Op zaterdag 19 november 2005 had de Avro-televisie opnieuw een hele aardige bijdrage over boeddhistische kunst.
In de tijdelijke expositie van het Rijksmuseum bevond zich op dat moment het beeld van een Lohan (spreek: Loohan), een Arhat, of Arrahat.
Lohan is de Chinese benaming, Arhat is de Sanskriet-naam, in het Pali spreekt men eerder over Arahant. Arhat betekent "waardig om voorwerp van verdienstelijk handelen te zijn", en verdienstelijk handelen is dan geschenken geven of hand- en spandiensten verlenen. Naar oorsprong zijn dit de 16, sommigen zeggen 18, eerste, volkomen verlichtte gezellen van Sakyamuni Boeddha. In de Chinese traditie hebben ze gestalte gekregen met verlichtte zonen van het volk als voorbeeld.
S. Levi en Ed. Chavannes hebben in 1916 een publicatie aan het onderwerp gewijd: Les Seize Arhats, Protecteurs de la Loi - De 16 Arhats, beschermers van de Dharma. In hun in de "Journal Asiatique" gepubliceerde studie richtten beiden zich op één specifieke zienswijze op respectievelijk Chinese en Tibetaanse Lohans. Wie vandaag de Chinese tempels op met name Taiwan bezoekt, kan constateren dat bijna iedere tempel een eigen serie Lohans heeft, opgesteld in een heel eigen hal in het tempel-complex, met namen die op enig moment zijn gekozen door de respectieve abten. Ze zijn en een bron van inspiratie zijn voor bezoekers die genieten van de levendige expressie. Het komt niet voor dat bezoekers niet blij en vrolijk worden bij het zien van deze verlichtten.
 Links op de zwarte plint: De rij Lohans in de Yufo tempel in Shanghai.
De lijst Levi-Chavannes geeft een traditionele opsomming van namen die allemaal even belangwekkend zijn, maar waarin de naam van Boeddha's eigen zoon - hij was getrouwd voor hij het gewone leven achter zich liet - wel opvalt : Ráhula. Ráhula is te herkennen aan het portret van zijn vader op zijn borst.
De in de Rijksmuseum-collectie opgenomen Lohan zou de een na laatste in een rij van 16 zijn : Gópaka. En Gópaka houdt het hoofd een beetje scheef, zo intens luistert hij naar Boeddha's woorden.
 Bij de foto: Deze Koreaanse monnik, bezig een tijdelijk novice-je te scheren, draagt de bruine kasaya over zijn lichtgrijze hai qing.
De meeste lohans dragen een mantel met hele wijde, of liever, lange mouwen. In het Chinees heet dat kledingstuk hai qing (spreek: sjieng). Zo'n hai qing wordt vandaag alleen nog gedragen tijdens de ceremonieën. De hai qing is waarschijnlijk ontstaan, zegt onze informatiebron, uit de kledingcode zoals die gold tijdens de Han en Tang-dynastieën. Ze hoort niet tot de oorspronkelijke kleding die monniken en nonnen droegen, en in de Zuidelijke Traditie nog dragen. Bovenop de hai qing draagt men de kasaya, de originele pij in bruin, oranje of rood, al naar gelang de gelegenheid en de anciëniteit van de monnik of non die er in steekt. Wordt de kasaya in de Zuidelijke Traditie van het theravāda- of Pali-boeddhisme tijdens alle uren van de dag gedragen, de Chinese en Koreaanse stromingen dragen deze slechts tijdens de erediensten, formele meditatiesessies, en lezingen en voordrachten - en wanneer ze novicen voorbereiden op het (tijdelijke) monniksleven.
Bákula Arhat
Op 7 maart 2008 werd bekend gemaakt dat gezanten van de Dalai Lama in Ladakh een tweejarig jongetje hadden gevonden die de opvolger moet worden van de in november 2003 overleden Bákula Rinpoche, het hoofd van de boeddhisten in Ladakh.
De naam Bákula is die van een van de zestien eerste Arhats rond Sakyamuni of Gótama Boeddha.
Omdat een Arhat een gerealiseerde monnik is die niet meer terugkeert in de kringloop van wedergeboren worden is de nieuwe Ladakh Bákula daarom geen 'reďncarnatie' van die vroege Arhat die Bákula heette — een veronderstelling die in een van de persberichten werd geventileerd.
Bákula wordt ook wel geschreven als Bakkula. In het Chinees wordt de naam gegeven als Pa-ka-hou-la, en volgens een Tibetaanse lijst werd hij geboren in Úttara-kuru (óettara-koeroe), een streek ten noorden van het huidige New Delhi.
In de zomer van 2009 werd het ventje officieel op de Hoge Zetel van de Dharma geplaatst.
|