![]() |
|
Opgegraven / TentoongesteldKlik naar de volgende bijdragen |
| oktober 2008 ¦ links | boekenlijst | beeld en geluid | Terug naar nieuws over boeddhisme, pagina 1 |
Tsukioka Kogyo in het Bonnefanten-museumIn het Bonnefanten-museum in Maastricht is op 15 januari een tentoonstelling gestart met werk van Tsukioka Kogyo (1869-1927).Deze schilder werd nog het meest bekend vanwege zijn uitbeeldingen van karakters uit het Nōh. Hij leefde tijdens een zeer roerige periode in Japan, en heeft ongetwijfeld in het Nōh een thematiek aangetroffen die iets zei over het lijden in zijn tijd, en de opheffing van lijden zoals het boeddhisme dit leert. Dat wil niet zeggen dat Tsukioka Kogyo zich expliciet als boeddhist positioneerde; hij zal als zovelen een Reine Land-aanhanger zijn geweest waar het niet heel expliciet je levensovertuiging etaleren een deugd is, geen valse bescheidenheid. Op de hier gegeven doorklik ziet de beschouwer een paar themas die in het Nōh aan de orde komen. De bovenste afbeelding spreekt over "het graf van Monshu" (Manjushri). Het graf is geen graf in de traditionele zin van het woord, maar de plek in de Noord-chinese bergen waar men de op de wolken geprojecteerde gestalte, en dus de aanwezigheid van deze bodhisattva van wijsheid meent te kunnen ontmoeten. Monju bosatsu (bosatsu = bodhisattva, niet boeddha) komt prominent voor in de Konkaikomyo-ji Temple in Kyoto, een Jōdō-tempel. Een van de andere krachtige afbeeldingen is die van de dichteres Ono-no-Komachi (laatste alinea) (9de eeuw), een personage dat zowel door Suzuki Shosan (1579-1655), een zenleraar en tevens Nōh-auteur werd beschreven, als door Ze-ami en Kan-ami, en bovendien in leven wordt gehouden door een Komachi Nōh-stuk vervaardigd door de tendai-monniken op berg Hiei. In de vroege Indiase (of Indic) canon — en we mogen op basis van een paar aanwijzingen best geloven dat dit post-Boeddha manuscripten betreft — worden vrouwen voorgesteld als belichaming van alles waar de mens (= de man) voor te vrezen heeft.
|
De Japanse paternalistische cultuur heeft dit aspect met graagte geďncorporeerd. In christelijke en islamitische termen — wellicht ook "post" — wordt wat dat aangaat gesproken over "de verleiding des vlezes". En ook daar, áls het al ter sprake komt, wordt er gedacht en geschreven over de vergankelijke schoonheid van het vrouwelijke, en over de aftakeling en de roemloze dood die worden voorgesteld als het exclusieve lot van het zwakke geslacht. Ono-no-Komachi wordt in de verschillende stukken voorgesteld als een lelijke oude vrouw die in haar jeugd van schoonheid de aangeboden hand van een liefhebber afwees, denkend dat ze alle tijd van de wereld had, en dat die vrijer wel zou wachten. Tegen het eind van Shosan's stuk zien we een oude vrouw die voorbij de honderd niet meer aangedaan is door het verleden, maar nog wel door het heden wanneer ze klaagt over haar uiterlijk en hoe de mensen haar met verachting behandelen. Zoals Tyler opmerkt: Shosan was niet geďnteresseerd in concepten als 'zonde'. Deze zen-adept toont eerder het 'zoals het is': de karmische gang van zaken: domheid afgewisseld met wijsheid, en een hoofdpersoon die op de drempel van verlichting is aangekomen. Tyler kan het niet waarderen, overigens, anderen wel. Vaak zijn het vrouwen die een paar van Komachi's gedichten vertaalden, en vaak bevestigen ze het vooroordeel dat vrouwen alleen geďnteresseerd zijn in het heel persoonlijke, in dit geval in de liefde tussen man en vrouw, of de afwezigheid daarvan. Het moet dan Donald Keene zijn die de moeite neemt een gedicht over het voorjaar te vertalen: "De bloemen verwelkten. / Hun kleur werd flets / terwijl ik doelloos / mijn dagen in deze wereld sleet / en de langdradige regens vielen." Het gaat even niet expliciet over de liefde as sutsj, maar wie 't er niet in ziet is bot of blind. Vrolijk word je er niet van, noch van Komachi's dichten, noch van de manier waarop ze is neergezet, maar de tentoonstelling lijkt de kwaliteit te hebben die maakt dat een treinkaartje richting Maastricht niet tevergeefs wordt aangeschaft. |
![]() Oost-Godavari; boeddhistische bakstenenIn het Indiase East Godavari-district zijn te Kumari-lova (Tuni) recentelijk archeologische vondsten naar boven gekomen uit de Satavahana-periode (200 vc - 250 nc). Ook deze vondsten worden geďdentificeerd als "boeddhistisch"; potscherven van rood aardewerk, loden munten, en andere zaken.Nu wordt er een "boeddhistische site" van gemaakt, die ook toeristisch uitgebaat moet gaan worden. Het wordt er een van de 53 in zowel de oostelijke als de westelijke Godavari-districten. Dat iedere potscherf en stuk baksteen dat naar boven wordt gehaald "boeddhistisch" is, past in de trend waarin wel wordt beseft dat boeddhisten op reis gaan naar hun verleden, maar hindus en anderen niet. Zo'n baksteen behoort dus niet tot een paleis uit de oudheid, want koningen van eertijds worden gezien als mythologische figuren, dakloze hemelbestormers. De geschiedschrijving heeft het dat in dit hele Deccan-gebied eerst de Nanda dynastie van zich liet horen, gevolgd door de Maurya, gevolgd door de Satavahanas, gevolgd door de Gupta. Daarna wordt het iets mistiger, en komen na nog weer een paar eeuwen de moslimvorsten aan de macht met, in het Godávari-bassin, Kutub Shah als laatste (einde midden 20ste eeuw).
|
Oude bronnen definiëren het Godávari-bassin als een plek waar al heel vroeg goud gewonnen werd. (H P Ray, 1994) In de Rgveda (IX.97.44; V.55.5) staat het: De Maruts (windgoden) worden daar geprezen voor het van het oceaanoppervlak optillen van de regen "om welstand op ons neer te laten regenen, vanuit de oceaan." De Rgveda is wel het oudste vedische werk. De rijkdommen die op de bewoners en uitbaters van het rivierbassin neerdalen zijn dan goud en andere kostbare bodemschatten. 't Is maar wat je onder 'neerdalen' verstaat. Himanshu Ray citeert een aantal bronnen waarin gesproken wordt over goud in connectie met de Godavari. Dat nu ook aan het oostelijke eind van deze rivier de rijkdommen neerdaalden, en er dus een kunstzinnige en levensbeschouwelijke cultuur ontstond is iets minder bekend. Over het algemeen gaat de aandacht naar de westelijke ghats, in de buurt waarvan de inmiddels wereldberoemde grotcomplexen van Pitalkhora, Ellora, en, iets verderop gelegen, Ajanta gevonden worden. Hoe ging dat dus tijdens die eerste dynastieën met goudhonger: de Nandas, de Maurya, de Satavahanas, en de Gupta lieten delven en brachten er boeddhistische en jaďn-professionals heen: jullie moesten eens iets voor ons organiseren; het mag best wat kosten. Jaďns en aziatische boeddhisten kunnen organiseren, dus dat kwam goed. Boeddhisten zien het je beste beentje voor zetten voor een goed doel als póenya, het soort handelen dat naar het goede doel leidt(*). De dynastieën die het breed konden laten hangen sponsorden ook het verder uitkappen van grottempels, het aanleggen van waterbassins, het maken van beelden, enzovoorts, en zo verder. Toen was het goud op. De raj en rani verdwenen, en de boeddhisten en jaďn ook. Kwamen de hindu-asceten: 'mooi wel, hier. Lekker rustig ook. Mooie spullen hebben ze achtergelaten'. Na enige tijd klonk er een 'waar is iedereen?', en nog wat later hoorde men een 'ik heb honger'. De sites van de boeddhisten, jaďns, en hindus bleven verlaten achter. En het zou heel wat eeuwen duren, tot in de Britse koloniale periode, voordat in oudheden geďnteresseerde ('afgericht' zou een beter woord zijn, maar dat klinkt niet vriendelijk) Britten er op een andere manier weer de gang in zetten. (*) Een hindu-meester als Bhagwan Sri Rajneesh had daar wat van opgevangen. Dát leverde wat commentaar op, in Holland, dat zijn sanyassin moesten wérken, en dat ze er niks voor kregen, en dat het wórshippen werd genoemd. De polder was in tumult, en het heeft nog lang geduurd voordat die wind weer is gaan liggen. |
Werkzaamheden Bantey Chhmar, CambodjaDe Britse krant The Independent van 10 januari had een artikel over de Bantey Chhmar-tempel, een van de Khmer-monumenten in Cambodja. Het vertelt het verhaal van John Sanday, "conservation architect" die met nog een 60 deskundigen op deze site aan het werk is gegaan.Het team is begonnen aan het zo veel mogelijk restaureren van een van de galerijen. Tot nu toe hebben ze twee jaar besteed aan een bas-relief waarop, naar men aanneemt, Jayavarman de Zevende zijn troepen ten strijde voert. Twee jonge Cambodjanen, zegt het artikel, zijn inmiddels aan het werk gegaan met een 3-D reconstructie van zo'n 700 blokken steen. Zodra dat gereed is kunnen de blokken eerst in een computerprogramma weer in elkaar gezet worden, waarna het handmatige werk van schuiven en tillen van de restanten een stuk eenvoudiger zal zijn. Het team heeft ook besloten dat muurrestanten die verloren zijn gegaan zo mogelijk vervangen zullen worden met andere die ook in het gat passen. De Borobudur is een van die plaatsen waar deze oplossing al eerder is toegepast. Het resultaat is niet altijd even gelukkig, respectievelijk altijd zichtbaar voor wie kijken wil. |
En dan maar meteen een niet gevraagd antrenoetje met de Azië-specialist van "Tussen kunst en kitsch". Dat bas-reliefje dat tijdens de tv-uitzending 11 januari 2012 voorbijkwam was inderdaad een van de muur afgehakt stukje kunst. Maar het was niet afkomstig van een stoepa. Wanneer de band rond de bol (anda) van een stoepa versierd is met afbeeldingen, dan zijn dat voorstellingen uit Boeddha's leven, of het nu het verhalen zijn uit de leerredes of uit de legenden (djátaka). Hetzelfde geldt voor de tórana, poorten, in de stenen railings rond stoepas. Die band behoort tot de anda en is geen plint op zich die tussen de vierkante basis en de bol is geschoven zoals Benisti veronderstelde, en zoals de antiekhandel haar, en niet de schriftgeleerden, in die opvatting dus is gaan volgen. Er zijn in geen van beide collecties manuscripten vertellingen te vinden over mennekes die met pilaren sjouwen. Ergo, het stukje dat op 11 januari werd getoond kwam van een paleis of ander seculier gebouw. En aangezien de vroeg-boeddhistische kunst, voor zover het niet in Kashmir-Gandhara ontstond, al snel vervaardigd moet zijn geweest door generaties van Bengaalse en Orissa-handwerkers die met kustvaarders de hele zuid-aziatische regio aandeden, is het ook moeilijk regionale stijlkenmerken te vinden die bijvoorbeeld Khmer-kunst onderscheidt van Javaanse — tenzij bijvoorbeeld een bepaalde manier van turbans of haarknoeten dragen geďdentificeerd kan worden als behorend tot deze of gene regio in die en die tijd. Daarom lijkt het toch dat stukken als het op de 11de getoonde alleen gedateerd kunnen worden aan de hand van carbon-dating, en waar ze vandaan komen zal wel een vraagteken blijven. Het hoofd van de Buddha Vihar in de Indiase plaats Nalasópara heeft archeologen van de Archaeological Survey of India (ASI) geleid naar de restanten van een pilaar. De voorlopige indruk was dat het monument was opgericht ter nagedachtenis aan Boeddha's bezoek aan deze plaats in de buurt van Mumbai. Al eerder werden daar de restanten van een stoepa gevonden die door koning Asoka zou zijn gebouwd. In de mythologische verhalen, wellicht in de djátaka, maar dat is hier niet met zekerheid te zeggen, zou Nalasopara de geboorteplaats zijn geweest van een persoon of wezen die in een later leven Boeddha zou worden. |
Art Stage in Singapore, Buddhism in Art in Hong KongDagblad Le Monde had op 13 januari een artikel over het Art Stage in Singapore. Met dit redelijk nieuwe initiatief wil Singapore zich op gelijke hoogte gaan stellen als bijvoorbeeld Hong Kong wanneer het om art fairs gaat.Het artikel werd begeleid door een foto van een 12 meter lang doek van de thaise kunstenaar Navin Rawanchaikul getiteld "We Are Asia". Op het doek toonde hij de hele gezellige mix van culturen en etnieën van zijn land: een monnik links vooraan, het witte boordje van een christelijk geestelijke in het midden, de figuur van een hindu-heilige rechtsbovenaan. Maar de imam, nee. Misschien staat hij er wel, maar dan onherkenbaar. |
![]()
In Hong Kong valt met sponsorship van de Robert H N Ho Family Foundation en de Bank of America/Merrill Lynch tot 20 mei een tentoonstelling te bezichtigen onder de titel "Transforming Minds: Buddhism in Art". Er worden stukken getoond uit de collectie van de heer en mevrouw John D. Rockefeller 3rd. De tentoonstelling werd georganiseerd ter gelegenheid van het in gebruik nemen van de nieuwe Asia Society Gallery die gerealiseerd is geworden in het negentiende-eeuwse "Explosives Magazine", het kruithuis. De tentoonstelling bevat zowel klassieke werken als hedendaagse. Het hier getoonde boeddhahoofd mogen we wellicht zien als oude kunst in een nieuw universumpje. |
![]() Restauratie VikramashīlaImran Khan, op 24 januari schrijvend voor persbureau IANS, heeft laten weten dat de deelstaatregering van het Indiase Bihar van plan is de restauratie van de eertijds universiteit van Vikramashīla ter hand te laten nemen, eveneens in het kader van toeristische ontwikkeling, niet als onderwijscentrum.Vikramashīla werd gebouwd tijdens de Pala-dynastie (750-1174), en wel door Dharmapala die regeerde op de grens van de 9de en 10de eeuw. De site bevindt zich te Bhagalpur, ca 150 km verwijderd van de hoofdstad Patna. |
Er worden twee sponsoren voor het project genoemd: het National Culture Fund en de National Thermal Power Corporation. Werkzaamheden zouden in februari beginnen.
Wat er onderandere is aangetroffen zijn 52 cellae of slaapvertrekjes, de centrale stoepa, restanten van muren en kleine voorwerpen zoals beeldjes, aardewerk en munten. Het voetpad op de foto is van recente datum. Ter verduidelijking: cellae dienden en dienen om te slapen; overdag zijn ze dicht en mogen ze niet gebruikt worden. Vikramashīla was met name een oord waar het nu noordelijke mahāyana werd bestudeerd, en er zijn aanwijzingen dat de studie en beoefening van tantrayana daarvan de hoofdmoot vormde. |
| Nieuws over Boeddhisme is een productie van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme. De paginas bestaan sinds mei 2004. |
Stichting onder nummer 20138036. |