Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






Structurering van de boeddhistische monniksgemeenschap





Op 12 februari 2006 vierden de Boeddhisten in Thailand, Cambodja, en Laos mahā Bucha (bóedzja).
De een spreekt over mahā Bucha, de ander over Makha Bucha, een derde over Magha Bucha. Wellicht heeft iedereen gelijk, want mahā betekent 'groot'; makha betekent 'feest'; Magha is de naam van een maand op de maankalender. Bucha is een "verthaising" van het woord pūja (poedja), eredienst of offeren tijdens een eredienst.

Op die dag, negen maanden nadat Boeddha was Ontwaakt, kwamen 1250 inmiddels over Noord-India verspreidde monniken hem spontaan bezoeken, onder aanvoering van Boeddha's eerste zes getrouwen.
Het boeddhisme in Thailand, Laos en Cambodja meent dat deze 1250 allemaal Arhat waren, allemaal Verlichting hadden bereikt. Dat valt niet aan te nemen wanneer we de geschiedenis van de eerste jaren van Boeddha's dispensatie bestuderen.

Na deze eerste negen maanden prediken (of twee maanden overdenken van de onderwijsmethode plus zeven van daadwerkelijk prediken) luisterden allen in Vééluvan-áárama, de monnikenverblijfplaats in het bamboebos, in de stad Rádja-gaha of Rajgir zoals het vandaag heet, naar Boeddha's beslissing over de toekomst van zijn monniksgemeente. Hier gaf hij de eerste Hogere Wijding. Daarnaast onderwees hij over 1. De filosofie van het Boeddhisme; 2. over de principes van het Boeddhisme, en 3. over de manier waarop de Dharma onderwezen kan worden. Dit is de traditionele opvatting zoals deze in Thailand onderwezen wordt.

Boeddha's allereerste volgelingen worden Ehi bhikkhu, "kom, monnik-monniken", genoemd; een simpele uitnodiging om het heilige leven aan te vangen was voldoende om hen van gewoon burger naar het leven van een thuisloze te brengen.
Zijn eerste zes discipelen, tot de Dharma gebracht in het Hertenpark nabij Benares, kenden het leven van de asceet (5), respectievelijk waren opgevoed in de hogere sociale strata van de toenmalige Indiase maatschappij. Zij kenden het thuisloze leven uit ervaring, resp. als supporter van andere rondtrekkende religieuzen.
In de Monnikscode (vinaya-pitaka; in beide gevallen klemtoon op de i) zien we hoe Boeddha al snel zijn gerealiseerde monniken aanried om op weg te gaan teneinde de Dharma te prediken. Volgens dat document dat in de taal het Pali bewaard is gebleven zei Boeddha: "Ga, monniken, en trek rond tot zegen van de menigte, voor het geluk van de menigte, uit mededogen met de wereld, voor het welzijn, de zegen, het geluk van hemelingen en mensen. Ga ieder alleen een richting uit; ga niet met twee (of meer)."
De passage toont aan dat er al heel snel zelfstandig gevestigde monniken-gemeenschappen waren, en in het begin hadden die gemeenschappen geen andere richtlijnen dan de inhoudelijke leringen die Boeddha de leiders ieder persoonlijk had gegeven voordat ze uitwaaierden over in eerste instantie Noord-India.

Toen na negen maanden deze sangha was aangegroeid tot 1250 volgelingen uit alle sociale lagen van de bevolking — gemiddeld 200 leerlingen per kersverse Arhat - bleken er nieuwelingen te zijn die het klappen van de monnikenzweep binnen de Boeddha-Sáásana niet onder de knie hadden, resp er niets van begrepen. Velen waren ex-sadhu, sommigen hadden hun landbouwareaaltje of handel achtergelaten met een te geringe kennis van de religieuze cultuur van het land. We moeten ons blijven herinneren dat bepaalde bevolkingsgroepen per traditie buiten de finesses van de vedisch-brahmaanse leer en praktijk werden gehouden.

Vanuit het perspectief van de asceet-sadhu was het heilige leven onder Sakyamuni Boeddha een "makkie"; vanuit het perspectief van de gewone burger was datzelfde leven van een angstaanjagende rigeur.
Deze exponentiële groei van de sangha bracht Boeddha er toe zijn geestkracht aan te wenden om hen allen om zich heen te verzamelen en een aantal levensregels dwingend voor te schrijven. Dit aanvankelijk kleine aantal regels groeide later uit tot de Vínaya, de langere monniks- en nonnenregels zoals we die vandaag in een aantal variaties kennen, afhankelijk van deze of gene stroming zoals de theravāda, de darmagupta,, de mūlasarvastivāda en andere.

Tijdens deze Magha Pūja (of Bucha) gaf Sakyamuni Boeddha zijn monniken de Ovāda Pātimokkha die voor wat betreft ouderdom, en dus authenticiteit, het minst problematische deel van de Pātimokkha of Prātimokhsha is. Pātimokkha of Prātimokhsha betekent "dat wat bevrijding brengt".
Dit is dus een dag die gewijd is aan de cultivering van de gewijde of pijdragende sangha of gemeenschap.
De Ovāda Pātimokkha behandelt khanti - geduldige verdraagzaamheid, sīla - het morele handelen, samādhi - meditatie, en paññā - wijsheid.
De Ovāda Pātimokkha zoals die is opgenomen in de Pali-geschriften begint met een gevesifieerd deel dat als volgt luidt:

Je inspannen tot geduldige verdraagzaamheid.
Nibbāna (nirvāna) is het hoogste wat Boeddha onderwijst.
Wie anderen fysiek geweld aandoet kan niet worden aangeduid met "hij die Voortgegaan is".
Noch zal een sámana (monnik/non) anderen schaden.


De Pali-tekst is als volgt:

Khanti paramam tapo tītikkhā
Nibbānam paramam vadanti buddhā
Na hi pabbajjito pārupaghātī
Samano hoti param vihethayanto.


(Een Engelstalige versie van de hele Ovāda Pātimokkha vindt u hier.)

Drie maanden voor Boeddha's Grote Heengaan, eveneens in de maand Magha, hield hij een rede die zijn overlijden zou aankondigen. De Thaise traditie noemt deze rede het "Afwerpen van het leven zoals dat bestaat op basis van de vijf aggregaten." De aggregaten worden ook wel de Vijf Groepen van Hechten genoemd, het psychisch-fysieke complex waar we ons aan hechten omdat daarzonder geen ademend leven mogelijk is.

Er zijn dus twee mahā, of Makha, of Magha Pūja- of Bucha-dagen binnen het Theravada-Boeddhisme van Zuid-Oost Azië.









Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme