Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Vervolg van voetnoot4 bij de
Pabbaja soetta

Uit de Soetta Nipata










De overstromingen
De Clan van de Zon wordt binnen de vedisch-hinduďstische traditie geassocieerd met de clan genaamd de Ikshvaku. Er is een heilige, een rsi, geweest die Rāma Aiksvāku heette. In de geschiedschrijving (vamsāvalī) van de Sūryavamsa, de Zonneclan uit het noordwesten van het huidige India, wordt Ikshvaku vermeld als een Rajput.(1) Rajput staat voor die personen uit de ksatriya-kaste, de krijgerkaste, die van koninklijke origine zijn.
M.L.Bhargava wijst in zijn werk over de Rgvedische tijd(2) op een aantal plaatsen naar de Ikshvaku. Het werk gaat in grote lijnen over de "zeeën" (samudra) die in de verre oudheid, nog voor de veda geschreven waren, grote delen van India bedekten. Wanneer alle puzzelstukjes bij elkaar gelegd worden, en niet alleen de bronnen in de Rgveda, maar ook die in de Mahābhārata en de Rāmāyana, eveneens behorend tot de hindu-canon, dan komt daaruit naar voren dat de Ikshvaku oorspronkelijk leefden in een gebied in de buurt van het huidige Delhi, een gebied dat nog stees Kuruksetra, Kuruland wordt genoemd. Er is dan sprake van een rivier met de naam Iksumatī die de "ancestrale rivier" van de Ikshvaku wordt genoemd. Verder, zegt Manohar Lal Bhargava (p.97) leefden Ikshvaku langs een drietal andere door zeilschepen bevaarbare zijrivieren van de Sarasvatī, namelijk de Ańjasī, de Kulisī en de Virapatnī.

In de Mahābhārata is sprake van een grote overstroming die de aanleiding is geweest tot een legende die bekend staat als het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges" van de stam de Ikshvaku. Beide rivieren, de Sarasvatī en de Ganges (Gangā) ontstonden in ongeveer hetzelfde gebied (de Sarasvatī staat nu grotendeels droog en niet weinigen willen niet geloven dat dit werkelijk een grote rivier is geweest); de eerste liep zuid-west, de ander loopt zuid-oost. De Sarasvatī was op z'n breedst 7 km, een echte samudra, dus. Het gebied van de Ikshvaku moet ongeveer tussen deze twee rivieren hebben gelegen, een gebied dat doorsneden was met een viertal zijrivieren van de Sarasvatī, waaronder de drie bovengenoemde.

Verder met het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges". Uiteindelijk, nog voordat de zee of oceaan bereikt werd, viel de Ganges in een enorm meer dat grofweg de regio rond de stad Sravasti beslaat. Dan, zo zegt het verhaal, "bereikte de Gangā de uitgehouwen grotten nabij de zee of oceaan (samudra) en overstroomde die grotten." Aangenomen wordt, (p.139) dat hier niet sprake is van de Ganges-delta in Bengalen, maar van de drooggevallen bedding van de Arvāvat-zee in de buurt van Varanasi (Benares), resp. het zuiden van de huidige deelstaat Bihar. "In die tijd vonden 60.000 Ikshvaku verlossing; hun as ligt daar". Niet alleen werden de uitgehouwen grotten overstroomd, maar ondertussen waren ook de 60.000 van de daar levende onderdanen van Ságara Aiksvāku op vergeldingstocht gegaan nadat hun paardenoffer (het vrij laten van een paard) was verstoord. Er staat in de Rāmayāna dat Indra het offerpaard gestolen had, en dat 's konings mannen er naar op zoek gingen.
(Op de ene plaats in de vedische literatuur moet Indra verstaan worden als een godheid, maar er zijn ook plaatsen waar gesproken wordt over een volk dat de Indra heette, en dan moeten we denken aan een stam of stammen die Indra als huisgod eerden.
Bhargava (p.120) beschrijft Indra als een godheid van rond de Indus, dus westelijker dan het stamland van de Ikshvaku, en verder suggereert hij (p.125) dat het met name de bewoners van de zijrivier van de Indus, de rivier de Kusavā of Kūnar waren — nu een aftakking van de Kaboel-rivier die, na het idee aanvankelijk verworpen te hebben, Indra vereerden. Daarbij werd in een moeite door het matriarchaat vervangen door een patriarchaat. Indra wordt dan beschreven als een godheid aan wie de uitgeperste soma wordt geofferd, hier en daar beschreven als het sap van een witte bloem die in de moerassen groeit.)

Ságara Aiksvāku's mannen stuitten op Vāsudeva, een andere naam voor de god Agni die het paard weer op hun weg had gebracht. Agni deed zich voor in de gedaante van de rsi Kápila. Denkend dat Kápila met hun voeten speelde vielen de manschappen hem aan, maar werden ter plekke tot as gereduceerd — want Kápila was in werkelijkheid Agni, de god van het vuur. Op dat punt in de geschiedenis hadden de verering van het vuur en het vuurritueel dus nog de overhand. Er voltrok zich hier een ramp: hoewel de meerderheid of een deel van het volk niet verzwolgen werd door de tweede vloedgolf, werden de 60.000 op hun tocht over onbekend terrein wel verteerd door het vuur. Bhargava en anderen veronderstellen dat hier wordt verwezen naar vulkanische activiteit. We spreken dan over minstens 500 voor Boeddha, en Boeddha leefde meer dan 500 vC.

Van het genoemde grote meer (samudra) te Srávasti en oostelijker wordt, als van andere meren, gezegd dat het moerassig was. We vinden in de Pali-canon van het zuidelijke boeddhisme referenties naar bijvoorbeeld de MN 73: Vriend Gótama, het is als de Ganges die naar de zee afbuigt, recht in de zee uitmondt, ....
(Seyyathāpi bho gotama gaņgānadī samuddaninnā (snelt er naar toe) samuddapoņā (wendt zich in die richting) samuddapabhārā (streeft er naar) samuddam āhacca tiṭṭhati.)
De Pali-geleerden houden alle mogelijkheden open: een samudda kan een brede rivier zijn, een meer, en de oceaan.
Maar we moeten toch onthouden dat, zoals boven gemeld, niet alle Ikshvaku voorbij Sravasti naar het zuiden, naar de buurt van het huidige Varanasi reisden, maar dat een aantal clans resp. families rond Sravasti bleven hangen en zich zelfs deels in nog noordelijker streken vestigden, in de zuidelijke Terai van het huidige Nepal.
Samudda als meer is hier een gerechtvaardigde aanname. Wanneer Boeddha meer dan eens uitkijkt over het breedste deel van de Ganges tijdens de moesson, of zich de verhalen herinnert over de 7 km brede Sarasvatī, dan is het heel wel mogelijk dat hij met samudda rivier bedoelt.

De woorden in de Pali-canon herinneren aan de vedische canon, met name de Rgveda waar woorden als "stromen (rīdh..) naar", en "verlangen (kagksin) naar de zee (samudra)" voorkomen. In het geval van de boeddhistische canon wordt met "stromen naar" ... etc wel gewoon stromend water bedoeld. Ze zijn geen metafoor voor de wens verenigd te mogen worden met Het Ene zoals het in de vedische literatuur staat. Maar stromen doet het.

De zee (het meer), dus de samudra, wordt op een aantal plaatsen in verband gebracht met het woord pūrva (Skr.) of puvva (Pali) dat verwijst naar de geur van rottende planten, een moerasgeur dus. In de stad Srávasti was in de voor-boeddhistische tijd een Pūrvārama (Pūrva-ashram), dus een (pre-boeddhistische) religieuze gemeenschap aan het moeras. Er is in de boeddhistische canon sprake van de Pūrva-vidéha-koningin die geleefd moet hebben in Pūrva-Videha, de regio waar graan verbouwd wordt. En we mogen veronderstellen dat dit land gelegen was aan de boorden van de samudra rond en ten zuid-oosten van de stad Sravasti. Ook in de boeddhistische abhidharma-literatuur (de schematisering en systematisering van het mentale en het fysieke) wordt Pūrva-videha de oostelijke regio genoemd, oostelijk van Kuruksetra, zo moet het binnen het kader van de Iksumatī als "ancestrale rivier" in Kuruksetra verstaan worden.



Andere boeddhas
Zouden we deze geografische indicaties voor waar mogen houden, dan komt ook een term als "het Gelukzalige Land in het Westen" (Sukhāvati) dichter bij een aards paradijs, een verloren land waar stammen uit de oudheid eens gelukkig waren.
Bij het denken aan sukhāvati moet waarschijnlijk toch gedacht worden aan de rivier de Anitabhā, een redelijk noordelijke zijrivier van de Indus. De Sarasvatī liep voor een belangrijk deel, wat zil zeggen, zuidelijker, parallel aan de Indus. We zouden kunnen veronderstellen dat het volk van langs de Anitabhā — sindsdien herdoopt in Barandū-rivier (Bhargava p.123/4), een andere rsi als wijze/leider had dan de Ikshvaku. En in tegenstelling tot de volkeren die Kuruksetra bewoonden werd de Anitabhā-cultuur niet verjaagd door wassend water, maar droogden de Sarasvatī en haar zijrivieren voor een belangrijk deel op.
Wanneer groepen monialen zich dan vestigen in de grotten langs de Kyzyl en de Khotan worden ze geobserveerd door de nazaten van het Anitabhā-volk dat zich na eeuwen de geschiedenis nog amper kan herinneren, en van wat wel herinnerd wordt een mythe heeft gemaakt. De godin, de rivier, Anitabhā, verandert vanaf dat moment in een god: Amitābha, en krijgen de monialen bezoek: wij hebben ook een buddh, een wijze. Hij heet Amitābha. Jullie moeten hem meenemen in geschriften en rituelen, want onze buddh (boeddha) was er al eerder, en is veel groter. Amitābha Boeddha wordt dan mondjesmaat opgenomen in de post-prajńa-paramitā-teksten. Amitābha krijgt een plaatsje in de Avatamsaka soetra, en wordt (op bestelling) voorgesteld als lang, zoal niet eeuwig levend. We zien in dat tekstfragment de discussie die er in die tijd gewoed heeft over tijdelijk en eeuwig, over groot en klein. Amitābha is groter, en hij is eeuwig, en wordt in geen van de drie geschriften die aan hem zijn gewijd voorgesteld als de dharmakaya, dat wil zeggen, als een een tijdloos abstractum.
De monialen zullen zich getroost hebben met de herinnering aan de Brahmajāla soetta waarin god Brahma(*) wordt voorgesteld als een die zo lang leefde dat hij zich zijn oorsprong niet meer herinnerde. En ze zullen gedacht hebben aan de parabel over de voetafdruk van de olifant: die afdruk is zo groot en wijd dat iedere andere voet- of pootafdruk van welk ander dier dan ook daarin past. Zo verzoend met hun lot is het Amidisme meegenomen op de mainstream van het boeddhisme en kwam het in China aan bij een Hui-yuan die er een nieuwe bhakti-inhoud en betekenis aan is gaan geven. Op die vleugels voer het Amidisme naar Japan, en is op die reis onherkenbaar veranderd.

(Water, en dus ook rivier, zijn in de oude talen van het Indiase continent vrouwelijk. Anitabhā, met een vrouwelijke lange uitgangs-a, werd wellicht ietsje aangepast, want een Boeddha is immers mannelijk. De n uit Anitabhā werd een m; de lange eind-a werd een korte (= mannelijk), en de midden-a werd lang: Amitābha.
(*) Zo ook mogen we Brahma's zich niet meer voor de geest staan van zijn oorsprong interpreteren als een herinnering aan een vergoddelijkte rivier, de Brahmaputra. Latere baritons zullen zeggen dat de Brahmaputra — de zoon (putra) van Brahma — de enige rivier is met een mannelijke naam. Maar dat kan een foutieve inschatting zijn die er gekomen is als gevolg van de grammatische structuur van het Sanskriet. Zou Brahmaputra in zijn vrouwelijke vorm geschreven worden, dan krijgen we Brahmāputra, en kan de gedachte ontstaan dat er ook zoiets is als een "aputra" (brahma-aputra). Zo rijk is het Sanskriet nu ook weer niet.
Moet bij opgemerkt worden dat de rivier/godinnenverering zijn nut en functie had op het moment dat volkeren nog klein waren en dienden te groeien om te overleven.


Dat over en langs de rivieren, en door de woestijnen die eertijds, zegt Bhárgava, veel kleiner en milder waren dan ze nu zijn van alles met de karavanen van oost naar west en omgekeerd reisde vinden we voorts bevestigd wanneer we kijken naar een in de Rgveda voorgestelde rsi als Gótama Rāhugaņa Āngiras.
De canon van het Hīnayana, vandaag Pali-boeddhisme, heeft een passage waarin staat dat Boeddha, Gótama de Sakya, eer bracht aan de Gótama-schrijn, een herdenkingsmonumentje. Hij benutte de gelegenheid om tolerantie naar andere levensbeschouwelijke stromingen te prediken: onderhoud hun schrijnen, het brengt je de vrede die nodig is om door te stoten naar de achter- en onderliggende wijsheid omtrent het bestaande en het niet-bestaande.
Men is er nooit achter gekomen wat bedoeld werd met dit "Gótama-schrijn", eenvoudigweg omdat de bronnen van het hinduďsme taboe-literatuur zijn geweest.

(Een van de schrijnen voor Mahāvīra, of Nigántha Nátaputra, de stichter van het jaďnisme was in de 70-er/80-er jaren van de twintigste eeuw in zijn geboorteplaats in de huidige deelstaat Bihar niet veel meer dan een ruimte ter grootte van een graf met daaromheen een laag muurtje van blauwe, roze en witte tegels. Dat is waarschijnlijk ongeveer wat we ons voor moeten stellen bij het woord "schrijn" in connectie met het verre verleden van India.)

Aangenomen mag worden dat Boeddha, de Sakya, eer bracht aan een verre spirituele voorvader, aan Gótama Rāhugaņa Āngiras. Deze Gótama Rāhugaņa Āngiras wordt in de Rgveda aan het woord gelaten over negen bevaarbare rivieren. Wanneer dan de latere devoten van de rivier, de godin, Anitabhā die boeddha, Amitābha, is geworden in een van de drie geschriften optekenen dat er negen categoriën van cultivators tot aan boeddhaschap zijn, is het niet onmogelijk, maar ook niet bewezen dat deze scribenten van de Amitāyur-dhyāna hier de volkeren voor ogen hadden die langs die negen rivieren leefden, volkeren waar Gótama Rāhugaņa Āngiras weet van had, het ene volk, zegt deze latere amidistische stroming, wat schranderder dan het andere.


Ariërs en raskenmerken
Wanneer we het ontstaan van de Rgveda zouden laten samenvallen met de historische gebeurtenissen die er in beschreven worden, dan spreken we over ca 500 voor Boeddha. Het kan echter ook zijn dat de samensteller van dit manuscript heeft geput uit verhalen van veel langer geleden.

In de canon van het vroege boeddhisme — 500+ jaar later — is veel en vaak sprake van de ploeg, dus van landbouw, en met name van het verbouwen van granen. In het vedische Sanskriet wordt 'ploeg' gegeven als lāngala (Rv iv. 574), en in het Pali wordt het gegeven als nángala. Maar ook woorden als kasi/kásati: ploeg/ploegen komen in de Kleine Voertuiggeschriften voor, en in die optiek, en tegen die tijd, is het veelgenoemde Kasiland, het gebied rond het huidige Varanasi, niet zozeer het land waar fijne stoffen werden geweven (kasi), maar een land waar graan verbouwd werd (kásati), en wellicht ook het vlas, de grondstof van linnen.
Alle citaten over de ploeg aanhalen die in de boeddhistische vroege canon voorkomen is ondoenlijk. Volstaan een paar regels uit de Samyutta Nikāya (of de Samyukta Āgama), en houden we daarbij voor ogen dat Europa andere seizoenen kent dan het Serindische continent: "Net zoals een boer in het najaar, naarmate hij voortploegt met zijn brede ploeg alle wortels (van onkruid) doorklieft, zo ook ... verwijdert de monnik, zodra hij het vergankelijke gezien heeft, alle wortels van onwenselijke passies en alle verkeerde meningen omtrent het "ik ben".

De Ikshvaku — we zijn dan weer 500 jaar terug in de tijd — en andere volkeren trokken voor de vloed uit van het ene laagland naar het andere. Het waren landbouwers en veeboeren. Graaneters, zo stellen we ook vandaag nog vast, zijn meer uit de kluiten gewassen dan jager-verzamelaars. Graaneters zijn ook lichter van huid; ze kunnen een groot deel van het jaar in de beschutting doorbrengen, wachtend tot het graan rijp is, om daarna vanuit die beschutting de gang te maken tussen graanopslag en kookpot. Jager-verzamelaars zijn de hele dag onderweg om een paar dieren te schieten en/of wat knollen en vruchten te verzamelen. De indigene volkeren die de klimaat-vluchtelingen ontmoetten waren kleiner en bruin-verbrand. Dat maakt van hen echter nog geen ander ras, zie Darwin en zijn vinken.
Wanneer we vandaag kijken naar de volkeren op het Indiase continent die nooit gemigreerd zijn, en die fysiek dus heel weinig veranderingen hebben ondergaan omdat ze niet zijn overgegaan op een ander dieet als gevolg van een andere klimaat, dan mogen we er van uitgaan dat de stammen waarmee de Ikshvaku in het laagland van het huidige Zuid-Nepal in aanraking kwamen, de Kirat, jager-verzamelaars waren, toen nog levend in bossen. Die bossen zijn voor een groot deel verdwenen. De eerste immigranten moeten daar een begin mee hebben gemaakt, ze wilden immers voortploegen en hun vee laten grazen. Er is daarmee echter geen sprake van rasverschillen, dat wil zeggen, er is in dit verhaal geen sprake van stammen of volkeren die specifieke fysieke eigenschappen hebben die hen onderscheidt van andere groepen mensen.

Tussen de tijd van de Harrapan-cultuur en die van de Rgveda zit, geschiedkundig gesproken, een gapend gat. Er is weinig of niets bekend over de regio die hier aan de orde is. Ariërs (arya) waren "echte" edelen, rajas en andere zwaarddragers, in tegenstelling tot de eenvoudige boer die aanviel en/of zich verdedigde met zijn landbouwgereedschap.
De paardjes waar de rajas en maharajas op reden kwamen uit de Sindh, niet uit de Zuidrussische steppen; de Jātaka (Geboorteverhalen) spreken er over. En de Sindh was deel van het continent waarover we het hier hebben, en dus ook deel van de cultuur die van west naar oost, en van oost naar west heen en weer trok, en onderweg veranderde onder invloed van geologische en klimatologische omstandigheden.

Er is geen bewijs te leveren dat tussen de Harrapan-tijd en die van de Rgveda een overrompeling van het Indiase continent heeft plaatsgevonden door vanuit andere regio binnengalopperende 'ariërs'. Het denken langs lijnen van arya en kaste (varna, letterlijk: kleur) is op het continent zelf ontstaan op basis van onderscheid maken tussen lange, ca 1.80m — 1.90m, zwaargebouwde graan- en zuiveleters en kleine, vederlichte, getaande jager-verzamelaars die we met een beetje geluk vandaag nog mogen ontmoeten. Daarvoor kan gewezen worden naar een soort scheppingsverhaal dat ontstaan moet zijn temidden van de vroegste Ikhsvaku-stammen. Boeddha herhaalt dit verhaal ten overstaan van een zwaarlijvige jonge novice uit de hogere sociale lagen van de noordindiase gemeenschap. Het betreffende citaat luidt als volgt: .... En deze wezens gingen lange tijd door met zich tegoed te doen .... En terwijl ze dit deden werden hun lichamen grover, en naar uiterlijk gingen ze van elkaar verschillen. Sommige wezens gingen er goed uitzien, en andere lelijk. En de goed uitzienden keken neer op de lelijke wezens en zeiden, 'wij zien er beter uit dat hunnie'. (DN.22)



Boeddha's vaderland

William Watson (Cultural Frontiers in Ancient East Asia, pp.98, 100, 109) citeert A Gryaznov die in 1957 en later onderzoek doet naar het nomadisme in Tuva, Kazakhstan en Mongolië. In tegenstelling tot wat we denken is het nomadisme een wat latere ontwikkeling, in de 7de-8ste eeuw vC ontstaan als een voortzetting van de transhumance-praktijk, d.w.z. het een paar keer per jaar verweiden van het rundvee. Mongolië is ver van de Serindische weiden, maar mogen we veronderstellen dat deze praktijk langs de westelijke grenzen van de grote woestijn ook zuidelijker, langs de Indus en andere grote rivieren gevolgd werd? In dat geval waren de Ikshvaku er aan gewend het vee op gezette tijden naar koelere, of hogere of lager gelegen gebieden te brengen, en moeten we Gótama, of Gáutama (Go/Gau = rundvee) Boeddha zien als een kind van deze transhumance-cultuur, op de grens van het voluit nomadisch worden van hele volksstammen. In dat licht begrijpen we ook het verhaal waarin gezegd wordt dat Boeddha's vader drie "paleizen" had, drie vestigingen waar telkens een deel van het jaar werd doorgebracht.

We zouden verwachten dat Boeddha, zittend op de berghelling te Rájagaha, wanneer hij wijst naar het stamland van zijn voorvaderen de Iskhvaku, zou wijzen in de richting van ofwel Delhi, ofwel in de richting van het iets oostelijker gelegen Bihar en Bengalen (en Orissa). Dat doet hij niet. Hij wijst richting Kápilavastu in het huidige Nepal. De naam Kápila kwamen we eerder al tegen. De conclusie moet dus zijn dat een deel van de ksátriyas (krijgers), de Sakya en andere families zoals de Káshyapa (Kássapa[3]) en de Bharadvája[4] (Bhargava 21, 75, 76) — namen die allemaal genoemd worden in de boeddhistische Pali-canon en voor een deel ook in de āgama en kanjur — behorend tot het Ikshvaku-volk na een eindje varen in de buurt van Srávasti uit de boot is geklauterd en zich daar, en op nog hoger gelegen delen in het noorden heeft gevestigd. De naam Srávasti herinnert aan de rivier de Sarasvatī, en ook aan de door Bhargava genoemde Sarasvat-zee (samudra, meer, wijde rivierbedding). Anderen zijn in oostelijke richting doorgevaren naar die andere samudra waar ze een nieuwe vloedgolf meemaakten. Diegenen die niet in de grotten verrast werden overleefden het overigens. Zo zegt de sage in de Rāmayāna het.
Deze voorstelling van zaken toont aan dat er onder een grote groep vluchtelingen onenigheid is geweest over de vraag waar men zich zou vestigen. Of het hier wel ver genoeg was, een discussie die ook en veel, veel, veel later is opgetekend onder de eerste Europese migranten naar Amerika; hoe ver in het nieuwe terrirorium doordringen is ver genoeg.

Boeddha, als zoon van een stamhoofd uit de Sakya-clan, een aftakking van de Ikshvaku, was in deze optiek een rajput (raja-putra: koningszoon), en het is dan ook niet zo bijzonder dat de grootvorsten, de mahārajas, uit de rijken en rijkjes waar hij op zijn Dharma-tocht doorheen trok hem, naar kaste en naar deugd-waardigheid, als een gelijke zagen.
De informatie zoals die voortleeft onder de Kirat, de oorspronkelijke bevolking van Nepal en andere "foothills" van de Himalayas, trekt Boeddha's leven eveneens binnen de dynastie van de Kirat. Het bovenvermelde bezoek aan zijn vaderstad (een "transhumance-settlement?) vond plaats tijdens het bewind van Kirat-koning Djitedásti. Niettemin mogen we niet aannemen dat het "zonneras" of de "Solar Dynastie" identiek gelijk is aan "Kirat-dynastie". Het lijkt er op dat alleen de ksatriya rajput tot die "Solar dynastie", de Ikshvaku/Okkaka behoorden. En dan komt het concept van koning en vazalkoning binnen het vizier: de rajput als dominerende migranten leverden na hun overwinning op lokale volkeren de koning/keizer, en de indigene vorsten werden de vazalkoningen, niet heel verschillend van de geschiedenis van Europa. Zie de vorsten van Hongarije die vazal waren van de keizer van Oostenrijk.

In Boeddha's tijd zien we dan een heel interessante ontwikkeling. Gingen de "gewone mensen", de lagere kasten, te rade bij asceten van allerlei rang en stand, de hoger ingeschaalde rajput en de brahmin konden dit niet over hun hart verkrijgen. De berucht-befaamde koning Adjáta-satru probeerde het nog eventjes, maar uiteindelijk bleek Boeddha de gedroomde raadsheer voor deze zwaarddragers. Die trend zet zich dan nog een flink aantal eeuwen voort; een monnikenschare die vanaf het begin niet anders gewend was dan raadsheer van heersers te zijn, zag er niets bijzonders in wanneer in later eeuwen hun hulp en bijstand werd ingeroepen door vorsten die zich een levensfilosofie willen aanmeten waar geen speld tussen te krijgen is, en die met deze levensfilosofie in de hand willen regeren.

Het lot van de 60.000 bovengenoemde Ikshvaku, en de keuze van Boeddha's eigen Sakya-clan en anderen om niet het eind de reis mee te maken, kan alles te maken hebben met Boeddha's opvatting over leed: ja, er is afzien, maar nee, dat verlichting niet ook in dit leven te behalen is, is onjuist. In die opvatting toont Boeddha zich een rebelse jongere. Hij sluit de opvatting van de stichter van het Ikshvaku-volk, de ziener Rāma Aiksvāku, wiens achternaam, zoals boven getoond, later werd geadopteerd door "een koning uit het zuidoosten", niet uit. 'Verlossing', zo moet deze rsi en leider geleerd en onderwezen hebben, is zoals het later in de vedische geschriften zal komen te staan: het wordt behaald na dit leven. Kan zijn, zegt Siddhártha, of Gótama, de zoon van de Sakya, de afstammelingen van de eerste Aiksvāku-ziener, het uit die ziener voortgekomen Ikshvaku- of Okkaka-volk, maar ik heb een andere weg gevonden, de Middenweg.



(1) H. Goetz, The early wooden temples of Chamba, p. 19, Leiden 1955.
(2) M.L.Bhargava, The Geography of Rgvedic India, Lucknow 1964. Er wordt flink getwist over de juiste vertaling van woorden als samudra en ságara. Manohar Lal Bhárgava's opvatting is er slechts een in een serie.
[3] Vin i. 245; D i.104, 238; A iii.224, iv.61, etc
[4] (Kasi)Bharadvaja Snp 1.4 (PTS: Sn 76-82) etc

Mei 2012:
Er is een blog: Mystery of Sarasvatī River dat nuttige informatie geeft. Hoe lang het online zal blijven valt niet te voorspellen.





Terug naar de Pabbaja soetta


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme