Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






DE ZES CONCILIES

Betekenis van de boeddhistische Concilies voor het verspreiden
van de Boeddha-Dharma

Sneltoetsen naar de verschillende concilies:
Het eerste concilie
Het tweede concilie
Het derde concilie
Het vierde concilie volgens de theravāda
Het vijfde concilie volgens de theravāda
Het zesde concilie volgens de theravāda
Het Kashmir-concilie



Drie maanden na het overlijden van Sakyamuni of Gáutama Boeddha, ca. 544 voor WJ, werd het eerste boeddhistische Concilie belegd, en in 1954 vond het laatste plaats.
Aan de hand van een Birmese, een min of meer algemene en een Tibetaanse lijst lopen we de Concilies af, en kijken waarom ze werden gehouden, wat er gebeurde, en wat de resultaten ervan waren.
Het eerste Concilie
Zeven dagen na Boeddha's overlijden oordeelde de getalenteerde en invloedrijke Ouderling Káshyapa (Kássapa) dat het nodig was Boeddha's woorden op schrift te stellen om zo bewaard te worden voor volgende generaties van monniken die zich inmiddels wijd en zijd verspreid hadden.
Naar de mening van de Birmese traditie begon dat eerste Concilie op de vollemaandag van de maand wagaung (augustus), en duurde zeven maanden. Ze werd gehouden op de berg Vebhara nabij Rajgir, India, in de Zeven Grotten, of, zoals de Birmese samenstellers zeggen, in het Zeven Grotten Paviljoen.
Daar kwamen ongeveer 500 Arhats, Verlichtten, bijeen. Alle bronnen zijn het er over eens dat het de voormalige kapper Upali was die de Monniksregels, de Vínaya reciteerde - die aan de hand van zijn recitaties werd opgeschreven, en dat het Boeddha's neef en verzorger Aananda was die de Leerredes, de Dharma (Dhamma) reciteerde. Ook deze collectie werd op schrift gesteld.
De bijeenkomst nam drie maanden in beslag. Aan het eind, zeggen vertegenwoordigers van de theravāda-traditie, de Traditie der Ouderlingen, dat de voorzitter, de eerwaarde Kássapa zo ontevreden was over het resultaat dat hij zich in een huisje, het Pippla stone house aan de voet van de berg opsloot om daar zijn heengaan af te wachten. De Chinese traditie zegt dat Kássapa (Káshyapa) zijn drie pijen opnam en door de heuvels van Birma naar China trok om daar de eerste zen-patriarch te worden. In de Mogao-grotten is een thanka-achtige schildering gevonden waarop te zien is hoe Káshyapa in de denimblauwe pij van de nu niet meer bestaande mahisásaka-traditie door de bergen stapt. De reden voor de eerw. Kássapa's ontevredenheid lag in de interpretatie van een advies dat Boeddha op zijn sterfbed aan Aananda had gegeven:
Aananda, als de monniken dat nodig achten kunnen ze bepaalde regels uit de Vínaya aanpassen. Aananda was zo overweldigd door verdriet dat hij vergat te vragen welke regels voor aanpassing in aanmerking zouden kunnen komen. Kássapa was daarom van oordeel dat alle regels precies zo gehandhaafd moesten blijven zoals Boeddha ze gegeven had, want "Als we de regels veranderen, zullen de mensen zeggen dat de discipelen van de eerwaarde Gautama de regels al veranderden nog voordat de as van zijn crematie-vuur bekoeld was."

[De officiële geschiedschrijving van het Chinese boeddhisme noemt niet Kashyapa, maar Anshihgao de eerste monnik die de Boeddha-Dharma China binnen bracht, in het jaar 67WJ om precies te zijn (Zie het artikel 'Onderzoek in Iran').
Andere bronnen noemen koning Mingdi uit een dynastie tussen de 3e en 5e eeuw vC die een edict liet opstellen waarin "prins Ying van Chu" voor zijn euveldaden betaalt door al zijn bezittingen op te geven als offering aan Boeddha en de tempels. ]

Na dit eerste Concilie ging ieder weer op weg, en onderwees de Boeddha-Dharma zoals hij het gehoord en onthouden had. Meetorsen van dikke volumes beschreven palmbladen zal niet aan de orde zijn geweest.
Het tweede Concilie
Ongeveer honderd jaar later werd het tweede Concilie gehouden.
In 443 voor WJ kwamen monniken opnieuw bijeen in het Valukārama-klooster in de Indiase stad Vesali (Vaishali). In die regio heerste de Vadji- of Vridji-clan, en monniken uit die clan waren tot een Dharma-interpretatie en leefwijze gekomen die de orthodoxen verontrustte.
Onder voorzitterschap van de eerwaarde Yasa vergaderden 470 monniken, gesteund door koning Kalasoka, zegt de Birmese bron.
Die vergadering zal in het teken hebben gestaan van de woorden die voorafgaan aan het tweewekelijks gezamenlijk reciteren van de Monnikscode: Zou enige monnik hier aanwezig een overtreding hebben begaan, laat hem spreken. Zou enige monnik hier aanwezig geen overtreding hebben begaan, laat hem zwijgen.

De Tibetaanse bron meldt dat er een scheiding van geesten kwam tussen de Orthodoxen, de Sthávira, en de 'rekkelijken', de mahasánghika - die nog lange tijd als een vroeg-boeddhistische groepering zou bestaan en verdween voordat, onder andere op basis van enkele mahasánghika-opvattingen, de mahāyana, het Grote Voertuig gestalte had gekregen.

Een andere opvatting is dat het tweede Concilie uit twee sessies bestond: een sessie zo'n 60 jaar na Boeddha's overlijden, en een andere sessie nog weer 40 jaar later. De eerste sessie zou dan plaatsgevonden hebben in Vesali, en de tweede in Pataliputra, het huidige Patna. Tijdens die laatste sessie zou een monnik genaamd Mahadeva vijf stellingen hebben gepresenteerd over de Arhat, de Verlichtte.
Het derde Concilie
Het derde Concilie in de derde eeuw vC draaide uit op een verdere scheiding tussen orthodoxie en vernieuwers. Het woord schisma wordt hierbij veelvuldig genoemd, en er wordt aan herinnerd dat een schisma veroorzaken tot definitieve uitsluiting uit de Orde leidt. Zie daarvoor ook het derde boek van de Lankāvatāra Soetra.
Onder het bewind van koning-keizer Asoka waren, zegt de Birmese bron, zesduizend asceten het Asoka-klooster binnengedrongen en hadden zich daar breed gemaakt. Maar andere bronnen spreken niet over indringers, en hebben het enkel en alleen over verschillen van mening tussen de monniken daar. Geschiedschrijving heeft het dat de abt, de eerwaarde (Moggaliputta) Tissa - overigens broer van keizer Asoka - zo ontevreden was over het niveau van de Boeddha-Dharma in dit klooster dat hij jarenlang weigerde om de tweewekelijkse recitatie van de Orderegels bij te wonen, die beginnen met een verklaring van zuiverheid. Uiteindelijk trok hij zich in een hermitage aan de andere kant van de rivier terug, en kon maar met moeite overgehaald worden om een monnik-voor-monnik ondervraging door te voeren over aspecten van de Leer.
Het resultaat, zeggen de annalen, was dat er na afloop van dit Concilie een grote menigte wit-gekleden door de straten van Pataliputra (Patna) ging. In het wit gekleed waren tijdens het vroege boeddhisme de zogenaamde anagárikas, praktikanten die meer regels hebben dan de leken, maar minder dan de monniken, en in het wit gekleed zijn ook die leken-boeddhisten die op bijzondere dagen de 10 levensregels aanhouden. De monniken die de pij was afgenomen waren van dat moment af dakloos en broodeloos, of liever, rijst-loos.
Negen maanden had deze ondervraging geduurd, en na deze negen maanden zond Asoka negen groepen overgebleven monniken uit over de omringende landen. Zo gingen zijn zoon en dochter naar Sri Lanka.
De Geschriften die tijdens dit Concilie werden herschreven, werden opgesteld in het Pali, en van dan af spreken we van de Pali-canon van het vroege of theravāda-boeddhisme.

Nalinaksha Dutt, in haar "Gilgit Manuscripts, Vol.I" (Srinagar 1939, p.7) meent dat Asoka in tegen het eind van zijn leven, eenmaal aangekomen in Kashmir, het theravāda-boeddhisme inruilde voor dat van de sarvastivāda die op dat moment de meerderheid van de Kashmir-boeddhisten waren gaan vormen. Dat wil zeggen, hij moet spijt gekregen hebben van het verjagen van een deel van de monialen van zijn hof. Zij meent zelfs dat Asoka een bijeenkomst (council) bijeen riep van monniken uit diverse richtingen, met een uitdrukkelijke uitnodiging aan het adres van monniken uit Tamasāvana in Kashmir. (ibid p.9)

In ieder geval was een definitieve tweedeling van de boeddhistische gemeenschap het resultaat van dit derde Concilie. De Ouderlingen, toen sthāvira genaamd, die zich later overigens ook zou opsplitsen in theravāda, mahisāsaka, en nog een paar andere kleinere stromingen, vormden de orthodoxe tak — waarvan de facto alleen de theravāda is overgebleven —, en een aantal anderen, waaronder de dharmagupta, groeiden heel langzaam maar geleidelijk uit tot op een niet te bepalen tijdstip de mahāyana, het Grote Voertuig, daar was. De mūla-sarvastivāda, die een voortzetting is van een na dit concilie ontstane sarvastivāda, zou binnen het mahāyana van de Himalaya-stromingen de Kleine Voertuig-leer gaan representeren.



Het open en algemene karakter waarnaar Amartiya Sen verwijst was in die eerste Concilies zeker aanwezig, evenals een zekere vorm van democratie: de meerderheid wint. Niettemin tonen alle drie de eerste Concilies dat er zekere spanningen waren die blijkbaar niet door langdurig en intensief overleg opgelost konden worden.
De Concilies die na deze eerste drie zijn gehouden tonen duidelijk de definitieve breuk binnen de monniksgemeenschap. Hieronder gaat de rechterkolom verder met Concilies die de vernieuwers hielden, de linkerkolom toont de Concilies georganiseerd door de oude lijn.

Op geen enkel moment kwamen tijdens deze Concilies de nonnen in beeld, hoewel ze er wel waren. Het reisverslag van Faxian toont dat er in ieder geval tussen 399 en 414nC nonnen (bhiksuni) waren in het centrale gedeelte van India. Faxian's verslag laat op geen enkele manier zien dat hij verbaasd was over hun aanwezigheid. Hij moet in het thuisland China al volledig gewijde nonnen zijn tegengekomen, en vindt ze ook hier weer. Uiteindelijk zullen we zien dat de gemeenschappen van volledig gewijde nonnen in de oude lijn uitsterven, dat ze in de Himalaya-tradities nooit tot stand zijn gekomen - tot, in zekere zin, aan het eind van de 20e eeuw -, en dat uitsluitend de nonnen-tradities uit de Chinese en Koreaanse tradities tot vandaag een grote bloei doormaken. Wat nonnen vonden van de themas die tijdens de Concilies aan de orde kwamen is niet vastgelegd, als ze al geïnformeerd waren.

Het vierde Concilie

Het vierde concilie, zegt opnieuw de Birmese bron, werd gehouden op Sri Lanka, in de Aloka-grot, in het district Malaya, in ofwel 94 voor WJ, ofwel in 80 voor WJ.
Na twaalf jaren van opstand en hongersnood waren de bewoners van Sri Lanka aan het eind van hun latijn, en besloten de monniken een extra inspanning te leveren om de Boeddha-Dharma te behouden, want ook de monniken hadden te maken met moeilijke tijden, met alle gevolgen voor lichaam en geest.
Tijdens het bewind van koning Vattagámani Abbaya stelden vijfhonderd monniken, onder leiding van de eerwaarde Maha-dhamma-rakkhita, de gehele canon op schrift, op palmbladen, de zogenaamde ola-bladen. Dit Concilie nam een jaar in beslag.
Het vijfde concilie
De twee volgende door de theravāda-stroming erkende concilies vonden plaats in Birma.
Bijna 1800 jaar na het vierde werd in de maand november van 1871 het vijfde Concilie georganiseerd in de stad Mandalay. Men had geconstateerd dat de palmblad-geschriften het niet veel langer zouden uithouden, en dat het noodzakelijk was een en ander opnieuw vast te leggen. Om voor de toekomst spel-, en andere fouten te vermijden koos men er voor om het geheel op 729 marmeren platen te laten inbeitelen. Onder leiding van de eerwaarde Jágara-bhivamsa zagen 2400 monniken toe op de werkzaamheden die ondersteund werden door koning Mindon. De marmeren platen werden vervaardigd in de Loka-mara-jina-pagoda, en de hele onderneming nam 7 jaar, 6 maanden, en 14 dagen in beslag.
Na dit Concilie werd de gehele canon, nu inclusief de Abhidhamma (Abhidharma)- de verhandelingen over het mentale en fysieke - vertaald naar het Birmees. We kunnen zeggen dat met deze vertaling de tweede bloeiperiode van het Birmees boeddhisme aanbrak. Ze bracht bijvoorbeeld een Abhidharma-meester als Ledi sayadaw voort. De eerste bloeiperiode lag rond de totstandkoming van het kloostercomplex van Bagan. Zie ook de geschiedenis van Birma.
Het zesde Concilie
Op de vollemaandag van mei 1954 begon het zesde Concilie, en wel in de Mahapasana Grote Grot, in Kaba-Aye, in de hoofdstad van Birma.
Na een periode van Britse overheersing had de boeddhistische gemeenschap behoefte de kennis en de beleving van het boeddhisme een nieuwe impuls te geven. Uit de theravāda-landen kwamen 2500 monniken bijeen onder leiding van de eerwaarde Revata (Rééwata). Er waren nog eens vijfentwintig andere landen present bij het bespreken van vragen die de aanwezigen opwierpen. Ook werden opnieuw de Geschriften, inclusief de Commentaren en Sub-commentaren onder de loupe genomen, en wel zo nauwkeurig dat sommige 'overlevenden' het er vandaag (2005) nog over hebben. Dit Concilie kwam verschillende malen bijeen tussen de jaren 1954 en 1956.
Het vierde Concilie

In de eerste eeuw WJ vond het vierde Concilie plaats, en wel tijdens de regering van keizer Kanishka. Tot enige tijd geleden werd er van uitgegaan dat dit Concilie gehouden, in het vroegere Kashmir-Gandhara, in de plaats Jullunder werd georganiseerd, maar in 2005 komen ook namen als Kanzilwan en Kutabal naar voren.
Het concilie stond onder leiding van de monnik Katyaniputra.
(In tegenstelling tot andere bronnen die menen dat het het Vierde, het Kashmir-concilie geleid werd door de monnik Katyaniputra, meent de goeverneur van Kashmir, steunend op andere bronnen, dat het Ashvaghosa is geweest.)
Kanishka probeerde de kern van de Boeddha-Dharma te begrijpen door iedere dag een andere monnik uit steeds weer een andere richting te ontbieden en hem te ondervragen. Kanishka's methode, die tot op de dag van vandaag wordt afgeraden, leidde uiteraard tot grote verwarring, waarna hij het advies van een monnik opvolgde en een Concilie belegde. Daar werden verschillende Dharma-interpretaties naar voren gebracht en bijgesteld. Ook werden er Commentaren geschreven op teksten uit de "Drie Manden", de Leer, de Orderegels, en de Abhidharma. De meerderheid der monniken die aanwezig waren tijdens dit Concilie kon instemmen met wat hier op schrift werd gesteld.

Op 10 april 2010 maakte persbureau IANS bekend dat de koperen platen (tßmra-paata) waarop tijdens het Kashmir-concilie (delen van) de canon werden gegraveerd zijn gevonden door de welbekende historicus Mohammed Yousuf Taing.
Taing is een van diegenen die meent dat Nāgārjuna aan dit zes maanden durende concilie deelnam, en hij meent dat de voorzitter de Bengali Ashu Ghosh was. Hij meent ook, in tegenstelling tot Taranatha, dat een plaats met de naam Kundalwan, het conferentie-oord, onbekend is.



Hiermee kwam de serie Concilies voor wat betreft de mahāyana-stroming van het boeddhisme aan een eind. De tijden in het moederland waren er niet voor. Binnen de Indiase invloedssfeer kon boeddhisme zich onder externe en interne druk niet staande houden.

In 638 zorgt de koning Sron-btsan-sgam-po er voor dat boeddhisme in het tibetaanse rijk wordt ge´ntroduceerd. Tussen het jaar 648 en 650 begint een serie gewapende conflicten tussen enerzijds de tibetanen en anderzijds de turks-afghaanse en chinese heersers. Dat zal ca 100 jaar duren, tot 797. Het belangrijkste en eerste conflictgebied moet Chamba of Champa zijn geweest, de streek rond de noordwestelijke indiase plaats Dharamsala waar in de tweede helft van de 20ste eeuw de tibetaanse regering in ballingschap werd gehuisvest. Vanaf dat moment zal de aanraking met zowel het hindu´sme als het boeddhisme meer impact hebben. Omdat, zo zeggen historici, Champa nauwere contacten onderhield met het centraal-aziatische gebied, meer dan met het India uit de Gangesvlakte, is het niet verwonderlijk dat wat men hier meekreeg van de leer van de Boeddhas erg centraal-aziatisch gekleurd was.
Op het moment van binnenkomst in Tibet was de Canon af; er kon niets eigens aan toegevoegd worden, geen canoniek werk waarvan openlijk of heimelijk gezegd kon worden dat het "bij ons" ontstaan was. Het is in dat licht dan ook niet verwonderlijk dat de Himalaya-tradities zich zijn gaan richten op Commentaren geschreven door zonen van het land, en niet op de Soetras die van elders kwamen. Dat blijft zo ook al is de collectie Soetras en andere oudere canonieke geschriften voorbeeldig in het Tibetaans bewaard en op blokdrukprints in principe toegankelijk. Recente pogingen (midden 2005) deze canon te digitaliseren en op het Internet te plaatsen zullen er ongetwijfeld toe bijdragen dat het in Tibetaans boeddhisme geïnteresseerde publiek ten minste kennis zal kunnen nemen van de Kanjur, (een opvatting van) de Leerredes zoals Tibet die heeft bewaard.

De Chinese, Koreaanse en Japanse stromingen hadden genoeg aan zichzelf, en waren ook niet in staat broeders verderop op de planeet te bezoeken.
In iedere regio werd een iets ander deel van het hele corpus van de Leer als uitgangspunt gehanteerd. De culturele verschillen tussen de diverse regio waren zo groot dat als vanzelf op tijd en plaats aangepaste sub-stromingen ontstonden met uit het volk zelf voortgekomen commentatoren, die hun voor-boeddhistische culturele bagage niet altijd thuis lieten.



Nu het zich over een groot grondgebied verspreid hebbende mahāyana nog slechts beperkt canonieke teksten kan vinden waar alle stromingen tesamen uit putten en op bouwen, er dezelfde waarde aan hechten - zoals bijvoorbeeld de Lotus Soetra, maar ook de Avatámsaka Soetra - lijkt de animo tot het beleggen van Concilies niet meer aanwezig. Met het gestaag uitbreiden van de collectie canonieke werken, dankzij 150 jaar archeologisch onderzoek, geeft men nu eerder de voorkeur aan conferenties over deel-aspecten. Aan die conferenties nemen selecte gezelschappen deel; de gewone man en vrouw, monnik en non in de straat kunnen zich op de hoogte stellen van de resultaten van dergelijke bijeenkomsten.
Bovendien zijn er doorheen het hele mahāyana-gebouw een redelijk aantal boeddhistische universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten en opleidingscentra gekomen, die nieuwe methoden hebben gevonden om de Boeddha-Dharma te bewaren, te bestuderen en te verspreiden.
De nadruk lijkt in de 20ste en begin 21ste eeuw vooral te liggen op een kennismaking tussen de School der Ouderen van de theravāda, en het Grote Voertuig, d.w.z. de mahāyana.





Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme