DE BOEDDHALEGENDE, ZIJN GEBOORTE
Uit de Middellange predikingen (MN nr. 123)
de Acchariya-abbhuta sutta

De afbeelding toont moeder Maya terwijl ze geboorte geeft aan prins Siddhártha die later Sakyamuni Boeddha zou heten. Een bas-relief uit de Kashmir-Gandhara-periode.
INTRODUCTIE
Het levensverhaal van Sakyamuni Boeddha staat opgetekend in collecties als de Lalita Vistāra. Daarnaast zijn er in de vroegste geschriften twee plaatsen waar gesproken wordt over de geboorte van Boeddha, namelijk in de Nālaka Soetta uit de Soetta Nipāta, en in de Acchariya-abbhuta sutta uit de Middellange Predikingen van het Zuidelijke of Pali-Boeddhisme.
Het voor de geboorte relevante gedeelte daarvan volgt onderstaand.
Het fragment
[Hier spreekt Boeddha's attendant Ānanda:]
"Heer, de Gezegende zei tegen mij: "Ānanda, wanneer de bodhisatta(1) in de Tushita-sfeer geboren wordt is hij bewust van zijn geboren worden.(2) Heer, het feit dat de bodhisatta bewust was van zijn geboren worden in de Tushita-sfeer zie ik als een wonderbaarlijke kwaliteit van de Gezegende.
[Daarop citeert Ānanda Boeddha met,]
"Ānanda, de bodhisatta verbleef een heel lange tijd in de Tushita-sfeer. Ānanda, de bodhisatta is er van bewust wanneer hij deze sfeer verlaat en in de moederschoot afdaalt.(3)
Ānanda, wanneer de bodhisatta Tushita verlaat en het moederlichaam binnengaat, verschijnt er in de sfeer van de deva(4), en in die van Māra en Brahma(5) een geweldig licht dat grenzeloos en allesovertreffend is, dat de macht van de deva overstijgt, en dat afdaalt naar het rijk van de huisverlaters(6) en de brahmanenpriesters, naar de [lagere] deva en de mensen.
En zelfs in de grenzeloze ruimte waar duisternis op duisternis is, die ruimte die boven de wonderbaarlijke en machtige zon en de maan is, een zon en maan die zelfs niet door de ruimte worden bespeurd, ook daar verschijnt een grenzeloos en allesovertreffend licht dat de macht van de deva wel teboven gaat, zodat de wezens die daar geboren zijn dat licht ziend zeggen: 'Vrienden, hier worden wel zeker andere wezens geboren; dit tienduizendvoudige wereldsysteem schudt en kraakt geweldig; hier, in dit universum dat zelfs de macht van de deva teboven gaat, verschijnt een grenzeloos en allesovertreffend licht'.
"Ānanda, wanneer de bodhisatta in de moederschoot afdaalt, wordt hij benaderd door de vier jonge deva die over de vier windrichtingen waken(7) en die tegen hem zeggen, 'Laten noch mensen noch demonen de bodhisatta of de bodhisatta's moeder kwaad doen.'
"Ānanda, vanaf het moment dat de bodhisatta in de moederschoot afdaalt heeft zij geen gemeenschap meer met haar echtgenoot, neemt ze geen leven meer, neemt ze niet meer wat niet gegeven is, vertoont ze zuiver gedrag en zuivere spraak, en gebruikt geen alcoholhoudende of geestbenevelende dranken meer -- middelen die de reden zijn dat mensen zich niet meer aan de Dharma houden.(8)
"Ānanda, wanneer de bodhisatta in de moederschoot indaalt verrijzen er geen gedachten van begeerte in haar mannelijke entourage, en straalt zij meer dan enige lichtende nachtelijke manifestatie.
Wanneer de bodhisatta in de moederschoot indaalt verwerft zij daarbij vijf plezierige kwaliteiten, daar is zij door omringd, ze is gevestigd in deze vijf plezierige kwaliteiten.
"In deze toestand kent ze geen ziek zijn maar voelt zich naar lichaam prettig, heeft geen pijn en ziet de bodhisatta in de baarmoeder bewegen, volledig voorzien van alle ledematen en faculteiten [organen]. [Ze ziet de bodhisatta] zoals welke man dan ook die ogen heeft een juweel of edelsteen kan zien dat straalt, verfijnd is, rechthoekig en correct geslepen, en daarom aan een donkerblauw koord is geregen, of aan een bruin, rood, wit, of geel koord zodat die man, wanneer hij de steen in de hand neemt kan denken, 'Dit juweel, deze edelsteen straalt, is verfijnd, rechthoekig en correct geslepen'.
"Ānanda, zeven dagen nadat de bodhisatta was geboren verliet zijn moeder dit leven en verscheen in de Tushita-sfeer. En dan, Ānanda, andere vrouwen geven geboorte na een periode van negen of tien [maan-]maanden, maar de bodhisatta's moeder gaf geboorte na precies tien maanden. En verder, Ānanda, andere vrouwen geven geboorte in de zittende of liggende houding, maar dit is niet het geval met de bodhisatta's moeder; zij bevalt staande.
"Ānanda, wanneer de bodhisatta het lichaam van zijn moeder verlaat zijn het de deva die hem als eerste ontvangen, en daarna zijn de stervelingen aan de beurt. En wanneer de bodhisatta de moederschoot verlaat raakt hij de aarde niet [want] vier deva-zonen staan dan voor zijn moeder en ontvangen hem. 'Weest een gezegende godin', zeggen ze [tegen haar], 'u hebt geboorte gegeven aan een buitengewone zoon.'
"Ānanda, wanneer de bodhisatta de moederschoot verlaat, laat hij deze schoon achter, onbezoedeld door materie of bloed of enige onreinheid. Het is als wanneer een juweel of edelsteen in een lap kasi(9) is gewikkeld. Dit juweel of die edelsteen bezoedelt dit stuk glanzend textiel in het geheel niet, en omgekeerd is het evenzo -- waarom? omdat beide zuiver zijn. Ānanda, zo is het ook wanneer de bodhisatta de moederschoot verlaat.
"Ānanda, dan regent het twee soorten regens; er komt een bui met koud water, en er komt een bui met warm water, speciaal ten behoeve van de bodhisatta en zijn moeder.
Ānanda, dan staat de pasgeboren bodhisatta recht op zijn voeten en zet zeven stappen in noordelijke richting terwijl zich een wit baldakijn boven zijn hoofd ontvouwt. Dan overschouwt hij alle windrichtingen en spreekt met de stem van een leider, 'ik ben de eerste, de beste in deze wereld, ik ben hier de oudste(10). Dit is mijn laatste geboorte; hierna zal ik geen wedergeboorte meer kennen'.
Ānanda, wanneer de bodhisatta het moederlichaam binnengaat, verschijnt er in de sfeer van de deva, en in die van Māra en Brahma een geweldig licht dat grenzeloos en allesovertreffend is, dat de macht van de deva overstijgt, en dat afdaalt naar het rijk van de huisverlaters en de brahmanenpriesters, naar de [lagere] deva en de mensen.
En zelfs in de grenzeloze ruimte waar duisternis op duisternis is, die ruimte die boven de wonderbaarlijke en machtige zon en de maan is, een zon en maan die zelfs niet door de ruimte worden bespeurd, ook daar verschijnt een grenzeloos en allesovertreffend licht dat de macht van de deva wel teboven gaat, zodat de wezens die daar geboren zijn dat licht ziend zeggen: 'Vrienden, hier worden wel zeker andere wezens geboren; dit tienduizendvoudige wereldsysteem schudt en kraakt geweldig; hier, in dit universum dat zelfs de macht van de deva teboven gaat, verschijnt een grenzeloos en allesovertreffend licht'.
"Daarom, Ānanda, zie ook dit als een wonderbaarlijke kwaliteit van de Tathāgata. Ānanda, in deze wereld zijn de lichamelijke ondervindingen van de Tathāgata gekend op het moment dat ze verrijzen, ze zijn gekend op het moment dat ze duren, en ze zijn gekend op het moment dat ze verdwijnen. De fasen van zijn bewust zijn zijn gekend op het moment dat ze verrijzen; hij kent en weet het wanneer overwegingen verrijzen en verdwijnen.(11) Daarom, Ānanda, zie ook dit als een wonderbaarlijke kwaliteit van de Tathāgata.
[Dan antwoordt Ānanda,] "Ook dit feit, heer, dat de Gezegende de lichamelijke ondervindingen kent zodra ze verrijzen, hij ze kent zolang ze duren en zodra ze verdwijnen, dat de fasen van zijn bewust zijn gekend zijn op het moment dat ze verrijzen, dat zijn overwegingen gekend zijn op het moment dat ze verrijzen, duren en verdwijnen zie ik als een wonderbaarlijke kwaliteit van de Gezegende.
Aldus sprak de eerwaarde Ānanda. De meester stemde er mee in, en de monniken verheugden zich over de toespraak van de eerwaarde Ānanda.
Noten:
Dit is een van de verhalen rond de wonderbaarlijke geboorte van Boeddha. Er zijn er meerdere. Op hoofdpunten stemmen ze allemaal overeen, maar op details zijn er verschillen.
Het geboorteverhaal wordt hier door een man, Ānanda, naverteld die weinig of geen kennis van vrouwenzaken had; vrouwen zouden het anders verteld hebben. Maar in alle gevallen spreekt uit dit verhaal de diepe verering die Boeddha en de hem omringende mannen hadden voor Maya, de moeder van alle Boeddhas.
(1) Het gebruik van het woord 'bodhisatta' (bodhisattva in het Sanskriet) is een van de zeldzame plaatsen in de Pali-canon waar gesproken wordt over de aspirant-Boeddha, en alleen over de aspirant-Boeddha. Zoals op andere plaatsen in deze serie web-paginas is aangegeven heben de latere canonieke werken een andere invulling van het woord bodhisattva. Zie daarvoor bijvoorbeeld de inleidende woorden over de bodhisattva Manjushri.
(2) Chalmers' versie van 1894 spreekt van de tushitarūpa, het Tushita-lichaam. Tushita is de naam voor een hemelse sfeer waar de komende Boeddha(s) verblijven.
(3) In het geval van de geboorte van Boeddha wordt niet gesproken in termen van onbevlekte ontvangenis. Er wordt wel gezegd dat zowel het zwanger geraken van de moeder als de geboorte van het kind met buitengewone gebeurtenissen worden gemarkeerd.
(4) Devaloka, de sfeer van de hemelingen. Deva is zowel enkelvoud als meervoud.
(5) Māra is de Kwade of ook de dood. Brahma is in boeddhistisch perspectief een soort entiteit die boven de deva staat, een bijna oneindig leven heeft, maar geen Boeddha is, noch een 'iets' dat aan de wereld of Boeddhas geboorte geeft.
(6) Sámana.
(7) Opvallend is dat hier gesproken wordt over 'jonge deva', en er niet de standaard-term catur-mahārajika-deva wordt gebruikt, de 'vier grote deva-koningen'.
(8) Hier worden zes levensregels opgesomd die nog steeds worden aangehouden door leken-boeddhisten wanneer ze bijvoorbeeld aan een retraite deelnemen. Er zijn een paar termen voor 'alcoholhoudende of geestbenevelende middelen'. Het meest voorkomende is madhu of madhū dat het sap van de uitgeperste bloesem van de "bassia latifola" is, ook wel honing genoemd, en dat ongetwijfeld gaat gisten en tot alcohol wordt wanneer het langer wordt bewaard. Dan zijn er nog woorden als soma, een drank die door tantrische meesters uit het vroege hinduïsme (de vedische tijd) aan initianten werd gegeven en dat gebruikt werd als plengoffer op met name het altaar voor de vuurgod Agni. In het boek Pausya, behorend tot de hindu Mahābhārata wordt gesproken over initiatieriten van beginnende asceten. Die riten houden een aantal beproevingen in die ieder en gezamenlijk tot onsterfelijkheid leiden. Het drinken van paardenurine, en het eten van paardenmest is een van die beproevingen. Elders wordt soma beschreven als "bruinig", en met maar één stam. Daarom gaan we ervan uit dat het mengsel van paardenmest- en urine hier soma was, onsterfelijkheid veroorzakend. Het gebruik stamt uit een tijd waarin het paard het kostbaarste bezit was van een naar India migrerend volk, en we vinden dan ook een uitgebreide lofzang op het paard in verdere vedische literatuur en in de Brhad Aranyaka Upanishad, een van de bronnen van het hinduïsme.
En verder kennen we uit de vedische Sanskriet-literatuur nog woorden als bhaghsā, sūra en astikā; het laatste wordt omschreven als pils met 5% alcohol.
In de oorspronkelijke opvatting betekent het woord 'dharma' wet.
(9) Uiterst dunne en fijne katoen waar de stad Varanasi beroemd om was.
(10) In de vertaling van Chalmers. Het is een verwoording die ruimte laat voor het gegeven dat de over de aarde gaande Boeddha een lichamelijke manifestatie is van Boeddhaschap als zodanig, van de oer-boeddha. Bovendien wordt hier de nadruk gelegd op senioriteit dat in Azië tegelijkertijd leiderschap inhoudt.
(11) Deze beschrijving van volledig van moment tot moment bewust zijn is de basis voor de meditatie die wordt beschreven in de Mahā-sati-patthána soetta.
|
| |