MAHĀYĀNA SRADDHOTPĀDA SHASTRA


Het Ontwaken van Gelovig Vertrouwen in de Mahāyāna

Introductie





- De Commentatoren

- De tekst

- De Woordenlijst

- De Soetras-pagina



Aangenomen wordt dat een monnik genaamd Ashvaghosha deze verhandeling schreef en dat het werk rond 550 westerse jaartelling uit het Sanskriet naar het Chinees werd vertaald door de monnik Paramartha. De Sanskriet-versie is sindsdien verloren gegaan. Ashvaghosa wordt door B.M. Barua en S Mitra in hun 1922-werk over de Dhammapāda, een serie aforistische uitspraken, geïdentificeerd als Ghósaka, een "Bhadanta". Omdat we "bhadanta" moeten interpreteren als een leraar-monnik uit het Kleine Voertuig, is het zeer onwaarschijnlijk dat Barua en Mitra hier gelijk hebben. Een Kleine Voertuig-meester zou de Mahāyana niet als een superieur vehikel hebben aanbevolen.

Hoe dan ook, Ashvaghosha wordt omschreven als een uitmuntend dichter, op gelijke voet met indiase groten als Kalidasas. Ashvaghoshas' naam luidt in het chinees Maming hetgeen paardengehinnik betekent. Die naam werd hem gegeven toen zelfs de paarden blij en instemmend hinnikten bij het horen van zijn gedichten. Het is echter niet zeker of Ashvaghosa de auteur van de voorliggende verhandeling is geweest; academische kringen zijn vaak wat - wellicht soms onnodig - voorzichtig wanneer het een verloren gegaan Sanskriet-origineel betreft.

Paramartha, de vertaler naar het Chinees (of was Paramartha de auteur?) leefde tussen 499 en 596. Zijn naam betekent "Hoogste Betekenis". Hij kwam uit de west-indiase streek Ujjayini, en in tegenstelling tot de vele monniken die China bereikten via de noordelijke Kashmir-Gandhara-route volgde hij de zuidelijke zeeroute en arriveerde in China in het jaar 546. Als andere immigrant-monniken moet Paramartha bij zijn vertaling zijn geholpen door autochtone meertalige handelaren-helpers.


Er zijn echter academici die dit verhaal betwijfelen. Zij menen dat er nog geen bewijs is gevonden voor een vertaling van het Sanskriet naar het Chinees, en dat het werk daarom een apocrief werk zou kunnen zijn. Ze gaan er bovendien van uit dat het geschreven is door een Dilun-meester. Het Chinese woord Dilun betekent Verhandeling in Stadia. Een van de bekendste Dilun-meesters was de encyclopedist Huiyuän uit de Jingyin-tempel die leefde tussen 523 en 592.

Een andere mening wordt aangehangen door Youru Wang (De-Substantializing Buddha-Nature in the Tathagatagarbha Tradition, Rowan Univ. NJ, USA) die wijst naar de woorden ti, xiang en yong in het Chinese origineel.
Ti, als in xinti, "het geheel van bewustzijn", verwijst naar zowel 'lichaam' als het 'organische geheel'. Ti, in de Chinese filosofie, geeft de statische kant van het geheel weer, en staat in contrast met de dynamische kant van yong, het functioneren van het geheel. Er is op gewezen dat dit een typisch Chinese benaderingswijze is, en dat er dus een Chinese auteur voor de Shastra moet zijn geweest. Maar, zegt Wang, wanneer ti voorkomt samen met xiang, dan duidt dit op een Indiase manier van denken en wordt hier gewezen naar de betekenissen van essentie en attribuut. Het gebruik van het woord xiang, zegt hij, komt duidelijk niet voort uit het Chinese denken.

Het is dus gerechtvaardigd te blijven volhouden dat we hier te maken hadden met een Indiase immigrant-monnik die werd bijgestaan door een Chinese tweetalige scribent die alle moeite van de wereld moet hebben gedaan om correcte equivalenten te vinden voor begrippen die in het Chinees - in de Indiase context - nog niet voorkwamen.


De - kort omschreven - shastra is in Mahāyana-kringen uitermate populair en toont aspecten van zo ongeveer alle Mahayana-scholen tot dan toe bekend. We vinden er bijvoorbeeld de Hua-Yen-leer in terug, d.w.z. de Avatámsaka- of Bloemenkrans soetra, alsmede de Yogacara of Enkel-Bewustzijn-traditie. Als gevolg voelt de Zen of Ch'an-praktikant zich bijzonder thuis in dit werk. Echter ook de Zuiver Land, of Reine Land-traditie vindt hierin een bevestiging van eigen praktijk; bestudering van deze tekst kan tot weinig anders leiden dan de conclusie dat dit een van de basis-teksten moet zijn die ten grondslag liggen aan de Ch'an/Zuiver-Land-syncretie. Zeker kan dat verklaard worden wanneer we zien welk een grote nadruk gelegd wordt op de Tathāgatagarbha (Schoot-waaruit-de-Boeddhas-Voortkomen)-filosofie, een onderwerp dat niet in kort bestek, en zeker niet zonder beoefening, kan worden uiteengezet.
Waar Ashvaghosa de meeste nadruk op legt is het verklaren van fundamentele eenheid tussen Boeddha en levend wezen.
De shastra is uitermate beknopt; dat zal zo geweest zijn in het Sanskriet-origineel, en, overeenkomstig de aard van het Chinees is die beknoptheid in die taal zo mogelijk nog sterker geworden zodat vertalers door de eeuwen grote moeite hebben moeten doen om betekenis uit die spaarzame woorden te peuren.

Voor de betekenis van verschillende technische termen wordt een aantal keren verwezen naar de woordenlijst die aangehecht is aan deze tekst, en naar een andere, die van "De Afdaling op Lanka", een soetra die eveneens op deze website te vinden is. Het blijkt echter ondoenlijk om voor de vele woorden die een of andere vorm van bewustzijn of gedachteprocessen omschrijven een Nederlands equivalent te vinden. Daarom is deze vertaling niet meer dan een slecht geslaagde aanzet.

VOORBEREIDING

De lezer van Mahāyana-soetras in het algemeen wordt verondersteld een gedegen kennis te hebben van de aanvangsleer. Nagenoeg alle scholen van Boeddhisme die zich voor hun instructies richten naar de soetras, de Leerredes, hebben een min of meer uitgebreid pakket aan teksten over basisbegrippen. Die basisbegrippen zijn: kennis van de Vier Nobele Waarheden, het Achtvoudige Pad, Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, karma en wedergeboorte, de leer omtrent de bewustzijnen, de dhatu, āyatana, en enige andere Abhidharma-kennis over het functioneren van lichaam en geest.