ARIYA-PARIYÉSANA SOETTA


De Nobele Zoektocht

Sakyamuni Boeddha's autobiografie
Van het thuisloos worden tot en met de instructies aan zijn eerste vijf monniken



Vele jaren nadat zich een sangha, een communiteit, rond Sakyamuni Boeddha heeft gevormd zit hij met een gezelschap monniken bijeen in het huis van de brahmaan Rámmaka, in de stad Sávatthi (of Srávasti)(a) in Noord-India, en daar vertelt hij over de Nobele Zoektocht, dat wil zeggen, waarom hij het huis verliet om asceet te worden, en welke de inzichten waren die hij won.

We kunnen zeggen dat dit Boeddha's autobiografie is, alleen heeft hij deze niet zelf geschreven. Ook bij het begin van deze Leerrede vinden we weer het bekende, "Aldus heb ik het gehoord". Het geeft aan dat iemand anders de Leerrede heeft onthouden, en dat ze pas na het overlijden van Boeddha op schrift is gesteld. Dat op schrift stellen vond plaats tijdens het Eerste Concilie.
Deze op schrift gestelde Leerreden zijn aanvaard en bewaard door alle grote tradities, en er zijn versies van in het Tibetaans, het Chinees (de āgama), en in het Pali zoals dat gehanteerd wordt door de Theravāda-traditie die gestoeld is op de exegese van de toenmalige Mahāvihāra op Sri Lanka. We weten inmiddels dat ze niet daar zijn opgetekend, maar in de Alu-vihāra, en wel in de taal die Pali heet. Het Pali is verwant aan het Sanskriet. Boeddha, zo neemt de wetenschappelijke wereld aan, heeft echter nooit Pali gesproken, maar eerder een andere streektaal of een dialect dat daaraan verwant is.
We moeten dus vaststellen dat Boeddha zijn autobiografie niet zelf geschreven heeft, en dat het manuscript een vertaling is van zijn woorden, en dat er dus kleine taal- en interpretatie-verschillen zouden kunnen zitten tussen de oorspronkelijke woorden en het nu bekende manuscript.
Boeddha sprak deze Leerrede uit toen hij al grijze haren had, zo leren we uit de context.

Het probleem met de clusters van vijf
De Eerste Leerrede benoemt vijf aspecten van het menselijke leven die met verstand en inzicht benaderd moeten worden. Het zijn geboorte, verval, ziekte, sterfelijkheid, verdriet, en mentale bezoedelingen.
Deze vijf worden hier, in de tekstgedeelten 1 t/m 16, en ook in de tekstgedeelten 42 t/m 46, telkens herhaald om te illustreren wat de nobele, respectievelijk niet-nobele zoektocht is. Deze tekstgedeelten lijken daardoor een paar ongerijmdheden in zich te bergen, hetgeen onderzoekers uit het recente verleden er toe heeft gebracht te veronderstellen dat alleen de eerste component, geboorte, tot de oorspronkelijke tekst behoort, en dat de andere vier daar in later tijd aan zijn toegevoegd.
We moeten ook deze Leerrede echter plaatsen tegen een achtergrond waarin monniken nog werkelijk thuisloos waren en de paden en wegen van Noord-India beliepen zonder geschreven teksten in hun knapzak. Wanneer Boeddha hen dan onderwees deed hij dat volgens de onderstaande methode: veel ritmisch te reciteren herhalingen van hetzelfde zodat de in min of meer dogmatische vorm aangeleverde basisbegrippen goed in het geheugen werden geprent en konden dienen als fundament voor Dharma-uiteenzettingen door monniken die elders waren gewijd, en die zich wellicht slechts een of twee keer in hun leven in de nabijheid van Boeddha bevonden, en die het verder alleen of groepsgewijs moesten zien te redden.






(Tekstgedeelten 1 t/m 6)

Aldus heb ik het gehoord.
Eens verbleef de Gezegende in de vihāra(1) die Anāthapíndika(2) hem geschonken had, de Jetavana(3) in de stad Sāvatthi.
Die ochtend sloeg de Gezegende zijn [twee] pijen om, nam zijn aalmoezenkom en [over-]pij(4) en ging Sāvatthi binnen, op aalmoezenronde.
Toen benaderden heel wat monniken de eerwaarde Ánanda(5) en zeiden: "Vriend Ánanda, het is lang geleden dat we de Gezegende een Leerrede hoorden uitspreken. Het zou goed zijn indien we de Gezegende een Leerrede hoorden uitspreken."(6)
[Ánanda antwoordde:] Wel, vrienden, ga dan naar het huis van de brahmaan Rámmaka, daar zullen jullie de Gezegende zelf een Leerrede horen uitspreken.
Goed, zeiden de monniken.
Nadat de Gezegende van zijn aalmoezenronde was teruggekeerd, en nadat de maaltijd achter de rug was, zei hij tegen Ánanda: Laten we naar de verblijfplaats(7) van Migāra's moeder(8) gaan en daar de dag doorbrengen." Goed, zei de eerwaarde Ánanda, en samen gingen ze naar de verblijfplaats van Migāra's moeder en brachten daar de dag door.
Toen het avond was(9) kwam de Gezegende uit zijn afgezonderde verblijfplaats en zei tegen Ánanda, "Laten we naar het oostelijke bad gaan om ons daar te wassen. Nadat ze zich gewassen hadden kleedden ze zich [slechts] in een pij totdat het lichaam droog was.
Toen zei de eerwaarde Ánanda, "eerwaarde, het huis van de brahmaan Rámmaka is paleiselijk(10) en [toch] geschikt als retraite-oord(11) ; zullen we mededogen hebben en er heen gaan?"
Op dat moment waren er al veel monniken in het huis van de brahmaan Rámmaka. Ze zaten samen en spraken over de Dharma. De Gezegende stond buiten de gesloten poort, en toen het gesprek afgelopen was schraapte hij zijn keel en kondigde zich zo aan.
De monniken openden de poort voor de Gezegende; hij trad binnen en ging zitten op de zetel die voor hem was klaargezet. Toen richtte hij zich tot de monniken en zei, "Waarover zaten jullie hier te praten?"
[Ze antwoordden:] We spraken over de Dharma en over de Gezegende, en toen arriveerde de Gezegende.
Dat is goed, monniken, [antwoordde Boeddha,] zonen van goede familie(12) die thuisloze(13) zijn geworden en die zijn Voortgegaan(14) zouden samen moeten zitten en over de Dharma moeten spreken. Wanneer je in een vergelijkbare situatie samenzit kun je twee dingen doen: of men spreekt over de Dharma, of men praktizeert het Nobele Zwijgen(15).




Noten:
(a) Er is in Nepal een plaats die vandaag Kapilbastu heet en die men associeert met het antieke Kapilavasthu. In India, tussen Sravasti en Kushinagara, in de staat Uttar Pradesh, ligt ook een Kapilvastu. Beide landen betwisten elkaars claim op een tweetal plaatsen uit de boeddhistische geschiedenis: Lumbini en Kapilavasthu.
(1) Een vezameling gebouwen of gebouwtjes, gebouwd op een omsloten terrein, en uitsluitend bestemd voor bewoning door gewijdden en voor het onderwijzen van de Boeddha-Dharma is een vihāra.
(2) Anāthapíndika (Skr.: Anāthapíndada) was een koopman-begunstiger van Boeddha.
(3) Jetavana is het park of bosje (vana) van Jeta. Prins (d)Jeta verkocht dit stuk grond aan Anāthapíndaka die er de genoemde vihāra op liet bouwen.
(4) Monniken in deze vroege traditie gaan buiten de vihāra standaard gekleed in drie pijen: een pij die dienst doet als slendang, een pij of hemdachtig kledingstuk dat het bovenlichaam bedekt, en een overpij. Uit de context moeten we begrijpen dat Boeddha zijn overpij pas omsloeg bij het naderen van de stad.
(5) Enige tijd na het ontstaan van de sangha werd Boeddha's neef Ánanda zijn verzorger en secretaris. Hij regelde de bezoeken.
(6) De hierna volgende passage, de tekstgedeelten vanaf tekst 7, toont de Aziatische onderwijstrant: heel vaak herhalen zodat de grote lijn van dit leerstuk goed in het geheugen geprent wordt.
(7)Het woord pubbārāma geeft aan dat hier een verblijfplaats in een park wordt bedoeld.
(8) Migāra was een van Boeddha's monniken.
(9) In deze regio was het gebruikelijk dat het heetst van de middag werd gebruikt voor rust en/of meditatie.
(10) Pasada. In Polonnaruwa, Sri Lanka werd rond 1937/9 de Sátmahál prāsāda door archeologen onderzocht. Hier als elders wordt gesproken in termen van zeven verdiepingen hoog paleis [sat = 7]. Dat hier, zelfs in de Middeleeuwen gebouwd kon worden tot een hoogte van zeven of negen verdiepingen is niet aannemelijk. We moeten daarom pāsāda, resp. prāsāda eerder zien als evenzovele platforms waarop in een parkachtige setting gebouwtjes werden neergezet, vergelijkbaar met de bouw van middeleeuwse Japanse paleizen.
(11) Assama, geschikt als verblijfplaats voor monniken.
(12) Kulaputta.
(13) Anagari.
(14) Pabbajá; zie de Leerrede over het Grote Voortgaan.
(15) Het Nobele Zwijgen: ariyo vā tunhībhāvo.





(Tekstgedeelten 7 t/m 12)

Monniken, er zijn twee soorten zoektochten. Er zijn de nobele zoektocht en de niet-nobele zoektocht.(1)
Wat is de niet-nobele zoektocht? Hier, monniken, is er een die [toch al] geboren is, [en toch] geboorte zoekt.(2) Er is er een die [toch al] onderhevig is aan verval, [en toch] verval zoekt.(3) Er is iemand die [toch zeker] ziek zal worden, [en toch] het ziek worden zoekt.(4) Er is iemand die [toch wel] sterven zal [en toch] de dood zoekt.(5) Er is iemand die [toch al] onderhevig is aan verdriet, [en toch] verdriet zoekt.(6) Er is iemand die mentale bezoedelingen in zich draagt(7), [maar toch] op zoek is naar dat wat mentale bezoedelingen genereert.

Monniken, welke dingen komen tot ontstaan?(8) [Dat zijn] zonen en echtgenotes. Horigen(9), mannen en vrouwen komen tot ontstaan. Geiten, koeien, gevogelte, varkens, paarden, olifanten en merries komen tot ontstaan. Goud en zilver komen tot ontstaan.(10) Monniken, deze aantrekkelijkheden(11) komen tot ontstaan; men raakt er aan verslaafd, men zwijmelt er over, en daardoor begaat men een overtreding(12), en zoekt naar [nog weer andere] dingen die tot ontstaan [kunnen] komen.

[Hetzelfde wordt gezegd over de factoren verval, ziek worden, dood, verdriet, en mentale bezoedelingen.
De passage eindig met:]

Monniken, dit is de niet-nobele zoektocht.




Noten:
Waar in dit tekstgedeelte over gesproken wordt zijn wellicht Boeddha's eerste overwegingen geweest in het proces van Ontwaken: Hoe is het mogelijk dat een mens begeerte kan hebben naar wat hij al heeft of onvermijdelijk krijgen zal. Is dit niet een vorm van geestelijke verblinding, of, in vaktermen, begoocheling, onwetendheid?
(1) De nobele en de niet-nobele zoektocht: ariyā ca pariyesanā anariyā ca pariyesanā.
(2) Nl. wedergeboorte wensen.
(3) Bedoeld wordt de onverschilligheid naar, of onwetendheid ten aanzien van lichamelijk verval, dit tegen de achtergrond van onwetendheid over het wiel van geboren-worden-en-sterven.
(4) Bedoeld wordt de onverschilligheid naar, of onwetendheid ten aanzien van fysiek welzijn, dit tegen de achtergrond van onwetendheid over het wiel van geboren-worden-en-sterven.
(5) Bedoeld wordt de doodswens in de veronderstelling dat dan "alles afgelopen" zal zijn.
(6) De gedachte dat het leven per definitie gepaard moet gaan met een portie verdriet omdat het anders niet 'vol' zou zijn; een gedachte die ervan uitgaat dat een leven zonder portie verdriet een mogelijkheid is.
(7) Er staat sankilesadhamma, de factor bezoedelingen.
(8) Letterlijk staat er jātidhamma, de factor geboren worden.
(9) Dāsidāsa. De Dāsa waren een van de oorspronkelijke volkeren die door uit het noord-westen komende tribalen onder de voet werden gelopen, en die onder hen tot een staat van horigheid, zoniet slavernij vervielen. Dit speelde duidelijk nog in Sakyamuni Boeddha's tijd, volgens sommigen, maar niet volgens allen, 2550 jaar geleden (gerekend vanaf het jaar 2006).
(10) Ook hier wordt het woord jātidhamma gebruikt.
(11) Hier wordt 'aantrekkelijkheden' gebruikt voor het woord upadaya: oppakken, vastgrijpen.
(12) Overtreding: ajjhāpanno. In deze context is een overtreding begaan het obsessief hechten aan al hetgeen hier omschreven wordt onder het hoofd "niet-nobele zoektocht".
(13) Vergelijk het met onze voorkeur voor bijvoorbeeld het instandhouden van ruïnes uit het verleden; ze mógen niet vervallen; dat is bijna verboden.





(Tekstgedeelten 13 en 14)

Monniken, wat is de nobele zoektocht? Hier is iemand die [weder]geboren zal worden, die daar de misère(1) van inziet. Hij zoekt de ongeboren nobele onvergankelijke(2) bevrijding van het juk.(3)
Hier is iemand die tot verval zal geraken, die daar de misère van inziet. Hij zoekt de nobele niet aan verval onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk.
Hier is iemand die [zeker] ziek zal worden, die daar de misère van inziet. Hij zoekt de niet-lijdende nobele onvergankelijke bevrijding van het juk.
Hier is iemand die [zeker] zal sterven, die daar de misère van inziet. Hij zoekt de nobele niet aan sterven onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk.
Hier is iemand die verdriet zal kennen, die daar de misère van inziet. Hij zoekt de nobele niet-lijdende onvergankelijke bevrijding van het juk.
Hier is iemand die aan mentale bezoedelingen onderhevig is, die daar de misère van inziet. Hij zoekt de nobele niet-bezoedelde onvergankelijke bevrijding van het juk.
Monniken, dit is de nobele zoektocht.



Noten:
In dit tekstgedeelte wordt gesproken over dat ene bevrijdende dat niet te vinden is in geboorte, verval en dood. Naar de bewoordingen stemt dit globaal overeen met de vroegere veda die ten grondslag liggen aan het Hinduïsme. In boeddhistische zin is het dat ultieme substantieloze dat niet verder vergoddellijkt wordt, ook al is het Boeddha's essentie, de Dharmakaya (Dharma-lichaam). Hierover wordt uitgebreid gesproken in nagenoeg alle Mahāyana-manuscripten. Voor zover het nagelezen kan worden in vertalingen en besprekingen die bij deze serie Internet-paginas horen, kunt u daar de Diamant Soetra op nalezen, de tekstgedeelten vanaf 3. De Lankāvatāra Soetra, het tweede deel, vanaf tekst 21, heeft het er over. De Avatámsaka Soetra spreekt er uitgebreid over, bijvoorbeeld in het tweeëntwintigste boek (onder: "De kostbaarheid van wijsheid") en in het zesentwintigste boek (het zesde stadium), en "Het ontwaken van Gelovig Vertrouwen in de Mahāyana" spreekt er over, bijvoorbeeld in het tekstgedeelte dat begint onder het hoofd Het tonen van de Ware Betekenis.

(1) Er staat ādīnava, misère, tegenslag, gevaar.
(2) Het onvergankelijke, letterlijk ajāta, niet onderhevig zijn aan geboren worden.
(3) Bevrijding van het juk: yogakkhema. Bedoeld wordt vrijkomen van het juk van de cirkelgang van geboren worden en sterven met de daarbijbehorende factoren van obsessief verlangen en onwetendheid.





(Tekstgedeelten 15 en 16)

Monniken, toen ik nog geen Boeddha was, nog geen Meest Verheven Boeddha, maar nog een Bodhisatta(1), zocht ik, hoewel [al] geboren, naar [weder]geboorte, zocht ik, hoewel onderhevig aan verval, [toch] verval, zocht ik, hoewel onderhevig aan ziek worden, [toch] het ziek zijn, zocht ik, hoewel sterfelijk, [toch] de dood, zocht ik, hoewel onderhevig aan leed, [toch] leed, zocht ik, hoewel er mentale bezoedelingen in mij waren, [toch] naar mentale bezoedelingen.


Noten:
De opsomming heeft objectief gezien een paar ogenschijnlijke ongerijmdheden. Een zoeken naar verval, een zoeken naar ziek worden, het lijkt tegenstrijdig aan wat een gezond mens wil. Waar hier naar gewezen wordt is een tot staan brengen van een karmische stroom die na dit leven, in een nieuwe bestaan ongetwijfeld weer verval, ziek zijn, leed en de rest genereert. We moeten daarbij bedenken dat vooral fysiek leed 3000-2000 jaar geleden globaal van een andere orde was dan het nu is. Zie ook voetnoot 1 bij tekstgedeelten 47 t/m 52.
(1) ... nog geen Boeddha ..., nog geen Meest Verheven Boeddha, maar nog een Bodhisatta, ... : sambodhā anabhisambuddho bodhisattova.
Hier is een verschil in opvatting met de Mahāyana die ervan uitgaat dat er al inherent Boeddhaschap was, maar dat de asceet Gótama daartoe eerst moest Ontwaken. In de twintigste eeuw heeft, op grond van inter-traditie-discussies en argumenten, een deel van de Theravāda-gemeenschap die constatering aanvaard, zonder dat dit verdere consequenties lijkt te hebben gehad voor een exegese aangaande overige Dharma-elementen zoals de visie op ledigheid (sunyatā) en het daaraan gekoppelde besef over het illusoir zijn.




Monniken, toen kwam deze gedachte in me op:
ik ben al onderhevig aan geboren worden(1), waarom zou ik [weder]geboorte zoeken?
Ik ben onderhevig aan verval, waarom zou ik verval zoeken?
Ik ben al onderhevig aan ziek worden, waarom zou ik het zoeken?
Ik ben al sterfelijk, waarom zou ik de dood zoeken?
Ik ben al onderhevig aan leed, waarom zou ik het zoeken?
Ik ben al onderhevig aan bezoedelingen, waarom zou ik ze zoeken?

Ik ben onderhevig aan [weder]geboren worden; ik ken de misère van [weder]geboren worden; waarom zoek ik niet naar de ongeboren nobele onvergankelijke bevrijding van het juk?
Ik ben onderhevig aan verval; ik ken de misère van verval; waarom zoek ik niet naar de nobele niet aan verval onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk?
Ik ben onderhevig aan ziek worden; ik ken de misère van ziek zijn; waarom zoek ik niet naar de niet-lijdende nobele onvergankelijke bevrijding van het juk?
Ik ben sterfelijk; ik ken de misère van sterven; waarom zoek ik niet naar de nobele niet aan sterven onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk?
Ik ben onderhevig aan leed; ik ken de misère van leed; waarom zoek ik niet naar de nobele niet-lijdende onvergankelijke bevrijding van het juk?
Ik ben onderhevig aan bezoedelingen; ik ken de misère van bezoedelingen; waarom zoek ik niet naar de nobele niet-bezoedelde onvergankelijke bevrijding van het juk?




Noot:
(1) "Onderhevig aan geboren worden": De cirkelgang door samsāra waarvan de vedische traditie zegt dat ze niet beïnvloedbaar is. Boeddha zet zich hier tegen af, en leert dat een wezen dat op de juiste manier cultiveert, en de juiste inzichten verwerft wel degelijk een breuk in die cirkelgang tot stand kan brengen, of een radicale ommekeer van het psychische wezen (paravrti), zoals het ook wel genoemd wordt. Wat hier op religieus-filosofisch vlak doorbroken wordt is een zekere mentale passiviteit en fatalisme.





(Tekstgedeelten 17 t/m 19)

En zo gebeurde het, monniken, dat ik toen ik nog jong was, toen mijn haar nog zwart was, tegen de wens van mijn vader en moeder die tranen in de ogen hadden het huiselijke leven verliet, mijn haar afsneed, een pij aantrok(1), en een thuisloze(2) werd die Voortging(3). Ik werd er een die zocht naar het goede, naar het allerverhevenste(4) pad van vrede.(5) Zo benaderde ik [de asceet] Ālāra Kālāma en vroeg hem: Vriend Ālāra Kālāma, ik wens door u aangenomen te worden(6) om het religieuze leven(7) te leiden volgens uw leer en levensregels.(8)

Daarop zei Ālāra Kālāma: Kom vriend, leef in mijn gemeenschap; de wijzen realiseren(9) in korte tijd deze leer en de levensregels, en zijn dan de gelijke van hun leraar.
Monniken, ik leerde al snel deze leer; ik erkende en zag het reciteren zoals de ouderen(10) dat deden. Toen kwam deze gedachte in me op: met enkel maar deze leer [van reciteren] zal ook Ālāra Kālāma er niet in slagen in zichzelf de wetenschap te ervaren die zegt, "Deze leer ken ik, zie ik; ik heb het helemaal vervuld(11); ik verblijf er in. En toch kent en ziet hij het.
Ik ging naar Ālāra Kālāma en vroeg hem, "Hoe verblijft u nu [wat is uw staat van geest], nu u deze leer hebt gerealiseerd?" Daarop verklaarde Ālāra Kālāma me de [meditatieve] sfeer van "er is niets".(12)
Toen dacht ik, "het is niet alleen Ālāra Kālāma die dit vertrouwen(13) heeft, die energie(14) bezit, dat inzicht(15), samādhi(16) en wijsheid(17), ook ik heb vertrouwen, energie, inzicht, samādhi en wijsheid. Waarom zou ik me niet inspannen om dat te gaan realiseren wat hij realiseerde.
Het duurde niet lang voor ik deze realisering had. Toen ging ik naar Ālāra Kālāma en stelde hem de volgende vraag: Vriend Kālāma, is dit het hoogste weten, de hoogste dharma die u hebt gerealiseerd en waarin u verblijft? Vriend, antwoordde Kālāma, dit is het hoogste weten, de hoogste dharma die ik heb gerealiseerd, die ik predik en waar ik in verblijf. Toen zei ik, "Ook ik heb dit hoogste weten, deze hoogste dharma gerealiseerd en verblijf daarin."
[Ālāra Kālāma antwoordde:] Vriend, het is zeldzaam fortuinlijk wanneer we andere door ons ingewijdden ontmoeten die we mede-brahmacarin(18) kunnen noemen. De leer die ik realiseerde, hebt u gerealiseerd; de leer die ik ken, die kent u. We zijn gelijken, wordt mijn mede-leraar, laten we samen aan het hoofd staan van deze schare die hier samenleeft.

Monniken, op deze manier eerde mijn leraar Ālāra Kālāma me, mij, zijn leerling; hij bood me een gelijke status aan.
Toen overdacht ik: Deze leer leidt niet naar een opgeven, naar een loslaten, naar een uitdoven, naar tot vrede komen, naar de hoogste kennis, naar nirvana.(19) Het leidt uitsluitend tot de sfeer van "er is niets". Daar was ik niet tevreden mee en wendde me af.



Noten:
(1) Kāsāyāni
(2) en (3) Zie voetnoten 13 en 14 bij tekstgedeelten 1 t/m 6.
(4) Anuttaram
(5) Santivarapadam
(6) 'Aangenomen worden' is hier een vertaling van upasampajja: met enig ceremonieel opgenomen als leerling van ...; het wordt gevolgd door viharatāyasmā, leven in de gemeenschap van ...
(7) 'Het religieuze leven leiden' is hier een vertaling van brahmacariyam, liefhebber van het verheven leven.
(8) 'Leer en levensregels' is hier een vertaling van dhammavinaye. Dhammavinaye, de Dharma en de levensregels, is zo'n door-en-door Theravāda-begrip, gebruikt in hun Pali-canon, dat we alleen al hieraan kunnen zien dat deze Rede een oorspronkelijke vertaling is. Hetzelfde geldt voor het daaropvolgende "ouderen" (thera). Zie daarvoor ook de inleidende woorden.
(9) Hier wordt het woord abhiñña gebruikt: een hogere kennis die ervaren wordt met het lichaam en in de geest.
(10) Ouderen; zie voetnoot 8.
(11) 'Helemaal vervuld' is een vertaling van kévala dat letterlijk onafhankelijk verblijven betekent.
(12) Dit is de derde dhyāna of jhāna: ākiñcañña, of ook wel na kiñci. Zie voor een toelichting voetnoot 1 bij het volgende tekstgedeelte.
(13) Vertrouwen, saddhā.
(14) Energie, víriya.
(15) Inzicht, satí.
(16) Samādhi, een generieke term voor meditatie.
(17) Wijsheid, pañña.
(18) Zie noot 7.
(19) nāyam dhammo nibbidāya na virāgāya na nirodhāya na upasamāya na abhiññāya na sambodhāya na nibbānāya samvattati.
De zin heeft grote gelijkenis met die uit de Eerste Leerrede: cakkhukaranī ñānakaranī upasamāya abhiññāya sambodhāya nibbānāya samvattati: Dit ... leidt tot visie, tot Weten, tot rust, tot direct, persoonlijk ervaren, tot alwetendheid, tot nirvana.
De voetnoot onderaan tekstgedeelte 41 heeft een paar woorden over de mogelijkheid dat de Eerste Leerrede ooit deel heeft uitgemaakt van de Nobele Zoektocht, maar daar om overigens begrijpelijke redenen is uitgelicht om als meest grondleggende tekst een zelfstandige leven te leiden.





(Tekstgedeelten 20 t/m 22)

Ik werd er een die zocht naar het goede, naar het allerverhevenste pad van vrede. Zo benaderde ik [de asceet] Úddaka Rāmaputta en vroeg hem: Vriend Úddaka Rāmaputta, ik wens door u aangenomen te worden om het religieuze leven te leiden volgens uw leer en levensregels.

Daarop zei Úddaka Rāmaputta: Kom vriend, leef in mijn gemeenschap; de wijzen realiseren in korte tijd deze leer en de levensregels, en zijn dan de gelijke van hun leraar.
Monniken, ik leerde al snel deze leer; ik erkende en zag het reciteren zoals de ouderen(10) dat deden. Toen kwam deze gedachte in me op: met enkel maar deze leer [van reciteren] zal ook Úddaka Rāmaputta er niet in slagen in zichzelf de wetenschap te ervaren die zegt, "Deze leer ken ik, zie ik; ik heb het helemaal vervuld; ik verblijf er in. En toch kent en ziet hij het.
Ik ging naar Úddaka Rāmaputta en vroeg hem, "Hoe verblijft u nu [wat is uw staat van geest], nu u deze leer hebt gerealiseerd?" Daarop verklaarde Úddaka Rāmaputta me de [meditatieve] sfeer van "er is noch perceptie, noch niet-perceptie".
Toen dacht ik, "het is niet alleen Úddaka Rāmaputta die dit vertrouwen heeft, die energie bezit, dat inzicht, samādhi en wijsheid, ook ik heb vertrouwen, energie, inzicht, samādhi en wijsheid. Waarom zou ik me niet inspannen om dat te gaan realiseren wat hij realiseerde.
Het duurde niet lang voor ik deze realisering had. Toen ging ik naar Úddaka Rāmaputta en stelde hem de volgende vraag: Vriend Rāma, is dit het hoogste weten, de hoogste dharma die u hebt gerealiseerd en waarin u verblijft? Vriend, antwoordde Rāma, dit is het hoogste weten, de hoogste dharma die ik heb gerealiseerd, die ik predik en waar ik in verblijf. Toen zei ik, "Ook ik heb dit hoogste weten, deze hoogste dharma gerealiseerd en verblijf daarin."
[Úddaka Rāmaputta antwoordde:] Vriend, het is zeldzaam fortuinlijk wanneer we andere door ons ingewijdden ontmoeten die we mede-brahmacarin kunnen noemen. De leer die ik realiseerde, hebt u gerealiseerd; de leer die ik ken, die kent u. We zijn gelijken, blijf mijn mede-brahmacarin, wordt hier leraar en sta aan het hoofd van deze schare die hier samenleeft.

Monniken, op deze manier eerde mijn leraar Úddaka Rāmaputta me, mij, zijn leerling; hij bood me de leiding over zijn gemeenschap aan.
Toen overdacht ik: Deze leer leidt niet naar een opgeven, naar een loslaten, naar een uitdoven, naar tot vrede komen, naar de hoogste kennis, naar nirvana. Het leidt uitsluitend tot de sfeer van "er is noch perceptie, noch niet-perceptie"(1). Daar was ik niet tevreden mee en wendde me af.




Noot:
(1) Nevasaññānāsaññāyatanam. Dit is de vierde dhyāna of jhāna. Over de dhyāna wordt in de bijlage verder gesproken. Het laatste tekstgedeelte van deze Nobele Zoektocht geeft de opsomming van deze en de andere drie mentale staten die bereikt zijn zodra de respectieve dhyāna succesvol zijn doorlopen.





(Tekstgedeelten 23 en 24)

Ik was er een die zocht naar het goede, naar het allerverhevenste pad van vrede. Zo dwaalde ik, nu eens hier verblijvend, en dan weer daar(1) door de staat Mágadha, en kwam uiteindelijk aan bij het veehoedersdorp Senāni in Uruvéla. Daar stroomde door een aangename landstreek een rivier, omzoomd door welgevormde witte oevers, en vlakbij was een bos.
Ik dacht, "Dit is een aangename streek; er is een bos in de buurt, en er stroomt een rivier met in de nabijheid een veehoedersdorp." Ik zette me neer en overdacht dat dit voor een zoon van goede familie(2) een goede plaats was om een extra inspanning te leveren.

Daarop, monniken, [zette ik me neer op de zes handjes gras die Sotthiya de grassnijder me gegeven had, en mediteerde en contempleerde]:
Ik ben onderhevig aan [weder]geboren worden; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele ongeboren onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna (nirvana) binnen.
Ik ben onderhevig aan verval; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele niet aan verval onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna binnen.
Ik ben onderhevig aan ziek worden; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele niet aan ziekte onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna binnen.
Ik ben sterfelijk; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna binnen.
Ik ben onderhevig aan leed; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele niet lijdende onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna binnen.
Ik ben onderhevig aan bezoedelingen; ik ken er de misère van; ik zoek de nobele onbezoedelde onvergankelijke bevrijding van het juk. Zo [mediterend en contemplerend] ging ik nibbāna binnen.

Toen zag [ervoer] ik, - mijn bevrijding is onbetwistbaar. Dit is mijn laatste geboren zijn; er is hierna geen worden meer.(3)



Noten:
Op dat moment was Boeddha zevendertig jaar oud; sommigen zeggen tweeëndertig.
Het zal de lezer opgevallen zijn dat hier geen zelfs maar bij-benadering omschrijving wordt gegeven van de inhoud van nibbāna of nirvana. De impliciete betekenis hiervan is dat iedere kandidaat zelf op zoek moet, en in eigen lichaam en geest zelf het bevrijdende Weten moet realiseren. Dit wordt nog eens expliciet herhaald in tekstgedeelte 25 waar gesproken wordt over analyseren, en in tekstgedeelten 32/34 waar het woord 'zien' in voorkomt. Met andere woorden, men kan maar niet zomaar op de stroom meewiegen en verwachten dat het ook zo wel komen zal; er moet heel actief onderzocht, onderzocht, en onderzocht worden. Dit is een wezenskenmerk van een groot aantal canonieke en semi-canonieke teksten, van de Kalāma Sutta tot aan de koan-techniek.
Het lijk zinvol hier een passage aan toe te voegen uit de Padhana Sutta uit de Sutta Nipāta, zoals die ook besproken wordt op de pagina over Boeddha.
In de Padhāna sutta wordt beschreven hoe Boeddha "het leger van Māra" versloeg, dat wil zeggen, hoe hij weerstand bood aan het blind achterna lopen van de zintuiglijke impressies. De beschrijving in deze Leerrede moet niet letterlijk genomen worden. Net als in het oude Europa lopen de werkelijkheid en het sprookje door elkaar, en wordt niet zelden de voorkeur gegeven aan het sprookje omdat dit de werkelijkheid in wezen dichter benadert dan een historisch-feitelijke opsomming van gebeurtenissen.
Hier zien we de twijfel van de Bodhisattva die op het punt staat "door te breken": Heb ik nu werkelijk alles gedaan wat gedaan moest worden, zijn de tien perfecties (dasaparamitā) nu werkelijk vervuld? Wanneer dan Boeddha de aarde aanroept als getuige is er zekerheid, en valt die zorgelijke onrust weg. Wellicht mogen we daarom nirvana wel omschrijven met de vredige rust van iemand die weet dat hem of haar niets, maar dan ook niets meer verweten kan worden. Ook daarom wordt van Boeddha gezegd dat hij de angstloze is, en ook daarom is het alleen aan boeddhabeelden dat we de vreesafwerende mudra zien, de abhaya-mudra.(a)
De passage, naar een vertaling van Paul Carus, gaat als volgt:
"Māra liet een wervelwind ontstaan, maar tevergeefs; hij liet een stortbui ontstaan opdat Boeddha daarin verdrinken zou, maar geen druppel maakte zijn pij ook maar nat; hij liet rotsblokken van een helling naar beneden komen, maar die veranderden in bloemen; hij veroorzaakte een regen van wapens -- zwaarden, speren en pijlen -- die hem moesten treffen, maar het werden hemelse bloemen; hij veroorzaakte een regen van gloeiende kolen die uit de hemel neerdaalden, maar ook deze richtten geen schade aan. Zo ook werden hete as, een zandstorm en een modderstroom veranderd in hemelse zalven.
Ten leste veroorzaakte hij duisternis, maar de duisternis week voor Boeddha zoals de nacht wijkt voor de zon. Māra schreeuwde: "Siddharta, sta op van die zetel, die behoort jou niet toe, die behoort mij toe." Boeddha antwoordde, "Māra, je hebt de tien perfecties(b) niet vervuld. Deze zetel behoort niet jou toe, maar mij, want ik heb de tien perfecties vervuld."
Māra weersprak Boeddha's claim en riep zijn leger als getuige aan. Boeddha zei, "Ik heb geen ademhebbende getuige hier tegenwoordig, maar", zijn rechterhand naar de machtige aarde uitstrekkend zei hij tot de aarde, "Wilt u mijn getuige zijn?" En de machtige aarde donderde: "Ik ben getuige." En Māra's olifant viel op zijn knieën, en al zijn volgelingen vluchtten alle kanten op. Toen de menigte hemelingen zag hoe Māra's leger vluchtte, riepen ze: "Māra is verslagen! Prins Siddhartha heeft overwonnen! Laat ons die zege vieren!"


(a)
De abhaya-mudra
.
(b)Tien perfecties (paramíta). Zie hiervoor de Lankāvatāra Soetra, tekst 1, voetnoot 6.

Zie voor 'juk' voetnoot 3 in het bovenstaande tekstgedeelte 13-14.
(1) Andere bronnen melden dat de hele Zoektocht zes jaar duurde.
(2) Kulaputta.
(3) De laatste twee zinnen zijn nagenoeg een herhaling van de laatste strofen uit de Eerste Leerrede. In de voorliggende rede staat: yen'ānañca pana me dassanam udapādi: 'akuppā me vimutti. Ayamantimā jāti. Natthidāni punabbhavo'ti.
In de Eerste Leerrede staat: Yāvañca pana me akuppā me cetovimutti, ayamantimā jāti, natthidāni punabbhavoti.





(Tekstgedeelte 25)

Toen, monniken, overdacht ik het volgende: deze dharma is onovertroffen(1), is verreikend en verheven(2); ze is vredig(3); ze is voor de intelligenten(4), ze is voorbij woorden(5), diep(6), alleen door de wijzen te ervaren.(7)

Gewone stervelingen scheppen vreugde(8) in het zich [ergens in te] vestigen(9), en omdat ze gehecht zijn aan dat gevestigde gaan ze voort [door samsara](10), en zien ze niet hoe moeilijk(11) dit punt te begrijpen is. Ze zien niet dat Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan(12) gevestigd is op dit punt.
Dit punt is te moeilijk vast te stellen, dat er een tot rust komen is van alle samengesteldheden(13), dat er een afstand nemen is van alle hechten, van die massa verlangens(14), dat gepassioneerdheid(15) weg is, dat er een uitdoving(16) is, dat er nirvana is. Als ik dit zou onderwijzen(17) zou het niet begrepen worden, en zou ik alleen maar [fysieke] uitputting bereiken.(18)
Toen kwamen deze verzen in me op die me door geen leraar(19) waren aangereikt:

Ik heb gedaan wat gedaan moest worden; waarom zou ik het prediken.
Het gaat hen die omhuld zijn door passies en aversies het verstand te boven.
Dat wat grondig [geanalyseerd is], dat wat tegen de stroom ingaat [grote inspanning vergt] is moeilijk te zien, te ervaren.
Waar lust en opwinding regeren, daar kan het niet gezien worden; ze zijn gehuld in duisternis.
(20)




Noten:
(1) adhígato. (2) gambhīro ... duranubodho. (3) santo. (4) panito. (5) atakkāvacaro. (6) nipuño. (7) panditavedanīyo.
(8) sammuditá.
(9) Verwezen wordt naar verworven inzichten die maar moeilijk open te breken zijn.
(10) Het woord pajāya wordt hier gebruikt. Het is vertaald in de geest van het gezegde, "kammanā vattati loko, kammanā vattati pajā: omdat er karma is gaat de wereld voort, gaat de mensheid voort [door samsara].
(11) Moeilijk: duddasā ... nipuna, als in: "dhammā gambhīrā duddasā - diep, moeilijk te zien, voorbij woorden of logica.
(12) idappaccayatāpaticcasamuppādo.
(13) De lezer moet voor ogen houden dat het hier gaat over de grote levensvragen, die over geboren worden en sterven.
Tot rust komen van alle samengesteldheden: sabbasankhārasamatho.
(14) Afstand nemen van alle hechten, van die massa verlangens: sabbupadhipatinissaggo tanhakkhayo.
(15) Ongepassioneerd: virāgo.
(16) Uitdoving: nirodho.
(17) deseyya.
(18) kilamatha.
(19) Geen leraar, zonder leraar: anacchariyā. Het is een van de passages waarin Boeddha vertelt dat hij de inzichten die hij uiteindelijk verkreeg aan niemand anders te danken had dan aan zichzelf. Dit zonder leraar zijn van een Boeddha is een heel belangrijk gegeven binnen de leer van het boeddhisme.
(20) Kiccena me adhigatam halandāni pakāsitum, | Rāgadosaparetehi nāyam dhammo susambudho. | Patisotagāmim nipunam gambhiram duddasam anum | Rāgarattā na dakkhinti tamokkhandhena āvatāti.





(Tekstgedeelten 26 en 27)

Zo, monniken, bezag ik het(1), in dat licht(2) keek ik er naar en was geneigd deze dharma niet te onderwijzen.
Monniken, toen zag Brahma Sahámpati(3) mijn gedachten en overwoog: Bho(4), zo zal de wereld ten ondergaan; bho, zo zal de wereld verdwijnen indien de Tathāgata(5), de Arhat, de Sammasambuddha besluit deze dharma niet te onderwijzen. Laat hij [opnieuw] zijn licht er over laten schijnen, laat hij het opnieuw overwegen.
Toen verdween Brahma Sahámpati uit zijn Brahma-wereld en verscheen voor me, net zo snel als wanneer een sterke man zijn gebogen arm strekt, of zijn gestrekte arm buigt.




Noten:
(1) patisañcikkhato.
(2) appossukkatāya; sukka = helderheid.
(3) De met naam genoemde Brahma (meervoud) zijn entiteiten die de boeddhistische mythologie op de hoogste trede van nog enigszins te vermoeden 'wezens' plaatst. Hier wordt niet gesproken over Brahma in de vedische context.
(4) Bho, een ander woord voor bhante, edele heer.
(5) Tathāgata: Zo gekomene, Zo gegane: Boeddha.


Monniken, toen sloeg Brahma Sahámpati zijn overkleed over één schouder, vouwde zijn handen in añjali en zei: Heer, Bhagavā(1), onderwijs deze dharma. Welgegane, onderwijs deze dharma. Er zijn wezens met slechts weinig bezoedelingen; wanneer ze deze dharma niet vernemen glijden ze af(2). Er zijn er die deze dharma kunnen begrijpen.(3) Dat zei Brahma Sahámpati. Hij zei ook nog:

In het verleden verrees deze dharma ook in [de staat] Mágadha, maar kwam uit een onzuivere bron.(4)
Open de deur naar het doodloze.
Spreek (5) over deze dharma die smetteloos en des Boeddhas is.
[Deze dharma is] als een rots temidden van de wervelende winden.(6)
Zie [van daar af] naar alle kanten [windrichtingen] over de mensen.
Wijze, wees die rots en onderwijs.
Er zijn er die het kunnen zien; er zijn er die kennis hebben
temidden van deze cirkelgang van leed, temidden van duisternis, van een hels bestaan(7); [breng] de vrijheid van leed.(8)
Onderwijs dat wat voorbij geboren worden en sterven is.(9)
Mogen de sterken [deze kwaden(10)] overwinnen.
Ik voorspel(11) vrijheid van kluisters(12) in diegenen die in deze wereld actief op onderzoek uitgaan.
Bhagavā, onderwijs deze dharma, deze wijsheid die vredig geboren is.




Noten:
(1) Waar doorheen de tekst 'Gezegende' staat, staat in het origineel bhagavā, een generieke term voor een vereerde religieuze leraar.
(2) Glijden ze af. Het origineel is duister. Er zou een vorm van vanta gebruikt kunnen zijn die 'uitwerpen' betekent.
(3) Er wordt een vorm van aññā gebruikt die aan het eind van de eerste Leerrede voorkomt wanneer Boeddha uitroept dat zijn eerste discipel Kondañña het begrepen (aññā) heeft.
(4) Ook hier is de betekenis niet helder. Er is een combinatie van asuddho - onzuiver en cintito - de geest of het denken.
Of in deze zin wordt verwezen naar de prediker wiens geest nog onzuiver was, of dat de leer werd overgedragen aan toehoorders wier denken onzuiver was, valt niet vast te stellen.
(5) Of 'spreek' de juiste vertaling is van sunantu is niet zeker.
(6) De zin luidt: sele yathā pabatamuddhanitthito. Muddha heeft de betekenis van 'verwilderd, dwaas'.
(7) Peta.
(8) Asoka.
(9) Jātijarābhibhuta.
(10) Een impliciete betekenis van sangama.
(11) satthavāha. Sattha = de kunde van het voorspellen.
(12) Anana.





(Tekstgedeelten 28 t/m 31)

Ingaand op het verzoek van Brahma [Sahámpati], met mededogen jegens de wezens, overzag ik de wereld met mijn Boeddha-oog.(a) Ik zag de wezens met slechte inborst, en ik zag wezens met een goede inborst. Ik zag wezens met een scherp verstand en met een zwak verstand. Ik zag er die goede disposities, en die zwakke disposities hebben. En ik zag er die de andere wereld [de dood en het leven na de dood] vrezen.
[Ik maakte deze vergelijking:] Het is als de blauwe, rode en witte lotussen. Sommige ontwikkelen hun knoppen onder water, en komen onder water tot bloei. Sommige ontwikkelen hun knoppen op de oppervlakte van het water, en komen tot bloei op de oppervlakte van het water. Sommige ontwikkelen hun knoppen boven het water, en komen tot bloei boven het water.
Zo ook zag ik wezens met slechte en goede inborst, met een scherp of een zwak verstand, met goede of slechte disposities, en ik zag er die de andere wereld vrezen. Toen antwoordde ik Brahma Sahámpati met de volgende verzen:

Brahma, ik heb de poort naar het doodloze geopend,
mogen zij die horen kunnen, en die gelovig vertrouwen hebben, bevrijd worden.
In de geest van geweldloosheid zal ik spreken.
Ik zal de mensen de Dharma brengen.


Toen Brahma Sahámpati eenmaal wist dat de deur naar het uitdragen van de Dharma openstond, bewoog hij zich respectvol om mij heen(1) en verdween op datzelfde moment.
Toen, monniken, kwam de volgende gedachte in me op: Wie zal ik het eerst onderwijzen, wie zal het snel begrijpen? Ik dacht, daar is al lange tijd de wijze Ālāra Kālāma, hij is intelligent, hij heeft een scherp verstand. Als ik hem als eerste deze Dharma geef dan zal hij het binnen korte tijd begrijpen.
Toen kwamen devatā(2) naar me toe en zeiden: Bhante [heer], Ālāra Kālāma is zeven dagen geleden overleden. Kennis verrees in mij: Ālāra Kālāma overleed zeven dagen geleden, en ik overwoog het volgende: Ālāra Kālāma had grote wijsheid; had ik hem deze Dharma onderwezen, hij zou het snel begrepen hebben.

Toen, monniken, kwam de volgende gedachte in me op: Wie zal ik het eerst onderwijzen, wie zal het snel begrijpen? Ik dacht, daar is al lange tijd de wijze Úddaka Rāmaputta, hij is intelligent, hij heeft een scherp verstand. Als ik hem als eerste deze Dharma geef dan zal hij het binnen korte tijd begrijpen.
Toen kwamen devatā(2) naar me toe en zeiden: Bhante, Úddaka Rāmaputta is gisterenavond overleden. Kennis verrees in mij: Úddaka Rāmaputta overleed gisterenavond, en ik overwoog het volgende: Úddaka Rāmaputta had grote wijsheid; had ik hem deze Dharma onderwezen, hij zou het snel begrepen hebben.




Noten:
(a) In de Pancataya sutta waarschuwt Boeddha dat naar deze supranormale vermogens pas gestreefd kan worden nadát nibbāna (nirvana) is bereikt omdat anders de meditator te gronde gaat, "net als Dévadatta." Hij zegt, "Ze zouden bereikt moeten worden nadat uitdoving is behaald."
(1) Rechtsom en respectvol om een vereerd object heen lopen heet padákkina.
(2) Devatā. Binnen de boeddhistische mythologie zijn dit hemelse wezens die nog het dichtst bij de mensen staan.





(Tekstgedeelten 32 t/m 34)

Opnieuw overwoog ik, wie zal ik deze Dharma onderwijzen, wie zal deze Dharma in korte tijd begrijpen?
Monniken, toen dacht ik, deze groep van vijf monniken(1) zijn erg behulpzaam geweest. Waar is deze groep van vijf nu, waar beoefenen ze strenge ascese?(2)
Met dat zien dat [nu] gezuiverd was, dat het zien van de gewone mens oversteeg, zag ik hoe deze groep in het Hertenpark verbleef, in het Park der Zieners, nabij Varanasi.(3)




Noten:
(1) Leterlijk betekent bhikkhu: iemand die op voedselronde gaat. De eerste vijf monniken waren de voormalige asceten Kondañña, Vappa, Bháddiya, Mahanāma en Ássaji.
(2) kahannukho.
(3) bārānasiyam (Varanasi) ... isipatane (Park van de Zieners) migadāye (Hertenpark).




Nadat ik lang genoeg in Uruvéla verbleven had liep ik in dagmarsen in de richting van Varanási. Monniken, onderweg, tussen de plaats van Ontwaken(1) en Gaya, ontmoette ik Úpaka, de Ājivaka.(2) Hij zei tegen me, Vriend, u hebt een heldere blik, uw faculteiten lijken me zuiver(3), en uw huid ziet er helder uit. Wie leidt u in het leven waarin u bent Voortgegaan?(4) Onder wie oefent(5) u? Tot welke dharma voelt u zich aangetrokken?(6) Ik antwoordde hem met de volgende versregels:

Ik heb alles overstegen; ik bezit alwetendheid.(7)
De Dharma die ik won is smetteloos.(8)
Die hele massa van verlangen is opgegeven, daardoor is er bevrijding.(9)
Door deze [factor van] lust(10) te zien, heb ik het [die bevrijding] zelf gerealiseerd en ervaren.
Een leraar heb ik niet, ik heb geen gelijke(11) die eveneens deze wijsheid(12) bezit.
Noch onder de devatā, noch op aarde is er iemand anders zoals ik.(13)
In deze wereld ben ik een Arhat(14), een Verhevene.(15)
Ik ben de meest verheven boeddha(16); ik heb de staat van uitdoving(17) bereikt.
Ik ga nu naar Kasistad om het Wiel van de Dharma in Beweging te Zetten.(18)
In deze wereld die als blind(19) en onwetend is zal ik de trom van het doodloze(20) roeren.




Noten:
(1) Er staat bodhi dat in de meest letterlijke zin 'wijsheid' betekent.
(2) De ājivika zijn ongeklede asceten. Samen met boeddhisten en jaïns vormen zij de enige niet-theïstische stromingen in India.
(3) vippasannāni ... indriyāni parisuddho. Vipassanā = helder zien; índriyā = faculteit; parisuddho = zuiver.
(4) pabbajito. (5) satthā. (6) rocesīti. (7) sabbaviduhamasmī. (8) anupalitto, letterlijk: niet besmeurd. (9) tanhakkhaye vimutto. (10) kama. (11) sadiso. (12) vijjati. (13) patipuggalo. (14) Een Waardige. (15) satthā anuttaro. (16) sammāsambuddho. (17) sītibhutosmi nibbuto. (18) dhammacakkam pavattetu. (19) andhabhutasmi. (20) amatadundubhinti.




[Úpaka antwoordde:] Vriend, u zegt het! Dus u bent de overwinnaar?(1)
[Ik antwoordde:] Úpaka, alle kwade dharmas(2) zijn uit mij verdwenen; er is geen [slechte] uitstroom(3) meer.
Monniken, toen dit gezegd was wiegde Úpaka zijn hoofd [in twijfel] heen en weer en zei: Vriend, 't kan waar zijn. Hij draaide zich om en sloeg een andere weg in.



Noten:
(1) anantajino'ti. (2) pāpakā dhammā. (3) āsavakkha. Dit betekent dat er geen resultaat van goed of kwaad karma, handelen, meer is dat pas in een volgend leven tot uitwerking en oplossing zal komen.





(Tekstgedeelten 35 t/m 41)

Toen, monniken, trok ik in dagmarsen, zoals een monnik dat doet(1), naar Varanasi, naar het Park der Zieners, naar het hertenpark, en naderde de groep van vijf monniken. Ze zagen me vanuit de verte aankomen, groepten samen en zeiden tegen elkaar, vrienden, daar komt de monnik(2) Gótama die teruggevallen is naar een leven van toegeven aan zintuigelijk genieten(3), die het energieke streven(4) heeft opgegeven. We zouden niet eerbiedig met hem moeten spreken(5), we zouden niet gedienstig moeten zijn(6), we zouden zijn aalmoezenkom en pij niet in ontvangst moeten nemen(7). We zouden ook geen zetel(8) voor hem klaar moeten zetten, en we zouden hem geen water(9) moeten geven om zijn voeten te wassen. Als hij wil, kan hij gaan zitten.
Monniken, naarmate(10) ik naderbij kwam kon de groep van vijf zich toch niet weerhouden. De ene kwam nader om mijn aalmoezenkom en pij in ontvangst te nemen. De andere zette een zetel gereed. De derde haalde een kom met water zodat ik mijn voeten kon wassen.
Maar ze waren familiair; ze noemden me bij naam, en gebruikten het woord 'vriend'.(11)




Noten:
(1) cārika caramāno. (2) sámano. (3) bāhuliko ... bāhullāya. Bāhu = groot, veel. (4) padhānavibbhanto. (5) na abhivādetabbo. (6) na paccutthātabbo. (7) pattacīvaram patiggahesum. (8) āsana. (9) apo. (10) yathā yathā.
(11) Api ca kho mam nāmena ca āvusovādena ca samudācaranti. Boeddha presenteerde zich hier als leraar van de Groep van Vijf. Daarom stelde hij familiariteit niet op prijs; het kan een leraar-leerling-relatie vertroebelen.




Toen zei ik tegen deze groep van vijf monniken: Monniken, spreek de Tathāgata [Zo-gekomene, Zo-gegane] niet bij naam aan, gebruik niet het woord 'vriend', wees niet familiair. Monniken, de Tathāgata is nu een sammāsambuddha, een Meest Verheven Boeddha. Monniken, luister naar wat ik te zeggen heb; ik heb het doodloze bereikt; dat wat voorbij het mensenrijk gaat heb ik bereikt.(1) Ik zal jullie deze Dharma onderwijzen. Wanneer een zoon van goede familie die thuisloze is geworden en is Voortgegaan deze dharma tot zich neemt, zal hij al snel het hoogste bereiken(2) wat binnen het heilige leven(3) mogelijk is, en daar verblijven(4).



Noten:
(1) amatamadhigatam. Ahamanusāsāmi.
(2) upasampajja.
(3) brahmacariyapariyosānam.
(4) viharissathā.




Toen, monniken, zei de groep van vijf: Vriend Gótama, binnen het leven dat u vroeger leefde, waarin u met grote inspanning streefde hebt u niet de kennis en het weten bereikt dat het sterfelijke teboven gaat.(1) Nu hebt u die grote inspanning opgegeven en bent teruggevallen naar een leven van toegeven aan het zintuiglijke. Welke boven het sterfelijke uitgaande kennis en weten hebt u dan wel bereikt?
[Ik zei:] Monniken, de Tathāgata is niet teruggevallen naar een leven van toegeven aan zintuigelijk genieten, heeft niet het energieke streven opgegeven. Monniken, de Tathāgata is nu een sammāsambuddha, een Meest Verheven Boeddha. Monniken, luister naar wat ik te zeggen heb; ik heb het doodloze bereikt; dat wat voorbij het mensenrijk gaat heb ik bereikt. Ik zal jullie deze Dharma onderwijzen. Wanneer een zoon van goede familie die thuisloze is geworden en is Voortgegaan deze dharma tot zich neemt, zal hij al snel het hoogste bereiken wat binnen het heilige leven mogelijk is, en daar verblijven.




Noot:
(1) uttaramanussadhammā alamariyañānadassanavisesam.




Een tweede keer zei de groep van vijf: Vriend Gótama, binnen het leven dat u vroeger leefde, waarin u met grote inspanning streefde hebt u niet de kennis en het weten bereikt dat het sterfelijke teboven gaat. Nu hebt u die grote inspanning opgegeven en bent teruggevallen naar een leven van toegeven aan het zintuiglijke. Welke boven het sterfelijke uitgaande kennis en weten hebt u dan wel bereikt?
Een tweede keer zei ik: Monniken, de Tathāgata is niet teruggevallen naar een leven van toegeven aan zintuigelijk genieten, heeft niet het energieke streven opgegeven. Monniken, de Tathāgata is nu een sammāsambuddha, een Meest Verheven Boeddha. Monniken, luister naar wat ik te zeggen heb; ik heb het doodloze bereikt; dat wat voorbij het mensenrijk gaat heb ik bereikt. Ik zal jullie deze Dharma onderwijzen. Wanneer een zoon van goede familie die thuisloze is geworden en is Voortgegaan deze dharma tot zich neemt, zal hij al snel het hoogste bereiken wat binnen het heilige leven mogelijk is, en daar verblijven.

Een derde keer zei de groep van vijf: Vriend Gótama, binnen het leven dat u vroeger leefde, waarin u met grote inspanning streefde hebt u niet de kennis en het weten bereikt dat het sterfelijke teboven gaat. Nu hebt u die grote inspanning opgegeven en bent teruggevallen naar een leven van toegeven aan het zintuiglijke. Welke boven het sterfelijke uitgaande kennis en weten hebt u dan wel bereikt?

Monniken, toen ze uitgesproken waren vroeg ik hen, "Monniken, hebben jullie me ooit eerder zo horen spreken?" Ze zeiden, "Nee, bhante."(1)

[Ik zei:] Monniken, de Tathāgata is niet teruggevallen naar een leven van toegeven aan zintuigelijk genieten, heeft niet het energieke streven opgegeven. Monniken, de Tathāgata is nu een sammāsambuddha, een Meest Verheven Boeddha. Monniken, luister naar wat ik te zeggen heb; ik heb het doodloze bereikt; dat wat voorbij het mensenrijk gaat heb ik bereikt. Ik zal jullie deze Dharma onderwijzen. Wanneer een zoon van goede familie die thuisloze is geworden en is Voortgegaan deze dharma tot zich neemt, zal hij al snel het hoogste bereiken wat binnen het heilige leven mogelijk is, en daar verblijven.




Noot:
(1) Het gebruik van bhante, edele heer, is hier veelzeggend.

Hierna wordt verteld hoe de groep van vijf monniken werd onderwezen. Wat tussen teksten 41 en 42 zou moeten staan is de Eerste Leerrede. Naar die Eerste Leerrede wordt in deze Nobele Zoektocht echter niet verwezen. Wat daarvan de oorzaak is, valt niet te achterhalen. Het is mogelijk dat de palmbladmanuscripten waarop de Pali-canon werd geschreven op een of ander moment zo zijn ge-herrangschikt dat de Eerste Leerrede een zelfstandig bestaan is gaan leiden.





(Tekstgedeelten 42 t/m 46)

Nogmaals, hier zou eerst Eerste Leerrede moeten volgen. U kunt ze alsnog eerst lezen en dan met de "terugknop" terug komen naar deze pagina.

Toen, monniken, zorgde ik er voor dat deze groep van vijf monniken bevrijding bereikte, dat ze die staat van geest bereikten waarin ze het doorzagen.(1)
Ik gaf twee monniken instructies, en de andere drie gingen op voedselronde. Van wat deze drie terugbrachten nam ieder een zesde. Soms gaf ik drie monniken instructies, en de andere twee gingen op voedselronde. Van wat deze twee terugbrachten nam ieder een zesde.

Monniken, ik instrueerde de groep van vijf aldus: u bent onderhevig aan [weder]geboren worden; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele ongeboren onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
U bent onderhevig aan verval; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele niet aan verval onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
U bent onderhevig aan ziek worden; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele niet aan ziekte onderhevige onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
U bent onderhevig aan sterven; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
U bent onderhevig aan leed; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele niet-lijdende onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
U bent onderhevig aan [mentale] bezoedelingen; u kent er de misère van; nu zoeken jullie de nobele onbezoedelde onvergankelijke bevrijding van het juk en bereiken deze, gaan nibbāna binnen.
Toen verrezen kennis en visie. Hun bevrijding was onomkeerbaar. Ze wisten, dit is ons laatste geboren zijn; er is hierna geen worden meer.




Noot:
(1) Asakkhim kho aham bhikkhave pañcavaggiye bhikkhu saññāpetum.


Groep van Vijf, deze samengebalde massa van zintuiglijk genieten(1) komt in vijf onderdelen. Welke zijn deze vijf? Er zijn aangename met het oog zichtbare vormen. In die vormen scheppen we genoegen omdat het oog-bewustzijn(2) er mee in contact komt.
Er zijn aangename met het oor hoorbare vormen. In die vormen scheppen we genoegen omdat het oor-bewustzijn er mee in contact komt.
Er zijn aangename met het ruiken te ervaren vormen. In die vormen scheppen we genoegen omdat het reuk-bewustzijn er mee in contact komt.
Er zijn aangename met de tong te proeven vormen. In die vormen scheppen we genoegen omdat het smaak-bewustzijn er mee in contact komt.
Er zijn aangename met het lichaam te voelen vormen. In die vormen scheppen we genoegen omdat het tast-bewustzijn er mee in contact komt.
Groep van Vijf, dit is de vijfvoudig samengebalde massa van zintuiglijk genieten.

Monniken, welke monnik of brahmaan dan ook die zich hiermee [intensief] inlaat raakt er aan verslaafd, zwijmelt er over, en begaat daardoor een overtreding(3), hij ziet de misère er niet van in, en ontbeert de wijsheid om er aan te kunnen ontsnappen; hij zou moeten weten: nu gaat het bergafwaarts, nu ga ik te gronde, nu ben ik in de klauwen van het kwade.(4)
Het is als de gemzen die eten van voedsel dat in een val zit. [Zitten ze eenmaal in de val dan] weten ze, nu gaat het bergafwaarts, nu ben ik in gevaar, zodra de jager komt val ik in zijn handen.
Monniken, welke monnik of brahmaan dan ook die zich hiermee [intensief] inlaat, [maar] er niet aan verslaafd raakt, er niet over zwijmelt, en geen overtreding begaat, die er de misère van inziet en de wijsheid bezit om er aan te kunnen ontsnappen, weet: het gaat niet bergafwaarts, ik ga niet te gronde, ik zit niet in de klauwen van het kwade.
Het is als de gemzen die niet eten van voedsel dat in een val zit. Dan weten ze, het gaat niet bergafwaarts, ik ben niet in gevaar, zodra de jager komt val ik niet in zijn handen.
Zo zullen monniken(5) en brahmanen [die dit voor ogen houden] buiten de handen van het kwade blijven.(6)




Noten:
(1) kāmaguna.
(2) De vijf hier genoemde bewustzijnen worden aan deze kant van de aarde de vijf zintuigen genoemd. Er wordt hier het woord rūpa gebruikt, letterlijk 'vorm', maar het kan hier ook geïnterpreteerd worden als 'ding', 'iets', 'te ondervinden'.
(3) Zie tekstgedeelte 12, voetnoot 12.
(4) pāpa.
(5) samanā, een generieke term voor religieuzen.
(6) Hier wordt niet geleerd dat we bang moeten zijn voor de zintuiglijke objecten; er wordt gezegd dat we ze met wijsheid moeten benaderen en behandelen, hoewel in het hierna volgende tekstgedeelte de praktikant die de formele meditatie wil aanvangen wordt aangeraden in die periode dergelijke impulsen ver te houden.

Hierna volgt de sectie over de jhāna of dhyāna, de viervoudige meditatie. Een vrij uitgebreide verhandeling hierover is opgenomen in een aparte pagina. In tekstgedeelte 47 t/m 52 volgt alleen de niet van voetnoten voorziene tekst.





(Tekstgedeelten 47 t/m 52)

Monniken, het is als de gemzen die [in het hooggebergte] zelfverzekerd over de klippen en richels rondgaan, daar met zelfverzekerdheid staan, daar zelfverzekerd zitten en liggen.
Waarom is dat zo? Monniken, dat komt omdat ze buiten het bereik van jagers zijn.
Net zo, monniken, vergaat het de monnik die afgezonderd verblijft van zintuiglijke genietingen en van ondienstige zaken die verbonden zijn met overwegen. In vreugde en met gevoelens van fysiek gemak die ontstaan zijn als gevolg van het afgezonderd zijn verblijft hij in de eerste jhāna.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.

Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Verder, monniken, de monnik die overwegen en wikken en wegen tot stilstand heeft gebracht, en de geest op een enkel punt gevestigd houdt, zonder overwegen, zonder wikken en wegen, zal met vreugde en gelukzalige gevoelens de tweede jhāna bereiken en daar verblijven.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.

Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Verder, monniken, de monnik die vreugde heeft verruild voor ongehecht en gelijkmoedig zijn verblijft in aandachtig bewust zijn. Hij ervaart een lichamelijk geluksgevoel, en zo bereikt hij de derde jhāna en verblijft daarin. De edelen van geest zeggen hiervan dat dit 'met gelijkmoedigheid en aandachtige bewustheid verblijven' is.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.

Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Verder, monniken, de monnik die geluk en ongeluk heeft achtergelaten, die al eerder plezier en leed heeft verwijderd, zuivert, dankzij de aanwezigheid van gelijkmoedigheid, zijn aandachtig bewust zijn. Daar heeft hij de vierde jhāna bereikt en verblijft daarin.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.

Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.(1)




Noten:
Niet te lang nadat Boeddha zijn gemeenschap gevestigd had, bekeerden zich drie asceten met ongekamd, vervlochten haar, samen met hun aanhang van driehonderd leerlingen, tot Boeddha's Leer. Ze worden de "drie Kássapa's" genoemd: Uruvéla Kassapa, uit het bos waar Boeddha Ontwaakte, Nadi Kassapa, de wateraanbidder, en Gaya Kássapa, de vuur-aanbidder uit het dorp Gaya vlak bij de plaats van Ontwaken. De vuur-prediking, de aditta pariyaya sutta uit de vroegste Sutta Nipáta was specifiek tot hen gericht. Hier kijkt Boeddha met zijn gezellen vanaf een heuveltop nabij Gaya neer op een bosbrand. Dit geeft hem dan de gelegenheid om de grote schare voormalige vuuraanbidders te onderwijzen dat het de zintuigen zijn die in vuur en vlam staan als gevolg van onzalig verlangen, en dat dit de werkelijke hindernis is op weg naar volledig Ontwaken.
Zo ook is het mogelijk dat de standaard-passages over de dhyāna al snel aan de leringen zijn toegevoegd onder invloed van een toetreden van de aanhang van Ālāra Kālāma en Úddaka Rāmaputta die maximaal twee maanden daarvoor waren overleden, hoewel er geen enkel bewijs voor deze veronderstelling te vinden is. Boeddha incorporeerde deze dhyāna in zijn leer, maar uit bovenstaande passages, tekstgedeelten 17 t/m 22, leren we dat het behalen van deze meditatieve sferen niet onder de noemer "verlichting" mag vallen. De zen-tradities zouden hier goed over na moeten denken. Hier wordt ook nog eens verwezen naar de aantekeningen bij bovenstaande tekstgedeelten 23-24.

(1) Voor de vermelding van 'dood' wordt verwezen naar de bijlage waar wordt gesproken over het ontdemoniseren van de dood.
In deze filosofie is geen sprake van het bereiken van een fysieke onsterfelijkheid. Wat Boeddha predikt is dat men er naar zou moeten streven dat er voor een volgend leven geen karmische erfenis meer is, zodat er ook geen noodzaak meer is voor een volgend leven. Zie hiervoor ook voetnoot 3 bij tekstgedeelte 34, en de onderstaande voetnoot 6 bij tekstgedeelte 53. Om die karmische stroom tot staan te brengen wordt in dit persoonlijke fysieke hier-en-nu leven het verlangen naar een voortleven over de grenzen van de dood tot staan gebracht. Slaakt - we fantaseren even! - de Arhat aan het eind van zijn leven een zucht van verlichting: -- dat is voorbij!; de bodhisattva die minimaal het achtste stadium heeft bereikt slaakt een zucht van opluchting: -- pas nu kunnen we aan de slag!





(Tekstgedeelte 53)

Wanneer de monnik die geen perceptie meer heeft van vormen, geen perceptie meer heeft van afkeer, die geen aandacht meer heeft voor allerlei [objecten van] perceptie, [die weet,] de ruimte is grenzeloos(1), verblijft in die sfeer van ruimtelijkheid, heeft deze bereikt.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.
Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Wanneer de monnik voorbij [de perceptie van] ruimtelijkheid is, en nu in de sfeer is van [oneindig] bewustzijn(2), [weet hij,] bewustzijn is grenzeloos; hij verblijft in die sfeer, heeft deze bereikt.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.
Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Wanneer de monnik voorbij [de perceptie van oneindig] bewustzijn is, en nu in de sfeer is van 'er is niets',(3) [weet hij,] de sfeer van 'er is niets' is grenzeloos; hij verblijft in die sfeer, heeft deze bereikt.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.
Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Wanneer de monnik voorbij [de perceptie van oneindige] nietsheid is, en nu in de sfeer is van 'noch perceptie, noch niet-perceptie',(4) [weet hij,] de sfeer van noch perceptie noch niet-perceptie is grenzeloos; hij verblijft in die sfeer, heeft deze bereikt.
Monniken, op zo'n moment wordt gezegd dat hij de dood geblindoekt heeft.
Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.

Dan weet hij: er is geen [karmische] uitstroom(5) meer.
Monniken, zo'n monnik wordt 'hij die de dood geblinddoekt heeft' genoemd.
Hij die "de voetenloze" vernietigd heeft, is buiten het gezichtsbereik van de dood.
Zo gaat hij zelfverzekerd(6), staat hij zelfverzekerd, zit zelfverzekerd, en ligt zelfverzekerd.(7)
Wat is daarvan de reden?
De reden is dat hij buiten het gezichtbereik van de dood is.
Zo sprak de Gezegende, en de monniken waren er blij mee.


Dit is het einde van de Āriyapariyésanasutta.




Noten:
Deze standaardsectie over de vier grenzeloze sferen is in feite een andere manier om de vier jhāna of dhyāna te omschrijven. Of liever, waar de vier jhāna het proces beschrijven, beschrijft de passage over de vier sferen het bereikte en onomkeerbare resultaat.
(1) ākāsānañcāyatana.
(2) viññānañcāyatana.
(3) ākiñcaññāyatana.
(4) nevasaññānāsaññāyatana.
(5) āsavā. Zie ook de voetnoot bij tekstgedeelte 52.
(6) vissattho.
(7) Gaan, staan, zitten en liggen zijn vier lichaamshoudingen die men bij de formele meditatie in kan nemen. Dat de beoefenaar daarin zelfverzekerd kan zijn komt omdat hij/zij op dat moment die etische zuiverheid heeft bereikt die er voor zorgt dat er niets meer te vrezen valt, en er ook geen tot karmische uitstroom leidend ik-bewustijn meer is. Met andere woorden, op dit niveau is er geen egocentrisme meer.