Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






De stoepa en het reliek



Juni 2010


Zuidoost-Azië buiten India en Sri Lanka noemt een stoepa een djeedie (schrijf: chedi).

Het woord chedi is een verbastering van caitya of cetiya, en een caitya (spreek: dzjájtja) of cetiya zou in de voorboeddhistische tijd een heilige boom zijn geweest, of althans een boom waaronder eer werd bewezen aan de roekkha-deva (Skr.: rukkhadeva), de boomheilige, of de beschermer van bomen. Dit is de opvatting zoals deze in Sri Lanka is vastgelegd, en werd herhaald door S. Párana-vitána in deel 5 van de "Memoirs of the Archaeological Survey of Ceylon" (1946).
Zodra daarna in de Indiase oudheid sprake is van de term "universeel vorst" (Sanskriet: cakra-vártin), komt ook het gebruik van bouwen van caitya's in zwang, en van dan af is er dan ook sprake van een omwaarderen van de prehistorische grafheuvel, en wordt deze grafheuvel gestileerd naar de halve-bolvormige stoepa zoals we die nu in zuidoost Azië kennen. De overlijdens-stoepa te Kushinagar, die waaronder Boeddha's as werd begraven, heeft nog alle kenmerken van een grafheuvel. En deze vorm vinden we ook verder nog in het noord-India rond de rivier de Ganges uit de boeddhistische periode, dus vanaf de vijfde eeuw vC tot aan de komst van de islam.
Maar het merendeel van de stoepas (stūpa) in India en overig zuidoost Azië heeft een gestileerde vorm gekregen, en is geen grafheuvel meer in de strikte zin van het woord. Er worden relieken of sacrale voorwerpen in gemetseld, maar nergens werden hier alle stoffelijke restanten van een persoon in ondergebracht.

Helemaal beneden aan de klassieke Indiase stoepa bevinden zich twee vierkante platforms, de een boven de ander, en de onderste groter dan de bovenste. Ze zijn bereikbaar door een dubbele trap (sopāņa). Met hun scherpe hoeken verbeelden de twee platforms de mensenwereld met zijn scherpe kantjes. Deze twee platforms (medhi) zijn de twee paden waarop men met de rechterschouder naar de bolvormige koepel gekeerd kan circumambuleren. De kolommen die we hier en daar rond deze medhi aantreffen zijn als het ware een demarcatie met de buitenwereld; wie er niets te zoeken heeft betreedt ze niet. Op deze medhi staat een bolvormige massieve koepel, de aņda (= ei) die volgens velen het universum verbeeldt dat helemaal compleet is, en volmaakt, en waar niets aan toegevoegd kan worden, noch kan er iets uit verdwijnen - een perfecte weergave van de mahāyana-leer die nota bene voor het eerst gestalte werd gegeven in wat we de Pali-periode van het boeddhisme mogen noemen.
Boven op die bolvorm staat de zogenaamde harmikā, een vierkante constructie, omgeven door een balustrade. De harmikā staat voor de Vier Nobele Waarheden: dat er ongemakken (lijden, doekkha) zijn, dat er een oorzaak voor die ongemakken is, dat er een eind aan die ongemakken mogelijk is, en dat er een weg is om dat eind te bereiken.
Bovenop de harmikā staan een tot drie parasols (chattra, spreek: tsjátra, respectievelijk chattrāvalī) boven elkaar gemonteerd die oorspronkelijk alleen gebruikt mochten worden voor vorsten. De een- tot drielagige parasol gaf de koninklijke waardigheid aan en beschermde tegen de zon. Binnen de boeddhistische context staan ze voor de grote waardigheid van de Boeddha-Dharma, en symboliseert de spits ervan het doel van de weg naar het eind aan doekkha.
De hele stūpa wordt traditioneel omsloten door een uit steen gebeiteld hekwerk met vier poorten (tóraņa), een op iedere windrichting. Dankzij deze omheining bevindt de cultivator zich daarbinnen als het ware, althans visueel, in een enigszins van de woelige buitenwereld afgesloten gebied.

De waardering van de stoepa als reliekhouder moet in het vroege boeddhisme een factor zijn geweest die mede gezorgd heeft voor het ontstaan van verschillende stromingen. Die verschillende waardering van de stoepa als voorwerp van verering, en als houder van relieken, die verering behoeven, moet nu ook weer niet gezien worden als een majeure factor voor verschillen van mening, maar kan ook niet over het hoofd worden gezien.
Zo was er aanvankelijk de sthāvira-stroming van het vroege Kleine Voertuig. Amar Singh schrijft over deze stroming die ontstaan moet zijn aan het eind van het tweede concilie waarbij "oud" en "nieuw" ieder zijns weegs ging. Uit de sthāvira-stroming ontstonden tenminste drie andere, aan elkaar verwante substromingen: de mahisāsaka, de dharmagúptaka en de (noordelijke) theravāda. Wat ze te zeggen hadden werd opgetekend door Vasumitra, Bhavya en anderen, en werd bijeengebracht door A. Bareau(*)
Alle drie vertakkingen van de sthāviravāda hadden een duidelijke opvatting over de stoepa, respectievelijk relieken (sariira). De mahisāsaka vond dat een stoepa-verering geen grote morele verdienste opleverde, zelfs geen kleine. De theravāda spreekt over de stoepa als een gedenkplaats, een plek waar de praktijk verdieping kan krijgen, maar niet over relieken-verering. De dharmagupta was van oordeel dat er wel degelijk grote verdienste schuilt in eer bewijzen aan zowel stoepa als relieken; dat er wel degelijk grote morele verdienste in schuilt. Het is de dharmagupta-stroming die voor een deel het Chinese boeddhisme heeft beïnvloed.
Een andere Kleine Voertuig-stroming, de sarvastivāda die vanuit Serindia (Kashmir-Gandhāra) naar Tibet zou migreren, althans de eerste lichting van deze stroming, de sarvastivāda-vaibhāsa, lijkt geen aandacht te hebben voor stoepas en relieken, maar een tweede golf, de mūla-sarvastivāda, is eveneens van mening dat de verering van stoepa en relieken grote morele verdienste oplevert, zoals we vandaag nog doorheen heel de Himalaya-regio kunnen zien.

Een grondige Engelstalige introductie tot het concept stoepa (stūpa) vindt op onder http://www.uqtr.ca/dessin/page06/P06.html
Het is een klein beetje jammer dat de Tibetaanse tradities hun vele verhandelingen over de stoepa eenzijdig vanuit de eigen Himalaya-achtergrond benaderen en weinig oog hebben voor de daaraanvoorafgaande levensbeschouwelijke en kunsthistorische ontwikkeling.

(*) Les Sectes Bouddhiques, Parijs 1955.