DE VASTENDE BOEDDHADe bodhisattva-asceet Gáutama die tot Boeddhaschap zou Ontwaken
![]() Het museum in Lahore, Pakistan, herbergt een standbeeld van Boeddha toen hij nog een bodhisattva, een naar boeddhaschap strevende was, in de tijd waarin hij vastte om zo nirvāna te bereiken of te ervaren. Het lukte niet, zoals bijgaand fragment zal tonen.In de Vitakka Sandhāna Sutta(1) uit de Pali-canon, waarvan de lijsten van Chizen Akanuma geen Āgama (= Kleine Voertuig-geschriften behorend tot de Chinese mahāyana-) tegenhanger opleveren, wordt beschreven hoe de bodhisatta (bodhisattva) Gótama (Gáutama), voordat hij Boeddhaschap realiseerde, extreme ascetische praktijken beoefende zoals dat gebruikelijk was (en nog is) in de streken juist aan de voet van de Himalayas. ![]() Het fragment:"De bodhisatta dacht, 'Stel dat ik me nog meer inspan, dat ik helemaal geen voedsel meer tot me neem.' Toen de hemelingen (devatā) gewaar werden van zijn gedachten zeiden ze, 'Alstublieft, heer Gótama, hou niet helemaal op met eten. Doet u het toch, dan zullen we voedsel door de poriën van uw huid binnenbrengen, en daarop zult u in leven blijven.' Toen dacht de bodhisatta, 'Als ik zou zeggen dat ik helemaal geen voedsel meer tot me neem dan zullen die devatā voedsel door mijn poriën binnenbrengen, en daarop zal ik dan in leven blijven; dan zou ik liegen.' De bodhisattva wees het aanbod van de devatā van de hand; hij zei dat hij niet wilde dat voedsel door zijn poriën zijn lichaam zou binnendringen.Toen besloot hij dat hij steeds minder voedsel tot zich zou nemen, niet meer dan wat dhal (linzenbrij) in de holte van zijn hand. Zo op slechts vijf of zes handjes dhal per dag levend raakte zijn lichaam extreem vermagerd. De ledematen verdorden, en alleen huid, pezen en botten bleven over. De rugwervel werd zichtbaar in oneven klompen en uitsteeksels. De ver uit elkaar staande botten staken er overal uit en boden een afschuwelijke aanblik, net als in de schilderingen waarop de bodhisattva extreme lichamelijke exercities oefende.(1) De glans verdween uit de ogen, en de ogen zonken diep weg in de holten; het leek of je keek naar de weerschijn van het water in een diepe put. De schedel was in de zon verdord en leek op een groen-bemoste, overrijpe kalebas. De magerheid was zo extreem dat wanneer hij de huid van de buik aanraakte, hij de ruggewervel voelde; en wanneer hij de ruggewervel aanraakte, voelde hij de huid van de buik. Zodra hij blaas en darmen probeerde te ledigen was die inspanning zo pijnlijk dat hij voorover op zijn gezicht viel — zo verzwakt was hij door dit extreme dieet. Dit extreem vermagerde lichaam van de bodhisatta ziend, zeiden de mensen, 'de monnik Gótama is een zwarte.' Anderen zeiden, 'hij is bruin.' Weer anderen zeiden, 'de monnik Gótama heeft de blauw-bruine kleur van een torpedo-vis'(2), zozeer was de heldere, lichte, gouden huidskleur van zijn huid achteruit gegaan." Noten: (1) Hier wordt verwezen naar een van de Jātaka, verhalen uit vroegere levens van Boeddha. Opvallend is dat er eertijds schilderingen van die episode moeten zijn geweest, waarvan we er vandaag niet een meer kennen. (2) torpedo bancroftii. In de Nobele Zoektocht wordt naar deze episode en praktijk verwezen wanneer Boeddha's eerste vijf discipelen, toen nog asceten in de orthodoxe sadhu-traditie, hem verwijten de ascetische praktijk (van vasten) te hebben opgegeven. De afwijzing van extreem ascetisme wordt ook herhaald in de Eerste Leerrede. Toch zou Boeddha nog een keer het middel van vasten hanteren, en wel vlak voor zijn Grote Ontwaken. Zie daarvoor het verhaal over Tapussa en Bhallika. Strenge ascese was niet voorbehouden aan het India van de antiquiteit, ook Griekenland kende zijn voorbeelden. Zo zou Democritus tegen het eind van zijn leven zijn ogen hebben uitgestoken om niet gestoord te kunnen worden tijdens zijn overwegingen(1), en de cynicus Crates gaf zijn rijkdom weg, of, zoals Diogenes Laërtius beweerde, hij gooide alles in de rivier, maar misschien is dit wel een dichterlijke omschrijving van totaal afstand doen.(2) (1) Cicero, De Finibus V,xxiv,87 (2) Diogenes Laërtius VI,87 |
|