Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Boeddha's voetafdruk



januari 2013
Op Sri Lanka heerst de ferme overtuiging dat Sakyamuni Boeddha (het theravāda spreekt liever over Gótama Boeddha) het eiland drie keer heeft bezocht. Daarover wordt gesproken in twee nationale geschiedkundige werken, en in een commentaarwerk: de Diepa-wansa, de Mahaa-wansa en de Sáratta-ppakásini-ja (Deepawansa, Mahawansa,Saraththappakasiniya). In de Pali canon van het theravāda-boeddhisme is geen bevestiging voor die opvatting gevonden. De plaatsnamen die daarin voorkomen zijn doorgaans herleidbaar, en wel tot plaatsen op het Serindische vasteland, en van overige leerredes waarin geen geografische indicaties voorkomen weet men niet waar ze zijn uitgesproken.

Op 21 december 2012 liet de directeur-generaal van het departement van archeologie op Sri Lanka weten dat een eerdere aanname aangaande het verblijf van Boeddha aan de voet van de heuvel die Sri Pāda wordt genoemd, in de Bágava-grot (Bhagava Cave), niet bevestigd kan worden. Die aanname was gebaseerd op de Cambodjaanse Móggallána Mahāwansa, een post-canoniek historisch werk dat geschreven, of geïnspireerd zou zijn geweest door een van Boeddha's belangrijkste gezellen, de monnik Móggallána. In dat werk staat dat Boeddha's voetafdruk, een sripāda of in dit geval een buddhapāda (sri = ong.: wijze, heilge), op de top van genoemde heuvel achtergebleven zou zijn. Na het plaatsen van zijn voetafdruk zou Boeddha de nacht hebben doorgebracht in de genoemde Bhágava-grot die in de geschiedkundige werken Diva-góehawa (Divaguhawa) wordt genoemd. De directeur-generaal zegt nu dat die grot daar veel te klein voor was, dus dat Boeddha daar wel niet verbleven zal hebben.

Overigens wordt de als voetafdruk geïnterpreteerde "deuk" in de rotsbodem bovenop de heuveltop door de hindus gezien als een voetafdruk van god Shiva, en de moslims zien het als afdruk van de profeet Adam.

In zijn toespraak verwees de directeur-generaal naar de chinese pelgrim-monnik Faxian die op zijn wereldreis het eiland bezocht en daar gekeken had naar die voetafdruk.
Zo letterlijk zegt Faxian het in zijn reisverslag niet. In de vertaling door James Legge (The Travels of Fa-Hien, p.102) had Faxian het van horen-zeggen. Hij was op het eiland aangekomen en men had hem verteld dat: "Toen Boeddha naar dit land kwam in zijn wens om de slechte nāgas van gedachten te doen veranderen (nāgakányas, nāga-lui, in de Lankāvatāra), hij, dankzij zijn supranormale vermogens zijn ene voet ten noorden van de koninklijke stad zette (een van de drie hoofdsteden), en zijn andere op de top van een berg; de twee lagen 15 yójanas van elkaar verwijderd." Een yójana is een lengtemaat uit de Indiaas-Srilankaanse oudheid.
Aanvankelijk moet het een bloemrijke manier zijn geweest om te zeggen dat Boeddha én in de hoofdstad was geweest, én op die heuvel, én in alle plaatsten daartussen, maar tegen die vijfde eeuw wordt het al letterlijk genomen, en is er een persoonsverheerlijking en mythevorming op gang gekomen die zodanige vormen heeft aangenomen dat Boeddha naar de mening van de toenmalige doorsnee man en vrouw in de straat een bovennatuurlijk en te aanbidden wezen is geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er uit de oudheid enkele kolossale boeddhabeelden zijn gebleven, zoals het Aukana-beeld uit dezelfde vijfde eeuw waarin Faxian het eiland bezocht, een beeld dat ca 12 meter hoog is. Dat neemt niet weg dat, zoals op de Sri Lanka-pagina wordt aangehaald, er al in de negende eeuw een terugkeer naar de kern van de vroegboeddhistische leer is, met een waarderen van Boeddha als historische figuur, niet als een abstractum.

Er zijn op deze heuveltop drie rotsinscripties aangetroffen. Twee van deze korte teksten waren geschreven in opdracht van koning Nissánka-málla, en een derde werd in de rotswand gekrast door Ibn Battuta. Geen van deze drie meldt dat de Bhagava-grot de plaats was waar Boeddha de nacht doorbracht (en eerlijk gezegd, een plaatselijke raja zou zich wel schamen om een religieus leider van deze statuur in een krap grotje achter te laten).


Abu Abdullah Muhammad Ibn Battuta werd in 1304 in Tanger geboren, en hij overleed in 1368 of 1369. H.A.R. Gibb (Ibn Battuta, Travels in Asia and Africa, p.96) citeert Ibn Battuta wanneer hij in 1325 op Sri Lanka is. De wereldreiziger merkt op dat de mensen nog steeds aan "afgoderij" (vertaalt Gibb) doen, maar dat ze respect hebben voor de moslim derwisjen, en dat ze hen onderdak en voedsel verschaffen.
Merk op dat het in Noord-India een paar soefi-denominaties zijn geweest die, voor wat betreft dat deel van Azië, in het zog van het leger de islam introduceerden. In het geval van Sri Lanka lijkt het woord "derwisjen" in eerste instantie een beetje vreemd. Het zouden Arabieren zijn geweest die in de 8ste eeuw de islam naar het eiland brachten. Een Chinese geleerde, Ma Mingxin (overl. 1781), kwam op het Arbisch schiereiland soefis tegen, maar hoe lang ze daar al gevestigd waren, lijkt onbekend te zijn. Wanneer we kijken naar de traditionele dans van de vissers in Abu Dhabi, dan zou dat wel eens heel lang geweest kunnen zijn.
Kamálika Pieris meent dat de islam in de 8ste eeuw naar het eiland werd gebracht vanuit "West Asia" en met West Asia wordt dan Aleppo in Syrië bedoeld. Ze memoreert echter ook een geschiedkundig werk waarin staat dat "in het jaar 604 twee zonen uit de koninklijke familie van Yemen naar Lanka kwamen." Welke tak van de islam deze beide heren beleefden is onbekend.

In de 7de eeuw veroverden de Perzische Sassaniden Aleppo en brachten daar hun vorm van islam beleven. In het Perzische rijk, en in de veroverde gebieden waren de Sassaniden op het stuk van religie heel tolerant. Er wordt melding gemaakt van Nestorianen en soefis in de perzische universiteitsstad Gondishapur.
Het is echter de Rifa‘iyya-denominatie van het soefisme die Ibn Batutta in de jaren-1300 in het zuiden van Irak ontmoet. Wanneer hij later op Sri Lanka moslims tegenkomt die uit Syrië, maar wellicht ook uit Irak afkomstig zijn, schrijft hij dan ook het woord derwisjen, indachtig de eerdere ontmoeting met de slangen-etende Rifa‘iyya-soefis. Maar mogelijk ook hield hij slangenbezwerende hindoes voor Rifa‘iyya, voor derwisjen.
(In 1925 vluchten soefis vanuit Turkije naar Aleppo. Daarmee is bewezen dat deze stad 470 jaar of meer een vestigingsoord van het soefisme is geweest. Een romantiserende westerse wereld ziet de verschillende soefi-orden graag aan voor geweldloze, naast de wereld staande bewegingen. De geschiedenis leert dat deze mystieke vorm van de islam op veel plaatsen diep geïnvolveerd is geweest in maatschappij en politiek.)

Ibn Battuta keek naar de boeddhisten en hindoes — voor zover hij het verschil wist te maken — met de ogen van iemand die de voor-islamitische "andersgelovige (kafir) Quraysh" had leren afwijzen die bij de ka'bah in Mekka de goden (untha) en de godin (inath) eerden. (Muhammad Asad, The Message of The Quran, pp.7, 195; de 3 termen zijn koranisch-arabisch)
De islamgeleerde die op deze video aan het woord is, heeft uit de verschillende teksten en encyclopediën van de islam gehaald dat er in de voor-islamitische tijd 60 verschillende vormen van monotheïsme aanwezig waren op het Arabisch Schiereiland. Hij zegt van deze theïsmen dat ze allemaal Allah vereerden, maar deze interpretatie daargelaten mogen we constateren dat er een rijk religieus leven is geweest.
Het is verleidelijk zo'n kluwen van feit en fictie doorheen de tijd te gaan volgen om daarbij te zien hoe het de onderlinge relaties tussen dezelfde en andere religieus-filosofische stromingen heeft beïnvloed, maar dat ligt buiten het thema van deze pagina.






Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme