijk binnengaan dat voorbij het voorstellingsvermogen ligt. Dan zullen ze als een veelkleurig juweel zijn en laten gebeuren wat goed is voor alle wezens; ze zullen hen alles onderwijzen, hen (de instrumenten verschaffen om) iedere conditie, iedere gedragswijze, iedere vorm (lichaam), en iedere vreugde te verwerven.

Toen antwoordde de Gezegende: Mahāmati, luister goed en onthoudt wat ik nu zal zeggen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati antwoordde: Gezegende, dat is goed.

Daarop zei de Gezegende: Mahāmati, het resultaat dat de Toehoorders behalen is drieŽrlei. Welke drie? Daar zijn drie gradaties, Mahāmati: laag, gemiddeld, en hoog. Zij die in de laagste verkeren zullen nog zeven wedergeboorten doormaken, en dan zal hun bestaan ten einde zijn. De gemiddelden zullen na drie tot vijf keer wedergeboren te zijn nirvāna bereiken. De hoogsten zullen in dit leven nirvāna bereiken. Mahāmati, binnen die drie gradaties ontmoeten de wezens drie soorten knopen: zwak, gemiddeld, en sterk. Wat zijn die drie? Dat zijn: - de opinie dat er een individu is; - twijfel; - en het (maniakaal) vasthouden aan moraliteit. Mahāmati, wanneer deze drie de een na de ander zijn opgeruimd, dan zal Arhatschap het resultaat zijn. Mahāmati, "individu" kun je op twee manieren beschouwen: men kan denken dat het individuele met de geboorte is meegekomen, en het kan zijn dat iemand zich het individu (eenvoudigweg) verbeeldt; vergelijk het met het relatieve weten (samvrti satya) en de inbeelding dat er svabhāvas zijn. Bijvoorbeeld, Mahāmati, op basis van relatieve kennis over dingen ontstaan er een ontal gehechtheden aan dat wat ingebeeld wordt. Maar dat (verbeelde fenomeen als bestaand aangenomen) is noch een zijnde, noch een niet-zijnde; het is ook geen zowel zijnde-als-niet-zijnde. Omdat het maar een inbeelding is heeft het geen realiteit. Echter, omdat de onwetende dit (ene fenomeen van het andere) onderscheidt neemt het een ontal individuele kenmerken aan, waar hij of zij dan sterk aan gaat hechten, net zoals een hert sterk hecht aan een luchtspiegeling (waarin water wordt voorgetoverd). Mahāmati, zo ziet Hij-die-de-Stroom-is-binnengegaan het individu; het is een gefantaseerd beeld dat als gevolg van onwetendheid en gehechtheid in de loop der tijden sterker en sterker is geworden. Dit (deze foutieve visie) is vernietigd zodra het niet-zelf is gerealiseerd; dan is gehechtheid (aan concepten als "individu") verdwenen. Mahāmati, (dit is wat ik te zeggen heb over) de aangeboren opinie aangaande individualiteit onder Hen-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan.

Wanneer we naar ons lichaam kijken zien we dat het bestaat uit vorm (rūpa) en de andere vier skandhas; dan zien we dat vorm is gevormd uit de (vier grote) elementen en wat daartoe behoort; dan zien we dat de elementen elkaar conditioneren (of samenstellen) en dat er als gevolg niet zoiets is als een (separaat) aggregaat vorm. Wanneer Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan dan (, dit gezien hebbend,) realiseren dat het idee over zijn en niet-zijn een halve waarheid is, dan is de opinie over individualiteit vernietigd. Zodra de opinie over individualiteit is vernietigd zal er nooit meer afgunst ontstaan. Dit, Mahāmati, karakteriseert de opinie over individualiteit.

En dan, Mahāmati, zeg ik dit over de aard van twijfel: zodra in iemand de Dharma werkelijkheid is geworden; zodra de karakteristieken ervan grondig zijn begrepen, en zodra de tweevoudige opinie over individualiteit is vernietigd, dan is alle twijfel aangaande de Boeddha-Dharma verdwenen. Dan is er niet de geringste wens meer om andere leraren te volgen, omdat (het verschil wordt gezien tussen) zuiverheid en onzuiverheid. Mahāmati, dit is wat ik te zeggen heb over het verwijderen van twijfel in Hen-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan.
Mahāmati, hoe komt het dat Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan niet (fanatiek) hangen aan moraliteit? Ze doen dat niet omdat ze (ook zonder de dwang van moraliteitsregels) inzien wat in ieder leven dat ze te leven krijgen de ware aard van lijden is. (Wat bedoel ik met) "hangen aan?" Mahāmati, dat de onwetenden en eenvoudigen van geest moraliteitsregels aanhouden, en devoot zijn, en spijt betuigen komt omdat ze in de wereld vreugde en geluk willen ervaren; ze hopen op een betere wedergeboorte.
Echter, (Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan) hangen niet aan (de moraliteitsregels) omdat hun gedachten uitsluitend gericht zijn op de verheven staat van zelf-realisatie; wanneer ze zich dan toch aan de regels van moraliteit houden, doen ze dat omdat ze hun handelen conform willen laten zijn aan niet-onderscheiden, en omdat ze "dat wat uitstroomt" (āsrava) zuiver willen doen zijn. Mahāmati, op deze manier houden Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan zich aan moraliteitsregels en devotie. Mahāmati, wanneer Zij-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan zo de drie knopen kunnen doorhakken, maken ze een eind aan afgunst, boosheid en onwetendheid.

Mahāmati zei: de Gezegende onderwijst over velerlei vormen van begeerte; welke onder hen moet verwijderd worden?
De Gezegende antwoordde: Dat is de wereld waarin liefde groeit, dat wil zeggen, het verlangen naar verlangen, dat zichzelf toont in (allerhande op het genieten van sex-gerichte handelingen) die op dit moment plezier kunnen verschaffen, maar overigens leiden tot smart. Daarnaar is in hen (die zich in een van deze vier stadia van heiligheid bevinden) geen behoefte. Waarom niet? Omdat zij samādhi hebben bereikt en daarin (permanent) verblijven. Vandaar dat (de wereld) verwijderd moet worden, maar niet het verlangen naar nirvāna.

En dan, Mahāmati, wat is het resultaat dat behaald wordt door Hen-die-nog-eenmaal-terugkeren? Een enkel moment onderscheiden ze vormen, tekenen, en (schijn-)gestalten. Maar omdat ze geleerd hebben dat ze niet naar dingen moeten kijken met in hun achterhoofd tegengestelden als het gekwalificeerde en het kwalificerende, en omdat ze goed weten wat dhyāna bereiken inhoudt, komen ze (slechts) eenmaal naar de wereld terug. Daar maken ze een eind aan lijden en realiseren nirvāna. Vandaar dat ze Zij-die-nog-eenmaal-terugkeren worden genoemd.

En voorts, Mahāmati, wat wordt bedoeld met Zij-die-niet-meer-zullen-terugkeren? Het betekent dat er, ook al is er nog steeds een herkennen van individuele objecten - doorheen de drie tijden gekarakteriseerd door zijn danwel niet-zijn, er niettemin geen onderscheid-aanleggen meer is, inclusief alle fouten die zo'n onderscheid-aanleggen in zich bergt; de sluimerende passies steken niet meer de kop op, en de knopen zijn voorgoed doorgesneden. Vandaar de aanduiding Zij-die-niet-meer-zullen-terugkeren.

En, Mahāmati, de Arhat is er een die de dhyānas heeft bereikt, de samādhis, (alle vormen van) bevrijding, psychische kracht en supranormaal vermogen; in dezen zijn geen passies meer, geen lijden, geen onderscheid-aanleggen. Vandaar de naam Arhat.

Mahāmati zei: De Gezegende verklaart dat er drie soorten Arhat zijn: op welke van de drie is de term "Arhat" van toepassing? Is dat degeen die rechtuit afstevent op Ophouden (nirůdha)? Is het degeen die zijn hele voorraad aan mentale verdienste opgebruikt omdat hij de gelofte heeft afgelegd anderen naar verlichting te voeren? Of is het degeen die (in feite) een Transformatie-Boeddha is, maar zich (in mensengedaante) als zodanig toont?

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, ("Arhat") is van toepassing op degeen die rechtuit afstevent op Ophouden, en niet op de anderen. Mahāmati, wat de anderen betreft, dat zijn diegenen die de praktijken van een bodhisattva hebben voltooid; dit zijn gestalten van een Transformatie-Boeddha. Gebruik makend van vlotte en vaardige middelen, voortgekomen uit hun oorspronkelijke geloften, tonen ze zich temidden van de menigten en zijn een sierraad temidden van de verzamelingen die zich rond de Boeddha scharen. Mahāmati, zolang ze zich in deze stadia en bestaansoorden bevinden, geven ze allerhande leringen die gebaseerd zijn op onderscheid-aanleggen. Dat wil zeggen, omdat ze ontstegen zijn aan dingen zoals "resultaat", de dhyānas en hen die dhyāna toepassen, omdat ze ontstegen zijn aan meditatie-onderwerpen, en weten dat de wereld in en uit Bewustzijn zelve is, daarom onderwijzen ze over behaalde resultaten (en niet over te behalen resultaten). Mahāmati, verder is het zo dat wanneer Hij-die-de-Stroom-is-binnengegaan gedachten zou hebben als: "Dit zijn de Bindingen (samyůjana), maar ik heb me ervan bevrijd", begaan ze een dubbele fout: dan hebben ze nog steeds gedachten over de kwaden die met de ego-opinie gepaard gaan - dan hebben ze zich niet bevrijd uit de Bindingen.

En dan, Mahāmati, om aan de dhyānas, de Onmetelijken, en de Wereld-van-geen-Vorm te ontstijgen, moeten de tekenen van deze zichtbare wereld, die Bewustzijn zelve is, verwijderd worden. De (meditatie genaamd) samāpatti die leidt tot het uitdoven van gedachten en gevoelens stelt iemand niet in staat aan de veelvormige wereld te ontstijgen - want er niets dan Enkel-Bewustzijn.

Daarom wordt er gezegd:
176. Waar Enkel-Bewustzijn is zijn geen dhyānas, zijn er geen onmetelijken, is er geen Wereld-van-geen-Vorm, zijn er geen samādhis; noch is daar volkomen uitdoving van gedachten.

177. De resultaten (phala) van Hen-die-de-Stroom-zijn-Binnengegaan, Zij-die-nog-eenmaal-terugkeren, Zij-die-niet-meer-zullen-terugkeren, en van de Arhat zijn niet meer dan verwarde geestestoestanden.

178. De dhyānas en hen die dhyāna toepassen, de dhyāna-onderwerpen, vernietiging (van onheilzame mentale staten), het zien van de Waarheid - dit is slechts onderscheid-aanleggen; is dit eenmaal erkend, dan is er bevrijding.

Toelichting bij tekst 38

- In de allereerste alinea van dit tekstgedeelte wordt gesproken over de vier stadia van heiligheid: "de Stroom binnengaan", het resultaat van hen die nog slechts een leven voor zich hebben, dat van hen die niet meer (in mensengedaante) zullen terugkeren, en arhatschap. De drie eerste van deze vier stadia vormen binnen de Theravada-traditie de ladder die leidt tot Arhatschap, in deze traditie het hoogst haalbare; deze heilige verwijdert zich volkomen uit de kringloop van geboren worden en sterven. Mahāyana gaat daaraan voorbij en laat de Arhat de 10 (of 52) stadia van Bodhisattvaschap doorlopen. Niet alleen dat, de Arhat verlaat bovendien de wereld niet - anders zou hij/zij geen bodhisattva kunnen worden. Dit is een van de verschillen tussen de vroege orthodoxie en Mahāyana. We zien in deze alinea dan ook dat Lanka's auteur, ofwel wensend dat het zo zal zijn, ofwel niet beter wetend en overtuigd van het feit dat het zo is, beschrijft hoe de eenmaal Arhat gewordenen het pad van de Bodhisattva zullen betreden. Wat dat aangaat reflecteert de Lanka de Lotus Soetra waarin een zelfde wens werkelijkheidswaarde wordt gegeven.
Overigens herhaalt dit tekstgedeele hetgeen de Abhidharma te zeggen heeft over de genoemde vier stadia van heiligheid.

- In dit tekstgedeelte wordt "Hen die de Stroom zijn binnengegaan" niet veel inzicht toegeschreven. Maar de Mahāsanghika-traditie, die aan Mahāyana mede geboorte gaf, zei: "Zij-die-de-Stroom-zijn-binnengegaan (srotāpanna) zijn in staat de zelf-aard (svabhāva) van hun bewustzijn (citta) en van de gedachten-objecten (caitta dharma) te begrijpen." Dat wordt dan toch beaamd door dit tekstgedeelte uit de Lanka. (A. Bareau, Les sectes Bouddhiques du Pt. Vehic., Paris 1955)

- Met "het tweevoudige obstakel" wordt hier bedoeld: 1. het hechten aan de realiteit van ego, permanente persoonlijkheid, atman, ziel, of zelf, en 2. het hechten aan de realiteit van dharma, d.w.z. dingen of fenomenen. Ze zijn derhalve een anders omschreven herhaling van "het tweevoudige niet-zelf".

- Tweede alinea: "drie soorten knopen." Denk aan de Gordiaanse.

- "... sex dat zichzelf toont in (allerhande handelingen) die op dit moment plezier kunnen verschaffen maar overigens leiden tot smart." Een verhaal in de Pali-canon (MN 87) geeft hiervan een voorbeeld: "Eens, in dat zelfde Savatthi was er een zekere man wiens vrouw overleden was. Als gevolg werd hij gek, krankzinnig. Straat na straat doorlopend, kruispunt na kruispunt overstekend vroeg hij steeds, 'Hebt u mijn vrouw gezien? hebt u mijn vrouw gezien?' Hieraan kunnen we zien hoe vanwege een geliefde, met een geliefde als voorwaarde, leed en gelamenteer kan ontstaan, en pijn, verdriet en wanhoop."

- "Mahāmati zei: De Gezegende verklaart dat er drie soorten Arhat zijn." Vergelijk de Lotus soetra waarin wordt gezegd dat er twee categorieŽn Arhat zijn: zij die nog onderwijs behoeven, en zij die niets meer te leren hebben.

- "... de Onmetelijken, en de Wereld-van-geen-Vorm." De Onmetelijken zijn de geestestoestanden van Universele Vriendelijkheid, Mededogen, Medevreugde, en Gulheid (resp. Gelijkmoedigheid in de Hinayana).
. De Wereld-van-geen-Vorm (arūpaloka) is een van de bestaanstoestanden die de meditator in zijn carriere moet doorlopen: de Wereld-van-Verlangen, de Vormhebbende wereld, de Wereld-van-geen-Vorm, en de Wereld-van-noch-Vorm-noch-geen-Vorm.




Tekst 39

Mahāmati, er zijn twee soorten denken: het denken dat onderzoeken als functie heeft, en het denken dat functioneert op basis van gehechtheid aan fantasieŽn. Mahāmati, wat betreft het eerste, het onderzoekende denken, heb ik het over het onderzoek naar de zelf-aard der dingen, waarbij aan het licht komt dat de vier proposities er niet op van toepassing zijn, en dat die zelf-aard niet in te denken valt. Hierop is de term onderzoekend denken van toepassing. Wat wordt bedoeld met de vier proposities? Het betekent dat de volgende vier (tegengestelden) er niet zijn: eenheid en anderheid, dualiteit en niet-dualiteit, zijn en niet-zijn, eeuwigheid en niet-eeuwigheid. Dit worden de vier proposities genoemd. Mahāmati, train jezelf er in alle dingen te beschouwen in het licht van deze vier proposities. Mahāmati, wat is het denken dat functioneert op basis van gehechtheid aan fantasieŽn? Dat is het denken dat zich bewust is van zowel Bewustzijn als van de concepten die daaruit verrijzen - waaraan men zich hecht. Dit hechten geeft geboorte aan ideeŽn over warmte, vocht, beweging, en vastheid, de karakteristieken van de vier grote elementen (van vuur, water, wind, en aarde). In deze vorm van denken leidt het onwrikbaar hechten aan propositie, redeneren, definieeren, en illustreren tot de bevestiging: "niet-entiteit" (hetgeen een van de twee uitersten is die vermeden moet worden). Dit wordt het denken dat functioneert op basis van gehechtheid aan fantasieŽn genoemd. Mahāmati, dit karakteriseert de twee vormen van denken. Dit inzicht volgend zullen de Bodhisattvas het eerste stadium (van bodhisattvaschap) bereiken en zullen ze vaardig zijn in honderd dhyānas. Ze zullen daartoe in staat zijn omdat ze grondige kennis hebben van zowel de tweevoudige zelfloosheid, als van zonder-beelden-zijn; op dit pad zullen ze intiem bekend raken met onderzoeken (niet-discursiverend schouwen), en dit onderzoek in praktijk brengen. De verheven samādhis bereikend zullen ze honderd Boeddhas en Bodhisattvas zien; ze zullen doordringen in de honderd eonen die aan dit moment voorafgingen, evenals in honderd eonen die er op zullen volgen. Ze zullen hun licht laten schijnen over honderd Boeddhalanden (= boeddhistische praktijken), en al doende zullen ze bekend raken met de kenmerken van de hogere stadia, en omdat ze verheven geloften hebben afgelegd zullen ze wonderbaarlijke krachten verwerven, en wanneer ze (het tiende en laatste) stadium van Dharmawolk (Dharmamegha) hebben bereikt zullen alle Boeddhas hen de handen opleggen. Wanneer ze dan het innerlijkste bereik van de Tathāgatas waarmaken zullen ze de attributen ontvangen die nauw verweven zijn met de tien onuitputtelijke geloften. Om dan alle wezens tot rijping (in de Dharma) te brengen zullen ze, staand in hun grote licht, gebruik makend van hun lichtstralen (die het middel zijn om) transformatie (tot stand te brengen), diverse gestalten tonen; dan zijn ze geheel ondergedompeld in de diepe vreugde van zelf-realisatie.

Mahāmati, voorts moeten de Bodhisattva-mahāsattvas een goede kennis hebben van de primaire en secundaire elementen. Hoe dienen ze die te kennen? Mahāmati, ze dienen te weten dat deze primaire elementen naar waarheid nooit ontstaan zijn, en dat ze derhalve ongeboren worden genoemd. Wanneer ze het zo verstaan zijn er geen fenomenen in de wereld, behalve datgene dat we ons verbeelden. Is er eenmaal het weten dat de zichtbare wereld niet meer dan Bewustzijn zelve is, dan worden externe fenomenen niet meer herkend als realiteiten, dan legt de geest geen onderscheid meer aan, herkent ze niets (als extern). Nogmaals, besef dat de drievoudige wereld niets van doen heeft met de primaire en secundaire elementen, dat er geen connectie is met de vier proposities, noch met filosofische systemen, noch met een zelf en wat daartoe zou behoren, en dat het (de geest) zich vestigt in de sfeer van ware werkelijkheid waar ze zichzelf waarneemt in zijn ware gestalte: als ongeboren.

Mahāmati, wat bedoel ik met de afgeleide (secundaire) elementen? Het element vochtigheid produceert het rijk van water, in het eigen lichaam en daar buiten. Het element dat we energie noemen produceert het rijk van vuur, in het eigen lichaam en daar buiten. Het element beweeglijkheid produceert het rijk van wind, in het eigen lichaam en daar buiten. Het element dat we "onderscheid maken tussen vormen" noemen produceert het rijk van aarde, tesamen met het luchtruim, in het eigen lichaam en daar buiten. Omdat er een hechten is aan onjuiste werkelijkheden is er een samenklonteren van de vijf skandhas, en dat doet de primaire en secundaire elementen ontstaan.

En dan, Mahāmati, het (zevende en superviserende) bewustzijn vindt zijn oorzaak in ons hechten aan en verlangen naar een veelheid aan uitspraken en leefsferen, en (wanneer dit ene leven teneinde komt) gaat het voort doorheen een ander bestaan. Mahāmati, van de secundaire elementen, zoals aarde, wordt gezegd dat ze hun oorzaak vinden in de primaire, die, overigens, non-existent zijn. Mahāmati, van dingen die bestaan wordt toegekend, en karakteristieken, en merktekens, en zintuiglijke waarneembaarheid, en plaats, en handelen zouden we (indien we dit als juist zouden bestempelen) kunnen zeggen dat ze ontstaan zijn uit een combinatie van verschillende resultaat-producerende (componenten). Maar omdat de dingen die karakteristieke merktekens ontberen, kunnen we zoiets niet zeggen. Daarom, Mahāmati, zijn (concepten als) primaire en secundaire elementen onderscheidingen in de geest der geleerden; ik hang ze niet aan.

Verder, Mahāmati, zal ik uitleggen wat de zelf-aard van de vijf skandhas karakteriseert. Mahāmati, wat zijn deze vijf? Dat zijn lichaam (of vorm), gevoel (of ondervinding), perceptie (of bewustzijn), fysiek en mentaal ageren, en bewustzijn. Mahāmati, vier onder hen hebben geen materieŽle vorm: gevoel, perceptie, fysiek en mentaal ageren, en bewustzijn. Mahāmati, vorm behoort tot wat ontstaan is uit de vier primaire elementen (waarvan bestaan of niet-bestaan eerder werd behandeld), en deze elementen hebben ieder hun eigen individueel kenmerk. Maar van de vier (overige) skandhas, die vormloos zijn, daarvan kun je niet zeggen dat het er vier zijn: ze zijn als het luchtruim. Want, Mahāmati, het luchtruim kun je niet tellen; het is alleen maar dankzij ons onderscheid-aanleggen dat het 'het luchtruim' wordt genoemd. Zo ook, Mahāmati, kun je van de vier skandhas die "telbaarheid" ontberen niet zeggen dat ze bestaan of niet bestaan - ze ontstijgen de vier proposities. De onwijzen zeggen dat ze te tellen zijn (,dat er vier zijn), de wijzen echter, blijven stil.

Mahāmati, de wijzen zien de vijf skandhas als gedachtenconstructen, ontdaan van (tegengestelden als) anderheid of niet-anderheid; die skandhas zijn als vormen en dingen die in een visioen worden waargenomen, als beelden en personen in een droom. Omdat de skandhas door geen enkele Substantie overeind worden gehouden, en omdat ze het doorbreken van Nobele Wijsheid belemmeren is er wat wordt genoemd, "onderscheiden van skandhas." Mahāmati, dit is wat de zelf-aard van de skandhas karakteriseert. Je moet deze vorm van onderscheid-aanleggen verwerpen; en wanneer je het verworpen hebt moet je gaan spreken over de waarheid van het Solitaire. Je niet bemoeiend met de opinies der geleerden moet je die waarheid van het Solitaire doorheen alle Boeddha-bijeenkomsten gaan verkondigen. Mahāmati, wanneer je dat doet wordt de leer omtrent zelfloosheid van dingen als vanzelf gezuiverd en ga je het (bodhisattva-)stadium van Verreikend (durŠmgama) binnen. Het stadium van Verreikend binnengaand zul je meester zijn over vele samādhis, en het Wilslichaam verwervend zul je de samādhi realiseren die bekend staat onder de naam Māyā-gelijk (Māyůpama). Omdat je van dan af grondig alle (psychische) krachten bezit, en de supramormale vermogens, en zelf-controle, zul je, vergelijk het met de aarde zelf, alle wezens ondersteunen. Mahāmati, zoals de uitgestrekte aarde alle wezens ondersteunt, zo ook is de Bodhisattva-mahāsattva de supporter van alle wezens.

Toelichting bij tekst 39

- " ...twee soorten denken." Hier wordt gesproken over het zevende bewustzijn, het superviserende bewustzijn.

- "... niet in te denken". Het duitse "Dass trifft nicht zu" zou een betere vertaling zijn, maar Nederlands is geen Duits. Wat bedoeld wordt is natuurlijk dat dingen geen zelf-aard hebben, en dat je er dus ook geen uitspraken over kan doen.

- Met de tweede alinea zijn we weer terug bij de AvatŠmsaka soetra's Tien Stadia (van Bodhisattvaschap), en bij het visualiseren zoals dat doorheen heel deze AvatŠmsaka soetra wordt beschreven. Ook de praktijk van dhyāna komt hier weer voor, een meditatieve praktijk die, getuige het vorige tekstgedeelte, Enkel-Bewustzijn niet kent.
Verder vinden we in deze tweede alinea de "tien onuitputtelijke geloften" van Bodhisattva-mahāsattva SamŠntabhadra: 1/ Alle Boeddhas eren; 2/ Alle Tathāgatas prijzen; 3/ Uitgebreid geven; 4/ Berouw hebben over gemaakte fouten; 5/ Blij zijn wanneer anderen verdienstelijk bezig zijn; 6/ De Boeddhas verzoeken de Dharma uit te leggen; 7/ De Boeddhas en Bodhisattvas verzoeken lang in de wereld te blijven; 8/ De Boeddha altijd op de voet volgen; 9/ Altijd overeenstemmen met de aspiraties van anderen zijn (d.w.z. harmonie nastreven); en 10/ Alle morele verdienste overdragen aan alle wezens, zonder onderscheid te maken.

- In de derde alinea wordt opnieuw ingegaan op de categorieŽn zoals die beschreven staan in de Abhidharma-teksten.

- Primaire en secundaire elementen. In eerste instantie wijkt de Lanka af van de geldende opvatting dat aarde, water, lucht, en vuur de primaire elementen zijn, en vastheid, vochtigheid, beweging, en warmte de secundaire. In tweede instantie echter, in een volgende alinea, wordt dit weer rechtgezet. We hebben hier waarschijnlijk te maken met de vergissing van een kopiist.

- "Het Solitaire" komt in latere passages terug. Er wordt niet veel over gezegd, maar omdat Boeddha of Verlichting "het niet veroorzaakte" wordt genoemd, ofwel het onafhankelijke, moeten we aannemen dat het Solitaire daar een synoniem voor is.

- "... en ga je het (bodhisattva-)stadium van Verreikend (durŠmgama) binnen." Ook hier wordt weer terugverwezen naar De Tien Stadia. Het geversifieerde deel van De Tien Stadia zegt: "In het eerste stadium worden morele waardigheden aangekweekt, en wel door de geest er op te focussen; / In het tweede worden mentale bezoedelingen verwijderd, in het derde gehechtheden; / in het vierde wordt Het Pad bereikt, in het vijfde wordt er welgedaan zonder aanziens des persoons; / in het zesde is er kennis van niet-ontstaan. // Derhalve, zodra ze (de bodhisattvas) het zevende stadium bereiken vangen ze aan velerlei weldoende handelingen te verrichten. / Waarom? omdat de kennis en handelingen die ze van nu af aan verwerven / alles zullen zuiveren dat het achtste stadium zal binnengaan."




Tekst 40

Mahāmati, er zijn vier soorten nirvāna. Welke vier? Dat zijn: (1) het nirvāna dat bereikt wordt zodra er een weten is dat de zelf-aard van alle dingen een non-entiteit is; (2) daar is het nirvāna dat bereikt is zodra geweten wordt dat de menigte aan individuele kenmerken die de dingen karakteriseren non-entiteiten zijn; (3) daar is het nirvāna dat bereikt is wanneer beseft wordt dat het wezen met zijn specifieke kenmerken non-existent is; en, (4) daar is het nirvāna dat bereikt is wanneer de ketenen geslaakt zijn die het voortgaan van individualiteit en algemeenheid van de skandhas (doorheen het wiel van samsara) continueren. Mahāmati, dit zijn vier opvattingen die de geleerden er op na houden; het zijn niet de mijne. Mahāmati, in mijn leer is nirvāna het afgeworpen hebben van het (zevende) superviserende bewustzijn.

Mahāmati zei: Spreekt de Gezegende dan niet over acht bewustzijnen?
De Gezegende antwoordde: Ja, Mahāmati, dat doe ik.

Mahāmati zei: Als er acht bewustzijnen zijn, waarom heeft u het dan (uitsluitend) over het afwerpen van het (zevende) superviserende bewustzijn, en niet over de andere?

De Gezegende zei: Mahāmati, met het superviserende bewustzijn als voorwaarde en ondersteuner verrijzen de andere. Naarmate het superviserende bewustzijn een wereld-van-objecten onderscheidt en daaraan gehecht raakt, gaat het voort te functioneren, en onder invloed van een veelvoud aan gewoontepatronen voedt (of vormt) het het Opslagbewustzijn. Het (zesde) denkbewustzijn (manas) ontwikkelt zich op basis van noties over zelf en wat daartoe behoort; het hecht er aan en denkt er over na; het is vormloos, het heeft geen kenmerken, het heeft het Opslagbewustzijn als voorwaarde en ondersteuning. Omdat de wereld, die in en uit Bewustzijn zelve is, wordt voorgesteld als ware ze echt, en omdat er als gevolg aan gehecht wordt, onstaat het hele geestes-systeem en is er een onderling conditioneren. Mahāmati, net zoals de golven van de oceaan worden opgejaagd door de wind, zo wordt de wereld, die een geestesmanifestatie is, opgejaagd door de (het ervaren van) de objecten: het komt en het gaat. Daarom, Mahāmati, zodra je vrij bent van het superviserende bewustzijn, ben je ook vrij van de andere zeven. Daarom wordt er gezegd:

179. Ik ga nirvāna binnen, niet door te zijn, niet door te handelen, niet door individuele kenmerken te tonen; ik ga nirvāna binnen zodra het superviserende bewustzijn, dat veroorzaakt werd door onderscheid-aanleggen, ophoudt.

180. Met dat (superviserende) als voorwaarde en ondersteuning, vangt het denken aan; het superviserende bewustzijn veroorzaakt het functioneren van het Opslagbewustzijn, en wordt daardoor ondersteund.

181. Vergelijk het met een enorme vloed die in een droge bedding is veranderd en waarvan de golven dus niet meer worden opgejaagd; zo ook houdt het (conglomeraat van bewustzijnen) op - in zijn diverse manifestaties - zodra het superviserende bewustzijn is uitgewist.

Mahāmati, nu zal ik je vertellen over de verschillende aspecten van de "aard die maar verbeeld is" (parikŠlpita); hebben jij en de andere Bodhisattva-mahāsattvas eenmaal goed inzicht in ieder van deze aspecten, zoals ze zich voordoen, dan houden jullie je verre van onderscheid-aanleggen. Een goed inzicht hebbend in het Pad van innerlijke realisatie, dat bereikt wordt door nobele wijsheid in te zetten, en tevens inziend op welke manieren de geleerden hun speculatief denken aanwenden, zul je onderscheidingen zoals die tussen grijpen en dat waarnaar gegrepen wordt terzijde laten; dan zullen jullie geen lust meer hebben in het onderscheid-aanleggen waar het dat veelvoud aan aspecten van "de aard die afhankelijk is van iets anders" (of "afhankelijke aard", paratantra) betreft; dan bemoei je je niet meer met (dingen als) "de aard die maar verbeeld is" (parikŠlpita). Mahāmati, wat zijn de verschillende aspecten van de "aard die maar verbeeld is" (parikŠlpita)? Daar worden de volgende vormen van onderscheid-aanleggen behandeld: woorden (abhilapa), betekenis, individuele kenmerken, eigendom, zelf-aard, oorzaak, filosofisch inzicht, beredeneren, geboorte, niet-geboorte, afhankelijkheid, en gebondenheid en bevrijding. Dit, Mahāmati zijn de verschillende aspecten van de "aard die maar verbeeld is".

Nu, Mahāmati, wat is onderscheid-aanleggen naar woorden? Dat gaat over gehecht raken aan mooie stemmen en zingen; dat bedoel ik met onderscheid-aanleggen naar woorden.
Wat is onderscheid-aanleggen naar betekenis? Dat onderscheid-aanleggen is er als gevolg van het foutieve idee dat woorden verrijzen afhankelijk van het onderwerp waar ze uitdrukking aan geven, en dat die onderwerpen in en uit zichzelf bestaan en deel uitmaken van de realisering van nobele wijsheid.
Wat is onderscheid-aanleggen naar individuele kenmerken? Dan beeldt iemand zich in dat in wat ook maar met woorden aangeduid wordt een veelvoud aan individuele kenmerken schuilt, zoals in een luchtspiegeling; en daar ferm aan hechtend gaat zo iemand alle dingen onderscheiden (categoriseren), en zegt er van dat ze warmte, vochtigheid, beweging, en vastheid hebben.
Wat is onderscheid-aanleggen naar eigendom? Dan wens je je een weelde aan goud, zilver, en edelstenen.
Wat is onderscheid-aanleggen naar zelf-aard? Dan onderscheid je net zoals de geleerden dat doen; je verbeeldt je maar wat, en dan doe je uitspraken over de zelf-aard in alle dingen waarvan zij gladweg zeggen: "Zo is het; anders is niet mogelijk!"
Wat is onderscheid-aanleggen naar oorzaak? Dan heb je het over oorzakelijkheid aan de hand van (tegengestelden als) bestaan en niet-bestaan; dan beeld je je in dat er "oorzakelijkheidstekenen" zijn. Dit is onderscheid-aanleggen naar oorzaak.
Wat is onderscheid-aanleggen naar filosofisch inzicht? Dat betekent dat je gaat hechten aan de verkeerde inzichten en onderscheidingen der geleerden (die het hebben) over bestaan en niet-bestaan, eenheid en anderheid, dualiteit en pluraliteit.
Wat is onderscheid-aanleggen naar beredeneren? Dat staat voor de leer waarvan de beredenering is gebaseerd op zowel grijpen-naar als op een zelfsubstantie en wat daartoe zou behoren.
Wat is onderscheid-aanleggen naar geboorte? Dan hecht je aan het idee dat dingen tot bestaan komen en weer verdwijnen als gevolg van oorzakelijkheid.Wat is onderscheid-aanleggen naar niet-geboorte? Dan zie je alle dingen als vanaf het begin ongeboren; dan zie je dat de niet veroorzaakte substanties, die er eerst niet waren, nu gaan bestaan omdat er oorzakelijkheid is.
Wat is onderscheid-aanleggen naar afhankelijkheid? Dan is er de onderlinge afhankelijkheid van goud en gouddraad. Wat is onderscheid-aanleggen naar gebondenheid en bevrijding? Dan fantaseer je dat iets gebonden is omdat er iets is dat bindt, als in het voorbeeld van een man die, een touw gebruikend, een knoop legt en die weer los haalt.
Mahāmati, dit zijn de karakteristieken van "de aard die maar verbeeld is"; de onwetenden en eenvoudigen van geest hechten er aan en beelden zich in dat dingen zijn of niet zijn. Zij die gehecht zijn aan ideeŽn omtrent relativiteit, zijn gehecht aan het zien van een veelvoud aan dingen, dingen die (toch) ontstaan uit de verbeeldde aard. Zo ziet men, met Māyā (illusie) als voorwaarde, afhankelijk van Māyā, een veelvoud aan objecten. Echter, die manifeste veelvuldigheid wordt door de onwetenden beoordeeld als iets dat apart staat van Māyā - zo denken ze. Maar, Mahāmati, Māyā en dat veelvoud aan objecten zijn noch een, noch verschillend. Waren ze verschillend dan zou dat veelvoud aan objecten Māyā niet als oorzaak hebben; waren Māyā en dat veelvoud aan objecten een, dan zouden ze niet van elkaar onderscheiden kunnen worden; maar omdat de twee van elkaar onderscheiden kunnen worden - hier zie je Māyā (illusie), en daar de objecten - zijn ze noch een noch verschillend. Daarom moeten jullie je, jij en de andere Bodhisattva-mahāsattvas, nooit gedachten maken over (tegengestelde) noties als zijn en niet-zijn.

Er wordt dus gezegd:
182. Het Opslagbewustzijn (citta) is onafscheidelijk verbonden met de wereld-van-objecten; denken heeft fantaseren als functie. In de uitmuntende staat van zonder-beelden-zijn ontplooit zich de alles overstijgende wijsheid (prajñā).

183. Wanneer je "de aard die maar verbeeld is" (parikŠlpita) voor echt houdt (zeg je:) het is, maar uitgaand van de wetenschap dat "de aard afhankelijk is van iets anders" (paratantra) (weet je:) het is niet. Omdat er op-zijn-kop-denken is, grijpt men naar dat wat zich (schijnbaar) onderscheidt; (maar) omdat de aard (der dingen) maar verbeeld is, kan er geen onderscheid-aanleggen zijn.

184. Het onderscheiden van een veelvoud aan dingen is (slechts) iets verbeelds; zie je het eenmaal als Māyā-gelijk, dan is er niets om iets over te zeggen. Er wordt een veelvoud aan individuele vormen onderscheiden, maar er is niets waarover ook maar iets gezegd kan worden.

185. (Onderscheid-aanleggen naar) individuele gestalten is verkeerd, het is als gekluisterd zijn; als gevolg van verbeelden, hetgeen foutief is, ontstaan in de geest der onwetenden (individuele gestalten); omdat er wordt uitgegaan van "de aard die maar verbeeld is" tonen die gestalten zich als onderscheiden (dingen).

186. Het bestaan dat aldus wordt onderscheiden (in zijn menigvuldigheid) is niets anders dan "de aard die maar verbeeld is". Fantaseren tovert een variŽteit aan vormen voor. Omdat er "de aard die afhankelijk is van iets anders" is, gaat men voort onderscheid aan te leggen.

187. Relatieve kennis (samvrti), en het ultieme (paramartha), en zelfs een derde vorm - als die er al zou zijn - hebben niet-zelf als voorwaarde. Het fantaseren behoort tot het relatieve, is dat eenmaal verwijderd, dan staat men in het rijk der wijze.

188. Zoals de yogin een realiteit ervaren die zich manifesteert als veelvuldigheid - terwijl er in de realiteit toch geen multipliciteit is - zo is het ook gesteld met de aard van het fantaseren (d.w.z het is er niet, en ware het er, dan was het niet multiepel).

189. Zoals bijziendheid een veelheid aan verbeeldde dingen ziet - terwijl bijziendheid noch vorm (rūpa), noch niet-vorm (arūpa) is, zo gaan de onwetenden tewerk met het relatieve (d.w.z. het afhankelijke: het is noch vorm, noch niet-vorm).

190. Zoals er zuiver goud kan zijn, en zuiver water, en een wolkenloze lucht, zo ook is er (mentale) zuiverheid zodra men het fantaseren heeft losgelaten.

191. Bestaan, verkeerdelijk verbeeld, is niet, maar gezien vanuit het standpunt van het relatieve (de relatieve waarheid), is het; bevestigen en weerleggen zijn vernietigd zodra men vrij van (ver)beelden is.

192. Als (je zegt dat) het aspect van het relatieve bestaan (een Entiteit of Substantie) is, maar verbeelden niet, dan betekent dat, dat er een iets bestaat apart van het bestaande, en dat bestaan geboorte vindt in niet-bestaan.

193. Afhankelijk van verbeelden, hetgeen (op zichzelf al) foutief is, kom je tot (de conclusie dat er) een relativiteits-aspect aan het bestaan (te ontdekken valt); (echter) het verbeelden - foutief - ontstaat uit het samenkomen van naam (nama) en vorm (rūpa).

194. Verbeelden kan nooit perfect gezuiverd weten (nŪshpanna) zijn. Het brengt niets (geen enkele geestesgestalte) voort; (is dat eenmaal bereikt) dan weet men wat bedoeld wordt met "de ultieme waarheid waarvan de zelf-aard zuiverheid is."

195. Er zijn tien soorten foutief verbeelden, en zes soorten relativiteit. In het innerlijke weten van Zoheid (tathāta) is geen onderscheid.

196. De Waarheid bestaat uit de vijf Dharmas en de drie svabhāva. Weet de yogin dit eenmaal, dan valt hij niet uit de Zoheid.

197. Omdat er in het relatieve (denken) vormen bestaan, verrijzen er namen, die (op zich een vorm zijn van) fantaseren; (omgekeerd,) de diverse aspecten van fantaseren verrijzen uit het relatieve (denken).

198. Wordt er met de juiste intelligentie (buddhi) over nagedacht, dan is er noch het relatieve, noch fantaseren. Waar Perfect Weten is, is niets anders (dan dit Weten); want hoe kan er in juiste intelligentie onderscheid-aanleggen ontstaan?

199. Waar Perfect Weten is kan het bestaan niet ingedeeld worden in zijn en niet-zijn. Als er geen kwalificeren in termen van zijn en niet-zijn mogelijk is, hoe kunnen er dan die twee svhabhāva zijn.

200. Wanneer er fantaseren is, kun je spreken over de twee (eerste) svabhāva. Is er fantaseren dan kun je spreken over een veelvoud aan dingen. Is dat eenmaal uitgezuiverd dan toont de wijze zich.

201. Is er foutief verbeelden, dan is er een veelvoud aan objecten die, zolang er het relatieve weten is, onderling onderscheiden worden; vindt dat onderscheiden op een andere manier plaats, dan raakt men gehecht aan de leer der geleerden.

202. Als het verbeeldde behandeld wordt als iets dat nog verder verbeeld kan worden (d.w.z. uiteengerafeld is diverse samenstellende delen), dan doet men dat omdat er allerlei inzichten zijn die gebaseerd zijn op een oorzakelijkheids-doctrine. Is het dualistische onderscheid-aanleggen eenmaal verwijderd, dan is er inderdaad het Perfecte Weten.

Toelichting bij tekst 40

- Met vers 180 en de daaraan voorafgaande passage wordt aangetoond dat er, waar het de 8 vormen van bewustzijn aangaat, geen sprake is van een stijgende voortgang door de bewustzijnen: er is geen "laag" bewustzijn, en ook geen "hoog"; er is slechts een min of meer circulair onderling conditioneren van bewustzijnsvormen, en in laatste instantie zal de Lanka ook het onderscheid maken tussen deze vormen van bewustzijn van de hand wijzen. Zo is het derhalve niet mogelijk om bijvoorbeeld het Opslagbewustzijn als Het Ultieme te gaan beschouwen, laat staan als scheppende of voorwaarden-scheppende kracht.

- De vertalingen "aard die maar verbeeld is" en "aard afhankelijk van iets anders" proberen, maar slagen er niet in de nadruk te leggen op het woord aard, dat ook geÔnterpreteerd kan worden als -heid: de zusHEID, of zoHEID van een fenomeen.

- Vers 184, tweede en derde regel. "Verbeelden, hetgeen foutief is." Verbeelden, je iets inbeelden dat er niet is, dus die bovengenoemde x-heid, is simpelweg verkeerd; de passages waarin het bestaande wordt vergeleken met een droom of een luchtspiegeling moeten letterlijk worden genomen voor wat betreft afwezigheid van die x-heid. Zo moeten we het zien. Niemand binnen de Yogacāra zegt dat er geen tafels zijn; wat ze wel zeggen is dat er in geen van die tafels een "tafelheid" te ontdekken valt - en wanneer we dan toch over gaan tot het zien van tafels met karakteristieken en werkelijkheidswaarde en al, dan geven we ons over aan fantaseren.

- Vers 199. svabhāva. Zie de woordenlijst. De twee eerste van de drie svabhāva zijn als het ware opgenomen in de derde: de realisering van de ware aard van de eerste twee vormen van svabhāva.




Tekst 41

Daarna zei Mahāmati: Gezegende, vertelt u mij alstublieft over het Ene Voertuig (ekayāna) dat kenmerkend is voor de innerlijke realisering van nobele wijsheid. Als u dat doet zullen wij, Bodhisattva-mahāsattvas, bekend raken met het Ene Voertuig dat kenmerkend is voor de innerlijke realisering van nobele wijsheid. Zo zullen we, op niets en niemand steunend, gevestigd raken in Boeddha's Leer.

De Gezegende zei: Wel, Mahāmati, luister goed en overdenk wat ik nu ga zeggen. Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati antwoordde: Gezegende, dat zal ik doen, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: Mahāmati, laat de Bodhisattva-mahāsattva zich, onafhankelijk, en in overeenstemming met de gezaghebbende leerstukken waarin onderscheid-aanleggen afwezig is, op een rustige, afgelegen plaats terugtrekken om zich te wijden aan zelfreflectie. Laat hij zijn eigen intelligentie inzetten om verkeerde opinies en onderscheid-aanleggen te verwijderen; zo gaat hij stap voor stap voort en spant zich in om uiteindelijk het stadium van Tathāgataschap te betreden. Mahāmati, dit is het karakteristieke kenmerk van de innerlijke realisatie die gewonnen kan worden door nobele wijsheid in te zetten.

Wat karakteriseert het pad van het Ene Voertuig? Hoe kun je dit pad van het Ene Voertuig herkennen en realiseren? De herkenning van het Ene Voertuig is daar zodra onderscheid-aanleggen niet (meer) verrijst, zodra concepten als grijpen-naar en dat-waarnaar-gegrepen-wordt opzij zijn gezet, en zodra er permanent de werkelijkheid van "zo-is-het" (yathābhuta) is. Mahāmati, deze herkenning van het Ene Voertuig is, behalve door de Tathāgata zelf, nooit door iemand anders bereikt, niet door de geleerden, niet door Toehoorders, niet door Zelf-Verlichtten, noch door Brahmanen en dergelijke. Mahāmati, daarom wordt het gekend als het Ene Voertuig.

Mahāmati zei: Waarom spreekt de Gezegende over Drie Voertuigen, en niet over het Ene?
De Gezegende antwoordde: Omdat er geen leer is die Toehoorders en Zelf-Verlichtten in staat stelt zelfstandig nirvāna te bereiken, daarom spreek ik niet over het Ene Voertuig. Vandaar dat de Toehoorders en Zelf-Verlichtten discipline ontvangen, vandaar dat ze in afzondering leven, en vandaar dat ze training in meditatie ontvangen - alles in overeenstemming met de Tathāgata's woorden, en zo worden ze tot bevrijding gebracht - niet op hun eigen houtje.

Mahāmati, verder is het zo dat, waar ze nog geen eind hebben gemaakt aan het gewoontepatroon dat karma is, en dat van (boeken-)kennis (vergaren), het voor de Toehoorders en Zelf-Verlichtten - in hun totaliteit - nog steeds onmogelijk is het zelfloos zijn der dingen waar te maken, en daarom hebben ze nog niet de onvoorstelbare transformatie-dood ondergaan. Dus vertel ik hen over de drie Voertuigen, niet over het Ene. Maar, Mahāmati, vernietigen ze alle kwalijke gewoontepatronen dan realiseren ze de zelfloosheid der dingen. Dan, eenmaal vrij van kwalijke gewoonte patronen, zullen ze niet meer verslaafd zijn aan samādhi; dan ontwaken ze tot het rijk van Niet-kwalijke-uitstroom (akusalāsrava?). Nu, eenmaal opgenomen in die verheven wereld, in het Rijk van niet-kwalijke-uitstroom, diepen ze (uit hun binnenste) alle materiaal op dat hen in staat stelt de Dharmakāya (Corpus van de Dharma) te bereiken, (een Lichaam) dat oppermachtig is, en voorbij het voorstellingsvermogen.

Daarom zeg ik:
203. Ik spreek over de volgende Voertuigen: dat van de Devas (hemelingen), Brahmas (idem), Toehoorders, Zelf-Verlichtten, en dat van de Tathāgatas.

204. Zolang er een bewustzijn is dat zich bewust inspant is er geen eind aan al die Voertuigen; (maar,) is er eenmaal die Ommekeer in de geest, dan is er noch een Voertuig, noch iemand die zich daarin bevindt.

205. In werkelijkheid is er geen vaststellen (mogelijk) van verschillende Voertuigen, daarom spreek ik over het Ene Voertuig. Echter, om de onwetenden naar de juiste weg te leiden spreek ik over een aantal Voertuigen.

206. Drie soorten bevrijding zijn er; in geen ding is een zelf-substantie; het Weten en passies hebben dezelfde aard - in bevrijding is er verlossing van al deze dingen.

207. Als een stuk hout drijvend op de golven van de oceaan, zo wordt de Toehoorder, geobsedeerd door (concepten als) individuele kenmerken, voortgedreven (doorheen samsara).

208. Hoewel bevrijd van de actieve, functionerende passies, zijn ze (de Toehoorders) nog steeds gebonden door de gewoontepatronen verbonden met die passies. Dronken door samādhi bewonen ze nog steeds het Rijk van dat-wat-uitstroomt (asrava).

209. Hierin gaat niets naar zijn eind, noch is er een terugkeer; zolang hij zich in het samādhi-lichaam bevindt is hij in het geheel niet ontwaakt, en zal dat niet zijn, zelfs niet aan het eind van alle kalpas (eonen).

210. (Maar) net zoals een dronkaard zijn verstand terug krijgt zodra hij nuchter is, zo zal hij (d.w.z. de Toehoorder) de Boeddha's Waarheid, zijn eigen lichaam, waarmaken.

Hier eindigt het tweede hoofdstuk dat we "de verzameling van alle Dharmas" kunnen noemen, en dat deel uitmaakt van de Lankāvatāra bestaande uit 36.000 (slokas, of stanzas).

Toelichting bij tekst 41

- De eerste alinea. Of men wel of niet een meester nodig heeft op het pad van Boeddhisme is een "hot debate", in het bijzonder in AziŽ. Hier zien we dat slechts diegenen die het stadium van Bodhisattva-mahāsattvaschap hebben bereikt de weg alleen kunnen gaan.
. Het Ene Voertuig. Dit onderwerp lijkt geheel en al gebaseerd te zijn op wat de Lotus soetra daarover meldt: er is slechts een (enkele) Weg of Voertuig, en waar de Boeddhas spreken over twee of drie - dat van de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten (, en de Bodhisattvas) - doen ze dat om diegenen te bereiken die daarin hun waarheid hebben gevonden. Uiteindelijk, alles gezegd en gedaan, is er slechts een weg, die van de Boeddhas. We komen hetzelfde thema tegen in de Surangama soetra.

- "Wat karakteriseert het pad van het Ene Voertuig?" In deze alinea zegt Boeddha dat alleen Boeddhas het Ene Voertuig kunnen bereiken. Niettemin moedigt hij de Bodhisattva-mahāsattva aan er naar te streven en het te betreden, hetgeen betekent dat, op het moment van aankomen, de Bodhisattva-mahāsattva Boeddha is - zoals bewezen wordt door de passage, een paar tekstgedeelten terug, waarin Bodhisattva-mahāsattva SamŠntabhadra plotsklaps Boeddha werd genoemd. Andere voorbeelden daarvan zijn Maitreya, de komende Boeddha op aarde en Manjushri, Boeddha's aspect van Grote Wijsheid.

- "De onvoorstelbare transformatie-dood." Zie hiervoor tekst 43.

- Dharmakāya. De lezer is uitgenodigd op het Net of elders alles na te slaan wat maar te maken heeft met de Dharmakāya, het Lichaam, of Corpus van de Dharma; het is een uiterst belangrijke en gelukbrengende term. Veel wordt ook duidelijk gemaakt in "Het Ontwaken van Geloof in de Mahāyana", vooral tekst 7, eveneens op deze site.

- Vers 208. "Dronken door samādhi." Dit is een van de meest voorkomende verwijten aan het adres van niet-zen-, en niet-yogacara-beoefenaars. Het vers staat aan het eind van hoofdstuk Twee en heeft daardoor wellicht meer aandacht gekegen dat het verdient.

Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme