Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






MES AYNAK, AFGHANISTAN
Vondst uit 2011-2012




juli 2012
Op de site van Mes Aynak (de Kleine Kopermijn) in Afghanistan is in 2011-2012 een beeldje opgedoken dat, zegt een van de gravers-archeologen, Boeddha zou kunnen uitbeelden toen hij nog prins Siddhartha was, voordat hij aan zijn grote zoektocht zou beginnen.

De beschrijving is opgenomen in een boek over de ruïnes te Mes Aynak. En omdat dergelijke boeken een heel beperkt lezerspubliek hebben, en er dus wel geen tweede druk van zal verschijnen wordt hier een poging gedaan om een van de onderwerpen die daarin belicht worden wat nader te bekijken.

De beschrijving van het bedoelde beeldje heeft het over een prins die op een krukje zit. Da's dus Boeddha toen hij nog prins Siddhartha was. De beschrijving gaat verder met onderandere te vertellen dat er geen figuur is afgebeeld in zijn turban, en dat hij geflankeerd wordt door een monnik die in de ene hand een lotus draagt — half afgebroken —, en in de andere een niet te identificeren voorwerp.

De sector moet eens een beetje af van de gedachte dat schilders en beeldhouwers altijd van de hoed en de rand wisten. Gaan we er van uit dat er net als professionele rondreizende tempelbouwers ook idem beeldhouwers waren, dan kregen deze een sculptuuropdracht van deze of gene opdrachtgever. Waren de instructies van de opdrachtgever helder en precies, en had de beeldhouwer een dergelijk karweitje als eens eerder gezien of gedaan, dan was het resultaat er een dat we vandaag nog bewonderen. Waren de instructies minder helder en/of was de beeldhouwer onbekend met deze iconografie, dan kreeg je een rommeltje.

Wanneer we het hier getoonde beeld bekijken, dan valt op dat het helemaal gemaakt is naar het template van de Gandhāra-Greco-boeddhistische beeldhouwkunst waarvan gezegd wordt dat het na de zesde eeuw niet meer wordt gevonden. Die stijl kenmerkt zich door nogal martiale, besnorde bodhisattva-beelden, ofwel gemaakt met Grieks-Bactrische generaals in gedachten, ofwel naar het evenbeeld van machtige karavaanleiders met grote verantwoordelijkheid voor de groep meereizenden. Er is hier al eerder gewezen op de eerste twee jātaka, geboorteverhalen, over (de pré-)Boeddha die de kundigheden van de karavaanleider bezingen, met de nadruk op leider, c.q. op beschermer, de taak die de gelovige heeft toegeschreven aan de bodhisattvas.

Kijken we naar de torso van het hier getoonde beeld, dan zien we dat het een bijna-kopie is van een ander bekend beeld, dat van Maitreya.

Bodhisattvas worden nog het meest afgebeeld in een ontspannen zittende houding. Vaak, maar niet altijd, met een afhangend, en een opgetrokken been.
Dat is bij het Mes Aynak-beeld het geval. Bovendien wordt het afhangende been afgebeeld in een stijl die bekend werd uit de regeerperiode van de Kusāna, zwaarddragers uit de Gandhāra-regio. Het beeld dat de uni van Berkeley hier toont is dat van Maitreya, de komende Boeddha, hier afgebeeld in Túshita, een hemelse sfeer waar hij zijn tijd afwacht tot hij op aarde de kan weer recht komt zetten. (Zie voor Kushan hier.)
We zien die kruislings gehouden benen ook op een beeldje dat gemaakt is tijdens de regeerperiode van de Noordelijke Wei (386-534), een Chinese dynastie die ook actief was langs de Zijderoute: zo zit een heer, dat is netjes.

Het is niet gezegd dat we in het Mes Aynak-beeld te maken hebben met een afbeelding van Maitreya. De auteur van het boek stelt weliswaar dat in zijn hoofdtooi geen afbeelding zit, maar het zou zomaar kunnen dat die afbeelding niet gelukt is, of door het scherpe zand is afgesleten, of bij nader inzien toch maar niet is uitgevoerd. Zou een afbeelding in die hoofdtooi de oorspronkelijke bedoeling zijn geweest, dan zou er sprake kunnen zijn van een Avalokiteshvara met een afbeelding van zijn/haar root guru Amitābha Boeddha op het voorhoofd. Maar, het is een beetje vergezocht, zeker in de Gandhāra-regio.

Een andere indicatie voor de identiteit van het hier getoonde beeld is de flankerende attendant. Zeker, Maitreya wordt hier en daar voorgesteld met attendanten, bijvoorbeeld in de Ellora-grotten in Midden-India waar die attendanten dan ook nog een lotus vasthouden, net als de hier afgebeelde monnik.

Maar waarschijnlijker is toch nog dat de attendant een als monnik voorgestelde Súdhana is, protagonist van het laatste (of zelfstandige) boek uit de Avatámsaka Soetra. Op geen moment wordt Súdhana in de Avatámsaka voorgesteld als een moniaal, maar monniken is wat de beeldhouwer in de Kaboel-vlakte tegenkwam. Ergo ipso: boeddhisten zijn monialen, dus Súdhana was er ook een. Zowel Xuanzang als latere monnik-pelgrims-ontdekkingsreizigers maken melding van tempels in de Kaboelvlakte van het huidige Afghanistan. De zevende-eeuwse Xuanzang meldt 10 sarvastivádin-vestigingen in in ieder geval Kunduz, 10 lokottaravádin idem in de Bamiyan-vlakte en een aantal andere gemeenschappen waarvan hij de traditie niet heeft kunnen vaststellen. Ze waren er al voordat hij er kwam. Met andere woorden er was voor de zevende eeuw een gevestigde boeddhistische traditie in een deel van het huidige Afghanistan.

Is het dan een beeld van Maitreya dat de auteur heeft willen beschrijven? Dat is geen vaststaand gegeven, zeker indien we er van uit zouden gaan dat de Avatámsaka bekend was in de Kaboel-regio. Maitreya is niet prominent in de Avatámsaka. Samantabhádra en Manjushri zijn dat wel. Vooral Manjushri wordt wel de "lotus-geborene" genoemd. Zouden we de lotus in de hand van de attendant-monnik dan willen zien als een soort heraldisch teken, zo'n blazoen dat in een stoet voor de prominent wordt uitgedragen, dan is het ook nog mogelijk dat het Mes Aynak-beeldje Manjushri als inspiratie heeft gehad.

In ieder geval is zeker dat hier volstrekt geen sprake is van een afbeelding van Sakyamuni Boeddha uit de tijd toen hij nog prins Siddhartha heette. In die pré-Boeddha periode werd hij niet omringd door monniken, eenvoudigweg omdat er nog geen boeddhistische monniken waren. Zelfs een slecht ingevoerde opdrachtgever van beeldjes zal dat geweten hebben.


September 2014
Op 25 augustus 2014 schreef Kathleen Caulderwood een lang artikel over Mes Aynak, de Kleine Kopermijn in Afghanistan waar restanten van een boeddhistische cultuur zijn gevonden. Archeologen doen al jaren hun best om de pogingen van een Chinees mijnbouwbedrijf dat daar aan de gang wil te stoppen. Of dat nog gaat lukken zal de toekomst leren. Het hele artikel valt te lezen onder de bovenstaande doorklik naar een engelstalige online-pagina die waarschijnlijk nog wel enige tijd online zal blijven.
De foto die hierbij getoond wordt, en die met downloaden weer zijn oorspronkelijke afmetingen krijgt, is die van een stoepa, schrijft Kathleen.
Nooit op het terrein zelf geweest is het moeilijk er iets over te zeggen. Wat in ieder geval opvalt is dat links van het bouwwerk, op de grond, sporen lijken te zijn van een soort sgrafitti die in eerste instantie erg abstract aandoen en ouder lijkt te zijn dan de structuur die er naast gebouwd is. De indruk bestaat dat ze tot een andere cultuur behoort.
Of wat door de archeologen stoepa wordt genoemd — zie de foto — ook een stoepa is, hangt wat mij betreft af van de voorstelling die te zien zou moeten zijn in de halvemaanvormige of stalraam-vormige structuur helemaal bovenaan. Wat is daar te zien? als er nog iets is te zien. De vorm van de stoepa heeft vagelijk iets weg van de Guge-4 chorten, hoewel die te Mes Aynak veel rijker aan details is, en de Guge-4 op de vierkante basis een hoekige opbouw heeft, geen ronde zoals te Mes Aynak. Iets soortgelijks moet gezegd worden van de Serkhang chorten in de buurt van Ngari, Tibet, terwijl de chorten te Kozork Phu dan in de vierde laag wel weer een ronde opbouw toont. In ieder geval zouden we voor wat de architect betreft moeten zoeken in de richting van de oostelijk van Afghanistan liggende noordelijke en zuidelijke Zijderoute, en/of Ladakh (Zanskar) en Tibet.
Een paar dagen na het verschijnen van dit bericht (17 september 2014) was er nieuws over de op dat moment door overstromingen bedreigde Punjab-sites in Pakistan. Daar wordt gezegd dat de bases van de twee bewaard gebleven votief-stupas duidelijke referenties tonen naar de griekse corintische pilaar. Het is mogelijk dat deze pilaarstructuur is gebruikt door handwerkslieden die, misschien wel voor het eerst in hun leven, en zonder ooit een "echte" stoepa te hebben gezien, de opdracht kregen om bij de Kleine Kopermijn er een te gaan bouwen — hoe leg je dat aan!?







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme