Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






De stoepa en het reliek



Augustus 2015
Een aantal voormalige Zijderoutestaten, bijvoorbeeld Tajikistan, hebben het boeddhisme-toerisme ontdekt. De daar actieve toeristen-bureaus menen de toerist ook inhoudelijke informatie te moeten verschaffen, en dan krijg je dat.
Zo wordt de stoepa dezer jaren aangeduid met "(ook) tempel". Een tempel is een bouwwerk waar je in kunt om iets te doen. Met een stoepa is dat per definitie niet het geval. Een stoepa, of in de Himalayas een chorten, staat soms op het terrein van een tempel, maar niet altijd. Vaak genoeg staan ze als een denkmaal langs een ooit veel begane route. Dezer jaren wordt soms een tempel gebouwd in de vorm van een mega-stoepa, maar dat is mode die niet lang stand zal houden.
Juni 2010


In het Pali-manuscript dat de laatste dagen van Boeddha op aarde behandelt vinden we de passage dat hij zijn monniken opdracht geeft over zijn stoffelijke resten een stoepa te bouwen zoals dat gebruikelijk is voor vorsten en andere groten. De stoepabouw was in Noord-India derhalve al voor ca 500vC in zwang. De mahāyana Lotus soetra, het zevende hoofdstuk, begint met de beschrijving van een stoepa. Daar is het niet langer een aarden tumulus of een bakstenen heuvelvormig bouwwerk, maar een "vijfhonderd jůjana hoog" bouwwerk gemaakt van edelstenen, goud en zilver. Een jůjana is een onbeschrijfelijk lange afstand. Een dergelijk bouwwerk zal nooit bestaan hebben tenzij in de verbeelding van boeddhisten die visualiseren als vehikel gebruiken. Het Lotus soetra-fragment, dat heel wel later aan een ouder corpus kan zijn toegevoegd, toont wel aan dat dit manuscript is geschreven in een tijd en in een omgeving waarin verering van stoepas gemeengoed was geworden, en waar edelstenen en dergelijk ruim voorhanden waren, tenzij als mijnbouwprodukt van eigen bodem, danwel als gemakkelijk te financieren import-produkt. In ieder geval dit fragment zou daarom geschreven kunnen zijn in wat vandaag Serindia wordt genoemd, ten westen van India Bharat, ettelijke eeuwen na Boeddha's overlijden.

Zuidoost-AziŽ buiten India en Sri Lanka noemt een stoepa een djeedie (schrijf: chedi).
Het woord chedi is een verbastering van caitya of cetiya, en een caitya (spreek: dzjŠjtja) of cetiya zou in de voorboeddhistische tijd een heilige boom zijn geweest, of althans een boom waaronder eer werd bewezen aan de roekkha-deva (Skr.: rukkhadeva), de boomheilige, of de beschermer van bomen. Dit is de opvatting zoals deze in Sri Lanka is vastgelegd, en werd herhaald door S. PŠrana-vitŠna in deel 5 van de "Memoirs of the Archaeological Survey of Ceylon" (1946).
Zodra daarna in de Indiase oudheid sprake is van de term "universeel vorst" (Sanskriet: cakra-vŠrtin), komt ook het gebruik van bouwen van caitya's in zwang, en van dan af is er dan ook sprake van een omwaarderen van de prehistorische grafheuvel, en wordt deze grafheuvel gestileerd naar de halve-bolvormige stoepa zoals we die nu in zuidoost AziŽ kennen. De overlijdens-stoepa te Kushinagar, die waaronder Boeddha's as werd begraven, heeft nog alle kenmerken van een grafheuvel. En deze vorm vinden we ook verder nog in het noord-India rond de rivier de Ganges uit de boeddhistische periode, dus vanaf de vijfde eeuw vC tot aan de komst van de islam.
Maar het merendeel van de stoepas (stūpa) in India en overig zuidoost AziŽ heeft een gestileerde vorm gekregen, en is geen grafheuvel meer in de strikte zin van het woord. Er worden relieken of sacrale voorwerpen in gemetseld, maar nergens werden hier alle stoffelijke restanten van een persoon in ondergebracht.

Helemaal beneden aan de klassieke Indiase stoepa bevinden zich twee vierkante platforms, de een boven de ander, en de onderste groter dan de bovenste. Ze zijn bereikbaar door een dubbele trap (sopāņa). Met hun scherpe hoeken verbeelden de twee platforms de mensenwereld met zijn scherpe kantjes. Deze twee platforms (medhi) zijn de twee paden waarop men met de rechterschouder naar de bolvormige koepel gekeerd kan circumambuleren. De kolommen die we hier en daar rond deze medhi aantreffen zijn als het ware een demarcatie met de buitenwereld; wie er niets te zoeken heeft betreedt ze niet. Op deze medhi staat een bolvormige massieve koepel, de aņda (= ei) die volgens velen het universum verbeeldt dat helemaal compleet is, en volmaakt, en waar niets aan toegevoegd kan worden, noch kan er iets uit verdwijnen - een perfecte weergave van de mahāyana-leer die nota bene voor het eerst gestalte werd gegeven in wat we de Pali-periode van het boeddhisme mogen noemen.
Boven op die bolvorm staat de zogenaamde harmikā, een vierkante constructie, omgeven door een balustrade. De harmikā staat voor de Vier Nobele Waarheden: dat er ongemakken (lijden, doekkha) zijn, dat er een oorzaak voor die ongemakken is, dat er een eind aan die ongemakken mogelijk is, en dat er een weg is om dat eind te bereiken.
Bovenop de harmikā staan een tot drie parasols (chattra, spreek: tsjŠtra, respectievelijk chattrāvalī) boven elkaar gemonteerd die oorspronkelijk alleen gebruikt mochten worden voor vorsten. De een- tot drielagige parasol gaf de koninklijke waardigheid aan en beschermde tegen de zon. Binnen de boeddhistische context staan ze voor de grote waardigheid van de Boeddha-Dharma, en symboliseert de spits ervan het doel van de weg naar het eind aan doekkha.
De hele stūpa wordt traditioneel omsloten door een uit steen gebeiteld hekwerk met vier poorten (tůraņa), een op iedere windrichting. Dankzij deze omheining bevindt de cultivator zich daarbinnen als het ware, althans visueel, in een enigszins van de woelige buitenwereld afgesloten gebied.

De waardering van de stoepa als reliekhouder moet in het vroege boeddhisme een factor zijn geweest die mede gezorgd heeft voor het ontstaan van verschillende stromingen. Die verschillende waardering van de stoepa als voorwerp van verering, en als houder van relieken, die verering behoeven, moet nu ook weer niet gezien worden als een majeure factor voor verschillen van mening, maar kan ook niet over het hoofd worden gezien.
Zo was er aanvankelijk de sthāvira-stroming van het vroege Kleine Voertuig. Amar Singh schrijft over deze stroming die ontstaan moet zijn aan het eind van het tweede concilie waarbij "oud" en "nieuw" ieder zijns weegs ging. Uit de sthāvira-stroming ontstonden tenminste drie andere, aan elkaar verwante substromingen: de mahisāsaka, de dharmagķptaka en de (noordelijke) theravāda. Wat ze te zeggen hadden werd opgetekend door Vasumitra, Bhavya en anderen, en werd bijeengebracht door A. Bareau(*)
Alle drie vertakkingen van de sthāviravāda hadden een duidelijke opvatting over de stoepa, respectievelijk relieken (sariira). De mahisāsaka vond dat een stoepa-verering geen grote morele verdienste opleverde, zelfs geen kleine. De theravāda spreekt over de stoepa als een gedenkplaats, een plek waar de praktijk verdieping kan krijgen, maar niet over relieken-verering. De dharmagupta was van oordeel dat er wel degelijk grote verdienste schuilt in eer bewijzen aan zowel stoepa als relieken; dat er wel degelijk grote morele verdienste in schuilt. Het is de dharmagupta-stroming die voor een deel het Chinese boeddhisme heeft beÔnvloed. We kunnen niet zeggen dat verering op het menu van het latere chinese boeddhisme is gekomen, maar tempelgemeenschappen bouwen wel graag zo'n monument, al was het alleen maar om de aandacht te trekken, en om te veel wierook offerende burgers buiten de hal van de tempel zelf te houden.

Een andere Kleine Voertuig-stroming, de Mūla-sarvastivāda die rond de 8ste eeuw tot ca. de 11de eeuw in de "foothills" van de Himalayas, in Kashmir en in de Ganges-vlakte floreerde, die de aanvankelijke Kleine-Voertuigbron van het tibetaanse boeddhisme werd, schonk eveneens groot gewicht aan offerande en gedenkceremonieŽn bij de stoepa. Of hier materiŽle omstandigheden een rol hebben gespeeld — het te klein en onaanzienlijk blijven van monialenbehuizingen om daar wat dan ook te kunnen organiseren — valt niet meer na te gaan. De eerste lichting van een aan de Mūla- voorafgaande stroming, de Sarvastivāda die door Xuanzang alleen in Kashgar in de huidige Xinjiang-provincie van China werd aangetroffen (maar een eeuw later door zijn collega Ijing niet meer), lijkt in zijn document de sarvastivāda-vaibhāsa geen aandacht te hebben voor stoepas en relieken.

Een grondige Engelstalige introductie tot het concept stoepa (stūpa) vindt op onder http://www.uqtr.ca/dessin/page06/P06.html
Het is een klein beetje jammer dat de Tibetaanse tradities hun vele verhandelingen over de stoepa eenzijdig vanuit de eigen Himalaya-achtergrond benaderen en weinig oog hebben voor de daaraanvoorafgaande levensbeschouwelijke en kunsthistorische ontwikkeling.

(*) Les Sectes Bouddhiques, Parijs 1955.








Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme