Uit het archief van www.buddha-dharma.eu






RONDOM DE DHARMA

Vegetarisme en boeddhisme





Juni 2011
Er is in deze files die sinds 2004 zijn ontstaan nooit permanent aandacht geschonken aan het concept vegetarisme en boeddhisme. De bronnen voor zo'n verhandeling waren nagenoeg afwezig, op een flink stuk tekst in de Lankāvatāra soetra na, dat toch niet veel ouder kan zijn dan de zesde eeuw.
Er is in de daaraanvoorafgaande Pali-canon van het zuidelijke boeddhisme slechts één instantie waar Boeddha spreekt en zijn voorkeur uitspreekt voor vegetarisch voedsel. Maar omdat de monniksgemeenschap niet aan de schouders van de lekenvolgelingen mag gaan hangen, was het hen verboden een voorkeur voor het een of ander uit te spreken: eten wat de pot schaft, en netjes dankzeggen. Dit is nog steeds gebruikelijk in het zuidelijke of theravāda-boeddhisme waar een min of meer vagrant bestaan nog mogelijk is.

Hoe komt het dan dat een groot deel, zoniet de totaliteit van het Chinese mahayāna-boeddhisme vegetarisch leeft, dat wil zeggen, geen vlees of vis gebruikt?(1)

Jaques Gernet is waarschijnlijk de enige geweest die onderzoek heeft verricht naar de economische geschiedenis van het boeddhisme in het China van tussen de vijfde en tiende eeuw.(2)
Om te begrijpen hoe de hazen in die tijd liepen kunnen we het best eerst de plattelandsontwikkeling van het noorden van Frankrijk in, in ieder geval, de zeventiende en achttiende eeuw onder de loep nemen. In die eeuwen, en al voor die tijd "had" de koning het land. Dat wil zeggen, het was niet zijn persoonlijk eigendom, maar hij kon er over beschikken, het weggeven, of het bestemmen voor de een of andere functie. Daarbij waren de landbouwers landgebonden: ze hoorden bij het land dat ze verbouwden. Wilde een boer van zijn grond af, dan kon hij elders een ander beroep gaan uitoefenen, maar hij kon zijn land niet verkopen om ergens anders een nieuw stuk land aan te kopen, en de koning kon hem er ook niet van verjagen.
Zo zien we in de geschiedenis van een dorp als Annay (sous Lens) in de Pas-de-Calais dat de koning al in de negende eeuw het dorp met zijn landbouwopbrengst schonk aan de Sint Pieters-abdij van Gent. De monialen hadden het recht zoveel van de oogst en het vee naar Gent te transporteren als ze nodig hadden. Dat deden ze dan ook.
Aan het begin van de achttiende eeuw krijgt een maarschalk als Claude Louis Hector de Villars toestemming om in Annay zijn kamp op te slaan, respectievelijk er zoveel voedsel en manschappen uit te peuren als hij denkt nodig te hebben.

In het noordwesten van China deed zich een ontwikkeling voor die voor wat betreft de afhankelijkheidspositie van landbouwers enigszins vergelijkbaar is. In de navolgende alineas wordt gesteund op specifieke regelgeving ten aanzien van het monastieke leven, op ervaringen die zijn opgedaan binnen de moniale gemeenschap buiten het vasteland van China, en binnen die context worden de woorden van Jaques Gernet's boek geplaatst. Jaques Gernet baseert zijn boek op documenten die het reilen en zeilen van voornamelijk tempel-kloosters in de nabijheid van Dunhuang behandelen.

In Noord-China werd, althans aan het begin van de zevende eeuw een verbod op verkoop van landbouwgrond afgekondigd (Gernet p.129). Dit moet de landbouwers die het op hun grond konden uithouden, dat wil zeggen opkoop konden weerstaan en belastingen konden voldoen, in een positie hebben gebracht die vergelijkbaar was met die van hun beroepsgenoten eeuwen later in Frankrijk, althans voor enige tijd. De maatregel in China was overigens genomen om te voorkomen dat rijke boeren, en overigens ook grote tempels als de Ching-tu in Dunhuang (ibid. p.130) arme keuterboertjes uitkochten, en hen niet zelden een jaarcontract als landbouwer op eigen grond aanboden. Tot zover Gernet.
De tempels kunnen tot uitkoop zijn overgegaan in die gevallen waarin hun eigen grond op en rond heuveltoppen (zie onder) te arm was om de hele gemeenschap, inclusief de aan hen toegewezen ex-gevangenen/werknemers, te voeden. Het kan ook zijn dat deze boeren hun bedrijf ter overname aanboden ofwel omdat ze te weinig opbrachten, ofwel omdat er geen erfgenamen waren, ofwel omdat de tempels meer boden dan de overheidskantoren.

Wat er aan voorafging was dat het de keizers uit genoemde periode onaangenaam was wanneer monialen langs de straten en wegen gingen om in de ochtenduren voor de deuren van supporters hun voedsel bij elkaar te garen. Het werd als bedelarij gezien, en dit was in flagrante tegenspraak met de leer van het confucianisme.
Het was de keizers ook onaangenaam wanneer monialen zich zomaar zelfstandig ergens gingen vestigen en hun monniks- en nonnenweg gingen zonder zich iets van hem en zijn bevelen aan te trekken. Als gevolg stichtten de opeenvolgende keizers zelf een groot aantal tempel-kloosters en bemoeiden ze zich intensief met hun zaken.(3)

Een van de regels waar boeddhistische monialen zich aan te houden hebben is dat ze geen "wereldse" beroepen mogen hebben. Dat is geen stimuleren van luiheid, maar een voorkomen dat de gewone burgerij zich beconcurreerd voelt door monialen die ze tegelijkertijd wensen te steunen door hen voedsel en/of andere zaken te verschaffen.

Jaques Gernet meldt dan dat zeker in de periode vanaf de zesde-zevende eeuw in China tempels werden gebouwd op heuveltoppen. Enerzijds volgde men daarmee voorboeddhistische gebruiken, bijvoorbeeld die van de daoïsten, of tempels ter ere van de luchtgod die regen moet brengen, anderzijds stonden die tempels op stukken grond waar landbouwers geen brood in zagen (Duunmieren is in Zuid-Holland de benaming voor landbouwers die zich vlak achter de duinrand op de arme gronden vestigden).
Hij citeert documenten waaruit blijkt dat de monniken zelf de magere grond openbraken, waarna door de keizer aan hen toegewezen boerenfamilies er landbouw en veeteelt op konden, lees: moesten plegen. Tot zover Gernet.
Denk bij dat door monialen zelf ontginnen van braak liggende grond aan het verhaal waarin Boeddha's vader Soedhódana ieder jaar, aan het begin van het zaaiseizoen, zelf de eerste vore trok, een gebruik dat nog heel lang in stand is gehouden, en dat, waarschijnlijk, door de Chinees-boeddhistische monnikengemeenschap is geïnternaliseerd — zijn wij eventjes die koning die zijn zorgzaamheid naar het landbouwersleven tot uitdrukking brengt.
Het moet in die tijd zijn geweest dan een ch'an-gezegde zijn intrede deed: houthakken en waterdragen, dat is de Weg van het Midden. Zo totaal in tegenspraak met het "gij zult niet arbeiden" van de vroege vinaya.

Zo'n boeren-tempelfamilie, zegt de auteur, heette een kloosterdorp of tempeldorp. Hij heeft dat aspect van de tempeldorpen niet goed begrepen want hij spreekt wel over het aan de tempels toewijzen van misdadigers die op die manier de doodstraf ontliepen — maar en passant wel in een soort lijfeigenschap kwamen te verkeren, maar hij heeft niet gezien dat die ontwikkeling niet zijn ontstaan binnen de monialengemeenschappen had, maar binnen de paleiszalen. Op p. 145 citeert hij een document uit de zesde eeuw waarin staat: "De prins van Chin, uit het huis van de Sui, ... schonk in de loop van de tijd, alles bij elkaar, meer dan zeventig huishoudens (ssu-hu, "tempelfamilies", van tot lijfeigenen gemaakte gevangenen), ..." aan de Ch'ing-ch'an-tempel in de buurt van de hoofdstad. Zie voor lijfeigenen ook de volgende alinea en voetnoot 5. Die ssu-hu bleven vervolgens van generatie op generatie lijfeigen. We moeten aannemen dat alleen de keizer de bevoegdheid had om deze mensen vrij te maken; een ga heen en zorg voor uzelf uit de mond van boven hen gestelde abten zou waarschijnlijk als ongehoorzaamheid jegens de keizer zijn opgevat.

Je zou het bijna een teken van decadentie kunnen noemen dat op het moment, midden negende eeuw, wanneer tempelgemeenschappen hard worden getroffen door economische maatregelen vanwege het keizerlijk gezag, duizenden monniken en nonnen het ambt verlaten, hun bij hun aantreden meegebrachte landbouwgrond moeten achterlaten, om vervolgens toe te zien hoe het keizerlijk gezag besluit dat de als gevolg van onteigenende, beslagleggende, en in het leger inlijvende maatregelen zeer ontvolkte tempel nu teveel grond heeft — naar de maatstaven van al dan niet recente keizerlijke decreten, en dit vervolgens confisceert ten bate van het Hof of het regionale keizerlijke bestuur (ibid. p.134 met de nodige aanvullingen). Bij het intreden brachten boeren-aspirant-monialen soms hun grond in, én omdat ze als monnik/non geen wereldse goederen mogen bezitten(4), én geschonken als dankbaarheid jegens het ontvangen van de wijding. Jaques Gernet, net als anderen in zijn tijd opgevoed met een Kleine Voertuig-canon die stipuleert dat de monnik, en, denkt men dan, ook de tempel, totaal geen bezittingen heeft, op een aalmoezenkom, een lepel en een scheermes na, lijkt eerder de tempels een verwijt te maken, en vermocht blijkbaar niet in te zien dat zowel de aanvankelijke verkrijging van landbouwgrond, als de aanwas ervan, als het verlies rond 850-870 consequenties waren van oorzaken die voor een groot deel buiten de macht van de monialen lagen. Dat wil zeggen: de tempelgemeenschappen hadden geen keus dan zelf te gaan boeren; ze hadden geen keus bij het aanvaarden of weigeren van lijfeigenen(5); ze konden moeilijk nieuwbakken monniken en nonnen voor het hoofd stoten door aangeboden landbouwgrond te weigeren — wie zou er zich overigens dan over ontfermd hebben? —; ze waren niet verantwoordelijk voor het uittreden van zoveel monialen practisch tegelijkertijd, en ze hadden maar lijdzaam toe te zien hoe de keizer zich daarna grote stukken landbouwgrond toeeigende. Op een andere plaats toont Gernet dan wel degelijk dat hij tot op zekere hoogte doorhad hoe de vroege boeddhistische tempelgemeenschappen, onder druk van omstandigheden, canoniek vastgelegde levensregels moesten verlaten danwel bijstellen (p.153). Hij is in zijn beoordeling van verschillende zaken niet consequent, en spreekt zichzelf, beladen onder een veelheid aan documenten die in meer dan een richting uitgelegd kunnen worden, op bepaalde plaatsen tegen.

Met het sedentair geraken van de boeddhistische moniale gemeenschap in China zien we dat ze niet meer afhankelijk waren van wat de lekenvolgelingen in hun aalmoezenkom plaatsen. Men kon van de landbouwproducten leven, en zelf een dieet ontwikkelen dat gezond was en dieren spaarde.
Maar het was niet zo dat vegetarisme een aansprekende levensvorm voor het gros van de bevolking was. Ongetwijfeld zullen ook in China — zoals dat ook het geval was in Europa — mensen voornamelijke vegetarisch hebben geleefd, maar uit noodzaak, niet omdat ze dat zo fijn vonden. Nog in de tachtiger jaren van de vorige eeuw wond de eigenaar van een keten franse wegrestaurants zich op toen hem verweten werd niet "la cuisine française" op het menu te hebben: "ils bouffaient des fèves!", riep hij uit (ze (de mensen) vr.. bonen!).
Jaques Gernet citeert een document (p.115) waarin weer eens geklaagd wordt over de explosieve toename van boeddhistisch monialen. Het is niet helemaal zeker waar Gernet naar verwijst wanneer hij de "vroeg zesde-eeuwse" "Nan shih" erbij haalt; ofwel is er sprake van de Nan Ch'u shu die werd geschreven door iemand die leefde tussen 489 en 537, ofwel hij heeft het over de Nan shih die in 629 zou zijn opgetekend. In ieder geval is er sprake van de stad Nanjing (Nanking) in de Yangtze-vallei. Er wordt dan een dreigement geuit of een nieuwe regel afgekondigd ... "Laat het de monniken en nonnen verplicht worden uitsluitend vegetarisch te eten ... (anders komen er maar overal kloosters en heeft het keizerrijk op den duur geen stukje land of onderdaan [die belasting kan betalen of in het leger kan worden ingelijfd] meer over)." Het Nanjing van de 4de/5de tot de 8ste/9de eeuw wordt het centrum van "Gentry Buddhism" genoemd, een filosofische opvatting van het boeddhisme zoals de goedgeschoolde hogere klassen dat aanhingen, in tegenstelling tot het devotionele boeddhisme zoals we dat tot op de dag van vandaag binnen de Chinese gemeenschap aantreffen. Het moet in die laatstgenoemde sectie van het boeddhisme zijn geweest dat vegetarisme min of meer tussen haakjes werd gezet; Boeddha permanent voor ogen houden, netjes leven in de zekere verwachting van na het overlijden in het Zuivere of Reine Land te geraken had in wezen zelfs geen wijding tot moniaal nodig(6).
Het vegetarische dieet was dus niet voor iedereen zo aanlokkelijk. Zelfs binnen de tempel-kloosters week men er hier en daar, of af en toe, van af. En ook vandaag schrikt het kandidaten voor de monialen-wijding af. Tempelleidingen zijn stilletjes wel blij met niet al te overtuigde aspiranten; je stopt er ik weet niet hoeveel tijd en energie in, en dan lopen ze alsnog weg.

Voorts lijkt inmiddels de gedachte te hebben postgevat dat alle boeddhisten vegetariër zijn. Dat is niet zo. De lekengemeenschap kan eten en drinken wat ze willen, waar ze willen, en wanneer ze willen. Alleen op die dagen waarop ze de acht levensregels voor 48 uur aanhouden blijft binnen de Chinees-boeddhistische burgerkeuken vlees en vis buiten beschouwing, meestal, of soms.

Gernet citeert bovendien een document waarin staat dat aan de tempeldorp-landbouwers jaarlijks een x-hoeveelheid geld gegeven werd waarmee ze wijn konden kopen. Voorts was, en is, het de monialen-gemeenschap per Code (vínaya) toegestaan een kleine hoeveelheid alcohol tot zich te nemen als geneesmiddel. Zo is er in een van de Dunhuang-tempeldocumenten sprake van (gegiste) koumiss.



(1) Het vegetarisme van Korea en Japan gaat meestal, althans in de burgermaatschappij, niet verder dan vleesloos eten, maar wijst het eten van vis niet altijd af.
(2) "Buddhism in Chinese Society; an economic history from the fifth to the tenth centuries", New York 1995.
(3) Niettemin zijn er altijd kleine tempelgemeenschappen geweest die zich zelfstandig vestigden, en die met enige regelmaat de ire van de keizers opwekten: hoeveel van die monniken en nonnen waren er dan wel. Dat wil zeggen, hoeveel belastingopbrengsten en hand- en spandiensten loop ik mis? En wat zeggen ze over me; verbergen zich hier potentiële opstandelingen?
(4) Wanneer Jaques Gernet schrijft dat monialen leven in "eigen" tempels, met een "eigen" inventaris, geschonken door familieleden, dan is hij er niet van op de hoogte dat al deze spullen in bruikleen zijn gegeven, en na het overlijden van de moniaal terug gaan naar de familie — die er weer een andere monnik of non mee kan inrichten, of het kan schenken aan de monnikengemeenschap als geheel. Het is nog steeds not done om een tot privétempel omgebouwd woonhuis na verlaten ervan weer een burgerbestemming te geven; men zoekt er opnieuw een monastieke bestemming voor, ervaringen als men heeft met nieuwe bewoners die menen dat ze zich de "powers" die in het pand zouden hangen hebben toegeëigend om vervolgens het medium te gaan uithangen.
(5) Toezien hoe ze ter dood werden gebracht was geen optie. De bodhisattvagelofte "ik zal alle wezens redden (van een wisse dood)" moet al langs de Zijderoute zijn ontstaan met zijn centra waar krijgsgevangenen werden verhandeld en/of werden gedood. Die gelofte kreeg temeer practische waarde in de Chinees-moniale gemeenschappen.
(6) Het voortdurend Boeddha voor ogen houden (Chin.: nien-fo, Sanskr.: Buddhanusmrti) als min of meer meditatieve praktijk die in "de aanhouder wint" zeker leidt tot na dit leven in het Gelukzalige Land geraken, mag niet verward worden met God smeken je op te nemen in zijn hemel. In het Reine- of zuiver Land-boeddhisme wordt niet gesmeekt, met ongewis resultaat, maar hard gewerkt; men heeft het zelf in de hand. Dat laatste, zelf verantwoordelijk zijn voor een zeker resultaat, is de filosofie achter deze stroming, een filosofie die sec genomen volkomen overeenstemt met de algemeen geldende boeddhistische insteek van eigen verantwoordelijkheid.



Terug naar "Alledaags boeddhisme"
Naar de archiefpagina | Naar de soetraspagina


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme