LANKAVATARA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3



   

Tekst 42

Toen (,nog steeds gezeten in het kasteel van Lanka,) zei de Gezegende tot Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: Mahāmati, ik zal je nu vertellen over de diverse gestalten van het wilslichaam. Luister goed en overdenk wat ik nu ga zeggen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zei: Gezegende, dat zal ik doen, en hij luisterde.
Daarop zei de Gezegende: Mahāmati, er zijn drie soorten wilslichaam. Wat zijn deze drie? Dat zijn: - het wilslichaam verkregen in de vreugde van samādhi; - het wilslichaam verkregen door de zelf-aard van de Dharma te ontdekken; en - het wilslichaam dat overeenkomt met de soort waartoe het individu behoort en dat perfectioneert en resultaat behaalt.
Wanneer de yogin een voor een de hogere stadia doorloopt, zal hij ze (die drie vormen) ervaren. Ik verklaar: wanneer de yogin die zich in het derde, vierde, of vijfde stadia (van de tien bodhisattvapaden) bevindt nu allerhande onderscheid-aanleggen uit zijn geest bant, dan verblijft zijn bewustzijn in teruggetrokkenheid (vivéka) en ervaart hij diepe vreugde. Wanneer hij in die staat verkerend het niet-bestaan van een wereld buiten de geest erkent, dan wordt er van hem gezegd dat hij het wilslichaam heeft.

Wat is het wilslichaam dat wordt verkregen door de zelf-aard van de Dharma te ontdekken? Is de yogin die zich in het achtste stadium bevindt eenmaal diep doorgedrongen in de (betekenis van de) aard der dingen, die aard die Māyā-gelijk is en geen beelden produceert, dan ervaart hij in het diepste van zijn geest, aan de basis van zijn bewustzijn, een ommekeer en verkrijgt de Māyópama (Māyā-gelijke) samādhi en nog andere meer. Die samādhis binnengaand verkrijgt hij een lichaam dat, gebruik makend van (supranormale) kracht, zowel meesterschap over zichzelf toont als bovennatuurlijke activiteiten; dan is hij, zijn wilskracht inzettend, in staat een dergelijk lichaam te activeren, snel als het openen van een bloem (bij dageraad); dat lichaam is Māyā-gelijk, droomgelijk, als een weerspiegeling; het is niet tot stand gekomen als gevolg van de (vier grote) elementen, maar toont iets dat lijkt op een elementen-veroorzaakt fenomeen; het heeft de hele verscheidenheid (aan details) die de wereld-van-objecten toebehoort (en als gevolg het lichaam aan de aarde gebonden houdt), maar is niettemin in staat alle bijeenkomsten in alle Boeddhalanden bij te wonen. Dit is het lichaam dat een diepgaande kennis heeft omtrent de zelf-aard van de Dharma; om deze reden wordt het een wilslichaam genoemd.

Wat is nu het wilslichaam dat overeenkomt met de soort waartoe het individu behoort en dat perfectioneert en resultaat behaalt?
Wanneer (de yogin) zowel een diepgaand begrip heeft van alle karakteristieken van zelf-realisatie als van de bijkomende vreugde die uit alle leerstukken van de Boeddha opstijgt, dan wordt van hem gezegd dat hij een wils-geschapen lichaam heeft dat vanaf zijn ontstaan voorzien is van (de faculteit tot) perfectioneren en resultaat behalen.
Mahāmati, span je in om deze diepgaande, doordringende kennis van de drie kenmerken van het wilslichaam te verkrijgen.

Dit wordt gezegd:
1. Mijn Groot Voertuig (Mahāyana) is noch een voertuig, noch een geluid, noch woorden; het is noch de waarheid, noch bevrijding, noch het rijk van zonder-beelden-zijn.

2. Niettemin is het Grote Voertuig een voertuig dat die samādhis herbergt die (een Bodhisattva-mahāsattva) brengen tot een veelheid aan activiteiten. De verschillende vormen waarin het wilslichaam zich toont zijn verfraaid met de bloemen van soevereine wil.

Daarop zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati tot de Gezegende: De Gezegende predikte de vijf onmiddellijk karma veroorzakende daden. Welke zijn deze vijf; hoe kunnen ze een zoon of dochter van goeden huize terug doen vallen in de Avici-hel?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, luister goed, want ik ga het je nu vertellen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zei: Zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: Wat zijn de vijf onmiddellijk karma veroorzakende daden?
Dat zijn: 1/ moedermoord, 2/ vadermoord, 3/ het vermoorden van een Arhat, 4/ het veroorzaken van een schisma, en 5/ een Tathāgata tot bloedens toe verwonden.

Wat wordt nu bedoeld met de term: Moeder van alle wezens? Dat is de begeerte die zichzelf vermenigvuldigt, die gepaard gaat met vreugde en haat, en die allen als een moeder ondersteunt. Onwetendheid is als vaderschap; het zorgt voor wedergeboorte doorheen alle zes dorpen in de zintuiglijke wereld. Wanneer er een volledige vernietiging plaatsvindt van zowel iemand's wortels als van vader- en moederschap, dan wordt er gezegd dat vader en moeder vermoord zijn. Wanneer er een volledige vernietiging heeft plaats gevonden van de (aan begeerte en haat) onderliggende, gerelateerde groep passies zoals boosheid enzovoorts - die als een vijand zijn, als een giftige rat - dan wordt gezegd dat de Arhat om het leven is gebracht. Wat wordt bedoeld met schisma, een breuk in de broederschap? Is er eenmaal een complete en fundamentele breuk in het samenstel van de skandhas, die gekenmerkt worden door een onderlinge afhankelijkheid in verscheidenheid, dan wordt gezegd dat er een breuk is ontstaan in de broederschap.
Mahāmati, wanneer het corpus van de acht bewustzijnen, dat er (als conglomeraat) verkeerdelijk van uitgaat dat er individualiteit en algemeenheid is en dat deze zich buiten het bewustzijn bevinden - iets waarvan men denkt dat het zich manifesteert als een externe wereld - wanneer dat corpus, redenerend vanuit het foutieve onderscheid-aaleggen volledig vernietigd is, dat wil zeggen, dat het vernietigd is als gevolg van de drie bevrijdingen alsmede door die staat te hebben bereikt waarvan wordt gezegd dat het "dat-wat-niet-meer-uitstroomt" heet, en wanneer zo - overigens een verkeerde gedachte! - de Vijñāna-Boeddha tot bloedens toe is verwond, dan wordt er gezegd dat dit een onmiddellijk karma veroorzakende daad is. Dit, Mahāmati, zijn de vijf onmiddellijk karma veroorzakende daden, en wanneer een zoon of dochter van goeden huize deze ervaren, dan is er wat genoemd wordt een realisering van het onmiddellijk karma veroorzakende met betrekking tot de Dharma.

Mahāmati, verder zijn er nog vijf externe onmiddellijk karma veroorzakende daden; ik zal deze verklaren opdat jij en de toekomstige bodhisattvas voor onwetendheid gespaard zullen blijven. Dit zijn de onmiddellijk karma veroorzakende daden (d.w.z. de parádjika) die beschreven staan in de canonieke teksten (vínaya), en zij die deze misdaden begaan zullen nimmer de (zojuist door mij beschreven) manifestaties kunnen ervaren, met uitzondering van die Transformaties die Boeddha's kracht hebben ontvangen en al aan hun doel zijn geraakt. De Toehoorders die Transformaties zijn (van ofwel Bodhisattva-mahāsattva ofwel Boeddha), die de kracht hebben ontvangen van Bodhisattvas(-mahāsattvas) of Tathāgatas, zouden iemand vreselijke daden kunnen zien begaan; dan zullen ze (, dat ziend,) herhaaldelijk al hun energie aanwenden om zo iemand van zijn verdorvenheid en verkeerde opinies af te brengen; dan zullen ze, om zo iemand de onwerkelijkheid van slechtheid en verkeerde opinies te doen zien, hun (disciplinaire) last afleggen. Op deze manier toon ik de feiten van Transformatie, van ondersteunende kracht, en van realisatie. Maar, Mahāmati, er is geen realisatie mogelijk voor hen die stomweg de onmiddellijk karma veroorzakende daden (parájika) begaan, behalve wanneer ze (plotsklaps) tot het besef komen dat de externe wereld naar waarheid niet meer is dan Bewustzijn zelve, en dan zien dat lichaam, bezit, en verblijfplaats niets anders zijn dan geestesgestalten en dat je je verre moet houden van noties over zelf en wat daartoe behoort. Of (er is een uitzondering) wanneer de persoon tijdens een of andere ontmoeting met een goede (Dharma-) vriend (kalyanamitra), of op het moment van wedergeboorte in een ander pad van bestaan (onmiddellijk de waarheid) beseft en als gevolg bevrijd is van de fout die onderscheiden-van-een-zelf is.

Daarom wordt er gezegd:
3. Er wordt gezegd dat begeerte de moeder is, en onwetendheid de vader; het bewustzijn dat beseft dat de wereld een wereld-van-objecten is, is Boeddha.

4. De onderliggende, gerelateerde groep passies heet Arhat; de Vijfvoudige groep van Hechten (skandhas) is de Sangha; daar aan deze onmiddellijk een eind moet komen, worden ze de onmiddellijk karma veroorzakende daden genoemd.

Toelichting bij tekst 42

— Het wilslichaam. Boek 28 van de Avatámsaka Soetra bespreekt in extenso de supranormale krachten van de Bodhisattva, zonder overigens te spreken over een geestgeschapen lichaam dat op drie manieren gekend zou kunnen worden. We moeten hier daarom aannemen dat de auteur(s) van de Lanka hun inspiratie elders hebben gehaald.

— "Alle zes dorpen" zijn de zes bestaansvormen, van hel-wezen over het mensenbestaan tot hemeling.

— "Wanneer er een volledige vernietiging plaatsvindt van zowel iemand's wortels als van vader- en moederschap, dan wordt er gezegd dat vader en moeder vermoord zijn." De tekst tilt hier vader- en moedermoord over de feitelijke fysieke handeling heen naar een ander niveau waar zowel iemands kwalijke gewoontepatronen, als begeerte, als onwetendheid zijn vernietigd.
. "Een breuk in de broederschap." Dat de vijf skandhas onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn is een basis-concept van het Boeddhisme. Echter, in de hogere stadia van Bodhisattvaschap kan van die bodhisattva niet meer gezegd worden dat het een wezen is in de fysieke zin van het woord; in die stadia is er een definitieve breuk ontstaan tussen lichamelijkheid (rūpa) en de vier overige skandhas die we gemakshalve met nama kunnen aanduiden.
. De drievoudige bevrijding is de bevrijding van begeerte, haat, en onwetendheid.

— "Mahāmati, wanneer het corpus van de acht bewustzijnen, ..., dan wordt er gezegd dat dit een onmiddellijk karma veroorzakende daad is."
"Onmiddellijk karma veroorzakend" is een mahāyanistische interpretatie van de vijf onvergeeflijke overtredingen zoals die in de Pratimoksha, de Leefregels voor monniken en nonnen, beschreven staan. Wie deze heeft overtreden is voorgoed uitgesloten van de communiteit. De alinea die op de hier besprokene volgt, gaat hier verder op in.
Al eerder zagen we hoe Lanka's auteur de geleerden en de Toehoorders tegelijkertijd aanspreekt, op dezelfde filosofische punten. Nu, in deze hele, zeer gecompliceerde zin, is dat wel het duidelijkst het geval; niet eerder in de Lanka werd het Mahāyana-denken zo kernachtig afgezet tegen dat van de bovenstaande twee groepen: aanvaarden dat er individualiteit en algemeenheid is (Sánkhya-denken) is fout. De overige refutaties betreffen de zowel de drie niet-boeddhistische filosofieën waar de Lanka zich tegen afzet als de Toehoorders: een wereld buiten het bewustzijn voorstellen is fout; een eind brengen aan begeerte, haat en onwetendheid denkend dat dit alles is, is fout; een staat bereiken van volkomen wu-wei, om een Taoistische term te gebruiken, is fout.

— "De Toehoorders die Transformaties zijn (van ofwel Bodhisattva-mahāsattva ofwel Boeddha) die de kracht ... hun last kunnen afleggen."
In deze passage wordt er in de eerste plaats aan herinnerd dat een Toehoorder (Srávaka) - bedoeld wordt de (Srávakayāna) Arhat -, een Transformatie van Boeddha of Bodhisattva-mahāsattva zou kunnen zijn. Impliciet wordt hier gezegd dat men er daarom beter aan doet deze Arhat eer te bewijzen, want, immers, wie onder de gewone stervelingen die de canon nodig heeft om de waarheid van de Boeddha-Dharma te ontdekken heeft bereikt wat de Arhat heeft bereikt?!
Met het afleggen van de last wordt bedoeld dat zo'n Transformatie-gestalte zijn eeuwigdurende geloften - tijdelijk - terzijde kan schuiven als dat dienstig is om iemand de Dharma te doen zien en aanvaarden. Het hierna volgende tekstgedeelte waarschuwt echter voor lichtzinnigheid in deze! . "... de onwerkelijkheid van slechtheid en verkeerde opinies te doen zien."
In deze zin zegt Boeddha dat iemand die zelfloosheid in het wezen en de dingen ziet, die dus ziet dat alles illusoir is, en niet buiten de geest, als vanzelf tot een bekoeling van geest komt en datgene, die opinies, loslaat waar voorheen zo heftig aan gehecht werd (bijvoorbeeld de opinie: je mag stelen van de rijken want die hebben toch teveel). Laten we niet vergeten dat alle in het Boeddhisme aangereikte zienswijzen geneeswijzen zijn.




Tekst 43

Opnieuw sprak Mahāmati: Gezegende, vertelt u mij alstublieft; wat maakt de Boeddhas, de Gezegenden, tot wat zij zijn, of, anders gevraagd, wat is de Boeddha's Boeddhanatuur?
De Gezegende antwoordde: wanneer het niet-zelf in de dingen en wezens is begrepen, wanneer de kennis over het tweevoudige obstakel goed gevestigd is, wanneer de tweevoudige dood verkregen is, en wanneer de tweevoudige groep van passies is vernietigd, dan, Mahāmati, is daar de Boeddhanatuur van alle Boeddhas, van de Gezegenden. Wordt dit onderdeel van de Dharma door Toehoorders en Zelf-Verlichtten ervaren, dan is dat hun Boeddhanatuur.
Er wordt gezegd:
5. Wanneer het tweevoudige zelfloos-zijn, de tweevoudige groep van passies, het tweevoudige obstakel, en de onvoorstelbare transformatie-dood zijn bereikt, dan is dat Tathāgata.

En opnieuw richtte Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zich tot de Gezegende en zei: Wat was de diepere betekenis van uw uitspraak, gedaan ten overstaan van de hele congregatie, waarin u zei: 'Ik ben alle Boeddhas uit het verleden", en: 'Ik ben in verschillende gedaanten door een veelheid aan levens gegaan; soms was ik koning Mándhatri, soms een olifant, soms een parkiet, soms Indra, Vyāsa, Sunetra of andere wezens - duizenden geboorten lang'?

De Gezegende zei: naar zijn diepste betekenis kun je vier soorten eenderheid (samatā) onderscheiden. Mahāmati, de Tathāgatas, die Arhat zijn en Volmaakt Verlicht zeggen dit: Zo (d.w.z. eender) was ik ten tijde van de Boeddhas Krakucchanda, Kanakamuni en Kasyapa. Wat zijn die vier soorten eenderheid? Naar diepste betekenis zijn dat: eenderheid naar letters, eenderheid naar woorden, eenderheid naar onderricht, en eenderheid naar lichaam. Wanneer ze voor de congregatie staan spreken de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht in overeenstemming met deze viervoudige eenderheid.

Mahāmati, wat is de eenderheid naar letters? Mahāmati, het betekent dat mijn naam gespeld wordt als B o e d d h a, en deze letters (in deze volgorde) worden ook gebruikt voor andere Boeddhas, Gezegenden (Bhagavants). Mahāmati, naar hun aard zijn deze letters niet van elkaar te onderscheiden, daarom spreken we over de eenderheid van letters.

Mahāmati, wat is de eenderheid naar de woorden met betrekking tot de Tathāgatas, die Arhat zijn en Volmaakt Verlicht? Dat betekent dat ik de vierenzestig klanken van de taal der Brahmanen beheers, en dat deze vierenzestig klanken worden gebruikt door alle Tathāgatas die Arhat zijn, en Volmaakt verlicht; de klanken die ze produceren, en die lijken op het gezang van de kalavinka (een vogel) zijn in alle gelijk, want wat dit aangaat zijn we niet van elkaar te onderscheiden.

Mahāmati, wat is de eenderheid naar lichaam? Dat betekent dat ik en alle andere Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht, eender zijn wat onze Dharmakāya (Corpus van de Dharma) aangaat, en dat we bovendien eender zijn naar onze (32) uiterlijke en (80) secundaire uiterlijke kenmerken die onze staat van perfectie tonen. Tussen ons is geen verschil; slechts wanneer de Tathāgatas de disposities der wezens mee laten wegen manifesteren ze verschillende vormen, want die wezens hebben ieder verschillende benaderingen nodig.

Mahāmati, wat is de eenderheid naar onderricht (Dharma)? Dat betekent dat ik en alle andere (Tathāgatas) de Dharma doorgronden die gaat over de zevenendertig geledingen van verlichting (bodhipáksika dharma). Wanneer ze voor de congregatie staan spreken de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht in overeenstemming met deze viervoudige eenderheid. Daarom zeg ik dit:
6. Ik ben Kasyapa, Krakucchanda, en Kanakamuni; dit is wat ik, voortgekomen uit de eenderheid, predik voor het welzijn der Boeddhakinderen.

Opnieuw richtte Mahāmati het woord tot Boeddha en zei: De Gezegende heeft gezegd dat hij, vanaf de nacht waarin hij Ontwaakte tot de nacht waarin hij Parinirvāna binnenging, geen woord gesproken heeft; hij heeft gezegd dat hij nooit een woord zal spreken, want niet spreken is de spraak der Boeddhas. Wat is de diepere betekenis van het niet-spreken van de Boeddha's spraak?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, er zitten twee aspecten aan de diepere betekenis van deze woorden; daarom heb ik dat gezegd. Wat zijn die twee aspecten? Dat zijn de waarheid van zelf-realisering en de eeuwig-verblijvende werkelijkheid. Ik heb gesproken met de diepere betekenis van deze twee aspecten in gedachten. Wat is de diepere betekenis van de waarheid van zelf-realisering? Wat de Tathāgatas (uit het verleden) realiseerden, dat realiseerde ik, daarin is noch toe-, noch afname, want dat rijk van zelf-realisatie is vrij van woorden en onderscheid-aanleggen en heeft niets van doen met beweringen in de trant van enerzijds/anderzijds.

Wat bedoel ik met de eeuwig verblijvende werkelijkheid (sthítita)?
Mahāmati, die oeroude weg naar de Waarheid was er altijd al; ze was als goud, of zilver, of parels die in de diepste diepten opgeslagen lagen. Mahāmati, de Dharmadhātu is eeuwig, of de Tathāgata nu over de wereld gaat of niet, en zoals de Tathāgata voor eeuwig verblijft, zo is het met de ware aard (dharmatā) van alle dingen. Werkelijkheid verblijft eeuwig, werkelijkheid is wat het is, ze is als de wegen in een oeroude stad. Bijvoorbeeld, Mahāmati, een man loopt door een woud en ontdekt een oeroude stad, compleet met een recht netwerk van wegen, en dan gaat hij daar binnen. Eenmaal binnen rust hij uit en gedraagt zich als een stadsbewoner; zo geniet hij alle vreugden die daaruit voortvloeien. Wat denk je, Mahāmati, heeft die man de weg gemaakt waarover hij de stad betrad, of heeft hij al die dingen die hij in de stad aantrof zelf gemaakt?
Mahāmati zei: Nee, Gezegende. De Gezegende zei: zo is dat wat de andere Tathāgatas en ikzelf realiseerden de werkelijkheid, de eeuwig verblijvende werkelijkheid, de natuurlijke orde der dingen (niyāmata), het zo-zijn van alle dingen (tathāta), de werkelijkheid van alle dingen (bhutata), de waarheid zelve (sátyata). Daarom, Mahāmati, zeg ik dat ik, vanaf de nacht dat de Tathāgata Ontwaakte tot het moment waarin hij (Pari)nirvāna binnenging, geen woord gesproken heeft, noch ooit een woord spreken zal. Daarom wordt er gezegd:

7. Vanaf de nacht dat ik Ontwaakte tot die waarin ik Nirvāna binnenging, heb ik nooit enige uitspraak gedaan.

8. Omdat er een diepere betekenis zit aan de eeuwig-verblijvende werkelijkheid van zelf-realisering, daarom heb ik erover gesproken. Wat dat aangaat is er tussen mij en de andere Boeddhas geen enkel verschil.

Toelichting bij tekst 43

— "Wat is de diepere betekenis van het niet-spreken van de Boeddha's spraak?"
Hoewel we er niet van uit mogen gaan dat de Lankāvatāra soetra van niet-Indische origine is, is het wel zeker dat latere Chinese kopiïsten zaken aan de teksten hebben toegevoegd, zoals de hier gegeven passage over niet-spreken. Daarvoor kan verwezen worden naar de Daodejing, het boek der daoïsten vers 56 dat begint met: "Hij die weet spreekt niet, / hij die niet weet spreekt."

— "Opnieuw .... wat is de Boeddha's Boeddhanatuur?"
In het antwoord dat op deze vraag volgt ligt het antwoord op die andere vraag: wat is onwetendheid? Hier vertelt de Lanka, bijna terloops, wat Vídya, het grote Weten of Zien is, wat datgene is waar diegenen die Boeddhaschap nastreven naar op zoek zijn. Echter, dat Weten moet dan ook waar gemaakt zijn in eigen lichaam en geest; het moet er iedere minuut zijn, en het moet altijd, en als vanzelfsprekend, bijna gedachtenloos in de praktijk worden toegepast. Is dat nog niet het geval, dan is er sprake van de boekenwijsheid waar de Lanka zo vaak tegen fulmineert.

— "Het tweevoudige obstakel bestaat uit hechten aan een zelf-aard in de wezens en de dingen.
. De tweevoudige dood. Hierover wordt het volgende geschreven: "Het zijn de twee nirvānas; de ene met een "overblijfsel", en de andere zonder. Van het nirvāna met een overblijfsel is de oorzaak vernietigd, maar van het effect (van karmisch handelen) blijft nog wat in de wereld, hetgeen betekent dat de heilige nog in dit leven nirvāna kan ervaren maar doorgaat te leven tot zijn dagen zijn geteld" (en daarna blijft zijn 'overblijfsel' nog werkzaam, alhoewel niet zo zwaarwegend als de gewone karmische vracht die een gewoon mens naar een nieuw bestaan duwt). "Het 'overblijfselloze' nirvāna daarentegen heeft noch oorzaak, nog resultaat. Wanneer zo de verbinding met het sterfelijke leven is verbroken gaat de heilige bij zijn dood het absolute nirvāna binnen" (en wordt van hem niets teruggevonden). De Lanka kapt nu die gordiaanse knoop door, door te zeggen dat de Tathāgata beide vormen van dood tot nul heeft gereduceerd.
. De tweevoudige groep van passies zijn de grove passies van begeerte en haat enerzijds, en de subtiele, daarvan afgeleide passies anderzijds.

— "En opnieuw richtte Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zich tot de Gezegende."
In deze alinea wordt gesproken over de (D)jaatakas, de Geboorteverhalen van Sakyamuni Boeddha. Deze verhalen ontstonden tussen de derde en twaalfde eeuw en behandelen bijna zonder uitzondering het thema leiderschap.

— Eenderheid (samatā). Sla de passage over het woord eenderheid niet over; het is een van de belangrijkste concepten binnen de Mahāyana. Wie 'eenderheid' niet begrijpt, begrijpt 'niet-dualiteit' niet.

— "Wat bedoel ik met de eeuwig verblijvende werkelijkheid?" De tekst die hierna volgt is gebaseerd op een van de oudst bewaarde uitspraken van Sakyamuni Boeddha. We vinden daarin ook de echo van een van de meest geliefde passages uit de Lotus soetra.

— "de Dharmadhātu is eeuwig ... en zoals de Tathāgata voor eeuwig verblijft..."
Merk hier op dat, zoals dat ook het geval is in de Avatámsaka en Mahāvairocana soetra, de Dharmadhātu en de Tathāgata als niet verschillend, als eender worden gezien.
Daar dit een begrip is dat naar zijn betekenis eveneens voorkomt in het Hinduisme, is het nodig de woorden nogmaals te ontleden. In Boeddhisme betekent Dharma (met hoofdletter) de Leer van de Boeddhas, en dharma (kleine letter) is ding, of fenomeen. Zoals eerder vermeldt ziet het Hinduisme het woord dharma voornamelijk als a/ gewoonteplicht of -recht, en b/ als ritualistiek. Nu wordt van de Hindu-god Siva gezegd dat zijn lichaam het universum is. In Boeddhistische terminologie zou dat Dharmakāya heten. Echter, Siva wordt gezien als het scheppende, onderhoudende, maar vooral vernietigende principe van of in het universum. We kunnen dus niet zeggen dat Boeddha, de Dharmakāya - Lichaam van de Leer - zijnd, of in andere termen, de Dharmadhātu, zijn lichaam als het canvas waartegen zich het drama van het leven afspeelt, identiek is aan Siva in zijn aspect van cosmisch lichaam. Boeddha schept niet, noch onderhoudt hij, laat staan dat hij vernietigt.

— "Daarom, Mahāmati, zeg ik ... geen woord gesproken heeft, noch ooit een woord spreken zal."
Met 'spreken' wordt hier bedoeld iets over iets zeggen dat nog nooit gezegd, noch getoond is. Uit dit gesloten universum verdwijnt nooit iets, noch komt er iets bij; alles is er al. Dingen transformeren, maar nieuwe dingen komen er niet bij, noch vallen er oude af. Wanneer we een nieuw woord voor een nieuw fenomeen menen te hebben ontdekt, is dit slechts een herkennen van wat we niet eerder zagen en een 'herwoorden' van wat we eerder anders uitdrukten.
De uiting heeft overigens zijn wortels in de Dharma-opvatting van de mahāsāngika, die in ieder geval in de tweede eeuw werden aangetroffen in het Indiase Máthura en Karle, en rond Kabul, en in de zevende eeuw in Kashmir en Noord-Afghanistan. Identieke woorden had de idem sub-traditie van de lokottara-vādin, die Xuanzang in de zevende eeuw aantreft in de Bamiyan-vlakte. Beide stromingen worden onderverdeeld bij de Kleine Voertuig-stroming hoewel de huidige theravāda-traditie in ieder geval de mahāsāngika tot de mahāyana rekent.
Door deze beide sub-stromingen werd gezegd: "De Boeddhas uiten nooit een woord want ze verblijven continu in contemplatie (samādhi). Maar de wezens die denken dat ze iets zeggen springen op van vreugde."
Onnodig er op te wijzen dat zowel de mahā-sāngika als de lokottara-vāda grote waarde hechtten aan formele meditatie.



Tekst 44

Toen stelde Mahāmati de Gezegende de volgende vraag: Gezegende, vertelt u mij over zijn en niet-zijn van alle dingen, want wanneer alle andere Bodhisattva-mahāsattvas eenmaal bevrijd zullen zijn van noties over zijn en niet-zijn, dan zullen we snel volmaakte verlichting ervaren.
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, luister dan goed en overdenk wat ik ga zeggen; ik zal spreken.
Mahāmati zei: Zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: Mahāmati, mensen in deze wereld zijn afhankelijk van twee dingen: ze zijn afhankelijk van een idee over bestaan en van een idee over niet-bestaan. Al doende vallen ze in een van de twee uitersten, die van totale negatie, en die van alles-is-eeuwig, en zo beelden ze zich bevrijding in waar er geen bevrijding is. Wel, Mahāmati, wie zijn die mensen die afhankelijk zijn van de idee van bestaan? Dat zijn diegenen die menen dat de wereld veroorzaakt is door iets werkelijk bestaands; ze menen dat de werkelijk bestaande en wordende wereld niet verrijst uit een niet-bestaande oorzaak. Ze zullen niet zo denken in het geval de wereld iets niet-bestaands is. Dus hebben ze het over een werkelijk bestaande wereld die veroorzaakt is door iets werkelijks. Dit is de realistische ('alles bestaat eeuwig") visie op oorzakelijkheid; er zijn er die deze visie aanhangen.

Dan, Mahāmati, wat bedoel ik met afhankelijk zijn van het idee van niet-bestaan? Mahāmati, dat betekent dat iemand begeerte, haat en onwetendheid aanvaardt en niettemin zegt dat er niets reëels is dat begeerte, haat, en onwetendheid samenstelt. Dan, Mahāmati, is er een ander die de realiteit van dingen afwijst omdat er geen individuele merktekens (aan te wijzen) zijn. En dan is er nog een ander die, ziend dat de Boeddhas, Toehoorders, en Zelf-Verlichtten vrij van begeerte, haat en onwetendheid zijn - omdat geen ding individuele kenmerken heeft - (denken dat begeerte, haat, en onwetendheid) niet bestaan.

Zeg me, Mahāmati, wie van de hier besprokenen werkt zichzelf naar de ondergang?
Mahāmati antwoordde: Gezegende, dat is degeen die begeerte, haat, en onwetendheid zijnssubstantie toekent, om ze daarna als verwerpelijk te beschouwen.Zei de Gezegende: Mahāmati! dat heb je goed gezegd, dat heb je voortreffelijk gezegd! Niet alleen werkt zo iemand die begeerte, haat, en onwetendheid, zowel als bestaand als niet-bestaand werkelijkheidswaarde toekent zichzelf naar de ondergang, hij ruïneert bovendien dat wat "Boeddha", "Toehoorder", en "Zelf-Verlichtte" betekent. Waarom is dat? Dat is omdat je van de passies, innerlijk en uiterlijk, moet afblijven, want ze zijn noch verschillend, noch niet-verschillend. Mahāmati, blijf zowel innerlijk als uiterlijk af van begeerte, haat, en onwetendheid want ze zijn substantieloos. Mahāmati, omdat er geen "ens" is in begeerte, haat, en onwetendheid, is hij (die dit niet beseft) iemand die dat ruïneert wat Boeddha, de Toehoorder, en de Zelf-Verlichtten uitmaakt. De Boeddhas, Toehoorders, en Zelf-Verlichtten zijn vanaf het begin bevrijd; ze zijn bevrijd omdat er in hen geen aanleiding is voor gebondenheid, noch voor binding. Mahāmati, waar er een staat van gebondenheid is, is er binden en een oorzaak voor gebondenheid. Iemand die zo zou spreken is gedoemd. Mahāmati, deze zienswijzen karakteriseren zowel de totale negatie, als de alles-is-eeuwig-filosofie (ofwel nihilisme en realisme, ofwel vernietigingsleer en eeuwigheidsleer).

Ik heb nu gesproken tegen de achtergrond van de diepere betekenis van deze dingen. Nog beter houd je vast aan een zelf-idee zo groot als berg Soemeroe dan dat je over ledigheid (sunyatā) denkt vanuit een ik-gerichte opinie over bestaan en niet-bestaan. Iemand die in zijn zelfingenomenheid denkt in termen van bestaan of niet-bestaan, richt zichzelf te gronde. Zij die genoegen scheppen in ideeën over individualiteit en algemeenheid kunnen niet begrijpen dat de externe wereld niets anders is dan (een reflectie van) bewustzijn zelve, en dat ze derhalve geen realiteit heeft. En omdat ze dit niet begrijpen zien ze externe dingen als vergankelijk, want ze lijden ieder moment onder veranderingen die elkaar van moment tot moment opvolgen, (ze zien fenomenen) die splijten en uiteenvallen, terwijl (in die droomvisie) de skandhas, dhātus en āyatanas elkaar opvolgen en samenkomen, ze nu eens verschijnen en dan weer verdwijnen. Zij die het zo zien, en daarbij geen acht slaan op wat de heilige teksten zeggen, geven zich over aan verkeerd onderscheid-aanleggen, en zijn net zo gedoemd (als diegenen waar ik het eerder over had).
Daarom zeg ik:
9. Waar er een dualiteit tussen bestaan en niet-bestaan is, daar is mentaal samenstellen; verdwijnt deze sfeer, dan verdwijnt intellectueel handelen volledig (en blijft slechts niet-handelend schouwen).

10. Als je niet grijpt naar een externe wereld, dan is er noch veroorzaken, noch werkelijkheid; dan is er de essentie van zo-is-het (tathāta), het rijk van de wijze.

11. Zij die geloven dat iets uit iets dat nooit bestond geboren werd, en denken dat dit nu gelijktijdig (met het geschapene) tot bestaan komt, om dan weer te verdwijnen - hetgeen hen leidt tot de vaststelling dat er, vanwege oorzakelijkheid, ontstaan, bestaan, en verdwijnen is - dezulken staan niet werkelijk in mijn Dharma.

12. Bestaan toont zich, noch vanwege de geleerden, noch vanwege de Boeddhas, noch vanwege mijzelf of iemand anders, maar omdat er afhankelijk, voorwaardelijk onstaan is - hoe kun je (,dit wetend,) spreken over niet-bestaan?

13. Wanneer (je weet dat) bestaan er is als gevolg van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, kun je toch geen niet-bestaan aantonen! Het is omdat er verkeerde visies zijn, doctrines over ontstaan, bestaan, en niet-bestaan, dat bestaan en niet-bestaan worden gepostuleerd.

14. Wanneer er de realisering is dat niets is geboren, en niets vergaat, dan valt er met geen mogelijkheid bestaan of niet-bestaan aan te tonen, dan wordt de wereld als uitgedoofd (nirodha?) gezien.

Toelichting bij tekst 44

— De alinea vlak voor vers 9: "En omdat ze dit niet begrijpen zien ze externe dingen als vergankelijk." Vergankelijkheid is een van de kern-concepten van de boeddhistische aanvangsleer: alles is, relatief gezien, vergankelijk. De student van Boeddhisme wordt geleerd dit zo te zien en zo vrij te komen van excessief hechten. Dit is niet onjuist; echter, het is het eerste deel van de waarheid. De volle waarheid is dat al die dingen waar men aan zou kunnen hechten geen zijns-substantie hebben, en dat er naar laatste analyse dus niets is dat kan ontstaan of vergaan. Het thema is hiervoor al meerdere keren ter sprake gebracht.

— Vers 13 (en 12): - "Wanneer (je weet dat) bestaan er is als gevolg van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, kun je toch geen niet-bestaan aantonen!"
Er is de leer over pratitya samutpāda, afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan. In deze leer is geen sprake van oorzakelijkheid of geschapenheid, maar van voorwaarden-scheppende omstandigheden. Ook in die visie kan er geen sprake zijn van bestaan of niet-bestaan in de zin van al dan niet geschapen - of dat scheppende nu wel of niet werkelijkheidswaarde heeft.
In de vertaling van deze passage is de keuze tussen 'oorzakelijkheid' en 'afhankelijk, voorwaardelijk bestaan' een bewuste geweest. Een andere mogelijke vertaling had kunnen leiden tot 'hun (de geleerden's) oorzakelijkheidsleer', resp. 'mijn oorzakelijkheidsleer', maar omdat er, zoals gezegd, in Boeddhisme geen sprake is van oorzaak of schepping, is gekozen voor de eerste oplossing.




Tekst 45

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva de Gezegende opnieuw een vraag: Gezegende, Welgegane, Tahtagata, Arhat, Volmaakt Verlichtte, Beste van Allen, toon me alstublieft wat karakteristiek is aan de (opperste) realisatie opdat de andere Bodhisattva-mahāsattvas en ikzelf grondig bekend raken met de betekenis ervan en we snel de verhevenste vorm van verlichting behalen, waarna we, onhafhankelijk van anderen, niet meer op drift raken door speculeren en filosoferen.

De Gezegende zei: Mahāmati, luister dan goed en overdenk wat ik nu ga zeggen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati antwoordde: Dat zal ik zeker doen, en hij luisterde.
Daarop zei de Gezegende: Je kunt de realisatie die alle Toehoorders, Zelf-Verlichtten, en Bodhisattvas behaalden onderbrengen in twee categorieën: de realisering zelf, en de (er op van toepassing zijnde) leer. Mahāmati, 'realisering zelf' verwijst naar dat innerlijke rijk waar die realisering plaatsvindt. Wat daar karakteristiek aan is, is dat het niets van doen heeft met woorden, onderscheid-aanleggen, en letters, dat het leidt naar het rijk van dat-wat-niet-meer-uitstroomt' (anásrava), dat het de staat is van een innerlijke ervaring, dat het volkomen ontdaan is van filosofische aannames als wel als van boosaardige verschijningen, en dat het, door filosofische aannames en boosaardige verschijningen te vernietigen, in zijn eigen licht staat, dat van die innerlijke realisering. Dit, Mahāmati, zijn de karakteristieken van realisering.

Dan, Mahāmati, wat bedoel ik met de (er op van toepassing zijnde) leer (d.w.z. de Dharma)? Die leer vind je doorheen de negen onderdelen waaruit de canon bestaat. Die leer is ver verwijderd van dualistische noties over bestaan en niet-bestaan, over eenheid en anderheid. En daar het begint met het toepassen van vlotte en vaardige middelen (upāya), leidt het alle wezen tot (een eerste) inzicht (in de Dharma), zodat eenieder die zich daar vervolgens toe aangetrokken voelt de op die persoon toegesneden instructies kan ontvangen. Daarom, Mahāmati, moeten de Bodhisattva-mahāsattvas en jijzelf je inspannen om dit zo te zien.

15. Realisering en Dharma, persoonlijk aan het doel geraken en instructies in de Dharma - zij die ogen hebben en de verschillen zien zullen niet door filosofische visies op een zijspoor gebracht kunnen worden.

16. In welk object dat de onwetende zich dan ook maar kan inbeelden, is enige waarheid (te ontdekken). Bevrijding is daar waar geen wereld-van-objecten is; hoe is het dan mogelijk dat dit niet wordt nagestreefd door hen die niet meer doen dan fantaseren!

17. De wereld der Samengestelden (samskrta) wordt gezien als een voortgaan van geboren-worden-en-dood; doorheen dat proces wordt de visie over dualiteit aangewakkerd, en vanwege deze foutieve instelling wordt (de Waarheid) niet gezien.

18. Er is maar een enkele waarheid: nirvāna. Nirvāna heeft niets van doen met het intellectualiseren (manas). De (als uit onderdelen bestaande) waargenomen wereld is gelijk een (holle) plataan; ze lijkt op een droom, op een visioen.

19. Daar is geen hebzucht, geen haat, en ook geen onwetendheid, en, nogmaals, daar is geen zelf. Met begeerte (trsna) als uitgangspunt ontstaan de skandhas: droomgelijk.

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati een andere vraag en zei: Gezegende, Welgegane, vertelt u mij over dat wat karakteristiek is aan de fout die bestaat in 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhútaparikálpa). Gezegende, vertelt u mij over het hoe, het wat, het waarom, en het wie van dit abhuta-parikalpa, dat, wanneer het eenmaal is ontstaan en voortgaat (als ware het een realiteit) datgene is dat gekend wordt onder die naam: abhuta-parikalpa. Ik bedoel, op wat voor soort gedachte kun je de term abhuta-parikalpa toepassen? Wat voor soort onderscheid-aanleggen moet fout genoemd worden?

De Gezegende zei: Mahāmati, dat heb je goed gezegd, heel goed gezegd! Jij (die ik toestond mij vragen te stellen) denkt over deze zaak die het bevragen waard is voor het welzijn van velen, voor het welzijn en het geluk van velen, uit mededogen met de wereld, ten bate van de menigten, voor het welzijn en het geluk van zowel hemelingen als mensen. Daarom, Mahāmati, luister goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Mahāmati zei: Zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: wanneer er een voorstellen van een menigte aan objecten is, hetgeen verkeerd is, en wanneer daar aan gehecht wordt, dan ontwikkelt het onderscheiden zich (als vanzelf). En, Mahāmati omdat mensen uit alle macht hechten aan (het willen) vastgrijpen (en vasthouden), en omdat ze nog niet zeker zijn dat de wereld-van-objecten in en uit bewustzijn zelve is, en omdat ze (daarom naar een onheilzame staat) gevallen zijn waarin er sprake is van een dualistische visie over bestaan en niet-bestaan, en omdat ze (als het ware) gevoed worden door de gewoontepatronen die bestaan uit de inzichten en onderscheidingen der geleerden, daarom stellen ze zich een menigte aan buiten het bewustzijn bestaande objecten voor, en raken daar aan gehecht. En als gevolg wordt er een systeem van mentaal-actief zijn onderscheiden, dat wil zeggen, een bewustzijn en wat daartoe behoort, en zo wordt er over gesproken (als ware het reëel), en (samen) met de idee dat er een ego, een ziel is - plus wat daartoe behoort - functioneert dat systeem zo verder.

Mahāmati bevestigde: zoals u zegt, Gezegende: wanneer er dit abhûta-parikalpa is met betrekking tot objecten die als buiten het bewustzijn worden voorgesteld, wanneer daaraan wordt gehecht, dan gaat 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) voort en voort. Dan vallen deze mensen in de dualistische visie over bestaan en niet-bestaan, dan koesteren ze de inzichten en onderscheidingen der filosofen, inzichten die gebaseerd zijn op grijpen en dat waarnaar gegrepen wordt (subject en object). En naarmate ze een menigte aan buiten het bewustzijn bestaande objecten waarnemen (als waren die reëel), en naarmate ze daar gehecht aan raken wordt een systeem van mentaal actief zijn - dat wil zeggen, bewustzijn en wat daartoe behoort - onderscheiden en wordt daar in dier voege over gesproken, en dat gaat zo voort vanwege het feit dat de externe wereld niet herkend wordt als in en uit bewustzijn zelve; en zo wordt aan die menigte dingen angstvallig vastgehouden, en wordt er van gezegd dat het bestaat, danwel niet-bestaat. Gezegende, gaan we hier van uit, dan moet gezegd worden dat de menigte aan buiten het bewustzijn veronderstelde objecten, gekarakteriseerd als ze zijn door het dualistische (idee van) bestaan danwel niet-bestaan, noch bestaat, noch niet-bestaat, en is een en ander derhalve niet geschikt als onderwerp voor filosofische gestalte-geving. Gezegende, net zo moeten we van de hoogste realiteit (paramartha satya) zeggen dat deze leeg is (in de zin zoals hiervoor gezegd), (moeten we zeggen) dat deze een proeve van echtheid niet kan doorstaan, dat (een poging tot) zintuiglijk waarnemen ervan niets oplevert, dat we er geen syllogistische argumenten op los kunnen laten, en dat het niet geschikt is voor redeneringen aan de hand van illustreren, beredeneren, en dergelijke. Maar, Gezegende, hoe komt het, enerzijds, dat het onderscheiden van veelvuldigheid wordt gezegd voort te gaan en operatief te zijn als gevolg van de kracht van hechten, dat het zich vastklampt aan dat veelvoud van externe onwerkelijkheden, terwijl, anderzijds, het hechten aan de hoogste realiteit (datzelfde) onderscheiden - dat zijn eigen weg volgt - niet doet ontstaan? Gezegende, is het niet oneerlijk als u op een moment zegt: 'het (hechten) doet (onderscheid-aanleggen, met als resultaat geestesgestalten) ontstaan', terwijl u op een ander moment zegt: 'dat doet het niet'? De Gezegende zegt dat, afhankelijk van, en hechtend aan de tweedeling tussen zijn en niet-zijn, er opinies in werking treden die karakteristiek zijn voor 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa), net als wanneer een tovenaar een groep verschillende mensen tevoorschijn tovert die toch werkelijkheid ontberen, geen echte vorm hebben. Zo zijn er gefantaseerde kenmerken van bestaan en niet-bestaan, en leidt (dit fantaseren) naar meer; (echter,) onderscheid-aanleggen (of abhuta-parikalpa) bestaat niet. Als dit allemaal waar is, hoe komt het dan dat een gewoon, menselijk wezen zo verzot is op dualisme?

De Gezegende antwoordde: Inderdaad, Mahāmati, 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) treedt niet in werking, noch wordt het afgeworpen. Waarom is dat? Omdat er met betrekking tot zijn of niet-zijn geen in werking treden van abhutaparikalpa is, omdat een gewaarworden van 'echte' objecten, niet werkelijk is; omdat alles dat waargenomen wordt niets dan bewustzijn zelve is. Mahāmati, 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) treedt niet in werking, noch wordt het afgeworpen. Echter, Mahāmati, ten gerieve van de onwetenden die verslaafd zijn aan het onderscheiden van een menigte aan verschillende dingen - die niettemin toch in en uit bewustzijn zelve zijn, zeg ik dat onderscheiden, dat als eerste functie het produceren van gevolgen heeft, ontstaat dankzij het hechten aan dat aspect van veelvuldigheid dat karakteristiek is aan de objecten. Hoe anders, Mahāmati, kunnen de onwetenden en simpelen van geest een inzicht ontwikkelen in de geest zelve die ze als onderscheiden van andere dingen zien; hoe kunnen ze anders zichzelf bevrijd zien van een opvatting over zelf en wat daartoe behoort; hoe kunnen ze anders zichzelf bevrijden van de verkeerde opvatting over oorzaak en gevolg? En voorts, hoe anders kunnen ze tot de herkenning komen dat er niets dan bewustzijn zelve is om zo, aan de basis van hun bewustzijn (cittāsraya), een ommekeer te bewerkstelligen! Hoe anders kunnen ze een helder inzicht verwerven in de (bodhisattva-)stadia, en de innerlijke realisering der Tathāgatas bereiken, een realisering die de vijf Dharmas, de drie Svabhāvas en het idee over werkelijkheid en onderscheid-aanleggen overstijgt! Daarom, Mahāmati, zeg ik dat 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' verrijst uit ons hechten aan de veelheid aan onwerkelijke objecten, en dat bevrijding ontstaat uit ons grondig begrijpen van wat 'werkelijkheid' betekent: dat wat is zoals het is. (En ik zeg dat bevrijding ontstaat) uit de (ware) betekenis van 'veelvoud aan objecten', die uit abhuta-parikalpa voortkomen.

Daarom wordt er gezegd:
20. Zij die de wereld zien als tot ontplooiing komend als gevolg van voorwaarden en condities zijn net zo gehecht aan deze noties als aan de viervoudige propositie; zij zijn niet in staat mijn Dharma te begrijpen.

21. Op geen enkele wijze kan de wereld het predikaat 'bestaan' of 'niet-bestaan' opgeplakt krijgen, noch komt ze in aanmerking voor 'zijn zowel als niet-zijn' - zoals de onwetenden mogen denken die de wereld als onderhevig aan voorwaarden en condities veronderstellen.

22. Wanneer gezien wordt dat de wereld (niet in aanmerking kan komen voor predikaten als) zijn, niet-zijn, of zowel zijn als niet-zijn, dan treedt er een ommekeer in het bewustzijn op en wordt (het weten van) zelfloosheid gerealiseerd.

23. Zouden alle dingen zijn ontstaan uit een oorzaak, dan is wat ook maar ontstaan is uit een oorzaak een gevolg, en uit een gevolg ontstaat niets.

24. Een resultaat brengt geen resultaat voort; (denk je zo, dan) zie je een dubbel resultaat, hetgeen fout is; omdat een resultaat geen geboorte kan geven aan een resultaat, kan er geen resultaat uit resultaat ontstaan.

25. Wanneer de Samengesteldheden (alswel als het samenstellen - samskrta) wordt gezien als vrij van dat wat ergens van afhankelijk is versus (dat wat) afhankelijkheid (veroorzaakt, d.w.z. object en subject), dan zie je zonder enige twijfel Enkel-Bewustzijn; daarom onderwijs ik Enkel-Bewustzijn.

26. Het (bewustzijn als) norm is de verblijfplaats van de zelf-aard die niets van doen heeft met een veroorzaakte wereld; ik spreek over deze norm en over de brahmavihāra.

27. Zelf en ziel zijn waarheden die bij gedachtenconstructen behoren; daarin is geen werkelijkheid; de zelf-aard der skandhas is ook een gedachten-construct, want ook daarin is geen werkelijkheid.

28. Het eender zijn (samatā) bestaat uit vieren: individuele vorm, oorzaak, het tot bestaan komen, en niet-zelf; dit is het werkterrein der yogins.

29. (Is je geest) ver verwijderd van alle filosofische opinies, is ze vrij van het verbeeldde en het verbeelden, vrij van niet-bereiken (van nirvāna), en van niet-ontstaan, dan is er, wat ik noem, de bewustzijns-norm.

30. Ik spreek noch over bestaan, noch over niet-bestaan; ik spreek uitsluitend over Enkel-Bewustzijn dat niets van doen heeft met bestaan of niet-bestaan, en dat als gevolg vrij is van mentaal bezig zijn.

31. Zoheid (tathāta), ledigheid (sunyatā), de sfeer waarin de Dharma operatief is (dharmadhātu), de diverse gestalten van het wilslichaam - dit noem ik Enkel-Bewustzijn.

32. Een veelvoud aan objecten wordt operatief vanwege het samenkomen van gewoontepatronen en onderscheid-aanleggen. Dit is bewustzijn-geboren, maar wordt door de mensen gezien als iets dat buiten bewustzijn bestaat - dit te zien noem ik Enkel-Bewustzijn.

33. Een wereld buiten het bewustzijn is niet; een veelvoud aan objecten is iets dat bewustzijn waarneemt (schept). Lichaam, eigendom, en verblijfplaats, dit noem ik Enkel-Bewustzijn.

Toelichting bij tekst 45

— "Met begeerte (trsna) als uitgangspunt ontstaan de skandhas." Zie eerdere aantekeningen over pratitya samutpada.

— "Het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is (abhutaparikalpa)." Abhuta betekent "was er zelfs niet". Zie teksten 1 en 27 voor parikalpita: 'de aard die maar verbeeld is.' Een soortgelijke interpretatie kwam u al vaker tegen onder de term "fantaseren". Het verschil is dat hier niet alleen verbeelden, fantaseren, gissen wordt afgewezen, maar dat dit verbeelden, of gissen, of fantaseren - als mentaal gebeuren - ook zijnsloos is.

Abhuta-parikalpa en de vertaling ervan wordt in dit tekstgedeelte afgewisseld met 'onderscheid-aanleggen'; naar diepste betekenis komen beide interpretaties overeen maar heeft het gebruik van abhuta-parikalpa het voordeel dat er meer naar de onwezenlijkheid van een AARD van onderscheiden wordt verwezen dan in de term 'onderscheid-aanleggen'.

— De voorlaatste zin van de alinea beginnend met: Mahāmati bevestigde... "Onderscheid-aanleggen bestaat niet." Ook het mentale functioneren is 'ens-loos'.

— De alinea beginnend met: "De Gezegende antwoordde: Inderdaad, Mahāmati,..."
Ook uit de zin "Omdat er met betrekking tot zijn of niet-zijn geen in werking treden ... niets dan bewustzijn zelve is" moeten we waarschijnlijk begrijpen dat er zowel gesproken wordt over de zijns-loosheid van zowel het mentaal bezig zijn, als van dat waar dat niet reëele mentale functioneren mee bezig meent te zijn.

— Vers 20. lijkt in tegenspraak met wat eerder over afhankelijk, voorwaardelijk onstaan en over het tetralemma werd gezegd. De bedoeling is waarschijnlijk dat de bodhisattva ook het hechten aan deze - relatieve - waarheden loslaat en ziet dat ook hier alleen sunyatā, het illusoire opereert.

— Bij verzen 23 en 24 moeten we weer denken aan Nāgārjuna's Mulamadhyāmaka kārika, het eerste hoofdstuk, waarin hij spreekt over 'condities'. Gebruik de zoekfunctie voor de naam Nāgārjuna.

— "26. Het (bewustzijn als) norm is de verblijfplaats van de zelf-aard ... de brahmavihāra."
De zelf-aard van wat hier norm genoemd wordt, en dat synoniem zou kunnen zijn met bewustzijn in zijn meest zuivere staat, is uiteraard de 'niet-aard'. Het laatste woord brahmavihāra is hier gekozen omdat ze zowel datgene covert wat er waarschijnlijk in de Sanskriet-tekst staat, als dat waar de chinese vertalers voor gekozen hebben.




Tekst 46

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati: De gezegende heeft gezegd dat Bodhisattva-mahāsattvas en anderen niet moeten grijpen naar betekenis (artha) uitsluitend afgaand op woorden. Gezegende, waarom zouden Bodhisattva-mahāsattvas de betekenis niet uit de woorden moeten peuren? Wat is 'woorden'? Wat is 'betekenis'?
De Gezegende antwoordde: Mahāmati, luister goed en overdenk wat ik nu ga zeggen.
Mahāmati zei: zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: Wel dan, Mahāmati, hoe wordt spraak geproduceerd? Met onderscheid-aanleggen en de gewoontepatronen (vāsana, nu te zien als opgeslagen in het geheugen) als voorwaarde is er het samenkomen en het onderscheiden van geluid en letters die, gutturaal, palataal, linguaal, dentaal,en labiaal zijnd, en geproduceerd vanuit de mondholte, conversatie mogelijk maken. Dit wordt spraak genoemd. Dan, Mahāmati, wat is 'betekenis'? Van de Bodhisattva-mahāsattva wordt gezegd dat hij 'betekenis' goed begrepen heeft wanneer hij, alleen, op een afgezonderde plaats, dankzij zijn alles-overstijgende wijsheid (prajñā) die groeide uit studie, overdenken en meditatie, het pad naar nirvāna bewandelt en daarbij, eerst, een ommekeer bewerkstelligt aan de basis van zijn gewoonte-patronen (vāsana) - daarbij gebruikmakend van de kennis die in hem huist (svabuddhi) - om daarna in de (bodhisattva-)stadia van zelf-realisatie te verblijven waar hij zijn leven doorbrengt met uitmuntende daden tentoon te spreiden.

Verder, Mahāmati, ziet de Bodhisattva-mahāsattva die goed overweg kan met de begrippen "woorden" en "betekenis", dat woorden noch verschillend, noch niet-verschillend zijn van betekenis, en dat omgekeerd hetzelfde waar is. Mahāmati, ware "betekenis" verschillend van "woorden" (klanken), dan zou ze niet manifest gemaakt kunnen worden door woorden. Echter, betekenis wordt aan het licht gebracht door woorden zoals objecten door het schijnsel van een lamp. Mahāmati, vergelijk het met een man die een lamp ronddraagt om zijn bezit te inspecteren. Dan (in dat licht) kan hij zeggen: dit is mijn bezit en zo wordt het in orde gehouden. Net zo, Mahāmati, kunnen de Bodhisattva-mahāsattvas met behulp van de lamp genaamd woorden en spraak, die uit onderscheiden ontstaan, de verheven staat van zelf-realisatie binnengaan die (overigens) vrij is van spraak-onderscheid.

Echter, Mahāmati, raakt een mens gehecht aan de (uitgesproken) betekenis der woorden en hecht hij zich sterk aan die overeenkomst (tussen beide) om daarmee de originele staat van nirvāna aan te duiden - die ongeboren is, en niet vergaat - om dan (in die geestestoestand) te spreken over de drie voertuigen, het Ene voertuig, de vijf Dharmas, mentaal actief zijn, de svabhāvas, en dergelijke, dan zal hij genoegen gaan scheppen in opinies, of die nu bevestigend of ontkennend zijn. Omdat in (de staat van) illusie (Māyā) een veelvoud aan objecten wordt gezien en onderling onderscheiden, daarom worden er foutieve uitspraken gedaan, en gaat het foutieve onderscheid-aanleggen voort en voort. Dat (proces van) onderscheid-aanleggen gaat voort en voort in de geest der onwetende; met wijzen ligt dat anders.

Daarom wordt er gezegd:
34. Zij die woorden volgen, onderscheid aanleggen en diverse opinies poneren zijn, vanwege hun vaststellende uitspraken, gedoemd.

35. Het zelf, de ziel, is niet in de skandhas, noch zijn de skandhas in het zelf, in de ziel. Ze zijn niet wat men meent dat ze zijn, noch zijn ze iets anders.

36. De onwetenden zien de werkelijkheid van objecten als onderscheiden van elkaar; waren ze wat ze lijken te zijn dan zouden allen de Waarheid zien.

37. Omdat alle dingen onwerkelijk zijn is er noch bezoedeling, noch zuiverheid. Dingen zijn niet wat ze lijken, noch zijn ze anders.

Verder, Mahāmati, zal ik je vertellen over Jñāna (weten) en Vijñāna (het denken). Zijn jullie, de bodhisattva-mahāsattvas, grondig op de hoogte van de finesses van Jñāna en Vijñāna, dan zullen jullie snel de meest volmaakte verlichting realiseren. Er zijn drie soorten ñāna: werelds weten, bovenwerelds weten, en het supreme Weten. Werelds weten behoort tot het rijk der geleerden en onwetenden die gehecht zijn aan dualistische visies over zijn en niet-zijn. Bovenwerelds weten behoort tot het rijk van die Toehoorders en Zelf-Verlichtten die gehecht zijn aan noties over individualiteit en algemeenheid. Supreem Weten, dat vrij is van dualismen als "zijn" en "niet-zijn" behoort tot het rijk der bodhisattvas, en ontstaat zodra zij grondig het zonder-beelden-zijn gaan onderzoeken, plus zaken als "niet-geboorte" (niet-ontstaan) en "niet-vernietiging"; het ontstaat zodra ze, op het niveau van Tathāgataschap, niet-zelf ontdekken.

Vijñāna (het denken) is onderhevig aan geboorte en verdwijning, en Jñāna (weten) is dat niet. Mahāmati, verder trapt het denken (vijñāna) in de val van (tegengestelden als) vorm en niet-vorm, zijn en niet-zijn, en wordt het gekarakteriseerd door veelvormigheid. Weten (Jñāna) echter, overstijgt (dualismen als) vorm en niet-vorm. En verder kenmerkt het denken zich doordat het vol met aanklevingen komt te zitten, terwijl dat met het Weten niet het geval is. Weten (Jñāna) bestaat uit drieën: dat wat stelt dat er individualiteit en algemeenheid is, dat wat stelt dat er ontstaan en vergaan is, en dat wat stelt dat er niet-ontstaan en niet-vergaan is.

Mahāmati, verder wordt Weten gekenschetst door niet-hechten, terwijl het denken zich hecht aan de veelheid van objecten. En verder nog ontstaat het denken (vijñāna) uit een samenkomen van drie componenenten, terwijl het Weten (Jñāna), uit zichzelf, niets te maken heeft met samenkomen of samengesteld zijn. En verder, Mahāmati, wordt het Weten gekenschetst door onbereikbaarheid (of, 'niet aan te raken', of 'niet uit te leggen'); het is de innerlijke staat van zelf-realsering die bereikt wordt door Nobele Wijsheid in te zetten, en omdat het (Weten) komt noch gaat (of 'noch in dit leven komt noch uitdooft'), is ze als de maan in het water.

Daarom wordt er gezegd:
38. Karma wordt door bewustzijn aangemaakt en opgeslagen, weten herkent het, en je vergaart zowel de staat van zonder-beelden-zijn als de (boven- natuurlijke) krachten door Wijsheid (Prajñā).

39. Bewustzijn (Citta) is verbonden met de wereld-van-objecten; het Weten (Jñāna) ontluikt door overdenken, en Wijsheid (Prajñā) ontwikkelt zich in die uitmuntende staat van zonder-beelden-zijn en (andere) verheven condities.

40. Citta, Manas, en Vijñāna (bewustzijn) dragen in zichzelf geen gedachten of onderscheidingen; het zijn de Toehoorders, en niet de Bodhisattvas die de werkelijkheid proberen te bereiken door onderscheiden te gebruiken.

41. Het Weten van de Tathāgatas is zuiver, in ruste verblijvend in de verhevenste onbewogenheid; het produceert een verheven vorm van rede, en (,daar het in opperste onbewogenheid verkeert,) is daarin geen moedwil(lig handelen, in Sanskriet: samudacāra-varijitam).

42. Volgens mij heeft Prajñā (wijsheid) drie betekenissen: door Wijsheid worden de wijzen machtig; het onderscheidt individuele kenmerken; en het toont alle dingen.

43. Mijn Wijsheid (Prajñā) heeft geen connectie met de Twee Voertuigen, het sluit de wereld der wezens uit; de Wijsheid der Toehoorders groeit uit hun gehechtheid aan de door wezens bevolkte wereld; de Wijsheid der Tathāgatas is smetteloos, want het toont Enkel-Bewustzijn.

Toelichting bij tekst 46

— Het prozagedeelte tussen verzen 37 en 38. Hier wordt jñāna de functie toegekend van onderscheid-aanleggen tussen individualiteit en algemeenheid, iets waarvan de overige tekstegedeelten zeggen dat dit de praktijk der Toehoorders en geleerden is. Het vermoeden dat in ieder geval dit gedeelte een later toegevoegd "Fremdkörper" is lijkt gerechtvaardigd. Verder heeft dit tekstgedeelte het nog over Citta, en geeft daar een bepaald andere duiding aan dan in andere tekstgedeelten. In vers 40 komen we het in de Pali-geschriften vaak voorkomende conglomeraat citta, manas, en vijñāna tegen. In dit vers worden die begrippen in verband gebracht met de Srávaka, de Toehoorder uit het Kleine Voertuig. In die Pali- of Kleine-Voertuig-geschriften hebben deze drie begrippen, als ze niet nader worden gespecificeerd, een en dezelfde betekenis: bewustzijn. Daarom zal hier citta 'bewustzijn' heten, en niet, zoals elders, 'Opslagbewustzijn'.

— Derde alinea: Mahāmati, ware de betekenis verschillend van de woorden (klanken) ..."
Eerder kwamen we de uitspraak tegen waarin Boeddha zei dat hij, vanaf zijn Grote Ontwaken, nooit een woord gesproken had, noch spreken zou.

— Vers 40 "Citta, Manas, en Vijñāna (bewustzijn) dragen in zichzelf geen gedachten of onderscheidingen." We vinden in de Surángama soetra een vrij lange conversatie tussen Boeddha en Ânanda waarin dit thema wordt behandeld: waar is het zien? Is het in de beschouwer, of in het object dat waargenomen wordt?

— "Vers 41 heeft "in ruste verblijvend in de verhevenste onbewogenheid." Mogelijk staat hier anutpáttika-dharma-ksanti. Zie teksten 1 en 2.

— Vers 43. "Mijn Wijsheid (Prajñā) heeft geen connectie met de Twee Voertuigen, ..." De Twee Voertuigen zijn die van de Toehoorders en de Zelf-Verlichtten.
. "het sluit de wereld der wezens uit." Deze Wijsheid contempleert niet meer op de dingen en de wezens, maar uitsluitend op abstracta zoals Weten zelf - zo het al contempleert.




Tekst 47

Mahāmati, volgens de geleerden die de transformatie-doctrine verkondigen zijn er negen soorten transformatie: - 1. de transformatie van vorm; 2. de transformatie van karakteristieken; 3. de transformatie van oorzaak; 4. de transformatie van overeenkomst; 5. de transformatie van inzicht; 6. de transformatie van oorsprong; 7. de transformatie van aard; 8. de transformatie van manifeste condities; en 9. de transformatie van manifest handelen. Mahāmati, dit zijn de negen opinies over transformatie, en die opinies baseren deze geleerden op hun verborgen leer, en al die opinies komen voort uit hun opinies aangaande zijn en niet-zijn.

Mahāmati, met transformatie van vorm wordt bedoeld de verandering van manifeste vorm, zoals goud dat, zodra er juwelen uit worden gesmeed allerlei vormen aanneemt. Je kunt bijvoorbeeld zien hoe van goud een armband, een halsketting, of een hoofdtooi wordt gemaakt. Hoewel goud hetzelfde blijft wordt het getransformeerd tot een veelheid aan verschillend gevormde dingen. Zo ook, Mahāmati, is er een algemene transformatie van dingen waarvan de geleerden zeggen dat hier een veroorzaker aan ten grondslag ligt. Ze hebben noch gelijk, noch ongelijk. Alle differentiatie in transformatie moet gezien worden als een gevolg van onderscheid-aanleggen, te vergelijken met de verandering die melk ondergaat in het proces naar kwark, of als het rijpingsproces van vruchten(sap) naar alcohol. Mahāmati, net als in het proces van karnen en alcohol bereiden, zo ontstaat iedere transformatie uit dat onderscheid-aanleggen waar de geleerden zich toe bekennen. In werkelijkheid wordt niets getransformeerd, want de externe objecten die onderscheiden worden als zijnd of niet-zijnd zijn in en uit bewustzijn zelve, en hebben geen eigen realiteit. Zo ook, Mahāmati, is wat de onwetenden en eenvoudigen van geest zien als het ontstaans- en voortgangsproces der dingen niets meer dan het onderscheiden in hun eigen geest, en, Mahāmati, zo is er noch een ontstaans- of voortgansproces, noch is er verdwijnen, want al dat is vergelijkbaar met het voortgaan van (illusoire) dingen in een visioen of in een droom. Mahāmati, het is als het waarnemen van het verrijzen en verdwijnen van dingen in een droom; het is als de geboorte en dood van een kind dat geboren is uit een onvruchtbare vrouw.

Daarom wordt er gezegd:
44. Zij die vorm doorheen de tijd zien evolueren, zij die (een ziel) waarnemen in de elementen en zintuiglijke organen die zich tussen twee levens (antarabhāva) bevinden, en die daar (geboorte) uit zien voortkomen, die zijn niet wijs.

45. De Boeddhas onderscheiden de wereld niet als onderhevig aan de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan; ze beschouwen oorzakelijkheid die deze wereld lijkt te regeren als iets dat lijkt op de stad van de Gandhárvas.

Toen stelde Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati de Gezegende vragen over de diepgewortelde gehechtheid aan het bestaan der dingen, en de manier om bevrijding te bereiken. Hij zei: Gezegende, Tathāgata, Arhat, Volmaakt Verlichtte, vertelt u mij alstublieft over dat wat onze diepe gehechtheid aan bestaan karakteriseert, en ook over wat karakteristiek is aan ons onafhankelijk zijn daarvan. Wanneer wij, Bodhisattva-mahāsattvas, eenmaal het verschil begrijpen tussen gehechtheid en onafhankelijkheid, dan weten we ook welke vlotte en vaardige middelen (upāya) dienen te worden ingezet, en zullen we niet meer gehecht raken aan woorden om daarmee de betekenis te vatten. Hebben we eenmaal een goed begrip van gehechtheid aan het bestaan van alle dingen en van onafhankelijkheid daarvan, dan vernietigen we ons onderscheid-aanleggen tussen woorden en letters. Dankzij onze wijsheid (buddhi) zullen we daarop alle Boeddhalanden en bijeenkomsten bezoeken. Dan hebben we het zegel der (Boeddha en Bodhisattva-)krachten, dat der controle over het zelf, de psychische faculteiten en de dharanī. En welvoorzien met de wijsheid die gevonden wordt in de tien onuitputtelijke geloften (van Samántabhadra), en stralen uitzendend die aangeven dat we nu in een Transformatie-lichaam verkeren is ons handelen moeiteloos, als de maan, de zon, het (wensvervullende) juweel en de (vier grote) elementen. Dan houden we er in ieder stadium (van bodhisattvaschap) inzichten op na die vrij zijn van zelf-onderscheiding. En ziend dat alle dingen droomgelijk zijn, Māyā-gelijk, gaan we het Boeddhaniveau binnen en verklaren in alle wezens' werelden de Dharma, ons richtend naar hun behoeften. Die Dharma-uiteenzettingen zullen vrij zijn van dualistische noties over zijn of niet-zijn, want dan zijn we in de (permanente) contemplatie op alle dingen als droomgelijk, Māyā-gelijk, en zo zullen we ons gehoor bevrijden van het foutieve onderscheiden van ontstaan en vernietiging. Uiteindelijk zullen we rust vinden in dat diepste van onszelf waar die grote ommekeer plaatsvindt die voorbij woorden gaat.

Daarop zei de Gezegende: Mahāmati, dat heb je goed gezegd, heel goed gezegd! Luister nu goed, en overdenk wat ik verder te zeggen heb.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zei: Zeker, Gezegende, dat zal ik doen. En hij luisterde.

De Gezegende zei:
Mahāmati, diepgeworteld is onze gehechtheid aan het bestaan van alle dingen, waarvan we de betekenis proberen te begrijpen aan de hand van woorden. Bijvoorbeeld, daar is diepgewortelde gehechtheid aan tekenen die individualiteit aangeven, aan oorzakelijkheid, aan ideeën over zijn en niet-zijn, is er onderscheiden van geboorte en niet-geboorte, van ophouden (nirodha) en niet-ophouden, van Voertuig en Niet-Voertuig, of van het Samengestelde (samskrta) en het Niet-Samengestelde, of van de karakteristieken der stadia en niet-stadia, en er is de diepgewortelde gehechtheid aan onderscheiden zelf, en ook aan dat wat ontstaat uit verlichting. We hechten ferm aan het onderscheid tussen dat zijn en niet-zijn waar ook de geleerden zo aan hangen; we hechten aan de Drie Voertuigen en aan het Ene Voertuig - (maar) al dit zijn onderscheidingen. Mahāmati, dit zijn de diepgewortelde gehechtheden die gekoesterd worden door de onwetenden en de eenvoudigen van geest - zij onderscheiden ze. Zich fanatiek aan deze dingen hechtend gaan de onwetenden en eenvoudigen van geest voort en voort met onderscheid-aanleggen en lijken zo op de zijdewormen die met hun eigen draad van onderscheid-aanleggen en gehechtheid niet alleen zichzelf inspinnen, maar ook anderen, in de ban van de draad als ze zijn. Zo blijven ze fanatiek gehecht aan noties over bestaan en niet-bestaan. (In werkelijkheid) echter is hier geen sprake van bestaan van diepgewortelde gehechtheid of onafhankelijkheid daarvan. Van alle dingen moet gezegd worden dat ze, bij afwezigheid van in gang zijn van onderscheid-aanleggen, solitair verblijven. Mahāmati, de Bodhisattva-mahāsattva zou zijn (mentale) verblijfplaats moeten inrichten daar waar hij alle dingen vanuit het standpunt van het Solitaire kan waarnemen.

Verder, Mahāmati, wanneer (de Bodhisattva) het bestaan en niet-bestaan van een zich buiten het bewustzijn bevindende wereld begrijpt als zijnde een geestesgestalte, dan kan hij de staat van zonder-beelden-zijn binnengaan, daar waar Enkel-Bewustzijn is. Daar schouwt hij dan het solitaire dat het onderscheiden van alle dingen karakteriseert als zijn en niet-zijn, en ook als de diepgewortelde gehechtheid die daaruit voortvloeit. Dit zo zijnde is er in geen ding (ook maar) enig teken van diepgewortelde gehechtheid of onafhankelijkheid. Want hier, Mahāmati, is niemand gebonden, is niemand bevrijd, behalve diegenen die, hun on-wijsheid gebruikend, toch gebondenheid en bevrijding waarnemen. Waarom is dat? Omdat, waar het de dingen (fenomenen) aangaat, geen standpunt moet worden ingenomen - niet over zijn, niet over niet-zijn.

En dan, Mahāmati, zijn er in de geesten der onwetenden en eenvoudigen van geest drie diepgewortelde gehechtheden. Dat zijn hebzucht, haat, en onwetendheid, en zo is er verlangen dat zichzelf vermenigvuldigt en dat gepaard gaat met vreugde en hebzucht, en afhankelijk daarvan is er een opeenvolging van geboorten doorheen de paden (bestaansvormen). Zo zijn er voor alle wezens vijf paden van bestaan, die bij nadere beschouwing nauw verweven zijn (met hebzucht, haat, en onwetendheid). Zijn de banden met deze gehechtheid eenmaal doorgesneden, dan zullen er geen tekenen van ofwel gehechtheid ofwel niet-gehechtheid worden waargenomen.

Mahāmati, steunend op, en zich hechtend aan de drievoudige combinatie (van hebzucht, haat, en onwetendheid), die nauw samenwerken, is er het gedurige voortgaan en functioneren van de (zintuiglijke) bewustzijnen; en vanwege die gehechtheid is er een voortdurende en diepgevoelde bevestiging van (individueel) bestaan. Wanneer de combinatie van die drie, die het functioneren van de bewustzijnen veroorzaakt niet meer plaatvindt is er de drievoudige bevrijding (: van hebzucht, haat, en onwetendheid); en wanneer dat voortdurend voor ogen wordt gehouden verrijst ook die combinatie (van de drie) niet meer.

Daarom wordt er gezegd:
46. Verbeelden van dingen die (,in hun substantieloosheid,) niet bestaan, dat is karakteristiek voor gehechtheid; is de waarheid hiervan grondig begrepen, dan is het net van gehechtheden verwijderd.

47. De onwetenden baseren hun kennis van het bestaande op woorden, en worden zo door hun eigen onderscheid-aanleggen ingekapseld als een zijdeworm in zijn eigen draad, en daarom hebben ze geen weet van hun gehechtheid.

Toelichting bij tekst 47

— Tweede alinea: " Ze hebben noch gelijk, noch ongelijk." Deze zin betekent niet dat Lanka's auteur een agnost is, maar dat een concept als "veroorzaker" niet toepasbaar is: het komt in het boeddhistische woordenboek niet voor, en kan er niet in voorkomen.

— Vers 44. In dit vers lijkt het "tussenbestaan", antarabhāva, en daarmee wedergeboorte te worden afgewezen. Preciese lezing echter leert dat de auteur weliswaar niet aanvaardt dat er een ziel is die van een bestaan naar het andere gaat, maar het tussenbestaan als zodanig wordt hier niet ontkend.

— Vers 45. Al eerder werd gesproken over het verschil tussen oorzakelijkheid en afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan. Aangezien doorheen dit hele vers het woord oorzakelijkheid wordt gebruikt is de betekenis iets moeilijker te achterhalen. Het eerste deel van het vers zegt in ieder geval dat, bij afwezigheid van zijns-substantie, er naar laatste analyse niets kan ontstaan, bestaan, of verdwijnen, en dat derhalve de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan een geen-keten is, zoals dat in vaktermen zou heten. Van het tweede deel van het vers mogen we aannemen dat hier de oorzakelijkheidstheorie der geleerden wordt bedoeld. En ook hier wordt bovenstaande analyse op toegepast: oorzakelijkheid zelf en dat wat veroorzaakt wordt is illusoir, als de stad van de Gandhárvas.

— Dharanī. Zie het laatste tekstgedeelte.

— Zie voor "de tien onuitputtelijke geloften" de noten over Samántabhadra bodhisattva.




Tekst 48

Toen sprak Mahāmati weer: De Gezegende zegt dat de dingen die door het onderscheid-aanleggend bewustzijn in een grote variëteit worden waargenomen een zelf-aard (Substantie) ontberen; hij zegt dat er slechts 'de aard die maar verbeeld is' (parikálpita) is. Gezegende, als er slechts parikálpita is, en als niets in de wereld aantoonbaar een zelf-aard (Substantie) heeft, komt het er dan, afgaand op uw eigen verklaring, niet hier op neer dat er noch bezoedeling, noch zuiverheid is - want alle dingen zijn naar hun ware aard immers slechts parikálpita (de aard die maar verbeeld is)?

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, zo is het. Zelf-aard in de dingen is wat onwetenden en eenvoudigen van geest zich voorstellen, maar zoals zij het zich voorstellen is het niet. Mahāmati, er slechts dat wat parikálpita voortovert; niets kan aangetoond worden als voorzien van zelf-aard. Echter, Mahāmati, de wijzen, zij die Juiste Wijsheid hebben, Juist Inzicht, Juiste Alles Overstijgende Visie, bevestigen een zelf-aard in de fenomenen.

Daarop zei Mahāmati: Gezegende, als er volgens de wijzen, volgens hen die Juiste Wijsheid, het Juiste Inzicht, en de Juiste Alles Overstijgende Visie hebben die het menselijke en het goddelijke oog te boven gaat, een zelf-aard in de fenomenen is, en als er (tegelijkertijd) geen zelf-aard is zoals de onwetenden en eenvoudigen van geest die onderscheiden, hoe zal het die laatsten dan mogelijk zijn hun onderscheid-aanleggen af te werpen - ze hebben immers geen enkele mogelijkheid het 'Fundament van Nobele Geboorte' (arya-bhāva-vastu) te herkennen! Want, Gezegende, ze (d.w.z. hun manier van zien) staat noch op zijn kop, noch niet op zijn kop. Waarom is dat? (Ik zeg dat) Dat is omdat ze met geen mogelijkheid een inzicht kunnen verwerven in de ware aard van dat Fundament van Nobele Geboorte, want, immers, ze beschouwen het evolueren der dingen aan de hand van dat aspect van zijn en niet-zijn. En, Gezegende, dat Fundament kan niet iets zijn dat enkel de wijzen kunnen onderscheiden, want de ware aard (van dat Fundament) kan, in zichzelf, niet als object gekenschetst worden; immers, Gezegende, wat de wijzen zien als de zelf-aard van dat Fundament is (eveneens) niet meer dan een geestesgestalte waar ze predikaten oorzakelijkheid of niet-oorzakelijkheid aan hangen. Dat wil zeggen, ook zij (de wijzen) koesteren, op hun eigen manier, een notie over het bestaande (,compleet) met zelf-aard, en ze zullen ervan zeggen dat dit wel een heel andere sfeer betreft (dan die van de onwetenden). En zo begaan ze de fout van niet-eindigheid, want wat de zelf-aard van die realiteit (d.w.z. dat Fundament) uitmaakt kan onmogelijk gekend worden (en impliciet postuleren ze hiermee dus eeuwigheid). Gezegende, wat uit fantaseren ontstaat kan niet de zelf-aard van de realiteit (of het Fundament) zijn. Hoe is het mogelijk dat, terwijl van fenomenen wordt gezegd dat ze bestaan op grond van verbeelding, het tegelijkertijd mogelijk is dat ervan gezegd wordt dat ze niet zijn zoals ze worden verbeeld?

Gezegende, afhankelijk van de manier waarop verbeelding werkt kan de zelf-aard van de verbeeldde realiteit verschillen(d worden waargenomen), want wanneer de oorzaak (d.w.z. de manier waarop verschillende individuen naar de werkelijkheid kijken) niet identiek is, kan ook die gekoesterde werkelijkheid niet identiek zijn (d.w.z. niet door ieder individu identiek worden waargenomen). Gezegende, u zegt echter dat, alhoewel zowel in de wijze als in de onwetende het fantaseren voortgaat te evolueren, het alleen de laatsten zijn die niet in staat zijn de werkelijkheid te zien zoals ze is. En tegelijkertijd zegt u dat de reden voor de uitspraak dat dingen niet werkelijk zijn wat ze lijken te zijn er alleen maar is om er voor te zorgen dat alle wezens hun onderscheid-aanleggen afwerpen. Gezegende, is het dan niet zo dat u alle wezens, teneinde hen te bevrijden van noties over zijn en niet-zijn, op uw beurt aanleiding geeft een bestaansvisie te ontwikkelen waarin materieel, objectief bestaan aangenomen wordt wanneer u hen vertelt dat ze de zelf-aard van de realiteit (het Fundament) zouden moeten aannemen; brengt u hen er zo niet toe zich te hechten aan het Rijk van Nobele Wijsheid (terwijl hechten toch afgeworpen dient te worden)?

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, het is niet zo dat ik de waarheid van het Solitaire ontken, noch dat ik, door een leerstelling als die over de in-zichzelf-bestaande realiteit te verkondigen, terugval naar de 'Alles-is' leer. Echter, om alle wezen te bevrijden van angst, wezens die vanaf het begin zonder begin verslaafd zijn aan noties over zelf-aard, daarom zeg ik dat er de waarheid van het Solitaire is, en dat doe ik nadat ik hen met behulp van Nobele Wijsheid heb doen inzien dat de Werkelijkheid, in zijn zelf-aard, voorwerp van hechten is (terwijl hechten toch afgeworpen dient te worden). Mahāmati, ik heb geen zelf-aard-doctrine. Maar, Mahāmati, zij die in zichzelf de waarheid van het Solitaire hebben gerealiseerd, zoals het is, en die daarin verblijven, zij zullen zien dat (ook) verkeerd (denken) vormloos is. Weten ze, deze kennis hebbend, eenmaal dat al het waargenomene in en uit bewustzijn zelve is, dan weerhoudt die kennis hen ervan de wereld-van-objecten te bezien onder haar aspecten van zijn of niet-zijn. Dan zijn ze gepokt en gemazeld in (de kennis over) zoheid, die verkregen wordt nadat de drievoudige bevrijding (uit hebzucht, haat, en onwetendheid) er is; dan hebben ze, dankzij de wijsheid die ze in zichzelf hebben gerealiseerd een inzicht in de zelf-aard van alle dingen, en derhalve ontsnappen ze aan ideeën over de realiteit, ideeën die hen nergens anders zouden leiden dan naar ofwel de eeuwigheids-, ofwel de vernietigingsleer.

En verder, Mahāmati, de stelling: "Alle dingen zijn ongeboren" wordt niet door de Bodhisattva-mahāsattvas verdedigd - ze heeft geen geldigheid. Waarom is dat? Dat is omdat gezegd moet worden dat alles waar ook maar iets over vastgesteld wordt automatisch valt onder het hoofdstuk 'zijn'. Zo'n stelling wordt gekarakteriseerd en gekwalificeerd met (het concept) 'ontstaan'. Wanneer de Bodhisattva-mahāsattvas dus zeggen dat alle dingen ongeboren zijn, dan vernietigt die uitspraak tegelijkertijd, en automatisch zichzelf (d.w.z. de werkelijkheid die ermee aangeduid wordt). De stelling 'alle dingen zijn ongeboren' staat tegenover die tegenovergestelde (:alle dingen zijn geboren), want zoiets (een dergelijke vaststelling) ontstaat uit het principe van tegenpolen. Zelfs waar, binnen de context van (het denken over) bestaan (als zodanig), deze stelling over niet-ontstaan zijn geldigheid heeft, dan is daarin nog geen plaats voor de gedachte 'niet-ontstaan', want de stelling dat alle dingen ongeboren zijn vindt zijn vernietiging in zijn afhankelijk zijn van de twee polen van een syllogisme. Mahāmati, wat betreft de stelling over het niet-ontstaan van zijn en niet-zijn: die stelling moet, om geldigheid te hebben, binnen het kader van "bestaan" vallen - echter, geen voorkomen kan aangemerkt worden als zijnde bestaand danwel niet-bestaand. Mahāmati, als je het niet-bestaan van alle dingen moet vaststellen met een stelling over niet-ontstaan, dan doet die poging niets anders dan de eigenste stelling vernietigen, daarom moet je hem niet aanhouden. Omdat gebruikmaken van syllogismen vele fouten voortbrengt, en omdat er door gebruikmaking van onderdelen van zo'n syllogisme een verwarde janboel aan redeneringen optreedt, daarom moet je die stelling niet aanhouden.

Zoals het is met (de stelling) "alle dingen zijn ongeboren", zo is het ook met "alle dingen zijn ledig en hebben geen zelf-aard". Bodhisattva-mahāsattvas dienen geen van beide (stellingen) te verkondigen. In plaats daarvan, Mahāmati, moeten Bodhisattva-mahāsattvas er de nadruk op leggen dat dingen, naar hun zelf-aard, Māyā-gelijk zijn, droomgelijk, want ze worden enerzijds (fysiek) waargenomen, en anderzijds ook weer niet, en zo worden alle dingen op twee manieren beschouwd, afhankelijk van de aanwezigheid van ofwel wijsheid, ofwel onwetendheid. Laat mij vaststellen dat alle dingen Māyā-gelijk zijn, droomgelijk, behalve in de angstige geest der onwetenden. Mahāmati, de onwetenden en eenvoudigen van geest zijn verslaafd aan opinies over zijn en niet-zijn; geconfronteerd (met de Boeddha-Dharma) bibberen ze al te gemakkelijk van angst. Mahāmati, schrik ze niet af.

Er wordt gezegd:
48. Er zijn geen zelf-aard, gedachtenconstructen, werkelijkheid, of Opslagbewustzijn. Al deze zijn even zovele onderscheidingen in de geest der onwetenden die in logisch argumenteren net zo goed zijn als een lijk.

49. Alle dingen zijn ongeboren - dit zeggen de geleerden; (echter,) niets is ooit geboren, dingen zijn onderling afhankelijk en voorwaardelijk ontstaan.

50. "Alle dingen zijn ongeboren" - de alles overstijgende wijsheid maakt dergelijk onderscheid niet. Wanneer op basis van (de theorie van) oorzakelijkheid een conclusie wordt bereikt, dan is daar onjuist oordelen aan voorafgegaan.

51. Zoals mensen met staar een haarnet menen te zien, zo zien de onwetenden, als gevolg van onderscheid-aanleggen het bestaan (als ware het waar).

52. De drievoudige wereld is niet meer dan een gedachtenconstruct (prajñāpti), de zelf-aard ervan bevat geen werkelijkheid. Op basis van deze gedachten-geconstrueerde werkelijkheid gaan logici voort met hun onderscheid-aanleggen.

53. Individuele (fysieke) vorm, realiteit, gedachten-constructen - dit zijn (slechts) mentale abberaties; mijn zonen zullen, dit alles overstijgend, daarheen hun schreden richten waar geen onderscheiden is.

54. Wanneer er een luchtspiegeling is wordt de gedachte aan water gekoesterd waar geen water is - althans, zo zien de onwetenden dat: de wijzen weten beter.

55. Het inzicht der wijzen die het rijk van zonder-beelden-zijn bewonen, is zuiver, geboren uit de drievoudige bevrijding, vrij van geboren worden (ontstaan) en vernietiging (vergaan).

56. (In die staat) waar alle dingen zijn weggevaagd is er voor de yogin zelfs geen zonder-beelden-zijn meer; wanneer bestaan en niet-bestaan eender (samatā) zijn, wordt tot de wijze de vrucht (van zijn oefening in niet-dualiteit) geboren.

57. Hoe houdt bestaan op te bestaan? Hoe komt er (de staat van) hetzelfde zijn? Zolang er in de geest begrip ontbreekt, zolang is er turbulentie, binnenin, van buiten, en tussen deze twee. Is er eenmaal ophouden (nirodha) dan neemt de geest eenderheid waar.

Toelichting bij tekst 48

— "Het Fundament van Nobele Geboorte (arya-bhāva-vastu)." Aannemelijk is dat met deze term sunyatā, het hoofdmotief om de Lanka te schrijven, bedoeld wordt.

— De alinea beginnend met: "De Gezegende antwoordde: Mahāmati, het is niet zo dat ik de waarheid (de Waarde) van het Solitaire ..."
Bij deze alinea moeten we onwillekeurig denken aan de Srimāla Soetra waarin het thema Tathāgatagarbha, Schoot waaruit de Boeddhas voortkomen, centraal staat. Van deze benadering wordt eveneens gezegd dat zij er is om diegenen toch nog tot de Dharma te brengen die, werden ze er plotsklaps mee geconfronteerd, zouden terugdeinzen voor datgene wat Sunyatā inhoudt.

— De alinea beginnend met: "En verder, Mahāmati, de stelling: "Alle dingen zijn ongeboren"..." bevat een behoorlijk aantal identieke uitspraken waardoor deze alinea moeilijk leesbaar wordt. Waar het op neer komt is dat je niet "bestaan" of "niet-bestaan" kunt zeggen omdat alleen al het woord in de mond nemen zou kunnen leiden tot a/ bevestigen van zelf-substantie van zoiets, en het b/ zo is dat er alleen maar "bestaan" gezegd kan worden zolang de geest een concept in zich bergt dat "niet-bestaan" heet; daarmee vervalt men in dualistisch denken, en zolang er dualistisch denken is kan de het dualisme overschrijdende Werkelijkheid niet aan het daglicht treden.

— De alinea beginnend met: "Zoals het is met (de stelling dat) ..."
"Laat mij vaststellen dat alle dingen Māyā-gelijk zijn, droomgelijk, behalve in de angstige geest der onwetenden angst wordt aangewakkerd." Want zolang de onwetende geconfronteerd wordt met de betekenis van sunyatā, vreest deze voor een afgrond te staan waar hij/zij ieder ogenblik in kan vallen, en de afgrond - dood of doodsangst - is op zo'n moment buitengewoon reëel en wordt volstrekt niet ervaren voor wat ze is: droomgelijk.




Tekst 49

Daarna zei Mahāmati: de Gezegende heeft, nogmaals, gezegd dat het (ultieme) Weten onafhankelijk van enig ondersteunend fenomeen verkregen wordt; hij heeft gezegd dat wat men er ook over zegt, het niet meer is dan een gedachtenconstruct, en hij heeft gezegd dat, waneer dit gedachtenconstruct niet als een (tastbare of zelfs denkbare) werkelijkheid wordt opgevat, zowel het grijpen-naar als de grijper zelf ophouden, en hij heeft gezegd dat, zodra er dus geen grijpen-naar meer is, die vorm van kennis die gekend is onder de naam onderscheiden niet meer voortgaat te functioneren. Nu dan, Gezegende, (hoe komt het dat de allesoverstijgende kennis niet gevonden of aangeduid kan worden?) Kan het niet aangeduid worden omdat we de algemeenheid en individualiteit van dingen, hun veelvuldigheid, of hun eenheid niet herkennen? Of kan het niet aangeduid worden omdat (concepten als) individualiteit, algemeenheid, veelvuldigheid, en zelf-aard elkaar uitsluiten? Of kan het niet aangeduid worden omdat we ervan gescheiden zijn door dingen als muren, bergen, steen, een kasteelmuur, of aarde, wind, water, of vuur? Of slagen we er niet in die allesoverstijgende kennis als voorwerp van (her)kennen te bereiken omdat onze zintuigen te jong of te oud zijn, of omdat we blind zijn? Gezegende, zou de allesoverstijgende kennis niet aangeduid kunnen worden omdat we er niet in slagen er individualiteit, algemeenheid, eenheid, en veelheid in te ontdekken, dan, Gezegende, kan het geen allesoverstijgende kennis zijn, dan moet het niet-weten (ājñāna) genoemd worden, want ondanks het feit dat de te kennen fenomenen zich aan ons zouden presenteren zouden we ze niet kennen. En ook, als allesoverstijgende kennis niet aangeduid kan worden vanwege het feit dat individualiteit, algemeenheid, veelvuldigheid, en zelf-aard elkaar uitsluiten, dan is (ook) dat niet-weten (ājñāna). Gezegende, dit is niet (het) Weten. Gezegende, waar er ook maar iets is dat gekend kan worden, daar ontwikkelt zich het Weten; waar zoiets niet is, daar ontwikkelt het zich niet -- weten is uitsluitend mogelijk als er iets is dat voor weten in aanmerking komt. Nogmaals, als de allesoverstijgende kennis niet aangeduid kan worden omdat er die obstructies zijn, die muren, bergen, steen, die kasteelmuur, of aarde, wind, water, of vuur, of als er obstructie is in de vorm van afstand of te grote nabijheid, of omdat de zintuigen niet (volledig) ontwikkeld zijn - als in het geval van een kind, of wanneer er ouderdom of blindheid is, - dan is dat wat niet aangeduid kan worden niet het Weten, dan is het niet-weten, want het te kennen fenomeen is daar, maar ons kenvermogen is niet toereikend.

De Gezegende zei: (ik heb het hier) niet (over) niet-weten. Mahāmati, dit (,waar ik het over heb,) is allesoverstijgende kennis, niet niet-weten. Ik zeg dit niet omdat er een verborgen lading onder zit, ik zeg dit omdat, wanneer het (ultieme) Weten onafhankelijk van enig ondersteunend fenomeen verkregen is, welke uitspraak we er ook over doen, die uitspraak niet meer is dan een gedachtenconstruct. Die allesoverstijgende kennis valt niet aan te duiden omdat we inzien dat niets in de wereld buiten het bewustzijn is en daardoor wordt waargenomen, en het valt niet aan te duiden omdat we inzien dat deze (zogenaamde) externe fenomenen waar predikaten als bestaan of niet-bestaan aan gehangen worden er (in ultieme zin) niet zijn. Daar dit niet aan te duidene de realiteit is, is er geen evolueren van het gekende of kennen zelf, en daar (op deze wijze) de drievoudige bevrijding is gerealiseerd, is er de (allesoverstijgende) kennis. Maar, onder invloed van het gewoontepatroon (vāsana) van verkeerd redeneren over bestaan danwel niet-bestaan, (een proces) dat al aan de gang is vanaf de tijd zonder begin, zijn de logici niet in staat hier (de juiste) kennis van te hebben, en zonder die kennis te bezitten begeven ze zich (niettemin) in (discussies over) externe objecten, substanties, vormen, indicaties, bestaan en niet-bestaan. En niettegenstaande dat, (d.w.z. niettegenstaande die afwezigheid van juiste kennis) verklaren ze dat het tot stilstand komen van onderscheid-aanleggen Enkel-Bewustzijn is. Onderwijl stevig gehecht aan gedachten omtrent een ego, een zelf, een ziel, en alles wat daarmee samenhangt, zijn ze in werkelijkheid niet in staat te begrijpen wat Enkel-Bewustzijn bedoelt, en gaan ze voort met onderscheid aanleggen tussen kennen en dat wat gekend wordt. En omdat ze voortgaan het kennen en dat wat gekend wordt van elkaar te onderscheiden, denken ze in termen van bestaan en niet-bestaan, en (,mij nazeggend,) verklarend dat er niets valt aan te duiden, verblijven ze (niettemin, dankzij hun verkeerde inzichten) in de sfeer waarin de vernietigingsleer zijn geldigheid heeft.

Er wordt gezegd:
58. Als het weten er niet in slaagt de wereld-van-objecten te zien, die nochtans onder handbereik is, dan is er niet-weten, geen Weten; dan is er sprake van de leer der logici.

59. Als het weten er niet in slaagt, met of zonder nabije of verre obstructies, zijn eigen unieke object, dat zich overigens niet als object presenteert, te zien, dan is er verkeerd weten.

60. Als het weten er, vanwege slecht functionerende zintuigen als gevolg van jeugd (kindheid), de oude dag, en blindheid, niet in slaagt zijn eigen object, aanwezig en wel, te kennen, dan is (ook) dat verkeerd weten.

Mahāmati, de onwetenden en eenvoudigen van geest dansen en springen maar in het rond met hun verkeerde redeneringen, domheden, en onderscheidingen-van-een-zelf; ze kunnen de waarheid van zelf-realisering en wat er met woorden over gezegd is niet begrijpen. Vastgeklonken aan de wereld-van-objecten die (overigens) in en uit bewustzijn zelve is, gooien ze zich op de (schriftelijk) vastgelegde leringen die (niet meer dan) een vlot en vaardig middel (upāya) zijn, en waaruit de waarheid van zelf-realisatie niet juist te peuren valt, (dat wil zeggen,) die waarheid die onbezoedeld is door (antwoorden te zoeken op) de viervoudige propositie (tetralemma).

Mahāmati zei: Gezegende, het is zoals u zegt. Gezegende, vertelt u mij alstublieft over de karakteristieke kenmerken van de waarheid van zelf-realisatie, en vertelt u mij over de (vastgelegde) leringen daaromtrent. Wanneer u dat doet zullen wij, Bodhisattva-mahāsattvas, in de toekomst, begrijpend waar ze over gaan, onszelf verre kunnen houden van valse profeten onder de logici, van de geleerden en al diegenen die zich in het Voertuig der Toehoorders en Zelf-Verlichtten bevinden.
De Gezegende zei: Mahāmati, luister dan goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Zeker, Gezegende, zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati, en hij luisterde.

De Gezegende zei: Mahāmati, er zijn twee manieren waarop in het verleden, heden, en de toekomst de waarheid, die behaald werd door de Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht, verkondigd werd, wordt, en verkondigd zal worden. De opgetekende Leer tot zich nemen is een manier; het vestigen van zelf-realisatie is een andere. Mahāmati, dit wordt bedoeld met bestudering van de toespraken: er is een variëteit aan canonieke teksten en opgetekende toespraken die behulpzaam zijn bij het onderwijzen der mensen, al naar gelang hun disposities en geneigdheden. En wat is de waarheid van zelf-realisatie die de yogin helpt zich af te wenden van onderscheiden van wat in en uit bewustzijn zelve wordt waargenomen? Daar is een verheven staat van innerlijk bereiken die niet meer terugvalt naar dualismen als eenheid en anderheid, tweeheid en niet-tweeheid, een staat die het Opslagbewustzijn, het denken, en het superviserende bewustzijn te boven gaat, die niets van doen heeft met logica, redeneren, theoretiseren, en illustreren; dit is een verheven staat die ondeskundige logici nooit gesmaakt hebben, noch de geleerden, Toehoorders en Zelf-Verlichtten die terug zijn gevallen naar (het rijk van) de dualistische visie op zijn en niet-zijn -- dit nu noem ik zelf-realisatie. Dit, Mahāmati, is karakteristiek voor de waarheid van zelf-realisatie en het spreken daarover, en hierin dienen jullie Bodhisattva-mahāsattvas je te bekwamen.

Er wordt gezegd:
61. Ik heb twee manieren om de waarheid te onderwijzen: zelf-realisatie en uiteenzetten. Voor de onwetenden zet ik (de Dharma) uiteen, en voor de yogin (onthul) ik de zelf-realisatie.

Toelichting bij tekst 49

— Bij de eerste alinea: "Niet aan te duiden". Herlees hierover de passages die spreken over hazehorens en de zoon van een niet-vruchtbare vrouw: daarover kan niets gezegd worden omdat zulke dingen er niet zijn.




Tekst 50

Toen sprak Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati opnieuw en zei: Gezegende, eens vertelde de Gezegende, de Tathāgata die Arhat is, en Volmaakt Verlicht, dat de Lokāyata, die bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en die zeer eloquent zijn, niet geëerd, niet aanbeden, niet gediend moeten worden, want (zo zei hij,) wat daarmee wordt gewonnen zijn slechts wereldse vreugden en niet de Dharma. Gezegende, waarom sprak u zo? Waarom zei u dat we, in het dienen van de Lokāyata, die bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en die zeer eloquent zijn, (slechts) wereldse vreugde behalen, en niet de Dharma?

De Gezegende zei: Mahāmati, de Lokāyata, die bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en die zeer eloquent zijn, brengen de onwetenden in opperste verwarring met hun redeneringen, woorden en stellingen, en wat zij onderwijzen is op het niveau van kinderen, en is, voor zover er een touw aan vast te knopen valt, in het geheel niet in overeenstemming met de waarheid, noch met de (diepere) betekenis. Daarom zeg ik dat de Lokāyata bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en dat ze zeer eloquent zijn. Met gladde praat trekken ze de onwetenden tot zich, maar leiden hen nooit op de weg van waarheid en de juiste Dharma. En daar ze zelf amper de betekenis begrijpen van wat ze te berde brengen, brengen ze de onwetenden in opperste verwarring en richten ze zichzelve te gronde met hun dualistische standpunten. Niet bevrijd uit de cirkelgang van geboorte en dood, niet begrijpend dat alles in en uit bewustzijn zelve is, zich hechtend aan het idee dat er externe dingen zijn en dat die dingen een zelf-aard hebben, kennen de Lokāyata geen bevrijding uit onderscheid-aanleggen. Daarom, Mahāmati, de Lokāyata, die bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en zeer eloquent, maar (niettemin) nooit bevrijd uit het onheil dat zich manifesteert als geboorte, ouderdom, ziekte, leed, gelamenteer, pijn en wanhoop, verwarren de onwetenden met hun woorden, zinnen, geredeneer, met hun voorbeelden en conclusies.

Mahāmati, (de geleerde die gekend wordt als) Indra was (een) briljant (spreker voor de Lokāyata); zijn kennis omvatte een menigte (Lokāyata-) verhandelingen, en zelf produceerde hij een werk over klanken (d.w.z. een Sanskriet grammatika). Hij had een discipel die in de gedaante van een (veelkoppige) slang tot de hemel opsteeg en daar in het gezelschap van god Indra verkeerde. Hij bedacht een stelling en daagde de godheid uit: ofwel uw duizendspakig voertuig wordt aan diggelen geslagen, ofwel ieder mijner slangehoofden wordt er af geslagen. Tijdens het argument dat volgde versloeg die Lokāyata-discipel, die een slangengedaante had aangenomen, (de godheid), waarop het duizendspakige voertuig aan diggelen ging. Daarop daalde de discipel weer naar de aarde af. Mahāmati, zo heeft (de Lokāyata) een heel systeem van redeneringen en voorbeelden, en daar ze zelfs de gedachten der dieren kennen, brengen ze de goden en ásuras (demonen-krijgers) in opperste verwarring met hun woorden en leerstellingen. Is dat werk eenmaal gedaan dat zorgen ze er voor dat deze (niet-menselijke wezens) zich sterk gaan hechten aan noties zoals komen en gaan (ayavyaya); wat zullen ze dan al niet aanrichten onder de mensen! Daarom, Mahāmati, mijd de Lokāyata, want zij zijn de dragers van komend leed (dukkha). Eer ze niet, acht ze niet, dien ze niet. Mahāmati, dat wat de Lokāyata behalen gaat niet voorbij het vormhebbende (rūpa) rijk en de kennis die daarop betrekking heeft, ook al zullen ze wellicht hun materalisme verklaren met een profusie aan woorden en stellingen - honderdduizenden. Echter, in de toekomst, na vijfhonderd jaar, zullen er (onder hen) schismas plaatsvinden, en die schismas zullen hen er toe brengen (nog onjuister) redeneringen en demonstraties ten beste te geven, en dit zal tot nog verdere scheiding der geesten leiden, en geen van (de zich dan als leider presenterenden) zal volgelingen aan zich weten te binden. En zo, Mahāmati, verklaren de geleerden een materialisme dat in vele subsecten uiteen zal vallen, met een veelheid aan (contrasterende) redeneringen, en, daar in geen van hen de in zichzelf berustende waarheid te vinden zal zijn, zal ieder zijn eigen leer aanhangen. Terwijl dit in het geheel niet geldt voor (alle) geleerden, die hun eigen tractaten en doctrines hebben, wordt materialisme in diverse vermommingen verkondigd, wordt het aan de hand van honderdduizend verschillende methoden verklaard; echter, als gevolg van hun onwetendheid zien ze (de Lokāyata) hun eigen leer niet als materialisme en zien ze niet dat ook hier de in zichzelf berustende waarheid niet te vinden is.

Mahāmati zei: als er geleerden zijn die materialisme prediken met gebruikmaking van woorden, stellingen, voorbeelden en conclusies - die niet de "zoals-het-is-waarheid" vertegenwoordigen maar eerder hun eigen ikgerichte opvattingen waar ze stevig aan gehecht zijn -, verklaart de Gezegende ten overstaan van de verzamelingen goden, half-goden en mensen die uit velerlei landen komen dan niet ook, (evenzo) met gebruikmaking van woorden, stelingen, voorbeelden en conclusies een materialisme dat niet de waarheid van zelf-realisatie is maar (integendeel) iets is dat lijkt op de verklaringen der geleerden?

De Gezegende antwoordde: ik verkondig geen materialisme, noch spreek ik over (het) komen en gaan (ayavyaya) (waar de Lokāyata het over heeft). Wat ik onderwijs, Mahāmati, is dat wat niet-komen-en-gaan is. Mahāmati, "komen" betekent productie (of vergaren) en massa (of ophopen), het vindt zijn ontstaan in accumuleren (sankhara?). Mahāmati, "gaan" betekent aan zijn einde komen. Dat wat niet-komen-en-gaan-is, is het ongeborene. Mahāmati, wat ik onderwijs lijkt in de verte niet op de leer der geleerden. Waarom niet? Omdat er geen externe (zich buiten het bewustzijn bevindende) objecten zijn, omdat er (dus) niets is waar men zich aan zou kunnen hechten. Wanneer je in Enkel-Bewustzijn verblijft, waarvoorbij geen externe wereld is, houdt dualisme op. Omdat er geen sfeer of vorm is die gebaseerd is op onderscheid-aanleggen erken je dat dat wat waargenomen wordt in en van bewustzijn zelve is, en derhalve vindt een verdere opdeling van dat wat in en van bewustzijn zelve waargenomen wordt niet plaats. Dankzij het ophouden van onderscheiden (prapánca) ga je de staat van drievoudige bevrijding binnen: niet-vorm, ledigheid (sunyatā), en moeiteloosheid. Daarom wordt het bevrijding genoemd.

Mahāmati, ik herinner me, toen ik ergens (wat langer) verbleef dat een brahmaan, een Lokāyata me benaderde en me plompverloren vroeg: Gáútama, is alles geschapen?
Ik antwoordde: brahmaan, ware alles geschapen, dan zouden we hier wel met de eerste school van materialisme te doen hebben.
(Hij vroeg weer:) Gáútama, is alles ongeschapen?
(Ik antwoordde:) brahmaan, ware alles ongeschapen, dan zouden we hier te maken hebben met de tweede school van materialisme. En te zeggen, brahmaan, dat alles niet-eeuwig, of eeuwig, of geboren, of ongeboren is, zou de (derde tot en met de) zesde school van materialisme genoemd moeten worden.
Mahāmati, die brahmaan, die Lokāyata, ging voort: Gáútama, is alles een? Is alles verschillend (niet-een)? Is alles te kenmerken als zowel een als niet-een? Valt alles te karakteriseren als noch een noch niet-een? Moet van alles, omdat van alle dingen gezegd kan worden dat ze geboren worden uit een variëteit aan oorzaken, gezegd worden dat ze onderhevig zijn aan oorzakelijkheid?
(Ik zei:) brahmaan, je bent nu gevorderd tot aan de tiende school van materialisme.
(Hij vroeg weer:) Gáútama, is er een verklaring voor alles? Is alles onverklaarbaar? Is er een zelf, een ziel? Is er geen zelf, geen ziel? Is deze wereld werkelijk? Is deze wereld niet werkelijk? Is er een wereld voorbij deze wereld? Is er geen wereld voorbij deze wereld? Is zo'n andere wereld bestaand of niet-bestaand? Is er bevrijding? Is er geen bevrijding? Is alles onmiddellijk (vinden alle gebeurtenissen tegelijk en in een oogwenk plaats)? Is alles niet onmiddellijk? Gáútama, zijn ruimte, 'uitdoving zonder dat daarover nagedacht is' (apratisamkhya-nirodha), en nirvāna geschapen of ongeschapen? Is er een antarabhāva (bestaan tussen dood en wedergeboorte in)? Is er geen antarabhāva?
Mahāmati, ik zei tegen hem: brahmaan, als dat zo was (als ik daar een vaststellende uitspraak over zou doen) dan ware dat materialisme. Dat is niet mijn (leer). Brahmaan, dit alles is uw wereldse filosofie. Brahmaan, ik verklaar dat de drievoudige wereld zijn grond vindt in het gewoontepatroon van dat onderscheid-aanleggen dat aan de gang is sinds de tijd zonder begin, en wel als gevolg van vergissingen en verkeerd redeneren, want onderscheiden vindt (daar) plaats. Brahmaan, (dit is zo) omdat niet gezien wordt dat de externe wereld bewustzijn zelve is; (dit is zo) omdat een externe wereld beschouwd wordt als ware het voorwerp van kennen. De geleerden zeggen dat er een drievoudig samenkomen is van zelf-ziel, zintuiglijke organen, en de wereld-van-objecten - maar dat is niet wat ik zeg. Brahmaan, ik behoor niet tot de school die oorzakelijkheid predikt, noch tot die waar niet-oorzakelijkheid wordt gepredikt. In plaats daarvan verklaar ik de keten van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan - voorzover het de door de gedachten geconstrueerde wereld betreft van (of gekenmerkt door het dualisme van) grijpen-naar en het gegrepene, dat (dualisme dat) er is afhankelijk van onderscheid-aanleggen. U en anderen die de filosofie over een zelf-ziel en zijn voortgang (doorheen de tijd) koesteren hebben dit niet begrepen.
Mahāmati, ruimte, nirvāna en oorzakelijkheid bestaan als dingen die je op kunt noemen, maar werkelijkheidswaarde hebben ze niet; vandaar dat de vraag of ze geschapen zijn geen antwoord behoeft.

Mahāmati, toen zei de brahmaan, die Lokāyata dit: Moeten we begrijpen dat de drie werelden veroorzaakt zijn door onwetendheid, verlangen en ageren, of zijn ze niet veroorzaakt?
(Ik zei:) Brahmaan, deze uit twee delen bestaande vraag behoort tot het materialisme.
- Gáútama, moeten we alle dingen beschouwen onder hun aspecten van individualiteit en algemeenheid?
- Brahmaan, ook dit behoort tot de leer van het materialisme. Zolang de geest in turbulentie verkeert, hetgeen ervoor zorgt dat we ons hechten aan de gefantaseerde wereld-van-objecten, zolang is er materialisme.
Mahāmati, toen zei die brahmaan, die materialist: Gáútama, is er een filosofie die niet-werelds is? Gáútama, welke waarheid de geleerden dan ook maar verkondigd hebben, met een veelvoud aan woorden en zinnen, omkleed met redenen, voorzien van voorbeelden en conclusies, gebaseerd op de algemene rede, al die waarheden die zijn in mij.
(Ik zei:) Brahmaan, er is iets dat niet in u is, hoewel het niet voorbij de algemene rede, de algemeen aanvaarde waarheid gaat, hoewel het niet onafhankelijk van een veelheid aan woorden en zinnen is, en het voorts niet tegen de gewone logica in gaat.
(De brahmaan vroeg:) Is er enige filosofie die niet van deze wereld is en toch niet tegen de geldende opinie der wereld ingaat?
(Ik antwoordde:) Brahmaan, er is dat wat niet tot de materialistische leer behoort, iets dat noch tot uw wijsheid, noch tot dat der geleerden - die zich hechten aan verkeerd onderscheiden en foutief redeneren - is doorgedrongen; het is niet doorgedrongen tot hen die de onwerkelijkheid der externe objecten niet vermogen te zien, en dan heb ik het over het ophouden van prapánca (onderscheid-aanleggen, gebabbel in de geest). Is er eenmaal de wetenschap dat er niets voorbij de geest is, dan houdt het onderscheid-aanleggen tussen zijn en niet-zijn op. Wanneer er dan geen externe wereld meer is die voorwerp van perceptie uitmaakt, dan blijft het onderscheid-aanleggen onaangeroerd. Dit kom je in het materialisme niet tegen, wel in mijn leer; dit (deze waarheid) is niet in u. Wat ik bedoel met onaangeroed blijven (op zijn plaats blijven) is dat het niet meer evolueert; wanneer onderscheid-aanleggen (prapánca) niet meer ontstaat, dan wordt er van gezegd dat het niet meer evolueert. Brahmaan, dit komt in het materialisme niet voor. Om kort te gaan, brahmaan, als er al enig komen-en-gaan der vijñānas is, een verschijnen-en-verdwijnen, een uitnodigen, een hechten, een intense affectie, een filosofische opinie, een theorie, een verblijfplaats, een aanraken, het hechten aan diverse merktekenen, een samenstellen, een voortgaan, dorstig verlangen (trsna), en gehechtheid aan een oorzaak, dan, brahmaan, is dat uw materialisme, niet mijn leer.
Mahāmati, zo ondervroeg die brahmaan, die materialist me; en nadat hij met deze antwoorden was verslagen verdween hij in stilte.

Toen verscheen de Nagakoning Krsnapakshaka voor de Gezegende; hij had het lichaam van een brahmaan aangenomen en zei: Gáútama, is er dan geen andere wereld (dan deze)?
- Jongeman, waar kom je vandaan?
- Gáútama, ik kom van het Witte Eiland.
- Brahmaan, dat is een andere wereld.
De jongeman wiens intenties zo weerlegd werden en die zo tot zwijgen was gebracht maakte zich onzichtbaar, zonder me nog enige vraag te stellen over mijn leer die tegengesteld is aan de zijne. Hij dacht bij zichzelf: Die Sakyazoon staat buiten mijn (geloofs)systeem; het is een beklagenswaardig figuur die een filosofie heeft over het ophouden van merktekenen en oorzaken; hij praat over het ophouden van onderscheid-aanleggen dat plaats zou vinden zodra de waarneming van een externe wereld herkend wordt als een product van je eigen onderscheiden. En ook jij, Mahāmati, vraagt me hoe het mogelijk is dat voor iemand die de Lokāyata-filosofie aanhangt, - Lokāyata, die bedreven zijn in diverse vormen van recitatie en zeer eloquent - er (slechts) wereldse vreugden zijn, en niet de Dharma.

Mahāmati vroeg: Gezegende, wat bedoelt u met "onderwerp van wereldse vreugden" en met "Dharma?"
De Gezegende zei: Mahāmati, dat heb je goed gezegd, heel goed gezegd! Je hebt, met het welzijn van komende generaties diep over de betekenis van deze twee dingen nagedacht. Mahāmati, luister dan goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati zei: Zeker, Gezegende, en luisterde.

Dit zei de Gezegende: Mahāmati, wat betekent "onderwerp van wereldse vreugde?" Het staat voor dat wat aangeraakt kan worden, dat waartoe je je aangetrokken kan voelen, dat wat je kunt aaien, behandelen, en proeven; het is dat wat je vastbindt aan een externe wereld, waardoor je, als gevolg van een verkeerd inzicht een dualistische levenshouding krijgt, dat wat er voor zorgt dat je (na je dood) opnieuw in (de vorm van) skandhas verschijnt, waar, als gevolg van de herscheppende kracht van verlangen, allerhande onheil verrijst, zoals geboren worden, ouder worden, ziekte, dood, leed, gelamenteer, pijn, wanhoop, enzovoorts. Dit noemen ik en de andere Boeddhas "onderwerp van wereldse vreugde." Dit, Mahāmati, is het bereiken van wereldse vreugde, en niet van de Dharma; het is materialisme dat je oppikt zodra je de Lokāyata dient.

Mahāmati, wat wordt bedoeld met "het bereiken van de Dharma?" Wanneer de waarheid van "het bewustzijn berustend in zichzelf" en de tweevoudige zelfloosheid zijn begrepen, wanneer, verder, de aard van het substantieloos zijn van dingen en personen is doorzien, dan steekt onderscheiden (prapánca) de kop niet meer op. Wanneer de (tien) bodhisattvastadia de een na de ander zijn doorlopen, dan is er afstand genomen van de citta, manas en manovijñāna, en wanneer men dat (bodhisattva)stadium betreedt waar men gezegend wordt door alle Boeddhas' wijsheid, en de tien onuitputtelijke geloften (van Samántabhadra) aflegt, dan wordt men, als gevolg van een leven in moeiteloosheid, een soeverein meester over alle fenomenen. Vandaar dat het Dharma genoemd wordt, want dan ben je bevrijd van alle gefilosofeer, van ongefundeerde redeneringen, van onderscheid-aanleggen, en van dualistische noties. Mahāmati, in de regel worden de onwetenden geleid door filosofieën, begeven ze zich in (de sfeer van) dualisme, dat wil zeggen, (denken ze) in (de uitersten van) vernietigingsleer en eeuwigheidsleer; met de wijzen ligt dat anders. Eeuwigheidsleer verrijst zodra je een doctrine van niet-oorzakelijkheid omarmt, terwijl de vernietigingsleer verrijst wanneer je zowel gelooft dat er een vernietiging is van causale condities, als wanneer je gelooft in het bestaan van een oorzaak (van het bestaande). Ik echter verkondig de Dharma die leert dat er - afhankelijk, en op basis van voorwaarden - verrijzen, bestaan, en verdwijnen is. Mahāmati, dit zijn mijn concluderende woorden over "wereldse vreugden" en over de "Dharma".

Er wordt gezegd:
62. Wezens zijn beïnvloed door samenleven (sámgraha), en zijn verplicht door moraliteit (sila). Alles-overstijgende wijsheid (prajñā) verwijdert hen van gefilosofeer, en bevrijding is waardoor ze (dan) gevoed worden.

63. Alle niet-doelmatige leringen der geleerden vallen onder de noemer materialisme; waar een werkelijkheids-filosofie over oorzaak en gevolg wordt gekoesterd is geen zelf-realisatie.

64. Aan mijn groep discipelen onderwijs ik die zelf-realisatie die ver verwijderd is van oorzaak en gevolg, en vrij van materialisme.

65. Niets anders is er dan dat wat in en uit bewustzijn zelve is, ook dualiteit behoort daar thuis en wordt daar ervaren. Waar (ondanks dat) het (in en uit het bewustzijn zelve) waargenomene wordt benoemd als "dat waarnaar gegrepen wordt", of "het grijpen zelve", is dat niettemin geen uiting van eeuwigheidsleer of vernietigingsleer.

66. Zolang mentaal ageren voortgaat is er sprake van materialisme; verrijst er geen onderscheid-aanleggen meer, dan wordt de wereld gezien als in en uit bewustzijn zelve.

67. "Komen" (ayam) betekent dat de wereld-van-objecten verrijst als een gevolg (van iets anders), en "gaan" (vyayam) is het niet-zien van dat gevolg. Begrijpt men grondig wat "komen-en-gaan" betekent, dan houdt onderscheid aanleggen op.

68. Eeuwigheid en niet eeuwigheid, geschapen en niet-geschapen, deze wereld en die andere, al deze (concepten) behoren tot het materialisme.

Toelichting bij tekst 50

— Materialisme. Vat dit s.v.p. op in de filosofische zin van het woord: materie-gericht.

— Indra. In de nu toegankelijke Lokāyata-werken komt de naam Indra als stichter niet voor. De belangrijkste spreker namens deze stroming moet een zekere Charvaka geweest zijn, een tijdgenoot van Sri Krishna.

— "Komen en gaan (ayavyaya)". Ook hier zien we mogelijkerwijs de ontstaansgrond voor een zen-term.

— "Mahāmati, toen zei de brahmaan, ... de drie werelden ...". Zie hiervoor eerdere antekeningen over de werelden van begeerte, vorm, en niet-vorm.

— "- ... ik kom van het Witte Eiland. ... dat is een andere wereld. In deze achtste alinea komen we een anecdote tegen die pas later, niet eerder dan de elfde eeuw, toegevoegd werd aan het corpus. Het betreft hier een gesprek tussen de god Krsnapakshaka en - waarschijnlijk - een boeddhistisch monnik. Die naga-god stelt een vraag die een ietsje lijkt op die der Lokāyata-vertegenwoordiger uit de zesde en zevende alinea. Het gaat hier echter niet om het thema materialisme, maar om de leer der aanhangers van de Hindu-god Narāyana. In de Kathasaritsagara wordt gezegd dat Narāyana leeft in de Hemel van het Witte Eiland; die tekst geeft ook aan dat Narāyana een andere naam is voor Vishnu.

— Vers 62. Er zijn vier vormen van samgraha, hier, bij gebrek aan een betere korte omschrijving 'samenleven' genoemd: weldadigheid, vriendelijkheid, goede daden, en onpartijdigheid.

— Vers 63. Werkelijkheids-filosofie is in filosofische vaktermen "realisme", een visie die uitsluitend uitgaat van wat de zintuigen kunnen waarnemen. In vers 64 wordt het materialisme genoemd. Zie voor oorzaak en gevolg tekst 10.

— Vers 65. Wat hier 'het waargenomene' wordt genoemd is in de oorspronkelijke tekst een wat duistere uiting. Het vers zegt dat alles in en uit het bewustzijn zelve is, ook het dualistische denken, d.w.z. het onderverdelen en categoriseren van waargenomen fenomenen, inclusief het foutieve denken. En daar het hele leven, als het ware, zich slechts op deze ene plaats afspeelt is er naar waarheid geen uiteenvallen in de uitersten van eeuwigheidsleer of vernietigingsleer.

— Vers 67. Zie voor komen en gaan de passage die eerder in het prozagedeelte werd gegeven: "... ik verkondig geen materialisme, noch spreek ik over (het) komen en gaan (ayavyaya) (waar de Lokāyata het over heeft). Wat ik onderwijs, Mahāmati, is dat wat niet-komen-en-gaan is. Mahāmati, "komen" betekent productie (of vergaren) en massa (of ophopen), het vindt zijn ontstaan in accumuleren (sankhara?). Mahāmati, "gaan" betekent aan zijn einde komen. Dat wat niet-komen-en-gaan-is, is het Ongeborene." ..."Het niet-zien van dat gevolg" uit vers 67 moet dan naar betekenis als identiek gezien worden aan de bovenstaande woorden "... aan zijn einde komen ...", "uitdoven" zouden andere boeddhistische tradities zeggen. Het is niet zeker of alle latere japanse zenmeesters "komen-en-gaan" net zo zouden uitleggen als hier in de Lanka wordt aangegeven. Zeker is dat dit een heel belangrijk concept is binnen het japanse zen.




Tekst 51

Toen sprak Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati opnieuw en zei: Gezegende, Nirvāna. De gezegende spreekt over nirvāna. Waar staat dat woord voor? Wat is dat nirvāna dat al die geleerden onderscheiden?

De Gezegende antwoordde, en Mahāmati luisterde:
Dit zei de Gezegende: de geleerden onderscheiden nirvānas, maar in werkelijkheid bestaat er geen van hen. Sommige geleerden denken dat nirvāna daar is waar het mentaal ageren niet meer operatief is als gevolg van het ophouden van de Vijf Groepen van Hechten (skandhas), de elementen (dhātu) en de zintuiglijke sferen (āyatana), of als gevolg van een onverschillig worden ten opzichte van de wereld-van-objecten, of als gevolg van de aanname dat alle dingen impermanent zijn, of wanneer verleden, heden, en toekomst uit het geheugen zijn gewist, net als wanneer een lamp is uitgedoofd of een zaadje is verbrand of een vuur is gedoofd - want dan is er het ophouden van de onderliggende materie, dat door de geleerden het niet-verrijzen van onderscheid-aanleggen wordt genoemd. Echter, Mahāmati, nirvāna is niet louter een uitwissen.

Dan zijn er anderen die bevrijding verklaren als het gaan naar een ander bestaan of verblijfplaats, wanneer het onderscheiden van fenomenen ophoudt, (een proces) te vergelijken met het ophouden van de wind. Weer anderen verklaren bevrijding als het afschaffen van (het onderscheid maken tussen) kenner en dat wat gekend wordt. Sommigen denken dat bevrijding er is wanneer het verschil maken tussen permanentie en impermanentie ophoudt.

Weer anderen verklaren dat het onderscheid-aanleggen tussen de diverse vormen (of gestalten) de drager van leed (dukkha) is, en omdat ze niet begrijpen dat er niets anders is dan wat in en uit bewustzijn zelve is geraken ze in paniek door opvattingen over vorm, en zoeken ze hun geluk in (de meditatieve sfeer van) voorbij-vorm, en hier vinden ze hun gekoesterde nirvāna.

Dan zijn er die nirvāna als volgt zien: met inachtneming van algemeenheid en individualiteit die in alle dingen vallen waar te nemen, zowel intern als extern, beschouwen ze zichzelf als onvernietigbaar, als voorzien van (een individueel) zijn, en dit doorheen het verleden, heden, en de toekomst.
Anderen denken dat nirvāna de zelf-ziel is, een zijnde, een vitale (levengevende) kracht, een Voeder, een hoogste geest, en ze zien het in de onvernietigbaarheid van alle dingen.

Er zijn er, Mahāmati, die in hun onwetendheid denken dat nirvāna dit is: een eerste (oorspronkelijke) substantie, een hoogste ziel, en dat die beiden door ieder individu verschillend worden gezien, en dat deze (Substantie of Ziel) alle dingen produceert door (de in het universum) aanwezige kwaliteiten te transformeren.

Sommigen (de Vaishéshika) denken dat nirvāna het uitdoven van zowel (morele) verdienste als onverdienste is; sommigen zien het in de vernietiging van passies, hetgeen plaatsvindt zodra weten daar is, en sommigen (de Yoga-traditie, waarschijnlijk een sub-school van de Sánkhya) zien Isvara als de onafhankelijke schepper van de wereld. Weer anderen denken dat de wereld geboren werd uit interactie en dat er, uitgezonderd deze (oorzaak), geen (andere) oorzaak voor is, en, aan dit idee hechtend, en onwetend zijn, geraken ze niet tot Ontwaken, en (als gevolg) denken ze dat nirvāna dit Niet-Ontwaken is.

Dan, Mahāmati, zijn er geleerden die denken dat nirvāna het bereiken van het ware Pad is. Sommigen koesteren de idee dat nirvāna er is wanneer de kwaliteiten en de drager van deze kwaliteiten verenigd zijn - vandaar hun ideeën over eenheid en anderheid, tweeheid en niet-tweeheid. Sommigen beelden zich in dat nirvāna daar is waar ze de zelf-aard der dingen zien (zoals die evolueert) naar zijn eigen aard, te vergelijken met de harmonie van pauweveren, of met verschillend gevormde edelstenen, of met de puntigheid van een doorn.

Mahāmati, er zijn er (de Sankhya) die nirvāna zien in de herkenning van vijfentwintig principes (tattva). Er zijn er die nirvāna veronderstellen in de koning zodra hij de "zes waardigheden" in praktijk brengt. Sommigen, die tijd als schepper erkennen, (d.w.z.) die aannemen dat tijd de oorzaak is voor het ontstaan van de wereld, denken dat nirvāna het herkennen van dit feit is. Dan zijn er ook nog die bestaan als nirvāna erkennen, terwijl weer anderen denken dat niet-bestaan het is, en er zijn er die denken dat alle dingen nirvāna zijn, en niet van elkaar te onderscheiden.

Al deze opinies en hun onderliggende redeneringen die de geleerden naar voren schuiven gaan tegen de logica in en worden door de wijzen niet aanvaard. Mahāmati, allemaal zien ze nirvāna vanuit een dualistisch perspectief en als onderling veroorzakend. Mahāmati, al deze geleerden veronderstellen een nirvāna, maar hier is niets dat verrijst, niets dat verdwijnt. Mahāmati, iedere geleerde die steun vindt in zijn boeken waaruit hij zijn begrip en inzicht peurt, onderzoekt (het fenomeen) en zijn kenmerken (en houdt het tegen het licht van zijn doctrine), want (die doctrine) wijkt af van wat hij zich (logischerwijze) zou voorstellen; (dit hele gebeuren) eindigt in een geest die her en der springt en verward raakt, want nirvāna vindt hij nergens (in de woorden van zijn boek). Maar, Mahāmati, er zijn er die hun leeuwebrul (uitpsraak van een verlichtte) uiten en nirvāna als volgt verklaren: nirvāna is daar waar er de herkenning is dat alles in en uit bewustzijn zelve is; het is daar waar er geen gehechtheid is aan externe fenomenen; het is daar waar, eenmaal het (zoeken naar een antwoord op het) tetralemma achtergelaten, er een inzicht is in de sfeer van werkelijkheid, zoals die is; het is daar waar, eenmaal de aard van het (in zich)zelf (berustende) bewustzijn herkend, er geen koesteren meer is van dualisme, van onderscheid-aanleggen; het is daar waar grijper en gegrepene niet (meer) aanwezig zijn; het is daar waar er geen gehechtheid meer is aan de redeneringen der logici, daar men ziet dat deze niet houdbaar zijn; het is daar waar de idee over de Waarheid niet voorwerp van verering is, maar er ten overstaan van die Waarheid een gelijkmoedigheid is die verwarring voorkomt; het is daar waar, nadat de verheven Dharma is gerealiseerd die in het diepste van jezelf verborgen ligt, de twee vormen van zelfloosheid zijn waargemaakt en waar de twee obstakels (d.w.z. de opinies dat er in de wezens, resp. de dingen een 'ens' te vinden zou zijn) uit de weg zijn geruimd; het is daar waar de (10) stadia van bodhisattvaschap een voor een zijn doorlopen totaan Tathāgataschap waarin alle samādhis, te beginnen met de Māyópama (alles is illusiegelijk) zijn waargemaakt, en er een eind is gebracht aan de citta, manas en manovijñāna.

69. Verschillende geleerden hebben verschillende visies over nirvāna, maar dat zijn slechts inbeeldingen, niet de weg naar bevrijding.

70. Vrij van het gebondene en het binden, en vrij van alle vaardige middelen denken de geleerden dat ze bevrijd zijn, maar (ware) bevrijding is daar niet te vinden.

71. De systemen der geleerden vormen een veelheid aan filosofische stromingen, derhalve is er onder hen geen bevrijding, want hun foutieve verbeelden gaat maar door en door.

72. Al die geleerden zijn totaal ondergedompeld in, en in vervoering gebracht door filosofieën over oorzaak en gevolg; de bevrijding die zij menen bereikt te hebben is geen ware bevrijding, ze leidt slechts tot de dualistische leer over zijn en niet-zijn.

73. De onwetenden scheppen behagen in debatteren en verkeerde redeneringen; ze zijn niet in staat een diepgaand begrip te verkrijgen van het principe (de Dharma). Debatteren leidt in deze wereld tot leed, terwijl (mijn) principe leed uitblust.

74. Een spiegelbeeld heeft geen werkelijkheidswaarde; echter, zo zien de onwetenden het bewustzijn. Voor hen, gezien in hun spiegel van gewoontepatronen, is bewustzijn iets dualistisch.

75. Zolang er geen diepgaand begrip is van het feit dat alles in en uit bewustzijn zelve is, is er dualistisch onderscheid-aanleggen. Zodra dat diepgaande begrip er is, houdt onderscheid-aanleggen op.

76. Bewustzijn is niets anders dan (waargenomen) veelvormigheid, (maar nietemin) ver verwijderd van het gekwalificeerde en dat wat kwalificeert. Vormen worden waargenomen, maar niet zoals de onderscheid-aanleggende onwetenden dat doen.

77. De drie werelden zijn niets meer dan onderscheidingen in de geest, externe fenomenen zijn er niet. Het onderscheid-aanleggen ziet veelvormigheid - de onwetenden beseffen dit niet.

78. De verschillende soetras (leerredes) tonen verschil, ze gebruiken verschillende namen en beelden; betekenis kan niet gevonden worden als er geen woorden zijn.

Toelichting bij tekst 51

— De alinea beginnend met: "Mahāmati, er zijn er ... vijfentwintig principes (tattva)."
In de Geboorteverhalen, de Jātakas, komen we diverse malen tegen dat een vorst, om zijn volk te redden, ingeval van natuurrampen, de "zes waardigheden" in praktijk brengt. Dat zijn moreel zuiverende handelingen zoals vasten. De verdienste van dergelijke handelingen werden dan verondersteld de omstandigheden gunstig te beinvloeden. Kwam er na bijvoorbeeld grote droogte regen, dan was de vorst een goed vorst gebleken. Soortgelijke handelingen vinden we in het oude Confucianisme, en we vinden het ook in de Zuid-oost aziatische nonnen die, wanneer een familielid ziek wordt, het zuiverende nonschap op zich nemen tot de persoon weer beter is.




Tekst 52

Opnieuw sprak Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati en zei: Gezegende, Tathāgata, Arhat, Volmaakt Verlichtte, vertelt u mij alstublieft over de zelf-aard van Boeddhaschap opdat wij Bodhisattva-mahāsattvas een goed begrip verwerven van de Tathāgata's zelf-aard, opdat zowel wij als anderen tot Ontwaken kunnen geraken.

De Gezegende zei: Mahāmati, vraag wat je wilt, ik zal antwoorden.
Mahāmati zei: Gezegende, moet ik de Tathāgata, die Arhat is, en Volmaakt Verlicht, beschouwen als geschapen of ongeschapen, als een oorzaak of als een gevolg; kan hij omschreven worden of niet? Is hij een uitdrukking of dat wat uitdrukking geeft; is hij kennis of dat wat gekend moet worden? Verschilt de Gezegende van al deze uitdrukkingen of niet?

De Gezegende antwoordde: Zo je al dergelijke woorden zou kunnen gebruiken om de Tathāgata, die Arhat is, en Volmaakt Verlicht, te omschrijven, dan moet gezegd worden dat hij noch geschapen, noch ongeschapen is, noch een oorzaak, noch een gevolg. Waarom is dat? Omdat je zo in de fout van dualistisch denken zou vervallen. Mahāmati, ware de Tathāgata iets gemaakts, dan zou hij impermanent zijn, in dat geval zou al het samengestelde(,dus impermanente,) Tathāgata zijn, hetgeen iets is dat noch ik, noch de andere Tathāgatas wensen. Ware de Tathāgata iets niet-samengestelds, dan zouden, daar zijn essentie het Resultaat is, alle voorbereidingen (op Tathāgataschap) zinloos zijn, ongeschapen, vergelijkbaar met hazehorens of het kind van een onvruchtbare vrouw. Mahāmati, dat wat noch oorzaak, noch gevolg is, is noch een zijnde, noch een niet-zijnde, en dat wat noch een zijnde, noch een niet-zijnde is valt buiten het tetralemma. Mahāmati, het tetralemma behoort de wereld toe. Dat wat buiten dat tetralemma valt is niet meer dan woorden, is als het kind van een onvruchtbare vrouw, want, Mahāmati, zo'n kind bestaat alleen in woorden, en (zowel de omschrijving ervan als de gedachte er aan) valt buiten het tetralemma. En daar het er buiten staat weten de wijzen dat het onmeetbaar is. Zo moeten de wijzen alle omschrijvingen van Tathāgata verstaan.

Ik heb verklaard dat alle dingen zelfloos zijn. Daarmee bedoel ik dat ze substantieloos zijn, vandaar: zelfloosheid (anatta). Wat ik (overigens ook) zeg is dat ieder ding zijn eigen individuele gestalte heeft, niet te vinden in een ander ding; een koe en een paard zijn niet hetzelfde. Mahāmati, ik zeg dat de (ware) aard van een koe en een paard noch van elkaar verschillen, noch niet van elkaar verschillen, vandaar: noch zijn, noch niet-zijn. Echter, geen van hen is zonder individuele kenmerken, elk heeft zijn eigen karakter. Mahāmati, zo is het met alle dingen, ze zijn niet zonder eigen individualiteit, ze zijn wat ze zijn, en dat is tegelijk de reden waarom de onwetenden en eenvoudigen van geest, gewend als ze zijn aan prapánca (obsessief onderscheiden), de betekenis van zelfloosheid niet vermogen te vatten; ze zijn inderdaad nog niet bevrijd van prapánca. En het is tegen deze achtergrond dat je mijn woorden over het sunyatā (ledig), ongeboren, en zonder zelf-aard zijn van alle dingen moet begrijpen.

En nu zien we hoe de Tathāgatas en de skandhas noch verschillend, noch niet-verschillend zijn. (Want) ware hij niet verschillend van de skandhas, dan zou hij, daar de skandhas een samengestelde, een composiet zijn, impermanent zijn (want composieten hebben de neiging uiteen te vallen). Zouden Tathāgata en skandhas verschillend zijn, dan zouden het twee verschillende entiteiten zijn, zoals de os gescheiden kan worden van zijn horens. Waar ze dezelfde gestalte (nl. sunyatā) hebben, zijn ze niet van elkaar verschillend, waar de een lang en de ander kort is (naar de maatstaven van het relatieve denken), zijn ze verschillend; zo zijn alle dingen. Daarom Mahāmati, (mag je zeggen dat) de rechterhoorn verschilt van de linker, en omgekeerd, (mag je zeggen:) de een is langer dan de ander. En hetzelfde geldt voor al die van elkaar te onderscheiden kleuren. Zo ook zijn de Tathāgata en de skandhas noch verschillend, noch niet-verschillend.

Op dezelfde manier doorredenerend kun je zeggen dat de Tathāgata noch verschilt, noch niet verschilt van bevrijding, (maar) het is geoorloofd hem te beschrijven in termen van bevrijding. Ware de Tathāgata verschillend van bevrijding, dan zou hij als een fysiek, vormhebbend object zijn, dan zou hij impermanent (sterfelijk) zijn. Ware hij niet verschillend, dan zou er geen verschil waar te nemen zijn met dat wat de yogin behalen. Maar, Mahāmati, het verschil (tussen Tathāgata en de yogin) is waar te nemen. Om al deze redenen moet je zeggen: er is verschil, noch geen verschil.

En daarom zeg ik: kennis is noch verschillend noch niet-verschillend van het gekende. Mahāmati, dat wat eeuwig noch niet-eeuwig is, oorzaak noch resultaat, resultaat-veroorzakend noch niet-resultaat-veroorzakend, het weten noch dat wat geweten kan worden, aangeduid noch dat wat aanduidt, skandhas noch verschillend van de skandhas, het tot uiting gebrachte noch dat wat tot uiting brengt, noch vereend in eenheid, noch in anderheid, in tweeheid, noch in niet-tweeheid - al dit is ver verwijderd van alle kwalificeren en kwantificeren. Dat wat ver verwijderd is van kwalificeren en kwantificeren is niet in woorden uit te drukken; dat wat niet in woorden uit te drukken is, is ongeboren; dat wat ongeboren is kan niet vergaan; dat wat niet vergaan kan is als het luchtruim, en, Mahāmati, het luchtruim is oorzaak noch gevolg. Dat wat oorzaak noch gevolg is, is niet-geconditioneerd. Dat wat niet geconditioneerd is gaat alle doelloze redeneren te boven; dat wat alle doelloze redeneren te boven gaat, is Tathāgata. Mahāmati, dit is de essentie van volmaakte verlichting; dit is de zelf-aard van Boeddhaschap - ver verwijderd van alle (in dualiteit opererende) zintuigen, van kwalificeren en kwantificeren.

Er wordt gezegd:
79. Dat wat vrij is van de zintuigen, van kwantificeren en kwalificeren is oorzaak noch gevolg; het is ver van zowel (relatieve) kennis als van dat wat gekend kan worden; het is ver van aanduiden en van dat wat aangeduid kan worden.

80. Want skandhas, voorwaardelijk ontstaan, en verlichting vallen (naar hun ware aard) door niemand waar te nemen; dat wat niemand kan waarnemen, - hoe kun je het aanduiden?

81. Dat (ongeconditioneerde) is gemaakt noch niet-gemaakt, oorzaak noch gevolg, skandhas noch niet-skandhas, noch iets anders dan deze (of soortgelijke) combinatie(s).

82. Het onderscheid-aanleggen is niet in staat het zijn ervan waar te nemen, doch er kan evenmin gezegd worden dat het niet bestaat; dat is de zelf-aard der dingen.

83. Spreek je over zijn, dan is er niet-zijn; spreek je over niet-zijn, dan is er zijn; daar niet-zijn niet vastgesteld kan worden, kan er ook niet over zijn gesproken worden.

84. Zij die slechts de woorden volgen, niet wetend wat bedoeld wordt met zelf-ziel en zelfloosheid, zijn ondergedompeld in dualisme; ze zijn verward en onvolmaakt, en leiden de onwetenden naar dezelfde verwarring en onvolmaaktheid.

85. Diegenen die mijn Dharma zien als vrij van alle bezoedelingen, die zien het goed, die brengen wereld-leiders (cakravartin) niet tot (morele) bezoedeling.

Toelichting bij tekst 52

Dit tekstgedeelte is bedoeld voor diegenen die, doordrongen van de onbeschrijfbaarheid en van het illusiegelijk zijn van alle dingen, al te gemakkelijk zouden vervallen in een zombie-achtige geestestoestand waaruit alle waardering voor en vreugde in het relatieve leven zijn verdwenen. Het geneesmiddel daartegen wordt hier aangereikt: ook al zijn alle fenomenen substantieloos, en in die substantieloosheid identiek aan elkaar, ze manifesteren zich nog wel degelijk als van elkaar te onderscheiden individuele gestalten, elk met zijn eigen karakter, nut en waardigheid. Het zijn deze woorden waar meester Zhiyi (5e eeuw) groot belang aan is gaan hechten.

— Tetralemma in deze passage staat voor een filosofisch construct opbouwen op basis van enigerlei van de vier geledingen van het tetralemma - als zelfstandige propositie - hetgeen fout is.

— De alinea beginnend met: "Op dezelfde manier voortgaand ..."
" ... ware de Tathāgata verschillend van bevrijding, ... zou hij impermanent (sterfelijk) zijn." De westerse boeddhistische wereld is over het algemeen opgevoed met de leer rond Shakyamuni Boeddha als sterfelijk wezen. Hij werd, zij het op wonderbaarlijke wijze geboren, en stierf zoals alle mensen doen. Mahāyana gaat echter uit van Boeddhaschap als zodanig waar de individuele Boeddha, rondgaand over de aarde, een manifestatie van is; ook al valt het lichaam uiteen, Boeddhaschap blijft bestaan, en derhalve kan van Boeddha niet gezegd worden dat hij sterfelijk is, maar ook niet dat hij onsterfelijk is. Ook hier zien we weer hoe de Lanka de Avatámsaka soetra's hoofdthema weerspiegelt. Opnieuw een citaat uit Zangen vanuit Tushita: "Vorm is Boeddha niet, / noch is hij dat wat hoorbaar is. / Doch, niet zonder vorm en stem / kan Boeddha's groot Vermogen waargenomen worden."

Vers 83. Hier wordt de Nagarjuniaanse redeneertrant toegepast. In zijn Mulamadhyāmakakārikā, het hoofdstuk over Het Onderzoeken van Condities (MKV(P)p.85; MKV(V)p.29) zegt Nāgārjuna (1e/2e eeuw) bijvoorbeeld:
"Wanneer dingen niet (beschouwd kunnen worden als) verrezen zijn(d), dan kun je ook niet spreken over ophouden (of verdwijnen). Spreek je (toch) over verdwijnen, wat zou daarvan dan wel de conditionerende factor kunnen zijn (anders dan dat wat verrezen is, hetgeen niet aantoonbaar is)! Daarom kun je ook niet spreken over een onmiddellijk onderliggende conditie."

Vers 85. Wereld-leiders, cakravartin. Dit vers toont aan dat Boeddhistisch meesters in het verleden, en soms vandaag, raadgevers van, laten we zeggen, regeringsleiders zijn geweest. Een cakravartin noemde zich een heerser die meende over de hele dan bekende wereld te regeren. Zo'n wereld strekte zich soms uit over wel heel de Ganges-vlakte, of heel Noord-Thailand, of heel Oost-Myanmar.




Tekst 53

Opnieuw sprak Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati en zei: Gezegende, Welgegane, vertelt u mij alstublieft over het volgende. De canon zegt dat de Gezegende noch onderhevig is aan geboorte, noch aan vernietiging. En u heeft gezegd dat deze verklaring Tathāgataschap aangeeft. Gezegende, wanneer u spreekt over noch onderhevig zijn aan geboorte, noch aan vernietiging, hebt u het dan over iets niet-bestaands? En is dat (,het niet-bestaande,) dan een andere naam voor Tathāgata, is dat de betekenis van de Gezegende's verklaring? De Gezegende leert ons dat alle dingen noch geboren zijn, noch vernietigd worden omdat ze niet in dualistische categorieën als zijn en niet-zijn vallen. Gezegende, als geen ding geboren (,ontstaan,) is, dan kan niemand ook maar enig ding (met de geest) omvatten omdat er geen ding geboren is; en als dat (,het niet-geborene,) een andere naam voor een ding is, wat kan dat ding, dat iets, dan wel zijn?

De Gezegende zei: Mahāmati, luister dan goed; ik zal spreken.
Gezegende, zei Mahāmati, ik zal luisteren, en hij luisterde.
Dit zei de Gezegende: Mahāmati, de Tathāgata is niet een niet-bestaande; maar je moet hem ook niet zien zoals je alle andere dingen ziet, dat wil zeggen noch geboren, noch verdwijnend, noch hoeft hij (de Tathāgata) zich bezig te houden met de zoektocht naar (de bron van) oorzakelijkheid; en het is ook niet zo dat hij zonder kenmerken is, (want) ik noem hem ongeboren. Nochtans, Mahāmati, wanneer we spreken over de Tathāgata's wilslichaam, dan gebruiken we een andere naam, en dit is iets dat voorbij het begrip van de geleerden, Toehoorders, en Zelf-Verlichtten gaat, en ook voorbij dat van de bodhisattvas die zich nog slechts op het zevende (van de 10 bodhisattva) stadium bevinden. Mahāmati, "het ongeborene" is die andere naam, een synoniem voor Tathāgata.

Mahāmati, ik geef een voorbeeld: Indra gaat soms onder de naam Sakra, (en soms onder die van) Puràndara. Hand kun je hand noemen, maar ook vuist of jat. Het lichaam heet lichaam, maar ook lijf of corpus. Aarde is aarde, maar ook grond of land. De hemel kun je ook lucht, ruimte of zwerk noemen. Deze (3) dingen hebben ieder meer dan een synoniem, terwijl die synoniemen niettemin onderling afwijken. Toch moet je niet aan de hand van deze (drie) synoniemen gaan denken dat dat ene fenomeen (in feite) drie fenomenen zijn, en je moet ook niet denken dat geen van hen individuele aard heeft. Besef dat dit voor mij evenzo geldt, want mijn naam is binnen gehoorsafstand der onwetenden die deze wereld van geduldig verduren bewonen; ze horen mij in een veelheid aan namen: honderdduizenddrie-keer-ontelbare, en ze richten zich tot mij, me aanroepend met een van deze namen, niet wetend dat het alle synoniemen zijn voor Tathāgata. Onder hen, Mahāmati, zijn er die me herkennen als Tathāgata, anderen noemen me de In-Zichzelf-Bestaande, weer anderen noemen me de Leider, de Verwijderaar (of Bevrijder: Vināyaka), of Gids (Parināyaka), Boeddha, Ziener (Rsi), Stier onder de Koningen, Brahma, Vishnu, Ísvara, Pradhana, Kāpila, Eind van de Realiteit (Bhutanta), Arishta, Nemina, Maan (Soma), Zon (Soeria), Rama, Vyāsa, Suka, Indra, de Krachtige (Balin), Varuna - zo wordt ik hier en daar genoemd. Dan zijn er ook nog die me een van de volgende namen geven: Een die niet Geboren is noch Heengaat, Ledigheid (sunyatā), Zoheid, Waarheid, Realiteit, Eind aan de Realiteit (Bhutakoti), Dharmadhātu, Nirvāna, het Eeuwige, Eenderheid, Niet-dualiteit, het Ongeborene, het Vormloze, Oorzakelijkheid, Leer van Boeddha-oorzaak, Bevrijding, Waarheid van het Pad, de Al-wetende, Overwinnaar, of het Wilsgeschapen Bewustzijn. Mahāmati, zo heb ik dan, in deze wereld en in andere, een volle honderdduizenddrie-keer-ontelbare aanduidingen, niet meer, en niet minder, en zo sta ik dan onder de mensen bekend, ben ik als de maan in het water: noch er binnen, noch er buiten. En alhoewel de onwetenden me eren, prijzen, en hoogachten begrijpen ze de betekenis en omschrijving der woorden niet goed; ze zien niet dat het (maar) ideeën zijn, zonder eigen waarheid, en, zich hechtend aan de (letter der) heilige boeken verbeelden ze zich voorbij geboorte en dood te zijn, in de zin van een niet-bestaande, en zo zien ze niet dat het maar om een van Tathāgatas' vele namen gaat, als in het geval van Indra, Sakra, en Purandara. Ze hebben geen vertrouwen in de teksten waar de Solitaire (van niets afhankelijke) waarheid wordt onthuld, want in hun bestudering der fenomenen volgen ze enkel woorden, en proberen daar de betekenis uit te peuren. En zo komt het, Mahāmati, dat deze verblindden verklaren dat woorden betekenis zijn, en betekenis woorden. Waarom? Omdat betekenis corpusloos is en niet verschillend kan zijn van woorden. (Maar) Dat de onintelligenten verklaren dat woorden identiek gelijk zijn aan de betekenis komt omdat ze onwetend zijn over de zelf-aard van woorden. Mahāmati, ze weten niet dat woorden ontstaan en vergaan, maar dat het anders ligt met betekenis. Mahāmati, woorden zijn afhankelijk van letters, maar betekenis is dat niet. Daar betekenis vrij staat van bestaan of niet-bestaan is het ongeboren, heeft het geen substraat (onderliggende bestaansgrond). En, Mahāmati, de Tathāgatas onderwijzen niets dat steunt op letters. Ook van letters moet gezegd worden dat hun bestaan of niet-bestaan niet aan te duiden valt. Anders ligt dat met die gedachten die nooit steunen op letters (woorden). Mahāmati, wie ook maar een waarheid verkondigt die van letters (woorden) afhangt babbelt maar wat, want waarheid bevindt zich voorbij letters (woorden). Daarom, Mahāmati, wordt er gezegd dat er in mijn leerredes en die van andere Boeddhas en Bodhisattvas nooit een woord gesproken is, nooit een vraag is beantwoord. Waarom niet? Omdat waarheden niet van letters afhankelijk zijn. Dat betekent niet dat ze (Boeddhas en Bodhisattvas) nooit iets verklaren dat overeenstemt met de betekenis; wanneer ze verklaringen afleggen is dat omdat er (in de wezens) onderscheid-aanleggen is. Mahāmati, ware de Waarheid niet verklaard (en vastgelegd in woorden), dan zouden de leerredes die alle waarheden omvatten verdwijnen, en wanneer de leerredes verdwijnen dan zijn er geen Boeddhas, Toehoorders, Zelf-Verlichtten en Bodhisattvas meer, en wanneer er niemand (van hen) meer is, wat zal er dan onderwezen worden, aan wie? Mahāmati, daarom moeten de Bodhisattva-mahāsattvas niet gehecht raken aan de woorden waarmee de canon werd vastgelegd.
Mahāmati, omdat verschillende wezens verschillend denken, wijken de vastgelegde leerredes soms van hun rechttoe-rechtane koers af. Door mij en door andere Tathāgatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht, wordt de Dharma verklaard in overeenstemming met de geloofssystemen die wezens aanhangen, en we doen dat om hen te bevrijden van de citta, manas en manovijñāna, en we doen het niet om de zelf-realisatie te vestigen die uit nobele wijsheid voortkomt. Zodra er de (h)erkenning is dat alle dingen gekarakteriseerd worden door zonder-beelden-zijn (anímitta), en dat er geen wereld is dan in en uit bewustzijn zelve, dan is er een opzij zetten van het dualistische onderscheid-aanleggen. Daarom, Mahāmati: laten de Bodhisattva-mahāsattvas in overeenstemming zijn met de betekenis, niet met de letter.

Mahāmati, een zoon of dochter van goede familie die (louter) in overeenstemming is met de letters zal zijn of haar begrip van de Hoogste Werkelijkheid teniet doen, en zal anderen weerhouden een erkenning van de Waarheid te verkrijgen. Wanneer je voortgaat verkeerde opinies te koesteren, dan raakt wat je zelf voor waar houdt in wanorde door (de verklaringen van) geleerden die niet goed begrijpen wat de stadia van de Dharma karakteriseert, en die (bovendien) geen correcte kennis hebben inzake de interpretatie van woorden. Hebben ze wel een goed begrip van wat de stadia van de Dharma karakteriseert, en zijn ze welvoorzien van de juiste interpretatie der woorden en uitdrukkingen (gebruikt om de Dharma te verkondigen), hebben ze wel een goed begrip van de betekenis en (onderliggende) redenen voor alle dingen, dan zullen ze zelf, en op de juiste wijze, de vreugde van vormloosheid smaken, terwijl weer anderen (onder hen) correct gevestigd zullen raken in de Mahāyana. Mahāmati, zijn ze dan eenmaal op de juiste wijze omarmd (of omringd) door de Mahāyana, dan, Mahāmati, zijn ze omarmd door alle Boeddhas, Toehoorders, Zelf-Verlichtten, en Bodhisattvas, en zo omarmd zijnd zullen zij, op hun beurt, alle wezens omarmen. Alle wezens omarmend, omarmen ze de Goed Dharma (Saddharma); en eens de Goede Dharma omarmd zal het zaad voor Boeddhaschap niet vernietigd raken, en is het zaad voor Boeddhaschap niet vernietigd, dan zullen uitmuntende verblijfplaatsen bereikt kunnen worden. Mahāmati, zijn deze verblijfplaatsen eenmaal bereikt, dan zullen de (daar verblijvende) Bodhisattva-mahāsattvas er op toe zien dat allen, eenmaal in de Mahāyana verblijvend, daar geboorte vinden, en, zich sterk makend met de tien bovennatuurlijke (Boeddha- en Bodhisattva-) vermogens, een variëteit aan vormen aannemend, zullen ze de Dharma verklaren overeenkomstig de ware aard (tathātva) ervan; ze zullen de Dharma verklaren met een diepgaande kennis der wensen en karakteristieken van alle (individuele) wezens. Ik zeg dat de ware aard (tathātva) der dingen wordt gekarakteriseerd door niet-onderscheiden en juistheid (waarheid); ik zeg dat ze noch komt, noch gaat, dat ze een eind brengt aan alle loze redeneren, en dat ze de Waarheid (of Zoheid, tattvam) wordt genoemd.

Mahāmati, laten de zonen en dochters van goede familie er goed op letten niet gehecht te raken aan woorden als waren ze in perfecte overeenstemming met de betekenis, want waarheid zit niet in letters. Wees niet als hen die kijken naar de vingertop. Want, Mahāmati, wanneer een persoon iemand anders iets aanwijst, er naar wijst met zijn vinger, dan kan de aangesprokene de vinger voor het aangewezene houden. Mahāmati, zo is het ook met de onwetenden en eenvoudigen van geest - een onvolwassen categorie: tot op hun doodsbed zullen ze volhouden dat betekenis schuilt in de vinger, in de woorden; de ultieme realiteit zullen ze niet bevatten omdat ze zo gehecht zijn aan die vinger, die woorden. Mahāmati, ik geef een ander voorbeeld: gekookte rijst is het juiste voedsel voor kleine kinderen, maar niettemin zet iemand hen ongekookte rijst voor. Zo iemand is van zijn verstand beroofd; hij weet niet hoe je fatsoenlijk voedsel moet bereiden. Vergelijk dat met dat waarop de woorden "geboorte" of "vernietiging" niet van toepassing. Mahāmati, dit (hoogste principe) zal zich aan niemand tonen, tenzij die persoon er (uit eigen praktijk en ervaring) zeer mee vertrouwd is. Daarom moet je jezelf hier in trainen en moet je niet zijn als iemand die de vinger (de woorden) voor de betekenis aanziet. Daarom, Mahāmati, disciplineer je opdat je tot aan de betekenis zelve geraakt.

Mahāmati, alleen de betekenis staat op zichzelf (is Solitair, vivikta), en het is de oorzaak voor nirvāna. Woorden zijn verbonden met onderscheid-aanleggen en ondersteunen de voortgang doorheen (het wiel van) geboorte en dood. Mahāmati, betekenis verkrijg je uit grote geleerdheid, en, Mahāmati, deze grote geleerdheid betekent dat je vaardig bent met betrekking tot de betekenis, niet tot die der woorden. Vaardigheid met betrekking tot de betekenis betekent een inzicht hebben dat niet overeenkomt met die der filosofische scholen, een inzicht dat niet alleen jezelf maar ook anderen behoedt voor terugval (uit de Boeddha-Dharma). Daarom, Mahāmati, heb ik dit gezegd teneinde je aan te sporen grote geleerdheid te ontwikkelen naar de betekenis (en niet naar die der woorden). Daarom, laat hen die op zoek zijn naar de betekenis met respect diegenen benaderen (die deze kennis hebben). Echter, diegenen die gehecht zijn aan de woorden, en daarvan denken dat ze de betekenis omvatten, die moeten de waarheids-zoekers schuwen.

Toelichting bij tekst 53

— Bij de eerste alinea. Ook hier wordt de Nagarjuniaanse logica toegepast waarbij op tegengesteldheden, of op elkaar contrasterende fenomenen, het reductio ad absurdum wordt toegepast.

— Bij de derde alinea. De nederlandse weergave van verschillende woorden voor diverse lichaamsdelen komt uiteraard niet overeen met de exacte betekenis van het Sanskriet-voorbeeld.
. De wereld van geduldig verduren. Dit is een aanduiding die veel gebruikt wordt wanneer gesproken wordt over de laatste der Boeddha-Dharma-tijden, een tijd die voorafgaat aan het op aarde verschijnen van Boeddha Maitreya.

— Bij de alinea waarin Boeddha's namen worden opgesomd.
. De serie namen beginnend met "Brahma" en eindigend met "Varuna".
Een aantal van deze namen zouden we eerder in het Hinduisme zoeken. Met name de naam Vishnu werpt vraagtekens op, daar er van uitgegaan wordt dat pas vanaf de 8e eeuw Boeddha een avatar van Vishnu werd genoemd. De vermelding van deze naam in dit hoofdstuk zou dan twee dingen kunnen betekenen: 1/ boeddhistische meesters kampten al in de 5e-6e eeuw met hinduistische kapers-pogingen, of, 2/ (delen van) het derde hoofdstuk is (of zijn) een latere toevoeging. Wat pleit voor deze laatste aanname is dat een aantal hoofdthemas uit het derde hoofdstuk, zoals nirvāna, al in het tweede tot een concluderend einde werden gebracht.
. Het woord pradhána.
Voor de betekenis van dit woord kunnen we op dit moment slechts een woordenboek voor het klassieke Sanskriet raadplegen; zo'n woordenboek geeft over het algemeen de termen weer zoals die in Brahmanisme of Hinduisme gebruikt worden. Dat maakt de interpratie van dit woord, zodra het in een boeddhistische tekst opduikt, er niet gemakkelijker op. Pradhána wordt dan gegeven als "het hoogste ding, of de hoogste persoon", "het essentiele deel van iets", "de oorspronkelijke bron van de ervaarbare wereld", en "het principe van nog niet in werking getreden materie of natuur." In het licht van Boeddha's verklaring over het ongeborene, niet-stervende, kiezen we dan hier voor de laatste interpretatie: het principe van het nog niet in werking getredene.

— De alinea beginnend met: "Mahāmati, ik geef een voorbeeld:"
" Door mij en door andere Tathāgatas ... we doen het niet om de zelf-realisatie te vestigen die uit nobele wijsheid voortkomt." Dit zinsdeel lijkt op twee manieren te kunnen worden uitgelegd. Ze kan betekenen dat de Tathāgatas, die de zelf-realisatie al behaald hebben, dat niet nog eens opnieuw behoeven te doen, ze kan ook betekenen dat de Dharma aan niet-Boeddhisten wordt aangeboden zonder hen te forceren in de richting van een aanvaarden en realiseren van het hoogste doel van Boeddhisme.

— De alinea beginnend met: "Mahāmati, een zoon of dochter ..."
De hier genoemde uitmuntende verblijfplaatsen worden ook wel geïnterpreteerd als "Boeddhalanden": ofwel uitmuntende praktijken die zonder omwegen naar Boeddhaschap leiden, ofwel bestaans-sferen waar de daar verblijvenden op een gemakkelijke wijze verder kunnen cultiveren tot aan Boeddhaschap.

— De alinea beginnend met: "Mahāmati, alleen de betekenis ..."
Het is mogelijk dat de auteur hier preludeert op een van de zangen uit de Tien Stadia, onderdeel van de Avatámsaka soetra: "... Dan bedenkt zo'n bodhisattva (die bevrijding van alle wezens nastreeft) het volgende: "Het middel om dit tot stand te brengen kan nergens anders gevonden worden dan in die sfeer waarin er kennis over ongelimiteerde bevrijding is; en kennis over ongelimiteerde bevrijding ligt nergens anders dan in de wetenschap dat alle dingen zijn zoals ze zijn; en de wetenschap dat alle dingen zijn zoals ze zijn wordt nergens anders gevonden dan in de alles overstijgende kennis over het niet-geconditioneerde, het niet-geschapene/niet-ontstane; en dAt grote licht van kennis vind je nergens anders dan in het contemplerende, analytische intellect dat vaardig is in meditatie; en die contemplatie door het analytische intellect dat vaardig is in meditatie komt nergens anders tot stand dan in gewiekstheid in leren"."




Tekst 54

Nu opnieuw sprak Mahāmati, die Boeddha's bovennatuurlijke krachten had verkregen. Hij zei: Er is niets waarmee de Boeddha's leer over het ongeborene en het niet-vergane zich onderscheidt (van andere denksystemen). Waarom niet? Omdat, Gezegende, ook de geleerden verklaren dat hun respectieve Oorzaak ongeboren is en onvernietigbaar. En ook u, Gezegende, zegt dat Volkomen Uitdoving (apratisamkhya nirodha) en Nirvāna ongeboren zijn, en onvernietigbaar. Gezegende, de geleerden verklaren dat de wereld verrijst uit zowel een veroorzaker als uit het veroorzaken, terwijl ook de Gezegende verklaart dat de wereld verrijst uit onwetendheid, gehechtheid, handelen, en onderscheid-aanleggen die opereren volgens de wetten der oorzakelijkheid. Beide (de geleerden en de Gezegende) spreken derhalve over oorzakelijkheid, ook al gebruiken ze verschillende woorden.

Derhalve, wanneer er sprake is van verrijzen van externe fenomenen hebben u en de geleerden het over externe oorzakelijkheid. Daarom, Gezegende, is er tussen uw leer en die der geleerden geen verschil. (Er zijn er voorts die zeggen dat) negen substanties beschouwd moeten worden als ongeboren en onvernietigbaar: atomen, het hoogste ding of de hoogste persoon (pradhána), Isvara, Prajapati (de Schepper), en zo verder. En u, Gezegende, zegt dat alle fenomenen noch geboren, noch vernietigbaar zijn omdat er over hun zijn of niet-zijn niets gezegd kan worden. (Ik begrijp dat,) waar de elementen niet vernietigd kunnen worden, hun zelf-aard noch geboren, noch vernietigbaar is, maar dat, terwijl ze diverse stadia van transformatie doorlopen, dat wat hun essentieele aard uitmaakt niet verloren gaat. Gezegende, hoewel uw opvatting over de elementen in vorm mag afwijken, het is een verbeeldde, zowel door u als door de geleerden; daarom is er in uw leer niets dat afwijkt (van die der geleerden). Als er iets is waarin de Tathāgata's leer afwijkt van die der geleerden, en er boven uit rijst, vertelt u mij dat dan alstublieft. Gezegende, als uw leer op geen enkel punt afwijkt, dan kunnen we zeggen dat er een zekere mate van Boeddhaschap is in de leer der geleerden, want in hun leer is er een oorzaak die het ongeboren en onvernietigbare aanduidt. De Gezegende heeft gezegd dat vele Tathāgatas niet gelijktijdig en in hetzelfde deel van de wereld geboren worden, maar als de wet van oorzaak en gevolg correct is waar het zijn en niet-zijn aangaat, en wanneer uw doctrine onweerlegbaar is, dan moeten er vele Tathāgatas zijn (die gelijktijdig en in hetzelfde deel van de wereld geboren worden).

De Gezegende antwoordde: Mahāmati, wat ik te zeggen heb over het ongeborene en het niet vernietgbare is niet te vergelijken met wat de geleerden zeggen wanneer ze hetzelfde onderwerp behandelen. Noch lijkt het op hun doctrine over geboorte en vergankelijkheid. Waarom is dat zo? Omdat datgene waaraan de geleerden de karakteristieken van niet-geboorte en onveranderlijkheid verlenen de zelf-aard van alle dingen is; echter, mijn leer valt niet in de dualistische visie over zijn en niet-zijn. Mijn leer, Mahāmati, gaat voorbij het dualisme van zijn en niet-zijn; ze heeft niets te maken met geboorte, verblijven, en vernietigen, ze is bestaand noch niet-bestaand. Wat bedoel ik met niet-bestaand? Het betekent dat de veelheid aan fenomenen gezien moet worden als Māyā-gelijk, als dromen; ik zeg (daarom) dat het niet niet-bestaand is. Waarom is dat alles niet bestaand? Omdat er geen karakteristieke kenmerken waar te nemen vallen als behorend tot de zelf-aard der fenomenen; die fenomenen worden gezien (als relatief bestaand) en (tegelijkertijd) niet-gezien (want niet-bestaand in ultieme zin). Daarom zeg ik dat fenomenen bestaan en niet-bestaan.

Maar wanneer er het begrip is dat alles in de wereld in en uit bewustzijn zelve is, dan verrijst er geen onderscheid-aanleggen meer, en is men op die manier gevestigd in een eigen verblijfplaats: de verblijfplaats van niet-handelen. De onwetenden handelen en onderscheiden (discursiveren); de wijzen doen dat niet. Mahāmati (de onwetenden) onderscheiden onwerkelijkheden, verwarde onwerkelijkheden: de (niet bestaande hemelse) steden der Gandharvas, of door illusie geschapen figuren. Mahāmati, het volgende ter illustratie: Er is de stad van de Gandharvas waarin (aardse) kinderen voorgetoverde mensen zien; ze zien kooplui en vele andere mensen die de stad binnengaan en er weer uit komen, en ze denken dat dit allemaal echte mensen zijn. Alleen omdat ze zich dit verbeelden, verward verbeelden, zien ze dergelijke dingen. Mahāmati, zo hebben ook de onwetenden een verwarde perceptie over geboorte en niet-geboorte. In werkelijkheid is er niets gemaakt of niet-gemaakt, is alles als het ontstaan van voorgetoverde mensen die geboren noch vernietigd zijn, want hier is geen sprake van bestaan of niet-bestaan. Zo heeft geen fenomeen betrekking op geboren worden of vernietiging, maar de onwetenden koesteren verkeerde ideeën en stellen zich ontstaan en vergaan van fenomenen voor. Echter, dat is niet zoals de wijzen het zien. Met "verkeerde ideeën" bedoel ik dat fenomenen niet worden beoordeeld zoals ze in zichzelf zijn. Ze zijn niets anders (dan Zo). Wanneer het waarnemen iets anders ziet dan Zoheid, dan is er gehechtheid aan het idee dat alle fenomenen zelf-aard bezitten, dan wordt dat wat Solitair (vivikta) is niet waargenomen, en wanneer het Solitaire niet wordt waargenomen is er (voor het meditatieve oog) geen verdwijnen van onderscheid-aanleggen. Het is daarom, Mahāmati, dat inzicht in vormloosheid boven alles gaat; inzicht in vorm doet dat niet, want vorm is de oorzaak van (weder)geboorte, daarom gaat het niet boven alles. Mahāmati, vormloosheid is het verdwijnen van onderscheid-aanleggen (of, nadat onderscheid-aanleggen verdwenen is blijft (de meditatieve staat van) vormloosheid over).

Mahāmati, (het woord) nirvāna staat voor het schouwen in de sfeer van de werkelijkheid zoals ze is. En wanneer er, samen met de revolutie in het gehele mentale systeem (citta-caitta-kalápa) de Tathāgata's zelf-realisatie werkelijkheid is geworden - dankzij de inzet van nobele wijsheid -, dan noem ik dat nirvāna.

Er wordt gezegd:
86. Teneinde (het concept)geboorte te verwijderen en (het concept van) niet-geboorte te bereiken, onderwijs ik dat er niet-oorzakelijkheid is. Echter, de onwetenden begrijpen dit niet.

87. Al dit is ongeboren, maar dat betekent niet dat er geen fenomenen zijn; ze moeten gezien worden als waren ze de (hemelse) stad der Gandharvas, een droom, of illusiegelijk. Er zijn fenomenen, maar (de term) oorzakelijkheid is niet van toepassing.

88. (Vraag:) Vertel me over het ongeborene, dat wat geen zelf-aard bezit, dat wat ledig (sunyatā) is. (Antwoord:) Worden dingen in wijsheid gezien dan is "samenstellen" er niet op van toepassing. Daarom zeg ik dat ze ledig zijn, ongeboren, en zonder zelf-aard.

89. Men denkt dat er een samenkomen (van samenstellende onderdelen) is; de wereld lijkt te bestaan, maar in werkelijkheid is bestaan (een woord dat) niet toepasbaar (is). Zoals de geleerden het zien is het niet; is samenstellen opgehouden, dan valt er niets meer waar te nemen (waarvan gezegd kan worden dat het zelf, substantie bezit).

90. Als een droom, een haarnet, Māyā, de stad der Gandharvas en een luchtspiegeling die oorzaaksloos aan ons verschijnen, zo zijn de vele dingen op de aarde.

91. Het ongeboren-zijn is aantoonbaar, wordt dit (aspect van de Boeddha-Dharma) uiteengezet, dan is er geen eind aan mijn Dharma-oog. Verklaart iemand oorzaaksloosheid dan zijn de geleerden (die afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan niet kennen) ontzet.

92. (Mahāmati:) Hoe verschijnt de theorie over oorzaaksloosheid? Wie verklaart ze, en waar, en waarom?
(De Gezegende:) Wanneer de samengestelde dingen (samskrta) worden gezien als noch onderhevig, noch ontstegen aan oorzakelijkheid, dan is de geleerden's opinie over ontstaan en vergaan terzijde gesteld.

93. (Mahāmati:) Is niet-zijn het ongeborene of heeft niet-zijn oorzakelijkheid nodig (om er ueberhaupt over te kunnen spreken)? Of is niet-zijn de naam van een zijnde dat werkelijkheid ontbeert? Vertelt u mij dit alstublieft.

94. (De Gezegende:) Niet-zijn is niet het ongeborene; het kan het ook stellen zonder oorzakelijkheid; het is niet een naam voor iets, noch is het een naam van iets dat werkelijkheid ontbeert.

95. Hier is een werkelijkheid die noch behoort tot de Toehoorders, noch tot de Zelf-Verlichtten, noch tot de geleerden. Noch behoort die werkelijkheid de Bodhisattvas toe die zich (nog) in het zevende stadium bevinden. Dit is karakteristiek voor het ongeborene.

96. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) het opzij zetten van opinies over oorzaak en conditie, (2) het opgeven van de idee over iets dat veroorzaakt, (3) het vestigen van Enkel-Bewustzijn.

97. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) het verwijderen van (het idee over) oorzakelijkheid, (2) het verwijderen van zowel het verbeeldde als het verbeelden, (3) bevrijd zijn van de tegengestelden van zijn en niet-zijn.

98. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) de geest bevrijd van de wereld-van-objecten, (2) het vrij zijn van de twee (eerste) svabhāvas, (3) een revolutie aan de basis van het bewustzijn.

99. Geen extern (buiten het bewustzijn) bestaan, geen niet-bestaan, zelfs niet het grijpen van de geest; een droom, een haarnet, Māyā, de stad der Gandharvas, een luchtspiegeling, het achterlaten van alle filosofische opinies - dit karakteriseert het ongeborene.

100. Zo moeten ook deze (volgende) woorden begrepen worden: ledigheid, zonder zelf-aard zijn. Echter, ledigheid is niet ledig in de zin dat er iets ontbreekt, nee, ledigheid is het ongeborene (het zelf- of ensloze).

101. Een systeem (of samengestelde) kan verrijzen of verdwijnen als gevolg van oorzakelijkheid; waar er een uiteenvallen van een systeem (of samengestelde) is, daar is noch geboorte (verrijzen), noch verdwijnen (vernietigen).

102. Wanneer er temidden van zo'n systeem een (van de samenstellende delen) uiteenvalt, dan, volgens de geleerden, houdt zo'n bestaan, dat gekend wordt als eenheid of afgezonderdheid, op (te bestaan).

103. (Maar) niets is ontstaan, zijn is niet, niet-zijn is niet; nergens kun je iets vinden dat zowel zijn als niet-zijn is; alleen wanneer er een systeem is, verrijzen dingen en vallen ze uiteen.

104. Alleen wanneer het nodig is om binnen het kader van relatieve waarheid te spreken, heb ik het over een keten van onderlinge afhankelijkheid; het is nodeloos te spreken over (weder)geboorte (of ontstaan) wanneer die keten doorbroken is.

105. Daar niets als aanjager gekend kan worden is er het ongeborene, vrij van de vergissingen die de geleerden daaromtrent maken. Ik spreek hierover wanneer ik mij moet begeven in de sfeer van relatieve waarheid, alleen dan heb ik het over een sequentie, en dit is iets dat de onwetenden niet begrijpen.

106. Als er al ergens iets ontstaan is buiten die sequentie (buiten die keten van voorwaardelijk ontstaan), dan is er hier een (d.w.z. ikzelf) die je mag beschouwen als een advokaat van niet-oorzakelijkheid, want hij (ik, Boeddha,) vernietigt die sequentie (maakt een einde aan wedergeboren worden).

107. Als zo'n sequentie werkt als een lamp die alle dingen aan het daglicht brengt, dan betekent dat, dat er zich iets (een aanjager) buiten die sequentie bevindt.

108. Geen fenomeen heeft zelf-aard, dingen zijn ongeboren, en naar hun ware aard zijn ze als het luchtruim; dingen die zich buiten de keten zouden bevinden, dat is de verbeelding der onwetenden.

109. Er is een andere vorm van het ongeborene: de zelf-essentie der fenomenen zoals de wijzen dat realiseren; ontstaan ervan is niet-ontstaan, en in dit niet-ontstaan ligt de herkenning (van verlichting).

110. Wordt deze hele wereld gezien als een sequentie, en niets dan een sequentie, dan verblijft de geest in ruste.

111. Onwetendheid, begeerte, karma (handelen) en dergelijke vormen de innerlijke schakels; een lepel, klei, een pot, een wiel, of zaden, de elementen en dergelijke, dat zijn de uiterlijke schakels.

112. Als er enig ander bestaan is dat ontstaat uit zo'n aaneenschakeling, dan is dat niet in overeenstemming met de theorie over aaneenschakeling, dan worden de regels van juist filosoferen niet toegepast.

113. Indien een object tot ontstaan komt en niettemin niet bestaat, hoe, met behulp van welke oorzaakstheorie, kun je het dan herkennen? Dingen zijn er op basis van onderling afhankelijk ontstaan, dat is de reden voor de term afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan (of oorzakelijkheid, maar dan gezien vanuit boeddhistisch perspectief).

114. Temperatuur, vocht, beweeglijkheid, vastheid (d.w.z. de vier elementen) - de onwetenden onderscheiden dergelijke zaken; er is een systeem van onderlinge relatie, geen ding bestaat op zichzelf, vandaar dat ik het begrip zelf-aard (ziel of substantie) ontken.

115. Een arts dient medicijn toe afhankelijk van de ziekte, hoewel er in principe (van genezen als zodanig) geen verschil is; het verschil is er afhankelijk van de variëteit aan ziekten.

116. Zo ook genees ik generaties wezens van hun lijdensvolle passies; ik geef ze mijn Dharma als medicijn, met inachtneming van de kracht van hun geest (d.w.z. van hun meer of minder koppig vasthouden aan verkeerde meningen).

117. Mijn Dharma is altijd gelijk, maar de passies en geestkracht in de wezens verschillen. Er is slechts Een Voertuig. Verheven is het Achtvoudige Pad.

Toelichting bij tekst 54

— Vierde alinea, de "verblijfplaats van niet-handelen." Eerder vroegen we ons af wat met "verblijfplaats" wordt bedoeld. Hier zien we dan dat dit woord staat voor een geestestoestand, of meditatieve sfeer.




Tekst 55

Toen zei Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati tot de Gezegende: Vergankelijkheid, vergankgelijkheid, dit is een onderscheiding der geleerden. En ook u, Gezegende, verklaart in de canonieke teksten dat alle samengestelde dingen vergankelijk zijn, onderhevig aan geboorte en dood (ontstaan en vergaan) - dat is hun aard. Echter, Gezegende, is dit juist of verkeerd? En, Gezegende, hoeveel soorten vergankelijkheid zijn er?

De Gezegende zei: Mahāmati, de geleerden onderscheiden zeven soorten vergankelijkheid, ik echter doe dat niet. Wat zijn die zeven (die de geleerden postuleren)? Er zijn er die zeggen dat er eerst ontstaan is, en dan vergaan, dat is hun vergankelijkheid. Dat wil zeggen, Mahāmati, eerst wordt er iets geboren en vervolgens houdt dat op te bestaan - zo zien ze dat.
Anderen verklaren vergankelijkheid als verandering van vorm (rūpa). Anderen zeggen dat vorm (of materie als "ruwe grondstof") zelf vergankelijk is.
Anderen verklaren dat vergankelijkheid schuilt in het voortdurend veranderen van vorm; ze zeggen dat er in een voortdurend, ononderbroken bestaan van alle dingen een verandering plaats vindt in hun natuurlijke smaak (voorkomen). Bijvoorbeeld: melk verandert in zure melk. Zo'n onzichtbare ontbinding, zeggen ze, vindt plaats in alle dingen - en dit noemen ze vergankelijkheid.
Anderen stellen zich voor dat er een objectief (vormhebbend) bestaan (bhāva) is, en dat noemen ze vergankelijk.
Anderen zeggen dat bestaan en niet-bestaan vergankelijk zijn.
Weer anderen zeggen dat ongeboren-zijn vergankelijk is omdat alle dingen vergankelijk zijn, en omdat vergankelijkheid inherent is aan alle dingen.

Mahāmati, met vergankelijkheid die voorkomt in bestaan en niet-bestaan wordt bedoeld dat de uit de elementen samengestelde dingen van nature onderhevig zijn aan vergaan, en ook dat ze, die samengestelde dingen, niets mentaal of fysiek tastbaars in zich bergen, terwijl de elementen zelve onbeweeglijk zijn.

Met vergankelijkheid die niet-geboorte is, wordt bedoeld dat er noch permanentie, noch impermanentie is; het betekent dat in geen ding een evolutie van zijn naar niet-zijn (en omgekeerd) plaatsvindt, en dat niets als (substantieel) bestaand wordt waargenomen, zelfs niet in het laatst vindbare atoompje. Dit niet zien van wat dan ook is een andere naam voor "niet-geboren", niet voor "geboren". Dit, Mahāmati, is de aard van vergankelijkheid die "niet-geboren" is, en daar ze dit niet begrijpen koesteren de geleerden de idee dat vergankelijkheid (uitsluitend) samenhangt met geboorte.

Verder, Mahāmati, met "vergankelijkheid als vormhebbend bestaan" wordt bedoeld dat er in de geest der geleerden een onderscheid-aanleggen is met betrekking tot de concepten "permanent" en "impermanent" (onvergankelijk en vergankelijk). Wat heeft dat te beduiden? Het betekent dat er een als zodanig onvernietigbaar ding wordt verondersteld dat vergankelijkheid genoemd wordt. Dat ding zorgt er dan voor dat alle dingen vergaan (verdwijnen, sterven). Ware deze vergankelijkheid er niet, dan zouden dingen niet verdwijnen. Vergelijk het met een stok of een steen, of met een hamer die andere dingen stukslaat maar zelf heel blijft. (Dit is de visie van geleerden,) maar wanneer we werkelijk om ons heen kijken dan nemen we nergens zo'n wederzijdse differentiatie waar die ons er toe zou kunnen brengen te zeggen dat hier vergankelijkheid de oorzaak is, en dat dingen verdwijnen als gevolg van (het werken van) vergankelijkheid. Zo'n differentiatie naar oorzaak en gevolg is er niet; we kunnen niet zeggen: hier is de oorzaak: vergankelijkheid, en daar is het gevolg. Wanneer we dan vaststellen dat er geen differentiatie naar oorzaak en gevolg is, dan zijn alle dingen permanent, want er bestaat geen oorzaak die het anders zou kunnen doen zijn. Mahāmati, het verdwijnen van alle dingen heeft een oorzaak, maar de onwetenden en eenvoudigen van geest begrijpen het niet. Wanneer een oorzaak naar zijn aard verschilt (van het gevolg), dan wordt geen (gelijkaardig) gevolg geproduceerd. Zou dat wel zo zijn, dan is de vergankelijkheid van alle dingen (te zien als) een voorbeeld van een niet-gelijkaardig gevolg, en dan is er geen verschil tussen oorzaak en gevolg. Niettemin wordt aan de dingen oorzaak en gevolg waargenomen. Als er al een bestaande is dat de naam vergankelijkheid verdient, dan heeft het (automatisch) de karakteristiek van een gevolg-producerende oorzaak, en dragen alle dingen een en dezelfde entiteit in zich. Koestert iemand de idee dat er een oorzaak-producerend gevolg is, dan betekent dit dat vergankelijkheid de oorzaak is van vergankelijkheid, want het draagt de aard van het (hiervoor genoemde) gevolg in zich: vergankelijkheid. Dan kun je van geen ding zeggen dat het onvergankelijk is, maar moet je zeggen dat het vergankelijk is.

Als zich in alle dingen vergankelijkheid (als een fysieke en mentale entiteit) bevindt, dan moet er ook over gesproken worden in termen van de drie tijden (: verleden, heden, en toekomst). Dan verdween het met de dingen uit het verleden; zijn toekomst is er nog niet omdat dingen uit de toekomst nog niet ontstaan zijn; in het heden valt het uiteen tesamen met de dingen die er nu zijn (en straks niet meer).

Materie (rūpa) is een resultaat van het in verschillende gedaanten samenkomen van de elementen. Daar de primaire en secundaire elementen noch verschillend, noch niet-verschillend (van elkaar) zijn, zijn ze van nature onvernietigbaar - want dat is wat de geleerden (de Lokāyata) zeggen. (Echter, Mahāmati,) het is een feit dat de hele drievoudige wereld met zijn primaire en secundaire elementen ontstond, verblijft, en zal verdwijnen. Hoe kunnen deze geleerden vergankelijkheid erkennen als separaat bestaan, (afgescheiden van de drie tijden), een bestaan dat onafhankelijk is van de primaire en secundaire elementen, terwijl ze die elementen (tegelijkertijd zien als) noch in beweging gekomen, noch tot vernietiging gaan! (Maar de geleerden moeten het zo wel zien) want ze hechten aan de notie van (eeuwig onveranderlijke) zelf-aard! De opvatting dat vergankelijkheid vanaf het eerste ontstaan een bestaande is, en dat het vervolgens niet verder evolueert (is niet houdbaar, en wel hierom:) (1) omdat ieder element een heel eigen zelf-aard heeft, anders dan die van de andere, kunnen ze elkaar niet voortbrengen. (2) Geen van de individuele elementen kan zichzelf voortbrengen omdat (interne) differentiatie (naar vorm en vormgever) ontbreekt. (3) Een ontstaan van ieder element, afzonderlijk van de andere, is onmogelijk omdat er dan (na dat ontstaan) geen connectie is (met de andere vier). Daarom is de conclusie dat vergankelijkheid de (bestaans-) oorzaak (van alles) is onhoudbaar.

Met vergankelijkheid die waargenomen wordt aan het voortdurend veranderen van vorm bedoelen ze dat de primaire en secundaire elementen niet onderhevig zijn aan uiteenvallen en verdwijnen. Mahāmati, wat bekend staat als uiteenvallen en verdwijnen is, zelfs wanneer men analyseert tot op de atomaire deeltjes, niet de vernietiging van de primaire en secundaire elementen, maar van hun vorm die zich in verschillende gedaanten voordoet, hetzij lang of kort. Maar in feite (,zeggen ze,) vindt er in de elementaire atomen geen vernietiging plaats; dat wat waargenomen wordt als uiteengevallen en verdwenen is (enkel) die externe formatie van de elementen - zo denken de Sankhya er over.

Vergankelijkheid van externe gestalten (de eerste van de 7 genoemde) wordt uitgelegd als het impermanent zijn van vorm (rūpa); wat in die optiek impermanent is zijn de externe gestalten en niet de elementen. Waren de elementen zelve vergankelijk dan zouden onze alledaagse ervaringen tot verdwijnen gedoemd zijn. Dit zeggen de Lokāyata; zij menen dat alle dingen terug te voeren zijn tot slechts woorden, omdat nooit is waargenomen dat de dingen een zelf-aard bezitten (, laat staan dat) die tot ontstaan zou kunnen komen.

Vergankelijkheid van verandering staat voor de veranderlijkheid van vormen (rūpa), en niet voor de verandering van de elementen zelve zoals je je dat zou kunnen voorstellen aan de hand van het beeld van goud dat in diverse vormen getoond wordt; de aard van goud verandert niet, maar het toont zich in een variëteit aan vormen. (Dit is de visie van het Toehoorders- Voertuig).

Dit zijn mijn woorden over vergankelijkheid, veranderlijkheid, en onderscheid-aanleggen zoals de geleerden dat zien. Vuur vermag dan de elementen te verwoesten, maar hun zelf-aard (d.w.z. sunyatā) kan niet verbrand worden. In het vergaan van ieder (element) individueel, is er de vernietiging van primaire en secundaire elementen. Echter, Mahāmati, ik verkondig geen leer die zich bezig houdt met vergankelijkheid of onvergankelijkheid. Waarom niet? Omdat ik (het concept) externe objecten niet aanvaard; de drievoudige wereld, zeg ik, is slechts in en uit bewustzijn zelve; ik neem het concept dat zegt dat er een veelvoud aan externe objecten is niet aan: de elementen verrijzen niet, noch vergaan ze, noch is er een duur waar te nemen; dingen zoals primaire en secundaire elementen zijn niet; omdat er onderscheid-aanleggen is, daarom evolueren dualistische aannames over het waargenomene en het waarnemen. Zien we eenmaal dat dualiteit enkel bestaat omdat er onderscheid-aanleggen is, dan verstomt de discussie over bestaan of niet-bestaan van een externe wereld, dan is Enkel-Bewustzijn begrepen. Onderscheid-aanleggen verrijst uit het onderscheiden van een wereld waarin handelen resultaat voortbrengt; geen-onderscheid-aanleggen is er wanneer de wereld niet gezien wordt. Dan koester je niet meer het onderscheid-aanleggen tussen bestaan en niet-bestaan - dat uit je eigen geest voortkomt; dan zie je dat dingen, of ze nu tot deze of een verfijndere wereld behoren, of tot het verhevenste, niet te omschrijven met termen als vergankelijk of onvergankelijk zijn. Dan zie je dat naar waarheid niets in de wereld zich buiten de geest zelve bevindt. Daar (de betekenis van) onderscheid-aanleggen niet begrepen wordt door geleerden die vervallen zijn tot verkeerde, dualistische ideeën, geleerden die niet kunnen bogen op enig resultaat van spirituele oefening, komt vergankelijkheid hen voor als een onderwerp voor discussie. Mahāmati, die drie aspecten aan alle dingen, het zijn van deze wereld, van een verfijndere, of van het verhevenste, zijn er omdat er onderscheid naar woorden is. De onwetenden en eenvoudigen van geest zien dit echter niet.

Er wordt gezegd:
118. De geleerden, onwetend als ze zijn, onderscheiden vergankelijkheid in termen van ontstaan-vergaan, als een transformatie van externe vormen, als een bestaande, of als vorm(hebbend).

119. Dingen komen niet tot vernietiging; de zelf-essentie der elementen is eeuwig; ondergedompeld in een veelheid aan opinies gaan geleerden over tot het onderscheiden (en ontrafelen) van vergankelijkheid.

120. Die geleerden zeggen dat er geen vernietiging is, geen ontstaan, dat de elementen naar hun zelf-essentie permanent zijn - maar wie onderscheidt vergankelijkheid?

121. (Ik zeg:) de wereld is niets dan in en uit bewustzijn zelve. Alles wat als dualiteit wordt waargenomen verrijst (uitsluitend) uit bewustzijn zelve en wordt (verkeerdelijk) onderscheiden als het waargenomene en dat wat waarneemt, (maar) een zelf-ziel (die waarnemer zou kunnen zijn), alsmede dat wat daartoe behoort, is niet.

122. Brahma's rijk en dergelijke -- ik zeg dat het enkel in het bewustzijn is, (maar) buiten (de) Enkel-Bewustzijn-leer; je kunt (,bij substantiele afwezigheid ervan,) niet over Brahma en dergelijke spreken.

Dit is het einde van het derde hoofdstuk van de Lankāvatāra-Mahāyana soetra genaamd "Over Vergankelijkheid".

Toelichting bij tekst 55

— De alinea beginnend met: "Met vergankelijkheid die niet-geboorte is,..."
Met de laatste regel in deze alinea keurt Boeddha voor een deel de geleerden's zevende vorm van vergankelijkheid goed - voor een deel. Hij perfectioneert deze visie in de passage beginnend met: "Mahāmati, met vergankelijkheid die voorkomt in bestaan en niet-bestaan wordt bedoeld ..."
. Het "niet zien van wat dan ook is een andere naam voor niet-geboren" vinden we in andere woorden in een van de eerste boeken van de Avatámsaka soetra: de "Zangen op Berg Soemeroe". Daar staat: "Geen opinie is het zien / dat alle dingen ziet; / Wie een mening heeft over dingen / ziet in het geheel niet.

— De alinea beginnend met: "Dit zijn mijn woorden ...", het zinsdeel: "... geen-onderscheid-aanleggen is er wanneer de wereld niet gezien wordt."
Dit zinsdeel schijnt in het Sanskriet-manuscript niet voor te komen; het is een toevoeging aangebracht door de chinese vertalers. De wereld niet zien betekent dat er in de geest geen prapánca: babbelen, vergelijken, beoordelen, interpreteren, en dergelijke meer plaats vindt. Dan ziet de yogin niets, maar weet.

Herfrasering van vers 120: "Die geleerden zeggen dat er geen vernietiging is, geen ontstaan, dat de elementen naar hun zelf-essentie permanent zijn. Maar wie (onder hen, zelf samengesteld uit deze elementen die al dan niet vergaan of ontstaan, al dan niet intrinsiek eeuwig zijn, al dan niet vergankelijk zijn naar hun vorm-manifestatie) onderscheidt vergankelijkheid?" Met andere woorden: hier wordt de opinie geschilderd van iemand die zichzelf afgescheiden van het bestaande ziet, en niet beseft dat zijn lichaam-geest-complex aan dezelfde wetten onderhevig is als de rest.

Vertaling: bhiksuni Ratana.