Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






RONDOM DE DHARMA

Alledaags boeddhisme




Klik naar de volgende bijdragen:




Dalit en boeddhisme

Tamil-boeddhisten

Behalve Ambedkar zijn er anderen geweest die lange tijd in de marge van de Indiase samenleving werden gehouden en die terecht of ten onrecht de naam dalit hebben gekregen.

Zo heeft Gajendran Ayyathurai een proefschrift gewijd aan Iyothee Thass (1845-1914), geboren in Tamil Nadu. Een andere naam is die van Ramasamy Naicker (1879-1973). Iyothee Thass redigeerde tussen 1907 en 1914 de krant The Tamilian.
Gajendran Ayyathurai heeft in zijn onderzoek de conclusie getrokken dat het inmiddels typisch dalit anti-kastestandpunt nog het sterkst naar voren werd gebracht door Thass. Aangemoedigd door Thass zijn de Tamil Parayars (kastelozen) er succesvol in geslaagd de term "onaanraakbaar" te weerleggen, zowel in het taalgebruik van landgenoten als in dat van de britse kolonisten.
Iyothee Thass was wat we vandaag een Tamil-boeddhist noemen, of in andere woorden, een dravidische boeddhist. Vanuit die achtergrond interpreteerde hij wat we vandaag als brahmaanse riten en gebruiken zien als voortkomend uit oorspronkelijk boeddhistische voorbeelden, langzamerhand overgenomen, vervoegd en verbogen. Daarin gaat hij verder dan vele anderen zouden durven gaan.

Ambedkar

Op de 14e april 2005 werd onderandere in het indiase Pune de 114e geboortedag van Ambedkar gevierd met optochten, voorstellingen, en recitatie-sessies in de boeddhistische 'vihars', tempels en centra.

Ambedkar was de "vader van India's Grondwet", en, zelf als dalit geboren, heeft hij zijn leven gewijd aan het verheffen van de dalit, de vroegere Onaanraakbaren, en heeft honderdduizenden onder hen naar het boeddhisme gebracht.
Heroverweging positie dalit
The Universe Newsroom, het best verkochte Katholieke blad in Engeland en Ierland, had in haar september 2005-nummer een ultra-kort berichtje over de status van christelijke dalit in India. Omdat het zo kort is, volgt hier de vertaling:
christelijke en dalit-groepen in India willen opnieuw actieve aandacht voor de constitutionele ongelijkheid tussen christelijke dalit en die dalit die behoren tot de hindu, boeddhistische en sikh-religies. dalits, die voorheen bekend stonden als "de Onaanraakbaren", stonden per traditie onderaan de Indiase maatschappelijke ladder. En alhoewel hindu, boeddhistische en sikh dalit nu toegang hebben tot een serie door de staat toegewezen gunstige maatregelen, worden die maatregelen onthouden aan hun christelijke en Moslim mede-dalit. Nu heeft de overheid een nieuwe commissie in het leven geroepen om de situatie te bestuderen, en de christelijke dalit-vertegenwoordigers dringen er bij de internationale gemeenschap op aan steun te verlenen aan het team juristen dat hun zaak bij de commissie gaat voorleggen.
Onderwijs Nepal
Het Hooggerechtshof van Nepal heeft op 20 januari 2006 beslist dat het "Teendhara Sanskrit Pathshala Hostel" en de "Mahendra Sanskrit University" dalit en ethnische minderheden van Nepal niet langer mogen weren. Ze moeten hun regels zo opstellen, resp. veranderen dat ze niet indruisen tegen Artikel 11 van de Grondwet die over gelijke rechten gaat.
Ambedkar's geboortedag
Op 6 april 2006 publiceerde T.T. Ram Mohan een korte biografie van Ambedkar in de Economic Times of India.
Hieronder volgt de integrale tekst van zijn artikel in het Engels.

B R Ambedkar, whose birth anniversary falls on April 14, is known as the leader of the dalits and one of the architects of the Indian Constitution.(*)
What is less known is that he was the tallest intellectual among the leaders thrown up by the independence movement, a man whose idea of India remains relevant today.

Ambedkar’s educational qualifications alone would mark him out from his peers. He obtained his doctorate in the social sciences at Columbia University in the US. He then proceeded to London, where he registered for a bar-at-law degree as well as an MSc and a doctorate at the London School of Economics. He had to cut short his studies and return to India when his scholarship ran out.

Having saved up a little as a professor at Sydenham college, Ambedkar returned to London four years later to complete his DSc in economics. While waiting for his thesis to be processed, he spent a few months at Bonn University reading economics. In the meantime, he had started studying French and German on his own. Partly, all this was about making a point: for dalits, higher education is the route to empowerment.

Ambedkar’s wide-ranging academic background provided the basis for an astonishing mass of scholarly output. A website lists 56 books and monographs published by Ambedkar.

These cover a host of topics: the origins of caste and untouchability, Hinduism, Marxism, Buddhism, the Indian currency and banking, the partition question, linguistic tates and the British constitution, to name only a few. And all this in the midst of a hyper-active political career that included membership of the Viceroy’s executive council and a stint as cabinet minister in independent India.

To read Ambedkar is to encounter a forensic and original mind. An example is his analysis of the origins of untouchability. Ambedkar rejects the notion that untouchables belonged to a subjugated race or that they were associated with inferior occupations.

He posits that untouchability arose from the confrontation between Hinduism and Buddhism. The Buddhist opposition to animal sacrifice resonated well with the then agrarian communities and posed a serious challenge to Hinduism.

Hindus upped the ante by imposing a taboo on beef-eating even though they had been beef-eaters themselves for long. People who subsisted on dead animals could not go along with the taboo and stood condemned forever in consequence.

Ambedkar is often portrayed as a man who sought to divide Indian society by seeking to negotiate separately with the British on behalf of the dalits as Jinnah did for the Muslims. Such a portrayal does him scant justice. First, in seeking to safeguard the interests of dalits, Ambedkar was merely reacting to the profound divisions created by the practice of untouchability, whereby Hindu society had condemned millions to an inferior status.

Secondly, Ambedkar saw the struggle for a better deal for dalits as part of the incomplete project for the creation of an Indian nation.

India, he felt, was not yet a nation. It was merely a set of peoples — Hindus, Muslims and dalits — living together in a geographical area. Liberty or independence by itself could not mark the completion of the Indian project, it merely marked the beginning.

It was only when Indian society embraced the ideas of equality and fraternity as well that India could develop a sense of nationhood. This would require, among other things, challenging the varnsashrama dharma that lay at the core of Hinduism.

Ambedkar subscribed to the ideal of a socialistic society but he did not see communism as the route to salvation. He disliked the violence and totalitarianism inherent in communism, he was disappointed that Indian communism was blind to caste and, importantly, he was alive to the role of competition in fostering economic growth.

A socialistic society, he felt, must be created not through coercion exercised by the state but by Indian society accepting its responsibility towards the underprivileged. The clamour today for reservations in the private sector shows that Indian society is still far from fulfilling this responsibility.

Tot zover dr Mohan's woorden. Zijn laatste passages over de politieke weg die India naar zijn mening moet inslaan worden hier niet herhaald. Daarvoor zijn andere fora meer geëigend.

(The author is a professor, IIM Ahmedabad)
— januari 2009. Een vrij complete geschiedenis van het dalit-boeddhisme vinden we op www.anwers.com/topic/dalit-buddhist-movement. In dat answers.com-artikel wordt er op gewezen dat de dalit een variant op het Theravāda-boeddhisme belijden. Deze variant is hen aangereikt geworden door de in de UK in 1978 opgerichte organisatie de FWBO, die genoemde lijn combineert met bepaalde aspecten uit de Mahāyana en Vajrayana. De FWBO is kort na de belangrijkste toevluchtname van dalit tot het boeddhisme, zie boven, als dharma-leraren actief geworden onder deze indiase bevolkingsgroep.
(*) Prakash S. Manu liet in april 2007 weten dat de deelstaat Maharashtra een nieuwe wet, de Buddhist Mariage Act, heeft aangenomen. In die wet staat dat gehuwde vrouwen uit de dalit-gemeenschap niet meer "bijzit" zijn en hun kinderen niet meer "onecht". Volgens de nieuwe wet worden ze voortaan daadwerkelijk als gehuwd geregistreerd, en hun kinderen zijn als gevolg 'echt'.
In een appendix liet hij weten dat "de werkelijke opsteller van India's Grondwet (Sir) Benegal Narsing Rau is geweest", en dat "95% of the Constitution is from his authorship of the Government of India Act 1935, which was to be the basis for Home Rule proposed by the British. He was Constitutional Adviser."
Ere wie ere toekomt.





In de klassieke geschriften van het boeddhisme, meer bepaald binnen de canon van het Kleine Voertuig of zuidelijke boeddhisme, vinden we voorbeelden van Boeddha's afwijzen van de in zijn tijd geldende gedachtegang dat wie voor een dubbeltje geboren is nooit een kwartje zal worden. Zo'n voorbeeld vinden we in de Angúttara Nikāya (met een oe) van de Pali-canon waar hij zegt dat een persoon die als miserabele geboren is ook miserabel blijven zal tenzij hij (en zij) bereid is om van de duisternis naar het licht te gaan — zo staat het er; bereid is zich geestelijk te ontwikkelen, en dat dan ook doet. Latere generaties zullen iets dergelijk zeggen. Vasubandhu (de Tweede, zeggen sommigen), die vóór de zesde eeuw leefde zegt zoiets volgens de Abhidharma-kosa-bhyāsya. Zijn bewonderaar Dinnāga spreekt er over in zijn Pramāna-samúccaya, en diens leerling Dharma-kīrti vermeldt het in zijn commentaar op het laatstgenoemde werk.



Dat het begrip kaste niet in de vedas zou voorkomen, zoals de modernere opvatting is, is deels onjuist. De Rgveda en de Atharvaveda spreken over de varna, letterlijk huidskleur, en hoe de mens naar levensonderhoud is ingedeeld volgens de schakeringen van die varna. Er is een ander pré-hinduïstisch geschrift, de Manusmriti, dat werd geschreven door een vriend van Boeddha's overgrootvader. Daarin wordt die indeling een indeling naar hoog en laag. En van dan af wordt het woord (d)jati gebruikt, geboorte, of geboren worden, of geboren zijn. Van dan af ligt dat "lot" vast, en is het de hogere jati niet toegestaan omgang te hebben met de lagere, en omgekeerd, anders dan in strikt zakelijke zin.


Boeddha is niet ten strijde getrokken tegen het kastestelsel, zoals maar al te graag aangenomen wordt. Dat zou hem in onmin hebben doen leven met heel India, en het zou daarmee de bijl aan de wortels van zijn praktijk/filosofie zijn geweest.
Doorheen een aantal teksten in de Pali-canon komen we passages tegen waarin Boeddha kaste-onderscheid vaststelt als een gegeven dat er nu eenmaal is. De vroege Sutta Nipāta (II,315) maakt er zelfs expliciet melding van. In die leerrede prijst Boeddha de brahmin (=pré-hindu) priesters van weleer in een "vroeger was alles beter". Hij heeft het in dat stuk over de familiegroep, respectievelijk stam (gotta) waar hij zelf uit voortkwam, en waarvan Okkāka de stichter is geweest. De naam Okkāka komen we ook tegen in het verslag over Boeddha's voortgaan. Hij spreekt dus uit ervaring, en heeft het over het verleden waarin "de krijgers (khattiya), de brahmin en anderen die hun familiegroep, clan, beschermden (gotta-rakkhitā), die vervolgens hun afkomst (jātivādam) aan hun laars lapten, en onder de invloed kwamen van lustgevoelens (kāmānam)."
We mogen een uitspraak als deze plaatsen binnen het kader van een ook in Nederland aan het begin van de 21ste eeuw nog steeds levend klassebesef. Tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw waren uitdrukkingen gangbaar als "beneden je stand trouwen", of "twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen". Er is daarbij in Nederland geen sprake van kaste, maar wel van "stand".
Wanneer Boeddha dan kort na zijn Ontwaken monialen van allerlei rang en stand rond zich heen verzamelt, wijst hij daarmee het in de burgermaatschappij levende kaste-denken niet af, maar stelt er als het ware een nieuwe gotta, familiegroep, clan, naast. Die nieuwe gotta bestond in die eerste jaren uitsluitend uit monialen. Burgers die toevlucht tot de Boeddha, zijn leer, en zijn gemeenschap namen moesten zelf beslissen of ze zich kastegedenomineerd voelden of niet. Hij was uiterst pragmatisch. Zijn volgelingen leiden naar een ophouden van alle leed had top-prioriteit, dat daaruit aktief mededogen naar de wezens geboorte vond was een vanzelfsprekende zaak. Maar dat nam niet weg dat persoonlijke cultivering voorop stond, en het beschermen, bemoedigen, en aansporen van de burgerij was daar een afgeleide van.
Er is een leerrede bewaard gebleven waarin wordt gesproken over een handelaar van hoge kaste die zijn knecht uit de laagste strata van de maatschappij tot bewindvoerder over zijn bedrijf benoemde. Boeddha spreekt er waarderend over, maar we lezen niet dat de knecht mét zijn nieuwe maatschappelijke status ook een andere jati, kaste, binnenging.

De geschiedenis van Sri Lanka kan niet gezien worden apart van die van India, inclusief het denken over kaste. Daarover staat elders een korte bijdrage.


boeddhisme en zelfdoding

Het weekend is meestal een goede gelegenheid voor journalisten om achtergrond-artikelen te leveren. Zo schreef Nina Teggarty op 21 april 2007 voor het engelse Channel 4 een verslag over de "marathon-monniken" van berg Hiei in Japan.


Een klein deel van de naar Japans, niet naar orthodox gebruik gewijde monniken of leken-priesters (er zijn ook leken-priesteressen) van de tendai-richting hebben marathonlopen opgepakt als religieuze praktijk. Het gebruik is ongeveer vier eeuwen oud, en de in het wit geklede monniken - wit is de kleur van de dood - moeten iedere dag, honderd dagen lang, twee marathons lopen.
Teggarty beschrijft een dag in het leven van Genshin Fujinami die twee keer per dag een marathon van 26 mijl aflegt. "Als hij het haalt", schrijft ze, "dan wordt hij een levende heilige." Haalt hij het niet, dan wacht hem een ander, zelf opgelegd lot, waarover onderstaand meer.
In het artikel wordt John Stevens geciteerd die een expert in boeddhisme is, met name het boeddhisme van Korea en Japan.
Onder zijn pij, zegt het bericht, draagt Fujinami een koord en een mes. Slaagt hij er niet in de bergmars te voltooien, dan moet hij zichzelf onmiddellijk ophangen of seppuku, rituele zelfdoding, plegen. Stevens zegt dat dit menens is. Hij meldt dat langs de weg bordjes te vinden zijn waarop staat dat 'deze of gene monnik tijdens zijn training overleed.'
Aan het eind van zijn honderd dagen rennen zeg Fujinami: "Ik heb het gevoel dat ik een taak heb volbracht. Dat is alles. Ik weet niet of ik het verlichting moet noemen of niet, maar de training heeft me geleed dat iedereen en alles (fundamenteel) gelijk (samatā) is."
Gedurende de afgelopen vier eeuwen hebben niet meer dan 46 monniken de training volbracht. Hoeveel het niet volbracht hebben is niet bekend.

Hiei (spreek: hjei-ie), de zetel van de invloedrijke tendai-traditie, heeft altijd bekend gestaan om zijn rigeur. Het marathonlopen heeft ongetwijfeld zijn oorsprong in die mentaliteit, die niet weinig versterkt zal zijn geworden door het indigene samurai-ethos.

Er is in de orthodoxe Pali-canon een verhaal bekend over een van Sakyamuni Boeddha's monniken, de een zegt dat hij Aniruddha heette, de ander zegt dat het Anuruddha was, die een uiterst pijnlijke oogziekte had waar hij blind door werd. Niettemin meende hij dat hij "behaald had wat er behaald moet worden". Op het moment dat de pijn ondraaglijk werd benam deze monnik zichzelf van het leven. Geschokt meldden de andere monniken dit aan Boeddha en vroegen wat hij ervan vond. Boeddha antwoordde daarop door - vrij weergegeven - te zeggen dat dit in het geval van een monnik die nirvana bereikt had, en verder niets meer te leren of te cultiveren had, dan desnoods nog wel te begrijpen en te aanvaarden was, maar dat anderen zich beslist niet aan dit voorbeeld moesten spiegelen.

De orthodoxie vindt zelfdoding dan ook nog steeds gruwelijk en onaanvaardbaar, ook in het licht van het begrip ahimsa, geen geweld gebruiken, ook niet naar jezelf. In China wordt voor zelfdoding traditioneel een term gebruikt die met "de indecente praktijk" vertaald kan worden.

In later eeuwen zijn er boeddhistische trends gekomen, zoals de hiergenoemde tendai-richting, maar ook tibetaanse substromingen, die zelfdoding minder erg zijn gaan vinden. Er is een afscheidsgedicht bewaard gebleven van de Tibetaan Longchenpa (ergens gedurende de Middeleeuwen) waarin hij aankondigt zichzelf het leven te benemen uit mededogen met de mensheid en om te bewijzen dat hij niet meer aan het zelf gehecht is.
Zover komt het nu binnen de tibetaanse stromingen niet meer, maar uit redelijk recente gesprekken is toch gebleken dat het principe van een min of meer gewelddadig "doorklieven" (chöd) als principe niet is afgezworen.
Het tendai-leiderschap moet niet verbaasd zijn wanneer op een dag de rechtshandhaver op de deur klopt.

Tussen leven en dood

Op 15 mei liet Bhutan's dagblad Kuensel weten dat de film "De 49ste dag" was uitgeroepen tot de beste film van het jaar. In deze film wordt het begrip bardö behandeld aan de hand van een familiedrama dat op een of andere manier nog goed afloopt. De verslaggever liet weten dat hier "sterk religieus geloof en bijgeloof de hoofdthemas" van de film zijn.
Evenals in andere Himalaya-stromingen en het chinese boeddhisme wordt er in Bhutan van uitgegaan dat er tussen dood en wedergeboorte een "tussenbestaan" is, ántara-bhāva in het Sanskriet, en bardö in het tibetaans(*), van 49 dagen.

Ántarā betekent onderandere 'tussenin', 'interim', en bhāva is 'geboren zijn', 'bestaan'.
Tijdens die periode worden op de 7de, de 14de, de 21ste en de 49ste dag ceremonieën gehouden waarbij de spirit van de overledene uitgenodigd wordt het oude leven los te laten en een nieuw leven aan te vangen. Op de 49ste dag, zo neemt men aan, is dat besef doorgedrongen, en is er een voortgaan naar een ander leven.

De Theravāda-richting meent op basis van de Pali-geschriften dat wedergeboorte, of weder-indalen in een moederschoot, over het algemeen onmiddellijk na het overlijden plaatsvindt. De term ántara-bhāva komt in de Pali-geschriften van deze richting wel voor, maar wordt dan beschreven als een "ketterse" opvatting. Ántarā wordt in deze stroming meer in andere samenstellingen gevonden zoals in Buddhántaran, de tijd die ligt tussen het overlijden van een Boeddha en het naar de aarde komen van de volgende. Daarbij moeten we bedenken dat in de Theravāda-richting het gelijktijdig bestaan van meerdere Boeddhas wordt afgewezen. Volgens deze traditie leven we dus nu in een suspense-periode.

Het klassieke Sanskriet kent de samenstelling ántara-bhāva niet, we vinden ze alleen in het Hybrid-Sanskriet, onderandere in de Lankāvatāra soetra.
(*) www.nopapers.nl/wat/omni-abc/b/bardo.html




vergeving

In het vroege boeddhisme wordt "vergeving" weergegeven als (in het Pali) khama. Khama wordt door de boeddhistische moniaal (en hopelijk ook door de leek) gecultiveerd onder termen zoals "geduld", "verdraagzaamheid", "bestand tegen" (vorst, hitte etc.). Vacanakhama (spreek: vátsjana khaama) zijn de vriendelijke, vergevingsgezinde, verdragende woorden die een uiting zijn van deze cultivering, en opmerkelijk genoeg vinden we deze instelling tenminste terug in het oostaziatische zen waarin op een "excuus voor 't ongemak" al snel een "'k weet al niet meer wat er aan de hand was" volgt.

In de latere Abhidhamma/Abhidharma vinden we onder de term "kamma/karma" uiteenzettingen die neerkomen op vergeven-en-vergeten: een persoon kán slecht — vakterm: "zwaarwegend" — karma als het ware uitgummen door daar goed karma tegenover te plaatsen. Er zijn verhandelingen bekend waarin de mens wordt aangeraden niet alleen naar het zwaarwegende karma van deze of gene te kijken, maar ook naar het goede. Uit die gegroeide traditie, waarin ook het hier-en-nu, en het voortdurend voortrollen van het wiel worden meegenomen, is een mentale houding gegroeid waarin we kunnen achterlaten teneinde weer vooruit te kunnen: iemand gooide zijn broertje van de trap. Rolt broertje, de verteller, nog steeds van de trap, of zit hij in een veilige omgeving te vertellen over wat er niet meer is?


Naar de archiefpagina | Naar de soetraspagina

Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme