Dr. G.C. Mendis, historicus die in zijn vaderland Sri Lanka geen enkele tegenstand ontmoette, en die het vergund was te publiceren in door de overheid gesubsidieerde organen, merkt echter op:
" geen enkele onafhankelijke bron buiten Ceylón (Sri Lanka), van welke aard dan ook, ondersteunt de op Ceylón geldende opvatting dat Mahinda de zoon van Asoka was". (Early History of Ceylon, 1932, p.3). Mendis gaat verder met te zeggen dat de sanskritist/indoloog
Oldenberg (1854-1920) gelijk had in zijn mening dat "zo'n bloedverwantschap (tussen Asoka en Mahinda) klinklare fantasie was."
Mendis' criticus, of criticaster, S.J. Guna-ségaram M.A. ("The Vijayan legend and the Aryan Myth", sept 1963, privé-publicatie, inmiddels online) voegt er aan toe dat de koningen
Dhammāsoka en
Devánampiya-tissa elkaar niet persoonlijk kenden, en dat geen enkel edict, rots-inscriptie of pilaar-inscriptie, die Asoka doorheen heel India had achtergelaten gewag maakt van een zoon en een dochter die naar Ceylón/Sri Lanka zouden zijn afgereisd om daar de Boeddha-Dharma te vestigen.
Op p. 65 e.v. spreekt Gunasegaram over de bouwer van de Srilankaanse stad Anuradhapura die werd vervolmaakt door een zekere Pándukka Abháya, een Tamil uit een familie die afkomstig was van het vasteland van India. Pandukka Abhaya's kleinzoon krijgt dan de boeddhistische naam Devanámpiya Tissa (zijn hindu "doopnaam" is niet bekend), en van deze Devanámpiya Tissa werd gezegd, zegt Gunasegaram, dat hij behoorde tot de
Moriya-clan, niet het Noordindiase
Maurya-geslacht waar Asoka uit voortkwam. Maak van een
o een
au en je hebt een familieband.
Het feit dat de nu aanwezige (zuidelijke)
theravāda werd voorafgegaan door monniken die waren gewijd in andere stromingen zoals de
mahisāsaka en de
dharmagupta, en die het in de achtste eeuw moesten opnemen tegen een influx van tantrisme, overigens gewijd in de
(mūla-)sarvastivāda-traditie(1), is hier en in andere www.buddha-dharma.eu files al opgemerkt.
In de eerste alineas van de pagina die u nu onder ogen hebt werd al opgemerkt dat de Chinese pelgrim-monnik Faxian tussen 412 en 414 op Sri Lanka een leraar met de naam Dharmagupta ontmoette. Uit Faxian's en andere verslagen leren we dat zodra de naam Dharmagupta, als eigennaam van een levend persoon, opdook er sprake was van beoefenaren van op zijn minst
esoterische methoden.
De Kleine Voertuig-stromingen, anders dan de
dharmagupta-lijn en die van de
mūla-sarvastivāda, hebben niets op met het esoterische. Maar wanneer in 741 de tantrische monnik Amogha-vajra op Sri Lanka arriveert, wordt hij plechtig door de koning onthaald en gehuisvest. Het is mogelijk dat het boeddhisme van Ceylon/Sri Lanka een oude vedische betekenis van het woord
tantra kende, namelijk die van "gereguleerde orde van ceremonieën en riten". Het kan zijn dat Amoghavajra's komst werd gewaardeerd in de verwachting dat hij wat betreft ceremonie en riten een kers op de taart zou kunnen zetten.
Amoghavajra was leerling van Vajra-bodhi, een dravidiër die in die etnische afkomst dus affiniteit had met de bevolking van Sri Lanka. Er mag aangenomen worden dat alle weelde die de koning over deze tantrische meester Amoghavajra uitstortte werd gehaald uit het potje dat anders bestemd zou zijn geweest voor de gevestigde boeddhistische orde, respectievelijk voor tempelbouw en organiseren van onderwijs en ceremoniën.
Chou Yi-Liang(2) vertaler van Amoghavajra's biografie, meldt dat deze tantrische missionaris op Sri Lanka een ontmoeting had met
achariya Samantabhadra, en zich verzekerde van diens onderwijs na het overhandigen van een aantal kostbare geschenken. We kennen Samantabhadra uit de Avatámsaka soetra, en wanneer het de tantrische verering van deze bodhisattva betreft, wordt verwezen naar het laatste, volgens mij een beetje arbitrair aan de Avatamsaka aangehechte
boek 37.
De "Srilankaanse" Samantabhadra was geen mens van vlees en bloed, en het overhandigen van geschenken moet gezien worden binnen het kader van ceremoniële offerandes.
Na Samantabhadra te hebben aangeroepen, zie voetnoot 6, gaat Amoghavajra op zoek naar esoterische teksten en vindt "meer dan vijfhonderd
sūtras en commentaarteksten". De Tibetaanse scholen zouden hier spreken in termen van
termas, verborgen teksten die dankzij de hulp van de aangeroepene opgeduikeld worden. Waren ze achtergelaten door "van die dharmaguptas"?, of schreef Amoghavajra althans een deel ervan zelf?
Dat hij, in navolging van Samantabhadra, later in China een yoga-leraar wordt in de lijn van Patāñjali, moet van de hand gewezen worden. Nog in de tijd dat Amoghavajra leerling was van Vajrabodhi was daar een werk met de lange naam
Mahāyana-yogavajra Prakrtisāgara Manjushri-Sahasra Bahusahasrapatra Mahātantrarāja Sūtra, de eerste woorden kort samengevat: "de yoga-donderkeil van de mahāyana". (Tantric Buddhism in East Asia, p.68) De stam
yog, juk, staat hier voor meditatieve praktijk of idem handelen. Die naam
yoga wordt daarna veelvuldig gehanteerd door de tantrayana wanneer een omschrijving wordt gegeven van bepaalde tantrische oefeningen.
Ceylon was verdeeld in drieën, met in principe dus ook
drie vorstenhuizen waarvan de feiten en data niet altijd zullen zijn opgetekend, of verloren zijn gegaan.
De door Chou Yi-Liang vertaalde biografie vermeldt dat Amoghavajra (
amogha = nooit versagend) tijdens het bewind van koning Sīla-megha (= wolk van ethiek/moraliteit) in 741 naar Sri Lanka kwam. Een
andere lijst laat tussen 722 en 772 een gat vallen voor wat vorstenhuizen betreft. Maar nog weer een andere lijst laat hem op Sri Lanka aankomen in het eerste jaar, 741, van koning Aggabodhi VI van Polonnaruwa die zou regeren tot 787. Tijdens deze regeringsperiode zijn er officiële missies naar andere Aziatische landen geweest. Zo laat
Lanka Library weten dat tijdens Aggabodhi VI's regeringsperiode vier keer een gezant naar China werd gezonden. Is het denkbaar dat Amoghavajra de tweede mogelijke trip aangreep om mee terug naar "huis" te zeilen? Er moet sprake zijn geweest van een wederzijdse teleurstelling.
Amoghavajra verliet het eiland weer in 746 of 745,(3) mét zijn 500 sūtras en commentaarwerken, waaronder de Vairocana Sūtra, die hij verder zal dragen naar zijn oude vaderland Noord-China, zegt de biografie; hij was immers op 10-jarige leeftijd met zijn ouders naar China verhuisd.
Voor u duizelig wordt: er was op Sri Lanka dus een monnik met de naam Dharmagupta. De Chinese pelgrim-monnik Faxian ontmoette hem. Daarna is er sprake van een tantrisch monnik met de naam Vajrabodhi die graag naar Ceylón/Sri Lanka af zou reizen maar overlijdt voordat hij zijn plan kan uitvoeren. Daarna is er op Sri Lanka sprake van de tantrist Amoghavajra, die leerling was van de eerdergenoemde Vajrabodhi. Dit zijn de namen die voorkomen in Amoghavajra's biografie. Over bijvoorbeeld een voorganger als Subha-kara-simha, geboren in Kalinga (het huidige Orissa), zegt indoloog A.K. Warder, wordt hier niet gesproken, en deze Subhakarasimha heeft, voor zover geweten wordt, ook nooit de oversteek naar Sri Lanka gemaakt of willen maken.
Het is een verhaal over een zeer cosmopolitisch gezelschap: we reizen van Serindia naar China naar India naar Sri Lanka en heen en weer en weer terug.
De verering van Samantabhadra in zijn esoterische vorm, of althans in de zin van de Avatámsaka soetra, die overigens verbeeld wordt op de hogere trappen van de Borobudur en op de Candi Mendut, eveneens op Java(4), en de aanwezigheid van Amoghavajra is wel de grootste uitdaging geweest voor het nog maar net helemaal compleet zijnde gebouw van de zuidelijke theravāda-traditie in die tijd. Na Amoghavajra's vertrek heeft het eiland heftig gereageerd in hun afwijzen van wat mahāyana werd genoemd en tantrayana was. Evenzo heftig werd gereageerd op andere Kleine Voertuigstromingen als de sautrāntika. De uitdrukking "pristine Dhamma" spelen een sleutelrol bij het begrijpen van een instelling waarin een zich in de levensbeschouwelijke eigenheid zowel bedreigd als superieur voelen om de voorrang strijden.
Delen van tantrische collecties zullen in China, vanaf Amoghavajra en andere Indiase, Zijderoute-, en Chinese tantristen terecht komen in de orthodoxe Chinese, en later Koreaanse en Japanse tempel-recitaties.(5)
In China heeft de tantrische lijn nog even stand gehouden, in balans gehouden door een sterke chan/zen-traditie. Uiteindelijk heeft het tantrisme zich teruggetrokken in de Himalayas, en naar Japan, en leeft in dat laatste land voort omdat er leeraspecten zijn die het indigene shintō er uit herkent.
Terug naar de tijd van Asoka en Devanámpiya Tissa (250-210 voor de christelijke jaartelling) en de vraag of een bevolking plotseling ineens van het hinduïsme was overgegaan naar het boeddhisme.
De vestiging van het boeddhisme op Sri Lanka moet een geleidelijk proces zijn geweest, en geen plotselinge, overheids-gedomineerde massabekering, zelfs niet door de Moriya-vorst Devanampiya Tissa. Waarom zou deze Moriya door een massabekering af te dwingen het ongenoegen van zijn saivistische(6) hindu-familie op de hals hebben gehaald? Daar had hij niets mee gewonnen, en een eiland verloren.
(1) Van de Mūla-sarvastivāda-traditie is, onderandere op Singhalese lijsten, pas sprake rond de zevende eeuw. (Een eerste vertaling in het Tibetaans van hun leergebouw stamt uit de 9de eeuw). De pelgrim-monnik I-Ching (I-tsing - 635-713) komt hen voornamelijk tegen in het staatje Mágadha langs de oevers van de Ganges, en merkt op dat dit (in zijn tijd) de quasi enige traditie was op Java en Sumatra. Dezelfde opmerking maakt hij wanneer hij Champa bezoekt, grofweg de West-Indiase streek waar de Tibetaanse regering-in-ballingschap zich in de 20ste eeuw heeft gevestigd, en westelijker. Het is helemaal niet vergezocht om te veronderstellen dat mūlasarvastivādin van Java en Sumatra zich inscheepten voor Ceylon/Sri Lanka.
Niets is voor eeuwig, de mūlasarvastivādin kunnen zich later van Sri Lanka teruggetrokken hebben, of gezelschap hebben gekregen van een of meer andere sub-tradities.
(2) Tantric Buddhism in East Asia, Boston 2006.
(3) Dat jaartal van 745/6 komt overeen met calculaties van de hand van oriëntalist Wilhelm Geiger (1856-1943), en ook met Srilankaanse bronnen die koning Sīlamegha laten leven tussen 723 en 763. Jong gestorven.
(4) In beide landen zijn de recitaties, voor het merendeel mantras, overgenomen in de eigen tongval.
Er bestaat een heel klein corpus klankgedichten; de meeste dichters geven echter de voorkeur aan begrijpelijke taal. Hetzelfde geldt voor "mantra-schrijvers": ze hadden wel degelijk iets begrijpelijks te melden. Dat hun teksten (vanuit Sanskriet, Prakriet, Malayam, Khotanees en andere talen) niet meer begrijpelijk zijn komt omdat latere generaties in andere landen er niet in geslaagd zijn hun klank-voor-klank transcripties terug te vertalen. Zie de mantra-pagina.
(5) De Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland heeft een en ander gepubliceerd over Samantabhadra op Java (Borobudur) en Ceylón/Sri Lanka. In de lijsten die Bareau (Les Sectes bouddhiques) heeft aangelegd van leerstellingen van de eerste 18 Kleine Voertuig-stromingen komt geen enkele bodhisattvanaam voor, ook niet die van Samantabhadra. Hij werd afgebeeld op de Candi Mendut op Java, en op de hogere treden van de Borobudur. Die bouwwerken kwamen tot stand tijdens de periode van de zuidoost-Indiase Pāla dynastie, tussen grofweg de jaren 900 en 1000. Daar kan de naam Samantabhadra (tijdens het verblijf van Amoghavajra) op Sri Lanka niet vandaan zijn gekomen.
Amoghavajra kende wellicht de Chinese abt I-Hsin; verbleef hij in zijn tempel voordat hij naar India zou afreizen? Heeft hij hem een Vairocana sūtra laten bezorgen — "dat zal de meester waarderen"? Hisao Inagaki's veronderstelling (Tantric Buddhism, p. 99) dat Subhakarasimha en Vajrabodhi tantrische teksten naar het Chinees vertaalden is aanvechtbaar; die vertaalvaardigheid zullen ze niet gehad hebben. Als er al iemand vertaalde, dan zal het de meertalige Amoghavajra zijn geweest, en overigens waren er goed uitgeruste vertaalbureaus in Xi'an en Loyang, de twee hoofsteden van Noord-China.
In het jaar 727 overlijdt I-Hsing, abt van de Hsing-t'ang tempel (overigens de tempel waar Confucius leefde, en die later weer is teruggegaan naar de confucianistische gemeenschap). I-Hsin (= Een van Geest) liet de bovenvermelde Vairocana sūtra vertalen, of krijgt het, vertaald door Amoghavajra, aangeleverd, en laat overigens ook optekenen dat hij "twee bodhisattvas" in zwart-wit op de muren van zijn tempel heeft geschilderd, die vervolgens werden verpest door lieden die ze wilden inkleuren, zegt hij. Opgetekend door Herbert Giles (1845-1935), een van de twee bedenkers van het Wade-Giles systeem van romaniseren van de Chinese taal (inmiddels al weer door twee nieuwere systemen ingehaald). Een van die bodhisattvas kan Samantabhadra zijn geweest, en die gaat nooit op stap zonder zijn Dharmabroeder Manjushri.
I-Hsin stapte heel bewust af van de leer-interpretatie van het Kleine Voertuig, en mag de eerste, exclusief, voluit, mahāyanist in China genoemd worden. Én hij was (sinds de ontvangst van de Vairocana sūtra?) een tantrist.
(6) De verering van de hindugod Siva.
Summiere informatie over Amoghavajra en Samantabhadra werd in 2010 ook aangeleverd door John Bruno Hare. De oorspronkelijke publicatie die hij aanleverde is van de hand van een onbekend katholiek missionaris uit een onbekende tijd.