Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






BOEKDRUKKUNST EN SCHRIFTSOORTEN

DE INVLOED VAN HET BOEDDHISME



Klik naar de volgende bijdragen:






Herintroductie Sanskriet als recitatie-taal

Een van de twee kármapas, Ogyen Trinley Dorje heeft in 2010 opdracht gegeven om twee Sanskrietteksten op muziek te laten zetten om deze te gebruiken tijdens de ochtendrecitatie. In december 2011 werd gemeld dat het werk gereed is. Persbureau IANS had het over "two dohas which were performed by Nanda Kumar". De eerste halve minuut op de hier gegeven doorklik geeft ongeveer aan hoe het klinkt.

Dohas zijn dan gewijde coupletten die ooit geschreven werden door Indiase mahāsiddhas, Grote Zieners uit het mahāyana-boeddhisme, die worden geëerd door de kagyu-stroming van het Himalaya-boeddhisme.
Het ene recitatief is van de hand van Saraha, een mahamudra-meester, en een ander werd opgetekend door Tilopa, eveneens een voorbeeld binnen de kagyulijn.

Nanda Kumar heeft bij het componeren gebruikt gemaakt van de vorm die charya geeti (tsjáarya gíeti) wordt genoemd, een muzikale traditie uit Bengalen die ooit vandaaruit met muzikanten meereisde naar Mágadha, het koninkrijk in het centrum van noord-India.
Hij voegde er aan toe dat er uit de achtste eeuw twee andere muzikale recitatieve vormen bekend zijn gebleven, de dwipádi en de dwipáthaka. Ze lijken op de doha-manier van recitatieven zingen. Verder was er nog sprake van vajra-gīti, zangen over de diamant, of ook wel: over of uit het diamanten voertuig, de vajrayāna.

Er kan voor wat betreft de relatie boeddhisme - muziek uit de Indiase invloedsfeer gewezen worden naar het eerste hoofdstuk van de Lankāvatāra soetra. Daar staat:

Toen kwam Rāvana, Heer over de Rákshasas naar de plaats waar de Gezegende was, rijdend in zijn bloemenwagen, vergezeld van zijn personeel. Daar aangekomen stapten Rāvana en zijn manschappen uit. En terwijl ze drie keer om de Gezegende heen liepen, de rechterschouder naar hem toegekeerd, bespeelden ze een muziekinstrument; ze sloegen er op met een drumstick van blauwe Indra (safier). En spelend op een luit die ingelegd was met de beste kwaliteit lapis lazuli, een luit die ze naar een kant over de schouder droegen aan een onbetaalbaar duur lint, geel-wit als (het medicijn gemaakt uit de) Priangu, zongen ze. Hun stemmen harmonieerden fraai met de klank van de fluit en de cadans van de volgende gātha (zang, vers).

Even verder lezen we:

Daarna ging Rāvana over op het Tótaka-ritme (= 12 lettergrepen per regel) dat zich goed leent voor de volgende gātha.

Het 24ste vers van die gāta gaat dan als volgt:

En zo bereikten Rāvana en de anderen, wijze zonen van de Overwinnaar, al zingend en dansend de stad.

Verder zijn er nog een paar woorden over "boeddhistische muziek" in de eerste regels van voetnoot 13.

Deze nieuwe ontwikeling is van belang omdat, met uitzondering van op een min of meer Sanskriet gebaseerde bepaalde groep mantras, Sanskriet-manuscripten niet meer werden gebruikt binnen het levende boeddhisme, dat wil zeggen, binnen de gewijde gemeenschappen. Wat er uit die taalgroep in omloop is, is voor het merendeel vertaald naar het Tibetaans, en soms naar het Chinees of een van de andere talen behorend bij het noordelijk boeddhisme.





Drukblokken en het gebruik van losse letters

Een vorm van blokdrukken is gevonden in het Griekenland van rond het jaar 650 waar men met behulp van kleine malletjes de teksten op munten en zegels drukte. Iets dergelijks deed men in Egypte.

De eerste voorbeelden van houtblok-drukken zijn gevonden in China. In de vijfde eeuw werd moerbei-papier uitgevonden, en de eerste teksten die daar op werden gedrukt waren de boeddhistische soetras. Tegen de tiende eeuw was de hele collectie aan soetras, 130.000 paginas, met behulp van blokdrukken overgebracht op papier.

Rond het jaar 1040 vond Bi Sheng uit China uit dat je ook losse letters van gebakken klei kunt gebruiken. De geleerde Shen Kuo (1031–1095) berichtte er over in een van de papieren die hij zelf op deze manier drukte.

Het eerste gebruik van losse metalen letters werd gevonden in Korea, tijdens de Goryeo-dynastie (918-1392). Dat wil zeggen, rond 1230 ging men er daar toe over om houten letterblokjes te vervangen door metalen. Een voorbeeld daarvan vind u op de Aspecten van boeddhisme-pagina (zie onderstaande link), de bijdrage over het Hangul.
In ca 1450 introduceerde Johannes Gutenberg uit Duitsland het drukken met losse letters.

Dit overzichtje is een samenvatting van een Answers.com-pagina over losse letters die eind februari 2007 op het Net werd gezet.





Schriftsoorten en boeddhisme

Wild gras

Op 26 juni 2007 gingen een aantal Aziatische kunstvoorwerpen in Hong Kong onder de hamer.
Een van de stukken was een schilderij van Li Keran, gemaakt in 1985, voorstellende de monnik Huáisǔ (hwaj-soe - heb niet de hoop dat u het correct uitspreekt) uit de Tang-dynastie. De voorstelling van Huáisǔ bezig met op bananenblad een calligrafie neer te zetten ging voor 2,2 miljoen chinees naar een nieuwe eigenaar.

Huáisǔ leefde van 726 tot 785; zijn actieve jaren vielen tussen 714 en 742. Het was Huáisǔ die het schrift gestalte heeft gegeven dat kuáncǎo heet, "wild gras", of ook wel "cursief schrift". De japanse dichter Bashō gebruikte dit schrift voor zijn haiku. Huáisǔ schreef een verhandeling over "wild gras", het "Essay over duizend karakters". Dat "wild gras" niet geschikt was voor lange teksten wordt bewezen door Huáisǔ's autobiografie die in het klassieke schrift is neergepenseeld.
De fransman Ricardo Joppert is aan de Sorbonne afgestudeerd op dit schrift van Huáisǔ, dat van lieverlee speciaal werd aangewend voor het graveren op lakzegels, wat overigens ook gezegd kan worden van het hieronder vermelde Phagspa-schrift.





Phagspa en Kublai Khan

Voorbeeld van Phagspa-schrift
In het jaar 2004 werden twee belangrijke tentoonstellingen georganiseerd over de Yuan Dynastie in China (1271-1368), meldde China Daily op 12 september 2004.

De tentoonstelling die eindigde op 25 november 2004 heette, vertaald, "De Schatten uit de nalatenschap van een Grote Dynastie", en was te zien in het Arthur M. Sackler Museum in Beijing. De tentoonstelling werd geopend met een internationaal symposium waarvoor deelnemers vanuit heel de wereld bijeen kwamen, met name uit het Smithsonian Institute in Washington, en het National Palace Museum in Taipei, Taiwan.
"Historici zijn het er over eens dat het meest invloedrijke schrift uit die tijd ... het Phagspa-script was, ontworpen door een Tibetaanse lama genaamd Phagspa", de Nobele, de Verhevene (www.asianart.com/mongolia/phagspa.html) die de "Keizerlijke Onderwijzer van Kublai Khan" was. Hij kreeg in Tibet de (posthume) naam blo-gros rgyal-mtshan (lodro gyaltsen, met de betekenis van "wijsheidsbanier van overwinning"). Zijn Sanskrietachtige naam was Matidhvaja Sribhadra, althans zo geven taalkundigen het. Dat "Matidvaja" zou wel eens een mini-misspelling kunnen bevatten waarbij in ieder geval het laatste deel niet "vaja", maar "vajra" zou moeten zijn en "donderkeil" betekent. Mati = toegewijd zijn. Dus mati(d)vajra = "toegewijd aan de leer van de donderkeil": de vajrayana. En, zegt een commentator op de ondergegeven doorklik dpal bzang po is de Tibetaanse versie van "Sribhadra", en sribhadra, althans in zijn Tibetaanse vorm: dpal bzang po, deze drie klanken samen — zou dan meer een titel voor vergevorderden of hooggeplaatsten zijn dan een eigennaam. De commentator gaat verder met te zeggen dat bzang po, als samenstel van twee klanken, wél een eigennaam is. Voor wie in het Tibetaans geďnteresseerd is.

Het Phagspa-schrift, zeggen historici, is een combinatie van Tibetaans en Sanskriet.
De algemene conclusie over de tentoonstelling was, zegt de curator, dat hier een machtig rijk getoond wordt dat grote tolerantie naar diverse culturen bezat.

Januari 2012.
Ian Bek (http://ianbek.kg/) heeft in januari 2012 ietsje meer licht geworpen op de wonderlijke ervaringen van Marco Polo, die, alles gezegd en gedaan, niet eens altijd zo wonderlijk waren.
Aan het hof van Kublai Khan diende zes of zeven jaar lang de vader van Marco Polo. Ian meent dat de familie Polo nooit verder is gekomen dan Kashgar, toen onderdeel van het Mongools-Chinese rijk, maar andere bronnen situeren hen ook in Mongolië. De Polotjes kwamen (aan een van de hoven) aan in het jaar 1274, en in dat zefde jaar trok Phagspa zich vanuit Beijing terug in zijn Sa-skya-pa-klooster in Tibet. Aangenomen moet worden dat de Italiaanse kooplieden-familie de monnik niet ontmoet heeft omdat ze zover als tot Beijing nooit gekomen zijn, dat is wel zeker. Maar Marco zou later over het door Phagspa ontworpen universele schrift berichten, bevestigt één bron, ontkent een andere bron.
Er is een film gemaakt over het leven of de reisverslagen van Marco Polo. Phagspa wordt daar gespeeld door James Hong.

Zie ook de bijdragen over antieke teksten op de China-pagina.


In Mongolië's hoofdstad Ulan Bator, werd een tentoonstelling georganiseerd onder de titel “The traditional Mongolian script, ancient documents, and other archival material”. De tentoonstelling opende op 26 juni 2006. "Ze presenteert," zegt UB-Post, "op een systematische manier de evolutie van het schrift en van het documenteren doorheen de eeuwen." De tentoonstelling liet de verschillende schrijfgereiën zien, van dunne stokjes tot hertshoorns. En de "tekstdragers" werden getoond, "stukjes hout, perkament en papier."
Het eerste echte Mongoolse schrift dateert van 1225. Het betreft inscripties op de “Chinggis stone”, platte stenen die vernoemd zijn naar Djenghis Khan.
Het Mongoolse schrift heet bichig, en er zijn verschillende letter- of schrijfstijlen te herkennen.
Een van de schriftsoorten is het “Dorvoljin useg”, het "vierkante letter-alfabet" dat werd uitgevonden door een Lama met de naam Pagva (Phagspa?), en dan is er ook nog het "Soyombo-alfabet" dat door de monnik Zanabazar werd ontwikkeld, maar niet vaak gebruikt werd.
Er is een boek over het schrift uitgegeven dat werd aangekondigd op www.orient.uw.edu.pl



Op 23 september 2005 vierde Mongolië de 785ste verjaardag van de oude hoofdstad Karakorum, meldde de UB-Post op de 30ste.

De dag werd gevierd met de inhuldiging van het Soyombo-monument. Het Soyombo-symbool staat ook afgebeeld op de nationale vlag. Regeringsvertegenwoordigers waren aanwezig, en ook tientallen monniken uit het Erdenezuu-klooster.
Het ontstaan van het Soyombo-alfabet, zegt de krant, gaat terug tot 1686. Het werd ontworpen door de boeddhistische leider, de Bogd (Khan) Zanabazar (1635-1723). Van Zanabazar wordt gezegd dat hij de weer op aarde gekomen vorm van Taranatha was, een van de de grote meesters van de Jonang-traditie van het Tibetaans boeddhisme. De Jonang is de kleinste, en nooit genoemde vijfde Boeddhistische traditie, sterk verwant aan het Chinese Ch'an. Tot midden 20ste eeuw werd ervan uitgegaan dat de Jonang-traditie was uitgestorven. Zanabazar werd geboren als de zoon van de Mongoolse prins Tosiyetu (Tüsheet) Khan die regeerde over het Khan Uula district in Buiten-Mongolië.

Een andere bron zegt dat Zanabazar al op zeer jonge leeftijd werd gezien als het hoofd van de Sakya-traditie in Mongolië. Later reisde hij naar Tibet en werd daar uitgeroepen tot Javsandamba (Jetsundampa) "come-again". Deze herkenning bracht bekering tot de Gelug-traditie met zich mee die op dat moment onder leiding stond van de vijfde Dalai Lama. Op deze manier is de verbintenis tussen het zuidelijke Tibet en het noordelijke Mongolië bevestigd.





De Bamiyan-manuscripten

Op 8 november 2010 arriveerde in Thailand een set canonieke manuscripten die werden gevonden in de Bamiyan-vallei, en die stammen uit ca. de zesde eeuw. Ze worden in Noorwegen bewaard, en werden tot februari 2011 getoond in het Buddha Monthól-complex in Nakhôn Pathóm.

Het begeleidende nieuws was dat mensen uit de Bamiyan-regio, men bedoelt waarschijnlijk de Hazzara, de manuscripten tussen 1993 en 1995 vonden en in het geheim naar Pakistan brachten waar ze in veiligheid konden worden gesteld.
Noren en Britten hebben vervolgens de 5000 complete manuscripten plus nog eens 8.000 beschadigde fragmenten op palmblad, berkeschors, leer en koperplaten naar Noorwegen verscheept.
Het is geen kleine vondst en het zal de filologische gemeenschap weer jaren bezig houden in ontcijferende, vertalende en vergelijkende studies.

De enthousiaste uitlatingen van Thaise zijde dat het hier om de oudste manuscripten zou gaan, zouden dan misschien waar kunnen zijn voor wat betreft de tekstdragers, het materiaal waarop geschreven werd. Cabon-dating en vergelijking met andere manuscripten zou hier uitsluitsel over kunnen geven. Inhoudelijk is in ieder geval een deel van de teksten veel minder oud. Een van de fotos toont de Bhaisaya-guru-sūtra, de Leerrede over de Helende Boeddha, een werk dat door sommigen tot de "derde periode" wordt gerekend.

In de tweede eeuw worden in de buurt van Kabul door itinerante monniken de sub-traditie van de mahāsānghika aangetroffen. In de 7de eeuw treft Xuanzang de lokóttaravādin aan in Bamiyan.
Wat zegt onderzoeker André Bareau over de helende aspecten of capaciteiten van Boeddha volgens de mahāsānghika? Niets.
Wat zegt hij over idem bij de lokóttaravādin? Ook niets. Wellicht zijn er bronnen in de secundaire Tibetaanse literatuur die een tipje van de sluier kunnen oplichten.





Onderzoek naar Pattra-bladen in China

OP 15 juni 2012 werd aan het "Institute of Tibetan Religious Studies", verbonden aan het "China Tibetology Research Center" (CTRC) een forum georganiseerd over sanskriet-manuscripten die op "pattra-bladen" zijn opgetekend.
Pattra, in de strikte betekenis van het woord, zijn repen berkenbast die als tekstdrager dienst doen. In India/Bengalen spreekt men van patra (met maar 1 t), respectievelijk van bhurja patra.
Aan de conferentie in Beijing namen deskundigen uit Hong Kong, Taiwan en Duitsland deel.

Op 28 september 2012 werd bekendgemaakt dat wat er aan pattra/berkenbast manuscripten in het CTRC aanwezig was in een catalogus is vastgelegd. De krant die het nieuws bracht sprak over boeddhistische teksten, maar we mogen aannemen dat er ook hindu-teksten tussen zullen zitten, en mogelijkerwijs ook teksten over (kruiden-)geneeskunde.
Dat het corpus aan boeddhistische teksten belangwekkend is werd bevestigd door Lhapa Phuntsok, algemeen directeur van het Chinese Onderzoekscentrum naar Tibet, maar wat de inhoud of titel(s) van de manuscripten is, werd er niet bijvermeld.

Niet met name genoemde Griekse historici, zegt informatie vanuit Bangladesh, meldden dat bhurja patra, berkenbast, in India geliefd was als tekstdrager, en dat het oudst bekende manuscript, een fragment uit de Dhammapāda dateert uit de 2de of 3de eeuw. Het werd opgetekend in het kharosti.

Het is Al-Biruni geweest (lees desnoods de korte versie op http://nl.wikipedia.org/wiki/Al-Biruni) die in zijn “Tarikh Al-Hind” (History of India) schreef dat men in India de bast van de "tuz" gebruikte die ook gebruikt werd om bogen mee te maken. Het wordt bhurja (bhoerdja) genoemd, schrijft hij. Ze nemen, zo gaat hij verder, een reep van een "yard" (ca 91 cm) lang, zo breed als de uitgespreide vingers van een hand, en behandelen het dan op een heel aantal manieren door het te olieën en op te wrijven totdat het hard en glad is.

Er zijn een paar online-bronnen die afbeeldingen tonen van pattra. Dat zijn bijvoorbeeld teksten die naar de VS zijn meegenomen door emigrerende Yao. In een Chinese bibliotheek bevinden zich voorbeelden van pattra-manuscripten die worden gemaakt door de Dai of Tai-Lue.





Hangul, de taal van Korea

Op 10 oktober 2004 meldden de Koreaanse media dat men in dat land overweegt een Hangul-dag in te stellen. Hangul is de nationale taal van Korea.

Het Hangul (Spreek: Hang-goel - zachte g) werd ontworpen door koning Sejong (Seedjóng) die regeerde tussen 1418 en 1450. Hij was de vierde koning van de Jeoson-dynastie (spreek: djosón, 1392-1910). Aanvankelijk vijandig tegenover boeddhisme, wijzigde deze vorst zijn standpunt, liet een kleine tempel voor zichzelf bouwen, en bedacht hoe een specifiek Koreaans schrift er uit zou kunnen zien. Vóór die tijd maakte Korea gebruik van het klassieke Chinese schrift.
Zijn alfabet kwam gereed in het jaar 1443. Met dit alfabet hoopte de koning een schriftsoort te hebben bedacht dat beter aansloot bij het gesproken Koreaans. In zijn "Annalen van de Jeoson-dynastie" heeft hij er een gedetailleerde uiteenzetting over gegeven. Zo bestond het alfabet aanvankelijk uit 28 karakters. Vandaag worden er daarvan nog maar 24 gebruikt.
Hangul, hetgeen "de letters" (gul) van het Koreaanse volk (han) betekent, staat 12e in de rij van grote wereldtalen.

Op 17 juni 2008 werd bekend gemaakt dat de uitgang 'Hangeul' vanaf de eerste helft 2009 gebruikt kan worden voor internet-domeinnamen. Behalve uitgangen zoals "com," "org" en "net" kunnen Koreaanse gebruikers dan ook een domein beheren onder bv de naam "mijndomein.hangeul".

"Het Korean National Museum heeft bevestigd dat de antieke blokprint van een boeddhistische tekst gedateerd kan worden tot de "Verenigde Shilla-periode", de achtste eeuw, en dat het daarmee waarschijnlijk de oudste blokdruk ter wereld is." Dit meldde de ChosunIlbo op 29 maart 2007.
Het betreft hier een druk van de Pure Light Dharanī Sūtra die bewaard werd in de Seoka Pagoda (of ook de Sokka T'ap - Sakyamuni pagoda) van de Bulguk-tempel in Zuid-Korea. De tekst zou in de pagoda geplaatst zijn geworden in 1024, toen het bouwwerk een reparatiebeurt kreeg.
Het manuscript is gedrukt in een vorm van Hangul, het klassieke chinese schrift met Shilla-kenmerken dat alleen gebruikt werd tussen 690 en 704 toen de Chinese keizerin Wu Zetian (woe dze tjčn) aan de macht was. De tekst werd gedruk op zogenaamd Dak-papier, een lokale traditionele papiersoort.

John Stevens wijdt op de Buddhapia-pagina een lang artikel aan de blokdrukken van Korea. Hij vertelt dat de tekst in 1966 aan het licht kwam.
Hoewel ook anderen de Pure Light Dharanī Sūtra bespreken, lijkt het er niet op dat de tekst ooit vertaald is geworden naar een westerse taal, hoewel het toch sūtra wordt genoemd, en er dus naast de dharanī, bezwerende mantrische klanken, ook 'gewone' tekst staat.

Zie voor het ontstaan van twee andere oudste handwerken: het maken van de waaier en het bouwen van tempels, de Korea-pagina.


Eerste metalen losse letters; zetwerk
In 2009 werd het oudste losse zetwerk van het Hangul gevonden. De typen dateren van het jaar 1377. In september 2010 kwamen er echter vier losse typen tevoorschijn die worden gedateerd op 1239/1240. Zie onder.
De eerste druk van deel Twee van het oudste Koreaanse boek dat gedrukt werd met behulp van losse metalen letters (zetwerk) bevindt zich op dit moment in de Parijse Bibliothčque Nationale. Waar deel Een is gebleven is onbekend. Dit meldde JoongAng Daily van 12 januari 2009.

Het drukken met losse metalen letters (typen) werd voorafgegaan door de Chinese vinding van losse klei-typen, die werden opgevolgd door losse houten typen. Daarna kwam Korea pas tijdens het bewind van Kublai Khan, dat wil zeggen tijdens de Yüan-dynastie, op de proppen met metalen typen, enkele tientallen jaren voordat Gutenberg dezelfde uitvinding deed. De Gutenberg-vinding wordt in Noordwest-Europa nog steeds de oudste genoemd, en dat zal zeker waar zijn — voor het zetwerk in latijnse schrift.

Het bovenvermelde boek werd gevonden door Park Byung-seon die ooit voor haar doctoraal naar Parijs trok en vervolgens jarenlang in deze bibliotheek werkzaam was.
Het werd in 1377, twee jaar na het overlijden van de auteur, gedrukt in de Heungdeok-tempel (hjůng-dok). De Jikji (djiek-djie), voluit, de Baegun hwasang chorok buljo jikji simche yojeol: "Het identificeren van de boeddhamind aan de hand van de zen-praktijk" werd in 1372 geschreven door de monnik Baegun die leefde tussen 1289 en 1374. Het is een verzameling leerredes geworden, dialogen, brieven en literair werk. Doorheen de eeuwen werd het steeds herdrukt, en zoveelste-drukken werden verspreid over de verschillende Koreaanse tempels, als een gezamenlijke erfenis die de bewoners moesten kennen. Zie ook www.korea.net/kois/magazine/pictorialKoreaView.asp?Html_no=298

In 2001 werd het boek toegevoegd aan de Unesco-lijst "Memory of the World".
Het werd aanvankelijk op legale manier gekocht en legaal Korea uitgebracht door de Franse diplomaat Colin de Plancy (1853-1922). De Plancy verkocht het boek aan antiquair Henri Vevér, die het op zijn beurt aan de BN schonk.

Informatie leert dat het exemplaar in Parijs voorlopig nog het enige gedrukte is dat over is van de twee eerste-druk-volumes van Baegun's werk. In september 2007 werd in het VN-gebouw in New York een 40 dagen durende tentoonstelling gehouden waarbij het metalen zetwerk werd getoond. Ban Ki-moon, Secretaris-generaal van de VN opende de tentoonstelling. In januari 2013 was de restauratie van hoofdstukken 15-29 van de in totaal 38 hoofdstukken gereed.

John Jorgensen en Eun-su Cho hebben een vertaling naar het Engels gemaakt die in 2005 door de Jogye Orde werd uitgegeven.
De 1239-set typen
(September 2010) Prof. Nam Kwon-heui van de Kjoeng-poek Nationale Universiteit vond het hierboven getoonde setje van vier typen in een antiekzaak in Zuid-Korea's hoofdstad. Ze werden een paar dagen nadat hij ze aan de verzamelde pers toonde onderzocht naar ouderdom en materiaal.
De antiekhandelaar liet desgevraagd weten dat hij de typen ongeveer 10 jaar daarvoor had gekocht. Ze waren ooit na de Tweede Wereldoorlog naar Japan gesmokkeld, en hoe ze weer terug werden gebracht stond er niet bij. De typen zijn gedateerd op het jaar 1239, en daarmee zijn ze zo'n 138 jaar ouder dan de bovengenoemde set die tot dan toe als de oudste van de wereld te boek stond.




Khmer-woordenboek gedigitaliseerd


Het cambodjaanse Buddhist Institute heeft het eerste electronische Khmer-woordenboek gratis ter beschikking gesteld. Dat liet de Phnom Penh Post van 15 augustus 2007 weten.
Het daaraan voorafgaande papieren woordenboek werd door de inmiddels overleden Supreme Patriarch Chuon Nath (1883-1969; spreek: dswňn - ongeveer) samengesteld. Deze versie is nu in digitale vorm in te zien. De directeur van het Buddhist Institute hoopt dat op deze manier de studenten de connectie met de oude Khmer-taal niet helemaal kwijt zullen raken.
Wie een gratis kopie wil hebben moet zelf met een blanco CD naar het instituut komen om het geheel te laten inbranden.
Het nieuwe woordenboek bevat 18.003 woorden. Er wordt nu gedacht aan een versie die op de nieuwste generatie mobieltjes past.

De hier genoemde Supreme Patriarch was het ook die de twee volksliederen van Cambodja schreef, de "Nokor Reach" en de "Sŕvada Khmer."





De taal van Bhutan


Op 10 september 2007 meldde de Bhutanese pers dat de nationale taal, het Dzongkha, dat inmiddels geschikt is gemaakt voor computergebruik, niet langer alleen maar gehanteerd kan worden op computersystemen binnen de grenzen van Bhutan, maar nu ook beschikbaar is op het Wereld Wijde Web.

Het enige waar nog aan gewerkt moet worden, zegt Robert R. Chilton van Microsoft, is het uitwerken van een www-beschikbare grammatica en een spell-check. Chilton heeft een Masters in Indo-tibetaanse religie en literatuur.

In 2000 verschenen drie Dzongkha-woordenboeken. Dzongkha is de taal van Bhutan. De taal is verwant aan het tibetaans.
Bronnen melden dat de eerste teksten die geschreven werden in Dzongkha uit de zeventiende eeuw stammen. Er wordt op gewezen dat Dzongkha een samensmelting is van een aantal dialecten. In 1961 werd de taal voor het eerst gesystematiseerd en gemoderniseerd. In datzelfde jaar werd Dzongkha de nationale taal die iedereen moest kennen. Dat leidde ook de ontwikkeling van een grammatica en tekstboeken in Dzongkha. Een eerste Dzongkha handboek verscheen in 1971. De eerste Dzongkha-grammatica werd al in 1955 samengesteld door dominee Ralph Hofrenning.

Daarna ging de verdere ontwikkeling van de taal wat sneller, onderandere door de publicatie van een Dzongkha-Engels woordenboek door de Don Bosco scholengemeenschap. In 1971 schreven Lt Rinchen Tshering en Maj A. Daityar een Romeins alfabet van de taal, en in 1990 verscheen een handboek voor de uitspraak van Dzongkha van de hand van Imaeda Yoshiro en Dzongkha Rabsel Lamzang.

In 2003 werd de taal geďntegreerd in het Windows-programma met fonts voor 4.500 letters, karakters, en religieuze symbolen. De fonts werden ontworpen door monniken en Bhutanese kaligrafen.
De Dzongkha Development Commission en Microsoft werden daarbij bijgestaan door de Orient Foundation uit de UK, en voor het overgrote deel gefinancierd door de Swiss Development Corporation. De Orient Foundation is gespecialiseerd in het bouwen van omgevingen voor multimediale applicaties en digitale bibliotheken bedoeld voor het opslaan van teksten uit het Mahāyāna-boeddhisme.
De laatste sets Dzongkha-karakters die aan het Microsoft-pakket werden toegevoegd waren de drilbu, dorji en norbu karakter-typen die veelvuldig worden gebruikt in religieuze teksten en symbolen.





Het Tochaars

Er is in het nederlands een goede informatieve pagina over de taal die het Tochaars heet (nl.wikipedia.org/wiki/Tochaars).
De voorlaatste dag van januari 2008 liet de "Salon Daily" weten dat een Chinese specialist in deze taal door de Indiase overheid gelauwerd was geworden en van dan af drager werd van de "Padma Bushan award". De op dat moment 97-jarige Ji Xianlin studeerde ooit in Göttingen af onder een van de andere Tochaar-specialisten Siel, maar was voordien al bezig geweest met het naar het Chinees vertalen van Tochaarse documenten die door archeologen waren verzameld. Dat leverde hem in 2006 een onderscheiding door de Chinese overheid op.
Een van de door Ji (djie) naar het Chinees vertaalde manuscripten is de Maitreya-sāmiti-Nātaka, een Mahāyana-vertelling over geboorte en leven van de komende Boeddha Maitreya. Ji Xianlin overleed in 2009.





Het Tai-Lue (Dai)

Chinaview toonde op 16 april 2009 een foto van in China vervaardigde palmbladgeschriften.

In de Zuidwestelijke Yunnan-provincie leven de Dai (of Tai Lue) naar de Kleine Voertuig of Zuidelijke boeddhistische traditie. Deze Dai hebben tijdens de Tang-dynastie (618-907) de van oorsprong Indiase manier van soetras op repen palmblad schrijven overgenomen. Veel later, in de 13de eeuw, werd het boeddhisme, of de boeddhistische Lanna-cultuur, vanuit Thailand geďntroduceerd.
De door China View getoonde bundel palmbladen toont een schriftsoort dat in ieder geval niet het Chinese is, en waarschijnlijk ook niet het Pali. De Dai hebben hun eigen alfabet dat volgens kenners veel lijkt op het oude Lanna-alfabet, en het Lanna-alfabet heeft dan weer een paar kenmerken die terugverwijzen naar het Devanágari waarin het Hindi en het Sanskriet geschreven worden.

Bronnen zeggen dat de Kleine-Voertuig-traditie van de Dai de Stháviravāda wordt genoemd. Andre Bareau (Les Sectes Bouddhiques du Pt Véhicule) heeft niet meer dan één pagina over de Sthávira uit India en de streken langs de Zijderoute, en baseert zich op de schaarse berichten van Xuanzang, Ijing en latere soetras. Zouden de Yunnan palmblad-geschriften vertaald worden, dan wordt waarschijnlijk meer duidelijk over deze stroming, althans die Chinese tak.

Hasegawa Kiyoshi heeft aan het begin van de negentiger jaren van de 20ste eeuw veldwerk verricht onder de Tai Lue, en heeft het een en ander opgemerkt over het daar beleefde boeddhisme.
Hij schrijft dat de Dai of Tai Lue hun tempel vat noemen. Dat is bijna hetzelfde als het Thaise wat, letterlijk "school", figuurlijk "tempelcomplex". Ook andere woorden behorend tot het boeddhisme in die streek, zoals het woord phi (geest, spirit) komen uit het Thais.

In het jaar 2003 heeft de Chinese regering besloten het kaligraferen op palmblad als cultureel erfgoed te gaan stimuleren. Op dit moment zijn er doorheen de Xishuangbanna-prefectuur (of Sipsong Panna) in Yunnan 577 tempels die samen meer dan 50.000 kopieën bezitten van de Palmblad-soetras zoals de Kleine Voertuig-canon van de Sthávira daar wordt genoemd.

Rond het jaar 2003 hebben zich Srilankaanse theravāda-monniken in Yunnan gevestigd, en dit kan (mede) een opleving veroorzaakt hebben van belangstelling voor palmblad-manuscripten die ook in Sri Lanka worden vereerd, en van tijd tot tijd gecopieerd.

De Birmese seniormonnik Sobhita, die ook wel Pinlon sayadaw werd genoemd, is op 22 november 2009 op de leeftijd van 78 jaar overleden.
Hij is 57 jaar monnik geweest. Sobhita Thero is erg actief geweest in het promoten van het Tai, dat in Birma ook wel het Shan wordt genoemd. Hij presideerde 40 jaar over het examencomité in de Shan-staat waar het Tai gesproken en geschreven wordt. Hij is een van de twee monniken geweest die de theravāda-canon in het Tai heeft vertaald.