Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






MAITREYA, DE KOMENDE BOEDDHA

Klik naar de volgende bijdragen:







Sayagyi U Chit Tin, een Dharmaleraar uit Birma, heeft in de Pali-canon enige studie gedaan naar Bodhisattva Maitreya, die in het Pali Metteyya of Metteya heet.
Al in de voor-canonieke Pali-teksten, zegt hij, wordt gewag gemaakt van Ariya Maitreya, de Nobele Maitreya. Maar het is in een vijftal canonieke werken (1) dat de naam Maitreya in werkelijk boeddhistische context voorkomt.
In die context is Maitreya de vijfentwintigste Boeddha, en de vijfde die we binnen deze bekende wereld zullen kennen. Daarna breekt een ander tijdperk aan, is er een andere wereld.(2) In die canonieke werken wordt gezegd dat hij in een plaats met de naam Ketu-mati als mens geboren zal worden, en dat dit zal zijn onder het bewind van wereldheerser (chakkha-vatti) Samkha.

Al in die teksten is de bijnaam voor de Komende Boeddha Ájita hetgeen "de Onoverwinnelijke" betekent. Binnen alle boeddhistische tradities wordt er van uitgegaan dat Maitreya zich tot zijn Neerdalen op aarde bevindt in de hemelse sfeer die Tushita heet, en daar wordt hij Nath of Natha genoemd, Heer. De bewoners van Tushita worden dééva (deva) of déévata genoemd. Wanneer we daarom in de iconografie beelden tegenkomen die de naam Deva-natha dragen, hebben we hier niet te maken - zoals wel wordt aangenomen - met een afbeelding van Avalokiteshvara Bodhisattva, maar met Maitreya.

U (='Weledele heer') Chit Tin meldt een aantal teksten waarin, aan het eind van het discours, de schrijver de wens uitspreekt in het hemelse rijk van Maitreya wedergeboorte te vinden, om te zijner tijd samen met hem naar de aarde af te dalen om de correcte Dharma opnieuw te vestigen. Hij noemt in dat verband de Jataka (djaataka - Geboorteverhaal) over de Tien Bodhisattas, en hij noemt de Attha-sālini, eerw. Buddhaghosha's werk. Ook aan het eind van Buddhaghosa's Pad van Zuiverheid (Visuddhimagga) is zo'n wens opgenomen, maar onder andere de eerw. Sadda-tissa is er van uitgegaan dat dit een toevoeging is door een latere copiist.
U Chit Tin vermeldt ook nog de devotie die opeenvolgende Birmese koningen aan de dag legden naar Maitreya. Zo staat er op het tempel-terrein van Bagaan een unieke vijfkantige (in plaats van vierkante) pagoda, gebouwd in 1196, die een verwijzing is naar de huidige wereldcyclus van vijf Boeddhas met Maitreya als laatste.
Ook heeft een koning Kyawswa uit Birma ooit reparaties aan de Mahabodhi-tempel te Bodh Gaya laten uitvoeren in de wens verenigd te mogen worden met Maitreya.

Shakyamuni of Gáútama Boeddha heeft zich, volgen we de Pali-Geschriften, slechts een paar keer uitgesproken over de Komende Boeddha, onderandere als volgt:


Uttamo Metteyyo Ramo Pasenadi Kosala ca
Abhibhu Dighasoni ca Candani ca Subo Todeyyabrahmano
Nalagiri Palaleyyo bodhisatta anukkamena
Sambodhim labhanti anagata.

In de toekomst zullen (tien) Bodhisattas tot Volledig Ontwaken komen, en wel: de zeer eerwaarde (Ariya) Maitreya, (koning) Rama, (koning) Pasênadi van Kōsala, (de deva) Abhibhu, (de asura deva) Digha-soni, (de brahmaan) Cándani, (de jongeman) Subha, de brahmaan Tóddeya, (de olifant) Nala-giri, en (de olifant) Palaleya (Parilééjaka).


Dit vers staat aan het begin van een Birmese vertaling, de Anagata-vamsa.
Ook in de Cakkavatti sutta (DN 26), de Leerrede over de Universeel vorst, wordt gesproken over Metteya (Pali-versie) als de komende Boeddha op aarde onder wie een zeker vorst de universele zal zijn.

De Pali- of Theravāda-traditie gaat ervan uit dat er slechts een Boeddha per kalpa, aeon, is, in een onafgebroken rij, en aanvaardt niet de Mahāyana-opvatting dat er per kalpa ontelbare Boeddhas tegelijk zijn.







Fa-Hien's verslag over Maitreya
Het Gutenberg Project liet eind september 2006 nog eens weten dat James Legge's vertaling van Fa-Hien's Record of Buddhist Kingdoms inmiddels integraal online staat. Wie het wil lezen of wil downloaden gaat naar de site van het Project en zoekt onder de auteursnaam Legge. James Legge was een zendeling, en behandelde zijn onderwerp weliswaar met respect — zijn opmerking dat monniken monniken zijn, en geen priesters verdient eeuwige lof —, maar benadert een en ander niettemin vanuit religieus-culturele aannames, opvattingen die zo ingesleten zijn dat ze automatisch als universeel geldend worden verondersteld.
De Chinese monnik-pelgrim-vertaler Fa-Hien (begin 21ste eeuw wordt het geschreven als Faxian; spreek ongev.: faa zjčn) reisde tussen 399 en 414 naar India en meer westelijke streken. Hij was heel specifiek op zoek naar de vinaya, de Monniks- en Nonnencode. Zijn verslag zou de min of meer exacte data geven waarop boeddhisme China binnenkwam, maar Faxian blonk noch uit in rekenen, noch in geografie. Zijn verslag mag wat dat betreft niet als gezaghebbend worden beschouwd.
Legge's vertaling vertelt over de episode waarin Faxian aan de westoever van de Indus (of Oxus) is geraakt, in een gebied dat in Legge's vertaling Darada wordt genoemd, maar dat waarschijnlijk het huidige Dargai moet zijn geweest. In westelijke richting reizend arriveerde hij daar vanuit de regio tussen Gilgit in het noorden en Rondu, of zelfs Kargil in het zuiden. Na de noord-zuid stromende tak van de Indus te hebben overgestoken treft hij het gezelschapje monniken weer aan met wie hij soms samen reist, en soms ook niet. Aan die westover gezeten zitten ze waarschijnlijk eerder met het gezicht naar het noordoosten, naar noord-Tibet/zuidwest China, dan naar het zuidoosten, dat wil zeggen, naar Jammu en verder India in.
De Indus ontstaat in Tibet en stroomt zuid-noord naar de buurt van Gilgit. Van daaruit loopt een tak west-noordwestelijk totaan Chitral (niet op de gegeven doorklik te zien), en de hoofdstroom buigt tussen Gilgit en Rondu af naar het zuiden. Op deze manier lijkt de Indus te vorken, en is het zo mogelijk om als het ware drie Indussen over te steken: de zuid-noord lopende hoofdstroom vanaf het Tibetaanse hoogland tot aan Gilgit, de smallere naar het westen afbuigende vertakking tussen Gilgit en Chitral, en opnieuw de hoofdstroom die noord-zuid loopt tot aan de monding in het huidige Pakistan. Een reiziger die niet voorzien is van kaarten zou de indruk kunnen krijgen dat hier drie rivieren liggen: een brede zuid-noord stromende rivier, een smalle naar het noordwesten, en een andere brede die noord-zuid stroomt.
De tekst zegt:

"De monniken vroegen Faxian of het bekend was wanneer de Boeddha-Dharma voor het eerst (vanuit Serindia) naar het oosten (noord-Tibet, zuid-west China) reisde. Hij antwoordde, 'Toen ik het aan de mensen in die streken vroeg zeiden ze allemaal dat het (de Boeddha-Dharma) van generatie op generatie door hun vaders was doorgegeven, en dat, nadat het beeld van Maitreya Bodhisattva was opgericht, er srámans (thuisloze boeddhistische religieuzen) uit India waren geweest die de rivier overstaken (richting westelijker streken), en dat ze de soetras (leerredes) en de vinaya (klemtoon op vin) bij zich hadden.'
Nu werd het beeld iets langer dan 300 jaar na het nirvāna van Boeddha opgericht, hetgeen ongeveer tijdens de regering van (de Chinese) koning P'ing uit de Zhou-dynastie was (de dynastie regeerde tussen 1046 en 256vC). Overeenkomstig dit verslag kunnen we zeggen dat de verspreiding van onze grote Leer (richting oost) begon met (het installeren van) dit beeld. Ware er Maitreya niet geweest, de grote levensbeschouwelijke meester, die de opvolger is van de Sákya (Sakyamuni Boeddha), wie zou er dan voor gezorgd kunnen hebben dat de Leer zo wijd verspreid werd gepredikt, en hoe zouden de mensen uit deze grensstreken dan onze Dharma kennen!


Daarna trekt het gezelschap de vlakte tussen Kabul en Srinagar in, en belandt op een gegeven moment ook in Taxila, juist ten noorden van het huidige Islamabad.
Dit verslag van Faxian spreekt over koning P'ing die leefde tussen 750 en 719 vC. Hier vergiste Faxian zich dus, tenzij er twee P'ingen waren uit twee verschillende regeerperiodes. Over het jaar waarin Sakyamuni Boeddha geboren werd zal wel nooit meer duidelijkheid komen, maar doorgaans wordt toch gesproken over 550-460vc.
Faxian zegt impliciet ook dat het boeddhisme China niet rechtstreeks binnenkwam vanuit India zelf, maar vanuit westelijker streken, en (,maar dat zegt noch Faxian, noch Legge,) mogelijk zelfs vanuit de Bamiyan-vlakte in Afghanistan waar een van de grote Boeddhabeelden Maitreya zou moeten voorstellen - zegt een van de overleveringen.


In de tijd dat boeddhisme sterk was in de streek die Gandhára wordt genoemd, een streek die delen van Noordwest India, Pakistan en Afghanistan beslaat, moet er een diepe verering voor Maitreya zijn geweest, getuige de manuscripten en afbeeldingen die daar zijn gevonden.
De afbeelding hier toont een typisch Gandhára-werk, uit de Kushan-periode, waar Maitreya als een werkelijke Heer wordt afgebeeld. In deze tijd heeft Maitreya zeker de zelfde hoge status als Shakyamuni Boeddha.

Dat Maitreya door dit "westelijke" boeddhisme werd beschouwd als leerling van Boeddha - maar dan nu de Oer-Boeddha Vairóódzjana - vindt zijn grond in het 39ste boek van de Avatámsaka Soetra, de Bloemenkrans-soetra die werd opgetekend langs de Zijderoute en voor het eerst aan het licht kwam in de plaats Khotan, een paar eeuwen na het overlijden van Sakyamuni Boeddha. In dat Avatámsaka-boek, "Het binnengaan in het Werkelijke Land", trekt de jongeling Sóédhana langs een 52-tal leraren en leraressen, om uiteindelijk, ogen geopend, weer uit te komen bij zijn oorspronkelijke leraar Samanta-Bhádra Bodhisattva.
Op zijn tocht ontmoet Sóédhana ook Maitreya, Boeddha's leerling. Dat wil zeggen, hij komt aan voor de Grote Toren waarin de (geestelijke) Schatten van Vairóódzjana zich bevinden, en wel in de streek Samoedra-kadzja (Samudrakaccha); Samoedra betekent Oceaan, en kaccha betekent kust.
Lopend naar die toren, en er voor staand overweegt Sóédhana de nadelen van het relatieve bestaan en de voordelen van het Volledig Verlicht zijn, onder andere doorheen het dienstbaar zijn.
Na enige tijd verschijnt Maitreya buiten deze toren, omringd door een menigte volgelingen, en benoemt alle perfecte kwaliteiten die Sóédhana tot dan toe heeft vergaard. Hij begint zijn discours met:
"Kijk naar Sóédhana, zuiver in geest, geboren uit een rijkdom die niet vergaat;
Op zoek naar de praktijk van verheven Verlichting is deze Wijze tot mij gekomen."

Hij eindigt zijn lange lofzang met:
"Bravo, Sóédhana, ... spoedig zul je de perfectie van Boeddha bereiken."

Een ander uit die streken bewaarde verhaal gaat dan dat Boeddha Shakyamuni, voordat hij als mens op aarde verscheen, in het hemelse bereik Tóéshita verkeerde en daar Sveta-ketu heette. (3) Toen de tijd daar was om naar de wereld te gaan droeg hij het bewind over Tóéshita over aan Maitreya die daar, in afwachting van zijn eigen nederdalen, zijn wijsheid perfectioneert en zijn volgelingen onderwijst.

Uit deze periode stamt ook de Uttaratantra van Maitreya, die ook wel de Ratnagotravibhāga heet.

Er wordt wel gezegd dat de enorm grote Boeddhas op Sri Lanka, een aantal malen gebouwd door Mahāyana-stromingen die op zekere tijd het eiland moesten verlaten, Maitreya uitbeelden, en niet Shakyamuni of Gáútama.
Zekerheid daaromtrent zal er wel nooit komen.

Het meest opvallende is uiteraard dat men door de eeuwen heen een gezicht heeft willen geven aan wat er nog niet is.
Zie ook de deel-pagina over Mes Aynak in Afghanistan.




Tao-an
De woorden die nu volgen zijn overgenomen uit "Een Weg" jaargang 3, nummer 5, september 1998, een vroege uitgave van het Nederlandse www.buddha-dharma.eu.
Zie voor een bijdrage over Taoan (Daoan of Tao-An) en de monnik-vertaler Kumārajīva deze pagina.

Een van de grote devoten van Maitreya Bodhisattva, de Komende Boeddha, was de Chinese monnik Tao-An die in het jaar 385 op 73-jarige leeftijd overleed. Ondanks het feit dat het Noord-China van zijn tijd voor de zoveelste keer verscheurd werd door oorlog reisde Tao-An rond met een groot gezelschap monniken en lekenaanhangers.

Een aantal teksten over Maitreya, stammend uit Kashmir, het toenmalige thuisland van de Sarvasti-vádin - een boeddhistische traditie die tussen het vroege Pali-boeddhisme en het latere Mahāyana inlag - had China bereikt, zo vanaf de eerste jaren westerse jaartelling. Ook Tao-An nam kennis van die teksten. Maitreya werd door de Sarvastivādin beschouwd als de opperste beschermer van hen die de Dharma verklaarden. Zijn verering voor Maitreya nam als gevolg zeer letterlijke vormen aan. Hij nam letterlijk de oude Indiase leerling-guru-traditie over - beschouwde Maitreya dus als zijn spirituele meester.

Tegen het eind van zijn leven hielden Tao-An en zijn monniken een nieuwe, trendbepalende ceremonie. Daartoe lieten ze een beeld van Shakyamuni Boeddha in liggende houding vervaardigen. Die liggende houding is de houding op Boeddha's doodsbed, zijn houding in pari-nirvana.
Daarvóór stelde hij een beeld op van de zittende Maitreya. Bovendien liet hij voor de gelegenheid een 16 voet hoog, staand, goudbedekt beeld van Shakyamuni vervaardigen: het glorieuze lichaam of de Sambhoga-kaya.
Deze drie beelden werden in de tempel te Hsiang-Yang opgesteld, waarschijnlijk op dezelfde wijze waarop we ze vandaag nog in de wat oudere tempels aantreffen. Bij het binnenkomen zien we in het midden van de eerste hal Maitreya. In een nis voor de offerande-tafel bevindt zich het liggende beeld van Shakyamuni Boeddha, en staand er achter, of op de altaartafel zelf bevindt zich het grote Shakyamuni Boeddhabeeld.

Staand voor deze drie legden de aanwezige monniken de gelofte af na hun overlijden te willen gaan naar de sfeer die Tushita wordt genoemd, om daar met Maitreya de juiste tijd af te wachten, om dan gezamenlijk terug te komen naar de aarde teneinde de juiste Dharma te hervestigen.

Er wordt op gewezen dat dit de eerste keer was dat een dergelijke puja - eredienst, offerande - werd gehouden, en de eerste keer dat een dergelijke gezamenlijke gelofte werd afgelegd.

Een soortgelijke ceremonie zou de spirituele zoon van Tao-An, Hui-Yüan houden. Hier zou echter niet Maitreya centraal staan, maar Amitābha Boeddha.
De Komende Boeddha, Maitreya, is zeer verbonden geraakt met het bodhisattvastreven in samsara te willen blijven, of er naar terug te willen keren om de lijdenden bij te staan en de Boeddha-Dharma hoog te houden.

De naam van Maitreya wordt in het Chinees weergegeven als Milo Fo, in het Japans als Miroku, in het Vietnamees als Di-Lac, in het Koreaans als Mi-rug, en in het Tibetaans als Byams-pa.






De Ksitigarbha Soetra, of de Soetra over het Onderaardse (Earth Store), beschrijft de carričre van de laatstbekende grote Bodhisattva uit het Chinese boeddhisme. De Soetra gaat ook over de wijze van offeren die aangehouden zou moeten worden om mensen van hun lijden te kunnen verlossen.

In het vierde hoofdstuk, over de karmische retributies van levende wezens staat de volgende passage:
"Wereld-geëerde, omdat de Boeddha, de Zo-Gekomene, mij zijn adembenemende geestkracht heeft geschonken, neem ik (Ksitigarbha) vele vormen aan en red overal de levende wezens van hun karmische retributies, doorheen honderden, duizenden, miljoenen werelden. Ware er niet die grote mededogende kracht van de Zo-gekomene, dan zou ik niet in staat zijn tot dergelijke veranderingen en transformaties. Nu heeft de Wereld-geëerde mij zijn vertrouwen geschonken; tot de komst van Ājita zal ik alle wezens in de zes bestaansvormen helpen bevrijding te bereiken. En zo is het, Wereld-geëerde, maak u geen zorgen."

Ājita (Aadjita) in deze passage is, als in de Pali-Geschriften, een andere naam voor Maitreya. "Omdat", zegt een van de paginas op Buddhist Door, "er niemand is die Maitreya kan overtreffen, daarom kan hij alles overwinnen. En omdat hij niet te verslaan is, daarom lacht hij altijd en is nooit boos. Het is uit deze kwaliteiten dat zijn wijsheid voortkomt." Zij gaat er ook van uit dat er een overdrachtelijke betekenis zou kunnen zijn: iemand die veel verdragen kan heeft "een grote maag".


Het gestalte krijgen van Maitreya Bodhisattva, zegt de Chinese Mi-le-hsia-sheng (De Maitreya-gestalte-krijgen Soetra) zal plaatsvinden na zesenvijftigduizend miljoen jaren [vanaf de geboortedag van Sakyamuni Boeddha].
Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de Oost-Aziatische boeddhistische gemeenschap alvast begonnen is het Reine Land op aarde te vestigen - zo lang willen we niet wachten, met onze handen over elkaar, in de blije hoop van ooit....
Maitreya, die dan Boeddha zal zijn, zal volgens die bron die het Koreaanse boeddhisme vanaf de Silla-periode heeft aangenomen, verlichting bereiken onder de Yonghwa-boom. Daardoor zullen levende wezens gered worden. Het land waar Maitreya zal verschijnen, zegt deze soetra, zal vrij zijn van geweld en opstand; het zal vrij zijn van honger en andere ongemakken.
In die tijd zal er een chakra-vártin, een heerser "die het wiel [van zijn koninklijke wagen] in beweging houdt", zijn die deze nieuwe Boeddha helpen zal zijn Dharma te vestigen.
Dit verhaal werd in het Korea van die tijd zo bekend dat koning Chinhung de boeddhistische naam Póbon, Dharmawolk, aannam en de idealen van een chakra-vártin ging naleven. Zij twee zonen kregen de namen Kumnyun (gouden wiel) en Tongnyun (bronzen wiel). Die namen geven aan dat deze beide zonen de twee wielen waren aan de koninklijke wagen die hun vader bereed.



juli 2015
Met het publiceren van de koreaanse canon door de Jogye Orde is meer bekend geworden over de drie commentaren op de Maitreya-manuscripten. Ze wijzen naar de noordelijke stromingen van het boeddhisme.
verder

Het hemelse bereik waar Japan van oudsher Maitreya situeert heet Tosotsu-ten, een 'verjapanisering' van Tushita. De Japanse traditie neemt aan dat mensen die zich buitengewoon sterk richten op deze hemelse sfeer daar van tijd tot tijd ook "in een visioen" naar toe worden getransporteerd om aan de voeten van Maitreya de kleine lettertjes van het boeddhisme te leren. Daarvoor verwijzen we ook naar de Indiase monnik-geleerde Áásanga die door Maitreya geholpen werd zijn Enkel-Bewustzijn-leer te formuleren.

Geteld vanaf ca het jaar 2000, zegt de japanse Shingon-traditie (sjien-gňn), duurt het nog zo'n 5.670.000 jaar voordat Maitreya als komende Boeddha naar de aarde komt. Hij daalt dan af naar berg Koya in Japan waar deze Shingon-traditie het grootste deel van de leer-interpretatie wijdt aan die manuscripten waarin Maitreya centraal staat.





Het beeld van de dikke Boeddha heeft gestalte gekregen met een Chinese monnik, genaamd Chang Ding Zi (907 - 1060) als voorbeeld. Na zijn overlijden werd van hem gezegd dat hij een incarnatie van Maitreya was.


Posthuum heeft hij in Japan de naam Hotei gekregen, en in China Pudai. Met zijn omvang representeert hij de idealen van het goede leven, d.w.z. gezondheid, geluk, welvaart en lang leven.

Zegt de geleerde en nadenkende scribent van de Singapore E-Sangha: Boeddha Gáútama concludeerde dat deze wereld inherent en door-en-door ongelukkig of dukkha is." Zijn remedie was daarom in eerste instantie een afwenden van de wereld in de hoop op een gelukzaliger wedergeboorte in betere oorden, of liever nog op een totaal verlaten van het wiel van geboren-worden-en-sterven (samsara).
Binnen met name de Chinese gemeenschap is die analyse wel aanvaard, maar is de geneesmethode een andere geworden. Binnen een van nature opgewekt, en strevend volk viel dat afwenden van de wereld niet in goede aarde. Daarom is men in de woorden van Boeddha uitingen gaan zoeken die zouden wijzen op een (deels) andere analyse, en op een ander medicijn.
Die oplossing werd gevonden in Boeddha's woorden waarin hij al het bestaande als voorbijgaand en momentaan beschrijft. Het werd gevonden in zijn observering "dat Verlichting precies hier ligt, en niet ergens anders, en dat het Pad naar Verlichting een fundamentele toeneiging vraagt naar het bewerkstelligen van het heil van anderen." Aldus de E-Sangha-analyse.
Binnen deze analyse was er (weer) ruimte voor het goede leven, en worden we zelfs aangespoord een "zuiver land op aarde" tot stand te brengen, want doelloos honderdduizenden jaren wachten tot dat omslagpunt is bereikt, is niet het advies van de Boeddhas.

De Komende Boeddha af te beelden als een dikbuikige Boeddha past veel beter in het Oost-Aziatische geluksideaal van voldoende eten en een zekere welstand dan afbeeldingen van een ascetisch magere Boeddha zoals we die binnen de Indiase invloedssfeer vinden.
Hotei of Pudai draagt dan vaak een juten zak in een hand, en een klomp goud in de andere: rijst en geld, wat wil men meer. Bovendien wordt hij vaak omringd door een schare kinderen, symbolen voor een grote familie, dus voor geluk.
De meditatieve gemeenschap geeft Maitreya omringd door 5 kinderen echter nog een andere betekenis: daar zijn de vijf kinderen de vijf zintuigen die hun vingertjes in de oren en neusgaten van Maitreya steken zonder dat ze hem tot ergernis weten te brengen.

E-Sangha geeft de vertaling van een gedicht dat toegeschreven wordt aan Chang Ding Zi:
Milo (Maitreya), de ware Milo
Ontelbare keren wedergeboren
Van tijd tot tijd manifest
Mensen van deze tijd herkennen u niet
Alle bronnen beschrijven hem als dik, met rimpels in het voorhoofd, en een
witte, dikke buik die hij niet bedekt.


Een ander gedicht luidt:
Uit één aalmoezenkom eet ik het voedsel (gegeven door) duizend families
Helemaal alleen zwerf ik tienduizend mijlen rond
Zij die ik met goedkeuring beschouw, dat zijn er weinig
Onder de witte wolken zoek ik naar de Waarheid.


Er wordt gezegd dat Chang Ding Zi overleed in de Yueh-ling kloostertempel in de provincie Chekiang.

Het zal niemand verwonderen dat Japan in Hotei ook een iets andere figuur ziet, namelijk een van de Shichi Fukudjin, de zeven Shinto-goden van geluk. Daar zou hij dan de beschermheer zijn van de zwakken en de kinderen, van waarzeggers en van waarden van herbergen (ryokan). Als een afschaduwing daarvan zien we hem in Chinese restaurants.




Voetnoten:
(1) - Digha Nikáya III,7; - Maha-vamsa 62, 73; - Chula-vamsa 38, 68; - Milinda-panha 159; - Attha-sālini 415.

(2) - Het is dit leerstuk dat critici van het boeddhisme er toe heeft gebracht over de Boeddha-Dharma te spreken als een "eindtijds-filosofie." Die opvatting wordt vooral naar voren gebracht door diegenen die een lineaire (en daarna eeuwige) tijdslijn aanhouden, en niet een circulaire zoals de boeddhistische en hinduďstische.

(3) - De naam Sveta-ketu kennen we nog het best uit de Vedische traditie, en met name uit de Chandógya Upanishad (Dzjandóógja oepanisjáád) waarin vader Uddálaka zijn zoon Sveta-ketu onderwijst over Brahman, en hem de gedenkwaardige woorden toevoegt: tat tvam asi, Dat zijt Gij (met de nadruk op 'Dat', en niet op 'Gij')


februari 2006







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme