Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Cambodja, post-Khmer Rouge-periode



Wat er aan voorafging
Tot het jaar 1528 is er in Cambodja, althans in het hart van het Khmer-rijk waar nu de restanten van Angkor Wat staan, sprake van een synthese van hinduïsme, boeddhisme, en volksgeloof. In 1528 komt koning Ang Chan aan de macht. Hij zal regeren tot 1566, en onder zijn bewind begint een transformatie van dit amalgaam tot een vorm van het zuidelijke boeddhisme dat nu bekend staat als theravāda. Het volksgeloof leeft voort, buiten de poorten van de tempels, en van het hinduïsme zijn aspecten opgenomen in het zuidelijke boeddhisme van die streken, overigens analoog aan de geschiedenis van Thailand (Siam) en Laos.
Koning Ang Chan doet een poging delen van Angkor Wat te restaureren, of, voor zover de gebouwen en decoraties onafgewerkt waren gebleven, ze te vervolmaken. In mei 2014 publiceerden onderzoekers en archeologen een stuk in Life Science waarin inmiddels vervaagde muurschilderingen getoond worden die aan het licht gebracht zijn dankzij geavanceerde infrarood en andere technieken. De meeste van deze schilderingen tonen de gebouwen en de iconografie van het hinduïsme, maar de fotografen hebben reden om aan te nemen dat het gedurende het bewind van genoemde koning is geweest dat er ook, of uitsluitend, een paar muurschilderingen zijn gekomen die het boeddhisme als onderwerp hebben. Ze wijzen op een bepaalde afbeelding die een stoepa zou uitbeelden. Het probleem daarbij is, is dat stoepas een voorboeddhistische geschiedenis hebben. In de canon van het zuidelijke boeddhisme vinden we Boeddha's uitspraak dat hij over zijn stoffelijke resten een stoepa gebouwd wil zien, zoals ze dat deden voor koningen — en die koningen leefden in voorboeddhistische tijden.
Er zijn een aantal overeenkomsten tussen hinduïsme en boeddhisme, zoals woorden als stūpa, althans in principe, in het oude vedische of hinduïstische spraakgebruik van Noord-India, aan de grens met Nepal (a heap or pile of earth or bricks &c. in Monier Williams). Maar er zijn ook verschillen. Zo zijn bijvoorbeeld de woorden arhat (arahant) en bodhisattva (bodhisatta) onbekend aan het klassieke Sanskriet, en dus aan de leer van de veda en het daaruit voortgekomen hinduïsme. Het is dan het Khmer-geloof uit de oudheid dat beide stromingen toch samenbrengt en er beeldhouwwerken ontstaan met namen als Duryódhana bondhisant (11 mei 2014), een figuur uit het hinduïsme met een titel uit het boeddhisme.

NIEUWE TIJDEN
Het enige, en zwaar geretoucheerde portret van Ajahn Hem Chieu
In een artikel over de regeringsperiode van koning Norodom Sihanouk van Cambodja, gepubliceerd in Cambodia Daily van 12 november 2013, werd de aandacht getrokken naar het leven van de monnik Achar (= ajahn) Hem Chieu, of Hem Chiev in het Cambodjaans (1898 - 1943).
De ch en chh worden uitgesproken als dj, respectievelijk tj: Hem Djeu (ongeveer).
Het Protectoraat
In 1853 werd Cambodja, onderdeel van wat de Fransen later Indochina en Cochinchina zouden noemen, deel van het Franse Protectoraat. Daartoe had koning Ang Duong een verzoek gericht aan de Franse overheid, dit met het oog op bescherming tegen annexatiepogingen van Vietnam en Thailand, toen Siam geheten. Een Protectoraats-verdrag werd in 1863 ondertekend door koning Norodom, Ang Duong's zoon. Het verdrag zat vol onduidelijkheden, zegt Michelle Vachon in de Cambodia Daily van 12 november 2013, en de eerste protesten tegen het Franse bewind waren er al in 1885.
Belastingpolitiek
In 1941 worden ook de monialen van Cambodja binnen een belastingsysteem gebracht, althans de 20-plussers. Het is een wonderlijke maatregel. Ofwel het Protectoraat had keine blasse Ahnung van het monastieke leven, zeker in het toenmalige Indochina waar de moniaal zelfs niet meer dan drie sets kleding mag hebben, ofwel men veronderstelde dat tempels die er zo prachtig uitzagen wel kisten vol met geld zouden hebben — Dagobert Duck droomde.
Opvallend is dat Frankrijk, succesvol en gewaardeerd, intensief betrokken is geweest, en nog is, bij het blootleggen en ontcijferen van hindu-boeddhistische bouwwerken uit de oudheid, maar geen enkele affiniteit lijkt te hebben met het levende theravāda-boeddhisme waarin geen materiële cultuur wordt verondersteld in de zin van het artisanaat en fijne keuken.
Koning Sihanouk's wendbaarheid
Ook in 1941 komt Japan met het thema "Azië voor de Aziaten", met als subthema "binnen een Japans imperium". De nationalistische bewegingen doorheen Azië pakken het eerste deel van deze propositie probleemloos op, en maken gebruik van Japan's bereidheid de daad bij het woord te voegen waar het een verjagen of overwinnen van koloniale mogendheden betreft. Er kan daarbij gewezen worden op het bezoek dat de Indiase legerleider Netaji aan Tokyo bracht, en op krachten in Mantsjoerije. Het tweede deel van de propositie: "binnen een Japans imperium" werd met vriendelijke zwijgzaamheid ontvangen. Maar gezien de sporadische instemming ermee heeft Japan jaren de hoop levend gehouden dat het eens werkelijkheid zou kunnen worden.
De diplomatieke wendbaarheid van een koning Sihanouk in Cambodja — door het westen nog steeds beoordeeld als op zijn minst verward, maar niets was minder waar — heeft daartoe bijgedragen. Sihanouk gebruikte de Japanse krachten tegen een dreigende overmacht vanuit omringende landen, zonder nochthans Frankrijk tegen de schenen te schoppen. Maar toen het moment daar was verklaarde hij, notabene op Japan's aandringen ("Azië voor de Aziaten"), op 9 maart 1945 de onafhankelijkheid. Japan zal gemeend hebben dat met een hen vriendelijk gezinde Sihanouk de eerste stap op weg naar het Japanse imperium was gezet.

Frankrijk, dat al in 1941 onder Japanse druk het veld had moeten ruimen, was na de oorlog in 1946 terug in Phnom Penh en meende de zaken te kunnen voortzetten zoals ze waren achtergelaten. Sihanouk laat de nationalistische krachten dan hun werk doen, en maakt in 1952 een verrassende beweging door definitief zelf de macht te grijpen. De nationalistisch gezinde, naar parlementaire democratie verlangende Democratische Partij die aanvankelijk met toestemming van Frankrijk, en later na de Japanse capitulatie in augustus 1945 de meerderheid binnen een regering vormde, werd in 1952 opzij gezet, hoewel nu ook weer niet gezegd kan worden dat er absolute dictatuur voor in de plaats kwam.
Het nationalistische streven
In 1936 werd de eerste echte krant in Cambodja opgericht, de Nágara Vátta. Als andere kranten die elders in de wereld in tijden van bezetting werden opgericht, had het een nationalistisch of tenminste toch een bevrijdingsthema. Historici zijn hier de term "vooruitstrevend" gaan hanteren. Op de Nágara Vátta zou die benaming maar ten dele van toepassing verklaard kunnen worden, want is nationalisme per definitie vooruitstrevend? en is een terug willen naar een eerdere culturele setting dat? Termen als vooruitstrevend of behoudend zijn in dit verband niet van toepassing.

Er zijn bronnen die de naam Nágara Vátta vertalen met "Angkor Wat", maar een eenvoudige hantering van de Sanskriet en Pali-woordenboeken levert "Stadsberichten" op. (nágara: des stads/stedelijk; vatta: berichten, letterl.: dat wat gebeurd/gedaan is). De krant werd gestart door Pach Chhoen en Sim Var, en werd al snel bijgetreden door Son Ngoc Thanh, een Khmer Krom-onderwijzer en vice-rector aan de Boeddhistische Hogeschool in de hoofdstad. Dat Thanh en Chhoen Khmer Krom waren zou voor de geschiedschrijving geen onbelangrijk gegeven worden. Bij deze drie voegde zich de monnik Hem Chieu, verbonden aan de "Hogere School voor Pali", die assistentie zou krijgen van een andere monnik, Nuon Duong. Hem Chieu kwam uit de Thommayut-tempel (in Thailand wordt het Thammayut of Dhammayuttika genoemd), wat Unnalom. (zie onder de doorklik het hoofdst.: Koninklijke woudlopers, de Thammayut).
De Thammayut in Cambodja
De theravāda Thammayút-monniken worden doorgaans als "preciesen" bestempeld, maar binnen die preciesheid zijn gradaties. Wanneer de Thaise Thammayút woudmonniken Li Kongma en Wiriyáng ergens in 1933/34 op weg zijn naar een andere Thammayut-tempel in Cambodja maken ze gebruik van een rickshaw. De monastieke regel zegt dat een moniaal zich "niet mag laten duwen, trekken of dragen door een ander wezen", dit ter vermijding van leed. De regel wordt zeker in ere gehouden binnen de meerderheid van de tudong-gemeenschappen, d.z.w. de Thammayut in Zuidoost Azië. De Cambodjaanse Thammayut-monniken namen de overtreding van Li en Wiriyáng redelijk hoog op. Beide bezoekers mogen blijven slapen, maar meeëten met de rest is uitgesloten. Regels over hoe wel en hoe niet te eten maken ook deel uit van de monastieke etiquette. Men nam het zekere voor het onzekere; wie in een rickshaw rijdt overtreedt wellicht ook die normen.

Dat Hem Chieu zijn wat Unnalom verliet, laat zien dat hij binnen de kaders van het Thommayut/Thammayut tot de rekkelijken behoord moet hebben; hij zou zich waarschijnlijk eerder op zijn gemak hebben gevoeld tussen iets minder preciese tudong-broeders uit Laos en Siam (Thailand), die zich, om te kunnen overleven, op hun vele voettochten maar aan te passen hadden aan de omstandigheden ten plattelande.

Ter verduidelijking moet hier aan toegevoegd worden dat deze tak van het boeddhisme praktiseert middels een zelfcontrole en zelfcorrectie van impulsen, intenties en handelingen — no woman no cry (Bob Marley). De pseudo-tudongpraktikanten daargelaten, die er in geringe aantallen ook zijn, is dit in zoverre een succesvolle weg omdat we hier de uit andere praktijklijnen bekende uitschieters van sexueel ongepast gedrag niet tegenkomen.

Van de Thaise tudong-monniken uit het begin en midden van de vorige eeuw is bekend dat ze frequent de grenzen overstaken en weinig moeite hadden met tot dan toe onbekende gebruiken en talen, dat laatste dankzij de mind-training die ze zichzelf gaven. De eerder gemelde Li Kongma beschikte in 1933/4 na redelijk korte tijd al over een zodanige Khmer-woordenschat dat hij binnen vrij korte tijd in het land een uitgebreid gezelschap Cambodjanen om zich heen had met wie de communicatie naar wens verliep. Daarbij moet onthouden worden dat sprekers en toehoorders tot dezelfde levensbeschouwelijke denominatie behoorden.
Taalpolitiek
Het was dus niet zo dat de monniken-sangha, van welk zuidoostaziatisch land ook, vreesde voor een zelf buiten spel gezet worden zou een vreemde taal de voertaal van het land worden. Maar voor de gewone man en vrouw in de straat vreesden ze terecht.

Een van de tools die zowel de nationalisten als de kolonialen hanteerden, en mogelijk hier en daar nog hanteren, is taal. Aan de boeddhistische kant van de tafel is in alle stromingen Boeddha's uitspraak bewaard gebleven dat men de mens zou moeten benaderen in zijn eigen taal. Men had en heeft niets tegen de taal van de anderen, ook al omdat de anderen wij zijn. Maar men had gezien dat de introductie van het Frans (in Indochina) en het Engels (in India) een verdringing van eigen culturele en filosofische concepten met zich bracht — en de missionaris en zendeling wist dat ook, maar al te goed. We zien het vandaag in artikeltjes over het boeddhisme. Woorden als bidden, zonde, (nood)lot, goden, engelen, troon, altaar, priester, ziel en zaligheid zijn er niet meer uit te krijgen, en hun inmiddels ingebed zijn heeft een vervreemdende draai aan Boeddha's woorden gegeven. Men leest niet meer wat er stond of bedoeld werd, maar dat wat we al kenden uit de westerse cultuur, in ietsje andere bewoordingen. En waar we geen eigen woorden in de plaats van vreemde kunnen zetten, gooien we de achterliggende filosofie van het voorheen onbekende in de prullebak: heb ik even niks aan.

Bij het begin van het Franse Protectoraat was onder de voor de kolonie werkende elite de kennis van het Khmer achteruitgehold, zegt Ian Harris, Chandler citerend. Vanuit de Nágara Vátta, en vanuit de boeddhistische onderwijsinstituten zoals de Boeddhistische Hogeschool en de Hogere School voor Pali werden pogingen ondernomen om het Khmer levend te houden, en op het platteland zal dat weinig problemen hebben opgeleverd, met de uitzondering van de boer die zijn landrechten wilde laten vastleggen en dat moest doen ten overstaan van iemand die het Frans diende te hanteren — en hij moest het ook in die taal kunnen lezen, op zijn minst.
In Wat Botum in Phnom Penh wordt vanaf het begin van de introductie van het Frans een cursus romaniseren van het Khmer georganiseerd, maar de rest van de monialengemeenschap moet er niets van hebben.
Ajahn Hem Chieu en zijn mederedacteuren van de Nagara Vatta komen in opstand tegen het verplicht hanteren van het Frans en tegen het romaniseren van het Khmer. In maart 1941 prijst de Nagara Vatta de Ajahn, en noemt zijn Pali Instituut "de school voor de natie". Tijdens een vreedzame demonstratie wordt Hem Chieu gearresteerd, en de krant organiseert een tweede demonstratie om hem vrij te krijgen. Dat de monnik manu militari van zijn bedrijfskleding was ontdaan (kreeg hij iets om zich mee te bedekken?) was een van de onderwerpen waar de menigte nog het meest boos over was.
Gedwongen ontpijen
De doorsnee westerse burger lijkt het van de pij ontdoen van een monnik nog niet zo'n doodwond. Maar ook hier hebben de monialenregels iets over te zeggen. Wanneer een moniaal uit de theravāda-richting zeven dagen zonder pij is, dan is hij/zij moniaal-af. Het is dan mogelijk om, zodra het kan, weer opnieuw toe te treden, maar, althans formeel, toch niet meer in de status die men voorheen had. Het zal zelden zo'n vaart hebben gelopen, maar officieel dient de opnieuw gewijde zich achteraan in de rij aan te sluiten, bij de jonkies.
Het machtsdenken
Westerse auteurs die over het onderwerp hebben gepubliceerd, en die gewend waren aan de machtsstrijd tussen kerk en staat, van Barbarossa tot en met Mazarin, van de eerste Russisch-orthodoxe patriarch tot aan Karl Marx, hebben in de cambodjaanse tegenstand tegen romaniseren en verfransen een strijd om machtsbehoud gezien, maar dat is onjuist. De boeddhistische monastieke gemeenschap is per definitie wars van staatsmacht; het moniaal worden is een gewild en bewust afscheid nemen van enigerlei machtsstreven, afscheid van "iets" te worden. Het staat met zoveel woorden in de regels die z/hij uit het hoofd moet leren. Dat neemt niet weg dat de inlanders graag zouden zien dat een aantal ethisch-morele principes worden gehandhaafd, al was het maar om te voorkomen dat de burgerij elkaar met messen en lady-guns te lijf gaat.
Uiteraard zijn er uitzonderingen op het machtsverhaal, en dan met name in de mongools-tibetaanse stromingen waar men ergens in de 17de eeuw een bestuurlijk vacuum heeft opgelost door de religieuze overheid tevens staatsmacht te geven. Dat moeten we, ook al duurt een dergelijke constructie enkele eeuwen, toch zien als een voorbijgaand fenomeen.
De Gregoriaanse kalender
In juli 1944 wordt een, zeker door de meerderheid van de monastieke Orde, zwaar bestreden wet aangenomen die de Gregoriaanse kalender in de plaats gaat stellen van de maankalender die traditioneel gehanteerd werd. Vanaf die dag staat Kerstmis op de kalender, maar Vesak niet meer, want de dag waarop Vesak gevierd wordt is afhankelijk van de dag waarop het vollemaan is in de maand mei, doorgaans mei. Op 17 juli 1942 wordt opnieuw een demonstratie georganiseerd. De Nagara Vatta-redacteuren menen op dat moment dat ze op de stilzwijgende steun vanwege de Japanse bezetting kunnen rekenen. Dat blijkt niet zo te zijn, en opnieuw wordt de leiding van de demonstratie gearresteerd. Hem Chieu krijgt ten laste gelegd dat hij opstandelingen recruteert, opruiende geschriften vanuit het Thais vertaalt en verspreidt, en legeronderdelen mobiliseert tegen het heersende koloniale gezag. Thanh wordt door japanse eenheden naar hun land overgebracht, maar Chhoen krijgt levenslang. Na de oorlog zal Thanh terugkeren naar Cambodja en korte tijd Eerste Minister worden, totdat de Geallieerden hem arresteren en naar Frankrijk transporteren waar hij de rest van zijn leven onder huisarrest zal verkeren — want hij had immers geheuld met de Japanners. In oktober 1943 sterft Ajahn Hem Chieu in de gevangenis, op de leeftijd van zesenveertig.
Na Hem Chieu's overlijden
Na de oorlog, in 1950, installeert een jungle-commando onder de naam United Issarak Front een "Achar Hem Chieu Political School". De UIF heeft banden met de indochinese communistische beweging en gebruikt Hem Chieu's nationalistische gedachtegoed te eigen bate. Kaders uit deze UIF zouden leidinggevenden worden onder het Pol Pot-bewind. Het is zeer de vraag of Hem Chieu hier blij mee zou zijn geweest.

Wanneer Mahā Ghosananda in 1992 zijn beroemd geworden dhamma yietra (dhamma/dharma voettocht) organiseert die in Noord-Thailand begint en in Cambodja eindigt, dit met het oog op naar het land brengen van in Amerika goed opgeleide jonge monniken, zijn er onder de deelnemers enkelen die het portret van Ajahn Hem Chieu bij zich dragen. Voor hen is hij een voorbeeld van vaderlandsliefde geweest. Er zijn op het internet een aantal Khmer Krom-bijdragen in het Vietnamees over de Ajahn gepubliceerd.
Naschrift
Aan het begin van de 21ste eeuw hebben een aantal boeddhistische gemeenschappen in Azië voor wat betreft de kalender het hoofd in de schoot gelegd; de zaak is niet meer te redden, de gedenkdag voor Boeddha, volgens de maanstandberekening, staat nog op het programma, maar verschillende bodhisattvas binnen mahāyanagemeenschappen worden ofwel niet meer herdacht, ofwel ze staan op een vaste plaats op die Gregoriaanse kalender. Zeker in Japan is die trend het best merkbaar.
Over de taalkwestie kan lang gesproken worden. Zeker hebben die kringen een punt die de nationale taal willen behouden, en daarmee de boeddhistische canon in enigermate van zuiverheid willen bewaren. Maar op het vlak van alledaags intermenselijk verkeer zijn de boeddhisten, in vergelijking met aziatische christenen die de taal van hun zendeling of missionaris wel móeten leren omdat de leraar zich zeker de hunne niet eigen zal maken, in het nadeel. De christenen uit eigen etniciteit hebben duidelijk materieel voordeel bij het kunnen communiceren, en studeren, in enige van de westerse talen. Spreek over cultureel imperialisme, maar besef ook dat het verdringen van oude en/of overwonnen talen een trend is die zo oud is als migratie en koloniseren.

Bronnen:
Cambodia Daily, 12 nov. 2013 | The legacy of Achar Hem Chieu, Michael Hayes | Cambodian Buddhism: History and practice, Ian Harris | Asian Visions of Authority, C.F. Keyes, L. Kendall, H. Hardcore | Cambodge: The Cultivation of a Nation, 1860-1945, Penny Edwards | Country Data 1987 [Cambodia, The Japanese Occupation, 1941-45; Cambodia, The Emergence of Nationalism] | Forest Recollections, Kamala Tiyavanich





Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme