Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






EEN PAAR BIJDRAGEN OVER HET BOEDDHISME IN SRI LANKA


de gezamenlijke geschiedenis van Tamil Nadu en Sri Lanka
de geschiedenis van de boeddhistische vlag

juni 2010
Voordat de Chinese monnik-pelgrim Faxian (Fa-Hien) in 413 of 414 aan boord ging en Ceylón (Sri Lanka) na twee jaar verblijf verliet om naar zijn vaderland terug te keren, telde hij in de Mahāvihāra, het Grote Klooster, "wel 3000 monniken". Ook Faxian rondde af op hele getallen, dus het waren er wellicht wel 2089 of 3075. Hij beschrijft hoe het boeddhisme op dit eiland goed ondersteund werd door het vorstendom, en hij vertelt ook dat hij in die jaren de hand wist te leggen op een set Orderegels (vinaya - klemtoon op vin) van de mahi-shāsaka-stroming. Maar, opmerkelijk genoeg, hij spreekt niet over die van de theravāda. De mahishāsaka (de betekenis van de naam is in nevelen gehuld) wordt ingedeeld bij de 18 Kleine Voertuig-tradities die onstonden vanaf of al vóór het derde concilie.

Over het algemeen wordt aangenomen dat het uiteindelijke alleenbestaan van de theravāda op Ceylón/Sri Lanka er kwam na altercaties tussen hen en "de mahāyana". De realiteit is complexer.
Faxian ontmoet ook een zeer gewaardeerde monnik met de naam Dharmagupta (beschermer van de Dharma). Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen (sub)stromingen zoals de dharmagupta en eigennamen van personen die Dharmagupta worden genoemd. Die eigennamen houden , als het goed is, een opdracht in, en soms worden ze als generieke aanduiding gebruikt: "zo'n dharmagupta", verwijzend naar de stroming waar iemand uit voortkomt.
Ook de dharmagupta-stroming wordt, of werd gerekend tot de Kleine Voertuigstromingen, hoewel daar wel wat op af te dingen valt. Het is, gezien Faxian's ontmoetingen, gerechtvaardigd om aan te nemen dat de theravāda, in zijn zuidelijke vorm, na een opschoning van de Dharma-opvattingen van een uitgestorven noordelijke theravāda van rond de Zijderoute, in de eerste jaren van de vijfde eeuw nog niet op Ceylón/Sri Lanka aanwezig was, en de dharmagupta en mahishāsaka wel. Daar moet dan wel aan toegevoegd worden dat de naam Pali, zijnde de naam van een aan Sanskriet verwante taal, of aanvankelijk dialect, waarnaar de theravāda canon vertaald zou worden, pas verschijnt rond de vierde eeuw nC.(1) Dat betekent niet dat het Pali op dat moment op Sri Lanka was geland, maar wel dat een inmiddels uitgestorven noord-Indiase theravāda-stroming er mee bezig was. Dat geeft ons de bevestiging dat de theravāda in zijn totaliteit, noordelijk en zuidelijk, benoemd kan worden als een soort contra-reformatie, niet van sober terug naar katholieke uitbundigheid, maar juist andersom: terug van een uitbundigheid aan vaardige middelen, toegeschreven op een veelheid aan geneigdheden, terug naar de uiterste soberheid van een bedelorde die zich uitsluitend met de essentialia wil bemoeien.

In de negende eeuw zal de monnik Ānuruddha uit Kavéri-nágara, Tamil Nadu, een samenvatting schrijven van de theravāda Abhidhamma, de verhandelingen-systematiseringen over het lichamelijke en psychische. Zoiets doet iemand waarschijnlijk niet in een tijd waarin deze Dharma-interpretatie goed gevestigd is, en er geen onduidelijkheden over zijn. Dat op Sri Lanka het theravāda-boeddhisme rond ca de achtste eeuw pas weer goed op de been was, is een bold statement, maar dat de zuidelijke interpretatie van het theravāda-boeddhisme pas volledig "op punt was gesteld" rond ca de 6de-7de eeuw, is een gedachte die wel volgehouden kan worden.
In ieder geval maakte de komst van de tantrische monnik Amogha-vajra nogal was los. Amoghavajra, in Samarkand geboren uit een Indiase vader en een Sogdische moeder(2), leerling geweest van de Zuid-Indiase tantrische meester Vajrabodhi (zie Longmen), arriveerde in het jaar 741 op Ceylón/Sri Lanka. Zij biografie vermeldt dat hij daar een ontmoeting had met de ācarya (leermeester) Samantabhadra, en dat hij daar de Vairocana Sūtra(3) reciteerde en practiseerde. Daarover meer onder het hoofd "Poson Poya" verder op deze pagina.

(1) "Āgama and Tripitaka: Language and Literature", Nagraj (Muni) et. al., p. 131 (out of stock).
(2) Julia Meech heeft het bij het verkeerde eind wanneer ze zegt dat hij een Srilankaan van geboorte was die op 15-jarige leeftijd naar China trok en in 732 weer naar India verhuisde.
(3) De Mahāvairocana Abhisambodhi Tantra van de hand van Subha-kara-simha. Dit werk werd aan het begin van de achtste eeuw vertaald in de toenmalige Chinese hoofdstad Xi'an. Zie noot 6.

Sinds de onafhankelijkheid van Sri Lanka heeft ook de boeddhistische gemeenschap het hoofd weer opgericht. Tegen die tijd was de theravāda, de Leer van de Ouderen, de enige stroming op het eiland. Deze stroming heeft een knap stuk werk afgeleverd bij het opschonen van de Leer-interpretatie. Daar was, zoals elders waar het professionele boeddhisme op een laag pitje staat, de klad ingekomen met een binnenbrengen van allerlei devotionele volksgebruiken.

Een nogal sterk afzetten tegen de nieuwere leer-interpretaties van het Grote Voertuig kan al in de zesde eeuw in kiemvorm aanwezig zijn geweest toen, en dit is geen op papier vastgelegd historisch gegeven, de samenstellers van de Lankāvatāra soetra een landingspoging waagden. In die Leerrede lezen we hoe Boeddha, eenmaal geland op "Lanka", eigenlijk alleen predikt ten overstaan van de nāga (vandaag nog een van de oorspronkelijke volkeren van Sri Lanka) en de yaksha (oorspronkelijk de gewasbeschermende geesten, later ook een indigeen volk met een eigen taal).


Op 20 juni 2005 vierde de boeddhistische communiteit op Sri Lanka het feest genaamd Poson Poya.
Op die dag wordt herdacht hoe in de derde eeuw voor WJ de zoon en dochter van India's koning-keizer Asoka, Mahinda en Sanghamitta, boeddhisme naar Sri Lanka brachten. In de kroniek de Mahāvamsa, sectie 14, vers 8, wordt beschreven hoe de zojuist aangekomen Mahinda de Srilankaanse koning benaderden:

"Samana mayam maharaja - Dhamma rajassa savaka,
Thaveva anukampaya - Jambudipa idhagata."


"Grote koning, wij zijn monniken, discipelen van de Boeddha.
Uit mededogen met u zijn we vanuit India (Jambudipa) hierheen gekomen."

Op de vollemaandag van juni 2006 vierden de boeddhisten op Sri Lanka opnieuw Poson Poya. Dit jaar werd de nadruk gelegd op het toevlucht nemen van Devánampiya-tissa, een van de koningen van het eiland (dat vroeger Ceylón heette) en die leefde van 247-207 voor de westerse jaartelling.
Het feest rond de door 50.000 lampen verlichtte stūpa of dagoba van Mihintale duurde twee dagen, van 10 tot 12 juni, en wordt daarom de Aloka Pooja genoemd, de ceremoniële feestelijkheden met het licht (als bestanddeel).
De Sabaragamuwa danstradities werden dit jaar speciaal in ere gehouden. Dit meldde Daily News van 9 juni.

Er is een speciale dag gewijd aan Sanghamitta. Deze dag heet Unduwap Poya, in het engels Sanghamitta Day. In 2008 viel die dag op de negende december.
Sanghamitta had een stek van de bodhiboom aan boord die in de toenmalige hoofdstad Anuradhapura geplant zou worden. De legende heeft het dat deze stek bij zwaar weer overboord viel, maar toch nog gered kon worden.

Van de koning Devanampiya-tissa wordt gezegd dat hij tot het zelfde Mauriya-volk behoorde als de Indiase koning-keizer Asoka, die later bekend zou staan als Dhammāsoka, "Afwezigheid van verdriet als gevolg van Boeddha's Leer".
Nadat een Srilankaans (Ceylonees) gezant die was uitgezonden naar Asoka's hoofdstad, Pataliputra, het hedendaagse Patna, naar Sri Lanka terug was gekeerd met alle voorwerpen die voor een kroning noodzakelijk waren, werd Devanampiya-tissa als vazal-koning van Asoka gekroond met het uitdrukkelijk verzoek te regeren in de geest van Boeddha's Leer.



Dr. G.C. Mendis, historicus die in zijn vaderland Sri Lanka geen enkele tegenstand ontmoette, en die het vergund was te publiceren in door de overheid gesubsidieerde organen, merkt echter op: " geen enkele onafhankelijke bron buiten Ceylón (Sri Lanka), van welke aard dan ook, ondersteunt de op Ceylón geldende opvatting dat Mahinda de zoon van Asoka was". (Early History of Ceylon, 1932, p.3). Mendis gaat verder met te zeggen dat de sanskritist/indoloog Oldenberg (1854-1920) gelijk had in zijn mening dat "zo'n bloedverwantschap (tussen Asoka en Mahinda) klinklare fantasie was."
Mendis' criticus, of criticaster, S.J. Guna-ségaram M.A. ("The Vijayan legend and the Aryan Myth", sept 1963, privé-publicatie, inmiddels online) voegt er aan toe dat de koningen Dhammāsoka en Devánampiya-tissa elkaar niet persoonlijk kenden, en dat geen enkel edict, rots-inscriptie of pilaar-inscriptie, die Asoka doorheen heel India had achtergelaten gewag maakt van een zoon en een dochter die naar Ceylón/Sri Lanka zouden zijn afgereisd om daar de Boeddha-Dharma te vestigen.

Op p. 65 e.v. spreekt Gunasegaram over de bouwer van de Srilankaanse stad Anuradhapura die werd vervolmaakt door een zekere Pándukka Abháya, een Tamil uit een familie die afkomstig was van het vasteland van India. Pandukka Abhaya's kleinzoon krijgt dan de boeddhistische naam Devanámpiya Tissa (zijn hindu "doopnaam" is niet bekend), en van deze Devanámpiya Tissa werd gezegd, zegt Gunasegaram, dat hij behoorde tot de Moriya-clan, niet het Noordindiase Maurya-geslacht waar Asoka uit voortkwam. Maak van een o een au en je hebt een familieband.

Het feit dat de nu aanwezige (zuidelijke) theravāda werd voorafgegaan door monniken die waren gewijd in andere stromingen zoals de mahisāsaka en de dharmagupta, en die het in de achtste eeuw moesten opnemen tegen een influx van tantrisme, overigens gewijd in de (mūla-)sarvastivāda-traditie(1), is hier en in andere www.buddha-dharma.eu files al opgemerkt.
In de eerste alineas van de pagina die u nu onder ogen hebt werd al opgemerkt dat de Chinese pelgrim-monnik Faxian tussen 412 en 414 op Sri Lanka een leraar met de naam Dharmagupta ontmoette. Uit Faxian's en andere verslagen leren we dat zodra de naam Dharmagupta, als eigennaam van een levend persoon, opdook er sprake was van beoefenaren van op zijn minst esoterische methoden.
De Kleine Voertuig-stromingen, anders dan de dharmagupta-lijn en die van de mūla-sarvastivāda, hebben niets op met het esoterische. Maar wanneer in 741 de tantrische monnik Amogha-vajra op Sri Lanka arriveert, wordt hij plechtig door de koning onthaald en gehuisvest. Het is mogelijk dat het boeddhisme van Ceylon/Sri Lanka een oude vedische betekenis van het woord tantra kende, namelijk die van "gereguleerde orde van ceremonieën en riten". Het kan zijn dat Amoghavajra's komst werd gewaardeerd in de verwachting dat hij wat betreft ceremonie en riten een kers op de taart zou kunnen zetten.
Amoghavajra was leerling van Vajra-bodhi, een dravidiër die in die etnische afkomst dus affiniteit had met de bevolking van Sri Lanka. Er mag aangenomen worden dat alle weelde die de koning over deze tantrische meester Amoghavajra uitstortte werd gehaald uit het potje dat anders bestemd zou zijn geweest voor de gevestigde boeddhistische orde, respectievelijk voor tempelbouw en organiseren van onderwijs en ceremoniën.
Chou Yi-Liang(2) vertaler van Amoghavajra's biografie, meldt dat deze tantrische missionaris op Sri Lanka een ontmoeting had met achariya Samantabhadra, en zich verzekerde van diens onderwijs na het overhandigen van een aantal kostbare geschenken. We kennen Samantabhadra uit de Avatámsaka soetra, en wanneer het de tantrische verering van deze bodhisattva betreft, wordt verwezen naar het laatste, volgens mij een beetje arbitrair aan de Avatamsaka aangehechte boek 37.

De "Srilankaanse" Samantabhadra was geen mens van vlees en bloed, en het overhandigen van geschenken moet gezien worden binnen het kader van ceremoniële offerandes.
Na Samantabhadra te hebben aangeroepen, zie voetnoot 6, gaat Amoghavajra op zoek naar esoterische teksten en vindt "meer dan vijfhonderd sūtras en commentaarteksten". De Tibetaanse scholen zouden hier spreken in termen van termas, verborgen teksten die dankzij de hulp van de aangeroepene opgeduikeld worden. Waren ze achtergelaten door "van die dharmaguptas"?, of schreef Amoghavajra althans een deel ervan zelf?
Dat hij, in navolging van Samantabhadra, later in China een yoga-leraar wordt in de lijn van Patāñjali, moet van de hand gewezen worden. Nog in de tijd dat Amoghavajra leerling was van Vajrabodhi was daar een werk met de lange naam Mahāyana-yogavajra Prakrtisāgara Manjushri-Sahasra Bahusahasrapatra Mahātantrarāja Sūtra, de eerste woorden kort samengevat: "de yoga-donderkeil van de mahāyana". (Tantric Buddhism in East Asia, p.68) De stam yog, juk, staat hier voor meditatieve praktijk of idem handelen. Die naam yoga wordt daarna veelvuldig gehanteerd door de tantrayana wanneer een omschrijving wordt gegeven van bepaalde tantrische oefeningen.

Ceylon was verdeeld in drieën, met in principe dus ook drie vorstenhuizen waarvan de feiten en data niet altijd zullen zijn opgetekend, of verloren zijn gegaan.
De door Chou Yi-Liang vertaalde biografie vermeldt dat Amoghavajra (amogha = nooit versagend) tijdens het bewind van koning Sīla-megha (= wolk van ethiek/moraliteit) in 741 naar Sri Lanka kwam. Een andere lijst laat tussen 722 en 772 een gat vallen voor wat vorstenhuizen betreft. Maar nog weer een andere lijst laat hem op Sri Lanka aankomen in het eerste jaar, 741, van koning Aggabodhi VI van Polonnaruwa die zou regeren tot 787. Tijdens deze regeringsperiode zijn er officiële missies naar andere Aziatische landen geweest. Zo laat Lanka Library weten dat tijdens Aggabodhi VI's regeringsperiode vier keer een gezant naar China werd gezonden. Is het denkbaar dat Amoghavajra de tweede mogelijke trip aangreep om mee terug naar "huis" te zeilen? Er moet sprake zijn geweest van een wederzijdse teleurstelling.
Amoghavajra verliet het eiland weer in 746 of 745,(3) mét zijn 500 sūtras en commentaarwerken, waaronder de Vairocana Sūtra, die hij verder zal dragen naar zijn oude vaderland Noord-China, zegt de biografie; hij was immers op 10-jarige leeftijd met zijn ouders naar China verhuisd.

Voor u duizelig wordt: er was op Sri Lanka dus een monnik met de naam Dharmagupta. De Chinese pelgrim-monnik Faxian ontmoette hem. Daarna is er sprake van een tantrisch monnik met de naam Vajrabodhi die graag naar Ceylón/Sri Lanka af zou reizen maar overlijdt voordat hij zijn plan kan uitvoeren. Daarna is er op Sri Lanka sprake van de tantrist Amoghavajra, die leerling was van de eerdergenoemde Vajrabodhi. Dit zijn de namen die voorkomen in Amoghavajra's biografie. Over bijvoorbeeld een voorganger als Subha-kara-simha, geboren in Kalinga (het huidige Orissa), zegt indoloog A.K. Warder, wordt hier niet gesproken, en deze Subhakarasimha heeft, voor zover geweten wordt, ook nooit de oversteek naar Sri Lanka gemaakt of willen maken.
Het is een verhaal over een zeer cosmopolitisch gezelschap: we reizen van Serindia naar China naar India naar Sri Lanka en heen en weer en weer terug.

De verering van Samantabhadra in zijn esoterische vorm, of althans in de zin van de Avatámsaka soetra, die overigens verbeeld wordt op de hogere trappen van de Borobudur en op de Candi Mendut, eveneens op Java(4), en de aanwezigheid van Amoghavajra is wel de grootste uitdaging geweest voor het nog maar net helemaal compleet zijnde gebouw van de zuidelijke theravāda-traditie in die tijd. Na Amoghavajra's vertrek heeft het eiland heftig gereageerd in hun afwijzen van wat mahāyana werd genoemd en tantrayana was. Evenzo heftig werd gereageerd op andere Kleine Voertuigstromingen als de sautrāntika. De uitdrukking "pristine Dhamma" spelen een sleutelrol bij het begrijpen van een instelling waarin een zich in de levensbeschouwelijke eigenheid zowel bedreigd als superieur voelen om de voorrang strijden.

Delen van tantrische collecties zullen in China, vanaf Amoghavajra en andere Indiase, Zijderoute-, en Chinese tantristen terecht komen in de orthodoxe Chinese, en later Koreaanse en Japanse tempel-recitaties.(5)
In China heeft de tantrische lijn nog even stand gehouden, in balans gehouden door een sterke chan/zen-traditie. Uiteindelijk heeft het tantrisme zich teruggetrokken in de Himalayas, en naar Japan, en leeft in dat laatste land voort omdat er leeraspecten zijn die het indigene shintō er uit herkent.

Terug naar de tijd van Asoka en Devanámpiya Tissa (250-210 voor de christelijke jaartelling) en de vraag of een bevolking plotseling ineens van het hinduïsme was overgegaan naar het boeddhisme.
De vestiging van het boeddhisme op Sri Lanka moet een geleidelijk proces zijn geweest, en geen plotselinge, overheids-gedomineerde massabekering, zelfs niet door de Moriya-vorst Devanampiya Tissa. Waarom zou deze Moriya door een massabekering af te dwingen het ongenoegen van zijn saivistische(6) hindu-familie op de hals hebben gehaald? Daar had hij niets mee gewonnen, en een eiland verloren.



(1) Van de Mūla-sarvastivāda-traditie is, onderandere op Singhalese lijsten, pas sprake rond de zevende eeuw. (Een eerste vertaling in het Tibetaans van hun leergebouw stamt uit de 9de eeuw). De pelgrim-monnik I-Ching (I-tsing - 635-713) komt hen voornamelijk tegen in het staatje Mágadha langs de oevers van de Ganges, en merkt op dat dit (in zijn tijd) de quasi enige traditie was op Java en Sumatra. Dezelfde opmerking maakt hij wanneer hij Champa bezoekt, grofweg de West-Indiase streek waar de Tibetaanse regering-in-ballingschap zich in de 20ste eeuw heeft gevestigd, en westelijker. Het is helemaal niet vergezocht om te veronderstellen dat mūlasarvastivādin van Java en Sumatra zich inscheepten voor Ceylon/Sri Lanka.
Niets is voor eeuwig, de mūlasarvastivādin kunnen zich later van Sri Lanka teruggetrokken hebben, of gezelschap hebben gekregen van een of meer andere sub-tradities.

(2) Tantric Buddhism in East Asia, Boston 2006.

(3) Dat jaartal van 745/6 komt overeen met calculaties van de hand van oriëntalist Wilhelm Geiger (1856-1943), en ook met Srilankaanse bronnen die koning Sīlamegha laten leven tussen 723 en 763. Jong gestorven.

(4) In beide landen zijn de recitaties, voor het merendeel mantras, overgenomen in de eigen tongval.
Er bestaat een heel klein corpus klankgedichten; de meeste dichters geven echter de voorkeur aan begrijpelijke taal. Hetzelfde geldt voor "mantra-schrijvers": ze hadden wel degelijk iets begrijpelijks te melden. Dat hun teksten (vanuit Sanskriet, Prakriet, Malayam, Khotanees en andere talen) niet meer begrijpelijk zijn komt omdat latere generaties in andere landen er niet in geslaagd zijn hun klank-voor-klank transcripties terug te vertalen. Zie de mantra-pagina.

(5) De Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland heeft een en ander gepubliceerd over Samantabhadra op Java (Borobudur) en Ceylón/Sri Lanka. In de lijsten die Bareau (Les Sectes bouddhiques) heeft aangelegd van leerstellingen van de eerste 18 Kleine Voertuig-stromingen komt geen enkele bodhisattvanaam voor, ook niet die van Samantabhadra. Hij werd afgebeeld op de Candi Mendut op Java, en op de hogere treden van de Borobudur. Die bouwwerken kwamen tot stand tijdens de periode van de zuidoost-Indiase Pāla dynastie, tussen grofweg de jaren 900 en 1000. Daar kan de naam Samantabhadra (tijdens het verblijf van Amoghavajra) op Sri Lanka niet vandaan zijn gekomen.
Amoghavajra kende wellicht de Chinese abt I-Hsin; verbleef hij in zijn tempel voordat hij naar India zou afreizen? Heeft hij hem een Vairocana sūtra laten bezorgen — "dat zal de meester waarderen"? Hisao Inagaki's veronderstelling (Tantric Buddhism, p. 99) dat Subhakarasimha en Vajrabodhi tantrische teksten naar het Chinees vertaalden is aanvechtbaar; die vertaalvaardigheid zullen ze niet gehad hebben. Als er al iemand vertaalde, dan zal het de meertalige Amoghavajra zijn geweest, en overigens waren er goed uitgeruste vertaalbureaus in Xi'an en Loyang, de twee hoofsteden van Noord-China.
In het jaar 727 overlijdt I-Hsing, abt van de Hsing-t'ang tempel (overigens de tempel waar Confucius leefde, en die later weer is teruggegaan naar de confucianistische gemeenschap). I-Hsin (= Een van Geest) liet de bovenvermelde Vairocana sūtra vertalen, of krijgt het, vertaald door Amoghavajra, aangeleverd, en laat overigens ook optekenen dat hij "twee bodhisattvas" in zwart-wit op de muren van zijn tempel heeft geschilderd, die vervolgens werden verpest door lieden die ze wilden inkleuren, zegt hij. Opgetekend door Herbert Giles (1845-1935), een van de twee bedenkers van het Wade-Giles systeem van romaniseren van de Chinese taal (inmiddels al weer door twee nieuwere systemen ingehaald). Een van die bodhisattvas kan Samantabhadra zijn geweest, en die gaat nooit op stap zonder zijn Dharmabroeder Manjushri.
I-Hsin stapte heel bewust af van de leer-interpretatie van het Kleine Voertuig, en mag de eerste, exclusief, voluit, mahāyanist in China genoemd worden. Én hij was (sinds de ontvangst van de Vairocana sūtra?) een tantrist.

(6) De verering van de hindugod Siva.

Summiere informatie over Amoghavajra en Samantabhadra werd in 2010 ook aangeleverd door John Bruno Hare. De oorspronkelijke publicatie die hij aanleverde is van de hand van een onbekend katholiek missionaris uit een onbekende tijd.




Nadat in de elfde eeuw de Tsjoola (Cola) dynastie van Zuid-India het eiland overrompeld had, kreeg het hinduïstische saivisme (het geloof in god Siva) de overhand ook al bleef de meerderheid van de bevolking boeddhistisch van hart.
De Srilankaanse koning Vidjaaja-baahoe (Vijayabāhu) die regeerde tussen 1055 en 1110 heroverde de hoofdstad Polonnaruwa en herstelde de monniks-Orde door vanuit Birma een groep senoir-monniken te laten overkomen om de Srilankaanse senior-sangha, die gereduceerd was tot minder dan de 10 personen die nodig zijn voor hogere wijding in een "thuisland" van het boeddhisme, weer op sterkte te brengen, althans waar het de hogere wijdingen betrof. Welke vorm van boeddhisme er voor dat moment op het eiland leefde is nergens vastgelegd geworden, maar omdat goed is gedocumenteerd dat de Mon-bevolking in Burma in 1056, onder dwang van de koning allemaal het theravāda-boeddhisme moesten gaan aanhangen, mogen we er zeker van zijn dat een enthousiaste vernieuwde Burmese theravāda-sangha richting Ceylón zeilde.

Ca 700 jaar geleden werd die gunst in omgekeerde richting, richting het Siam waar koning Ramhamhaeng vanaf 1278 regeerde, herhaald: een groep Srilankaanse seniores herstelde de gedecimeerde Siamese/Thaise Orde. Sindsdien heet een van de Thaise ordes de Lankavamsa.
Nadat na het vertrek van de Portugezen uit Sri Lanka de monniks-Orde, voor wat betreft de volledige wijdingen, op het eiland opnieuw tot bijna nul was gereduceerd, was het Thailand dat het boeddhistische Sri Lanka hielp weer uit de as te herrijzen. Een van de Srilankaanse Ordes heet sindsdien de Siam Nikāya.
Overigens zijn we vandaag (20ste-21ste eeuw) in een tijd aanbeland waarin het Birmese en Srilankaanse boeddhisme bijna een-op-een gelijk zijn, terwijl het Thaise boeddhisme zich op bepaalde practische punten een ietsje anders ontwikkeld heeft.

In alle gevallen moet geconstateerd worden dat, zouden de Sinhalezen in het verleden het boeddhisme de rug hebben toegekeerd, een herstel van de boeddhistische Orde niet mogelijk zijn geweest; men heeft elkaar voor wederzijdse diensten nodig. Hetzelfde geldt voor Thailand en Birma.

Iets soortgelijks kan gezegd worden over de nonnen-Orde van Sri Lanka. Nadat deze in de genoemde Cola-periode was uitgestorven heeft het eeuwen geduurd voordat er een herstel kwam. Dat herstel werd behinderd door de opvatting dat alleen Boeddha een Orde op kan richten. En aangezien Boeddha overleden was, was herstel van de nonnen-Orde niet aan de orde. Dat was de opvatting tot midden twintigste eeuw. Met een beter historisch inzicht in de ondergang en wederopstanding van de monniks-Orde in Zuid-Oost Azië werd deze opvatting onhoudbaar.

Het herstel van de nonnen-Orde werd laat twintigste eeuw in gang gezet door een Taiwanese organisatie. Die tussenoplossing is uiteindelijk als niet bevredigend ervaren. Men wilde rechtstreeks opgenomen worden in de eigen traditie, en niet via-via een achterdeur binnenkomen.
Op 26 juni 2010 werd verslag gedaan van de hogere wijding van een viertal voormalige Dasa-sil-matas in Sri Lanka zelf. Dasasilmatas zijn nonnen met de tien novicen-levensregels. Dit was overigens niet de eerste batch die Sri Lanka zelf wijdde.
Met zo'n hogere wijding zijn de kandidaten dasasilmata af, en zijn bhikkhuni geworden. Sindsdien leven ze bij de 227 levensregels (+8) van de hogere wijding. Sri Lanka kende in juni 2010 ca 3000 dasasilmatas, die voor het overgrote deel hun noviciaat niet wensen in te ruilen voor een hogere wijding, en een onbekend aantal bhikkhuni. Enkele naar de Srilankaanse theravāda-regels gewijde bhikkhuni bevinden zich buiten het grondgebied.


De post-koloniale periode werd vanaf 1948 in gang gezet. De periode ervoor werd ervaren als een tijd waarin mensenrechten, en meer bepaald religieuze rechten waren geschonden. Deze rechten werden bij het onafhankelijk worden van Sri Lanka niet onmiddellijk hersteld.

Het was een zekere L.H. Mettananda die meende dat er in die post-koloniale tijd een "Buddhist Social Order" moest komen. Om dat te bewerkstellingen wilde hij dat het Parlement een "Commission of Inquiry" in zou stellen die eerdere schendingen van mensenrechten zou documenteren en aan de kaak stellen. Toen het Parlement niet bereid bleek tot een dergelijke onderneming werd op 2 april 1954 door het All Ceylon Buddhist Congress een "Buddhist Committee of Inquiry" opgericht.
In 1955 was het inventariserende werk van deze Commissie afgerond, en een verslag werd op 4 februari van het volgende jaar aangeboden aan de monniksoudsten (Mahāsangha). Er werd hier en daar positief op gereageerd, het rapport werd onder de titel "A Betrayal of Buddhism" in het Engels vertaald, er werd veel over gesproken en veel over gepubliceerd. Er werd zelfs een wetstekst aangenomen waarin stond dat Srilankaanse kinderen alledrie de talen moesten leren: Engels, Singhala en Tamil. Aanbevelingen uit het rapport zijn misschien in later jaren aan de orde gekomen; Mettananda overleed in 1967.
In juni 2010 werd door dezelfde organisatie opnieuw overheidssteun gevraagd voor Tamil-onderwijs aan monniken.




Nieuwjaar

Veertien april is niet de Sinhalese (Srilankaanse) Nieuwjaarsdag zegt Lakruwan de Silva op 7 april 2007 in TamilCanadian, "in plaats daarvan is het het Tamil Hindu-nieuwjaarsfeest."

Hij legt het uit. De Theravāda boeddhistische kalender volgt de maanstanden; de eerste vollemaandag is de eerste dag van de nieuwe maand die Bak heet. De eerste dag van het boeddhistische Bak viel in 2007 op de negentiende maart. Op die dag had die gemeenschap dus Nieuwjaar moeten vieren, en niet op de veertiende april.
De keuze voor de veertiende april is gebaseerd op de hindu-kalender die de tekenen van de dierenriem volgt. Op die veertiende april gaat de zon het teken van Mesha of Ariës binnen, en dat wordt gezien als het begin van een nieuw jaar. Dat binnengaan van het teken van Mesha wordt gezien als een gunstig en veelbetekenend tijdsmoment, puñña kāla. De Silva voegt daar aan toe dat boeddhisme als zodanig het concept puñña kāla niet kent.
Hij meldt dat Assam, Bengalen, Orissa, Kerala, Nepal en de Punjab de veertiende april beschouwen als de eerste dag van het nieuwe jaar.